De deeleconomie zoals die nu bestaat deugt niet, vindt Pacific Standard. Deelnemers hebben nauwelijks zeggenschap en de winst vloeit naar een kleine groep aandeelhouders. Door een coöperatievere manier van werken kunnen we zelf de touwtjes in handen nemen.
De internetcultuur blijkt de betekenis van doodgewone woorden te kunnen veranderen. ‘Democratisering’ betekent tegenwoordig dat meer mensen online vliegtickets of aandelen kunnen kopen, terwijl de associaties van weleer – juryrechtspraak en stemhokjes – naar de achtergrond zijn gedrongen. ‘Verdringing’ (of ‘disruptie’) wordt zonder blikken of blozen als iets positiefs bestempeld; men doelt niet op de ontslaggolven en de sociale ontwrichting die ontstaan wanneer het ene bedrijf het andere uit de markt drukt, maar slechts op het aansprekende verhaal van een David die een Goliath verslaat. En dan is er nog het ‘delen’. Vroeger deelden we goederen met mensen in onze leefomgeving. Delen is nu het woord dat wordt gebruikt voor de financiering van een techstart-up die ons in contact brengt met mensen die wij vervolgens kunnen betalen om hun huis, auto of lego te mogen gebruiken.
De zogeheten deeleconomie had nog maar nauwelijks het licht gezien of velen beseften dat de slogans over vertrouwen en netwerken slechts een list waren om mensen geld afhandig te maken. Maar deze list verandert nog steeds de manier waarop we werken. Platforms zoals Uber en Amazon Mechanical Turk [een digitaal platform waarop je eenvoudige klusjes kunt uitbesteden] gebruiken het feit dat ze op internet zitten om niet alleen de douane te omzeilen maar ook de regels omtrent fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. Ze staan op het punt om werknemers op het gebied van arbeidsrecht meer dan een eeuw terug in de tijd te zetten. Maar dankzij datzelfde internet is dit het ideale moment om een economie van de grond te tillen waarin de deelnemers daadwerkelijk eigendom en daadwerkelijke zeggenschap delen.
Deelnemers centraal
Probeert u zich voor te stellen hoe anders Mechanical Turk eruit zou zien als de duizenden medewerkers ook mede-eigenaar van het platform zouden zijn. Ze zouden besluitvormingsapps kunnen gebruiken, zoals DemocracyOS of Loomio, om te beslissen aan welke beleidslijnen de werkgevers zich moeten houden. Ze zouden hun aandelen online kunnen beheren. Als het platform het goed doet, zouden ze kunnen beslissen hoeveel dividend ze zichzelf willen uitkeren en hoeveel ze willen investeren in onderzoek en ontwikkeling. Ze zouden ongekend gemotiveerd zijn om het platform bij potentiële klanten aan te prijzen. Het succes van het platform zou hun succes zijn. En zou Facebook er niet ook anders uitzien wanneer de gebruikers tevens eigenaar waren en zelf konden bepalen wat er met hun gegevens gebeurde? Of Uber?
Het is allemaal mogelijk. Neem de in Denver gevestigde coöperatie Green Taxi, die zijn eigen app heeft om een taxi te bestellen – het gemak van Uber, met als verschil dat de chauffeurs niet zijn overgeleverd aan regels die zijn opgesteld door een vrijwel anoniem bedrijf dat een deel van de winst opstrijkt. Het Israëlische La’Zooz zit al meer in de hoek van de sciencefiction: het is een autodeelsysteem dat gebruikmaakt van de technologie die ten grondslag ligt aan de bitcoin, waarbij zowel bestuurders als meerijders mede-eigenaren worden.
Zou Facebook er niet anders uitzien als de gebruikers tevens eigenaar waren?
Onze economie bestaat meer en meer uit kortlopende klussen die slechter worden betaald en minder zekerheid bieden dan in het verleden. Coöperaties zijn een manier om de deelnemers centraal te stellen. Met de hulp van Bay Area’s Sustainable Economies Law Center is het bedrijf Loconomics bezig een alternatief voor TaskRabbit [eveneens een klusjesplatform] te ontwikkelen dat in handen is van de medewerkers.
Voor zo ongeveer elk ouderwets bedrijfsmodel waar wij op leunen is er een coöperatievere manier van werken denkbaar. De Amazon-achtige marktplaats Fairmondo, gevestigd in Duitsland, is in handen van de gebruikers en is daarmee iets heel anders dan een monopolist die de strijd aanbindt met uitgevers. Social media-federaties zoals Diaspora en Friendica maken duidelijk dat we over alle functionaliteiten van Facebook en Twitter kunnen beschikken zonder de zeggenschap te verliezen over wat er gebeurt met alle privégegevens die we daaraan toevertrouwen.
Er zijn offlineredenen waarom de grote onlineplatforms gewoonlijk niet zo in elkaar steken – het is in elk geval niet zo dat de technologie ontbreekt. De meeste techbedrijven verkopen hun eigendomsrechten en zeggenschap aan rijke investeerders, wier voornaamste belang is om snel veel geld te verdienen. Durfkapitalisten zijn dol op ondernemingen die snel kunnen groeien zonder al te veel gedoe met werknemers die een humane behandeling eisen. De Uber-investeerders zullen staan te juichen zodra ze de chauffeurs kunnen vervangen door zelfrijdende auto’s.
We moeten onze cultuur en onze drijfveren weer met elkaar in balans brengen
Wie de burelen van een groot techbedrijf betreedt, zou de indruk kunnen krijgen dat de egalitaire utopie werkelijkheid is geworden. Ontwikkelaars rijden op een stepje door immense kantoortuinen en besluiten ter plekke in welke van de vele projectgroepen, die voortdurend in ontwikkeling zijn, ze hun tijd willen steken. Men heeft het over de do-ocracy [een organisatiestructuur waarin mensen zelf hun rollen en taken kiezen] en de holacracy [een systeem dat autoriteit en besluitvorming verdeelt over zelfstandige, autonome teams].
De internetcultuur heeft ons veel geleerd over samenwerken. Maar deze utopie strekt zich – op hier en daar een aandelenpakket na – niet uit tot eigendom en zeggenschap. Uiteindelijk is de onderneming erop gericht de winst te maximaliseren in het belang van de investeerders, die al dan niet betrokken zijn bij het daadwerkelijke product. De voorkant van het internet, waarin gelijkheid het motto lijkt, verhult het deprimerend vertrouwde bedrijfsmodel aan de achterkant.
We hebben een keuze. We kunnen steeds meer de richting opgaan van Uber en Mechanical Turk, waar het werk geen zekerheid biedt, onpersoonlijk is en door anderen wordt ingevuld. Of we kunnen bouwen aan de onlinearbeidsplaatsen die een democratische samenleving verdient. Dat houdt in dat de mensen die de boel draaiende houden – of dat nu thuisgebruikers zijn of programmeurs op kantoor – een aandeel kunnen hebben in de beslissingen, en daar vervolgens ook de vruchten van kunnen plukken. Dat wil zeggen dat projecten gefinancierd worden met middelen die we als groep beheren, in plaats van terug te vallen op markten die ongelijkheid in de hand werken. Dat kan ook beteken dat er nog wel wat dotcomzeepbellen uit elkaar zullen spatten.
Voor zo ongeveer elk ouderwets bedrijfsmodel is een coöperatievere manier van werken denkbaar
Een coöperatiever internet ligt alleen binnen bereik als we onze cultuur en onze drijfveren weer met elkaar in balans weten te brengen – en daarnaast de woorden die we gebruiken een andere invulling geven. De overheid zou bijvoorbeeld voorrang kunnen geven aan aanbieders die in hun eigen beleid een werkelijk democratisch uitgangspunt hanteren. Techjournalisten kunnen besluiten zich niet langer positief uit te laten over disrupties in de markt die werknemers niet méér zeggenschap over hun bestaan geven. En wie de loftrompet steekt over de deeleconomie zou kunnen benadrukken dat bij het delen ook het eigendom zou moeten worden betrokken.
Dit is eerder een praktische dan een ideologische uitdaging. Het gaat er niet om een starre, rechtlijnige praktijk te ontwikkelen. Waar het wél om gaat, is dat we een wereld scheppen waarin een jonge, veelbelovende ondernemer – iemand die niets liever wil dan iets nieuws en goeds in de markt zetten – inziet dat hij het beste volgens democratische principes te werk kan gaan.
Auteur: Nathan Schneider
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
Nathan Schneider schrijft over politieke, economische en religieuze ontwikkelingen in de VS. Hij was de eerste journalist die over Occupy Wall Street schreef voor o.a. Harper’s Magazine, The Nation, The New York Times en publiceerde daarover in 2013 Thank You, Anarchy: Notes from the Occupy Apocalypse.
Pacific Standard
Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000
Dit in 2008 opgerichte tijdschrift droeg tot 2012 de achternaam van oprichter Sara Miller McCune, die ook eigenaar is van de internationale uitgeverij Sage Publications. PS is onderdeel van de non-profitorganisatie Miller McCune Center for Research, Media and Public Policy. Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.

