1 straat van de angst


In het westen gelden de troepen van de ‘Islamitische Staat’ als symbool van het kwaad. In Irak is dat anders; daar zijn veel mensen banger voor hun vijanden. De staat valt uiteen – en in Bagdad wordt een smalle straat tot frontlinie.  

Ten einde raad zit ik op het bed van mijn hotelkamer in Bagdad, mobieltje in de hand. Mijn hand trilt. Ik wil het nummer van de redactie in Hamburg bellen, en tik steeds weer verkeerd. Een paar minuten geleden ben ik gebeld. ‘Goedendag,’ zei een ambtenaar van het Bundeskriminalamt [de federale recherche] in Berlijn. ‘Er dreigt een ontvoering voor u en uw fotograaf.’ De ontvoerders zouden onze namen en ons hotel kennen. Wie ons bedreigde wist hij niet. Wanneer ze ons wilden kidnappen ook niet. Waarschijnlijk kon het elk moment gebeuren.

Haastig pakken we in: passen, geld, notities, camera’s. De ritssluiting van de rugzak zit vast. Ik trek en ruk. Ik hoor voetstappen voor mijn deur. Ik luister. De voetstappen verwijderen zich. Ik loop naar het raam, zie beneden bij de ingang een groep jonge mannen die naar boven kijken. Ze lachen. Als ik even later nog eens naar beneden kijk, zijn ze verdwenen. Uit de Duitse ambassade komt het bericht dat men overweegt een bewapend konvooi te sturen om ons te redden. Zo eindigt ons onderzoek.

Bagdad was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden

Reizen naar Irak zijn al jaren reizen naar een wereld in verval. Maar zelden heeft een reis in dit land me zo van mijn stuk gebracht. Bagdad, een metropool met zeven miljoen inwoners, was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden. De meeste uitvalswegen zijn geblokkeerd of extreem onveilig. De strijders van Islamitische Staat belegeren Bagdad in het westen en in het noorden. Ze hebben duizenden mensen vermoord en een paar dagen geleden is de antieke vestingstad Hatta verwoest. Hun bulldozers veranderden de millennia oude gebouwen in stof.

Wat vanuit Europa vaak lijkt op een strijd tussen fanatieke en gematigde moslims, is feitelijk een conflict tussen de beide grote geloofsrichtingen in de islam. Voor IS strijden uitsluitend soennieten, de belangrijkste soennitische stammen hebben met de fanatici een gelegenheidsverbond gesloten. Het Iraakse leger, waarin aanhangers van beide geloofsrichtingen samen dienden, is grotendeels uiteengevallen omdat de meeste soennieten hun eenheden in de steek hebben gelaten. De verdediging van de stad is overgenomen door een inderhaast samengesteld leger van sjiitische milities. Ze konden de opmars van IS tot staan brengen en maken zich nu op voor een tegenoffensief. Er dreigt een grote catastrofe in het Midden-Oosten: de definitieve ineenstorting van Irak. Een openlijke oorlog tussen soennieten en sjiieten. Elke overwinning in deze oorlog zou een nederlaag zijn.

Een soldaat van de sjiitische Badr-brigade in gebied dat begin vorig jaar werd terugveroverd op IS. – 
© Stanislav Krupar
Een soldaat van de sjiitische Badr-brigade in gebied dat begin vorig jaar werd terugveroverd op IS. – 
© Stanislav Krupar

Twee weken voor de dag waarop we horen dat we ontvoerd zullen worden, zien we voor het eerst de straat die heel onschuldig ‘Straat van de bomen’ heet, en die in werkelijkheid een straat van angst is. Die markeert in het westen de lijn waarlangs Irak uit elkaar wordt gerukt, de grens tussen sjiieten en soennieten, de grens tussen degenen die driemaal per dag bidden en degenen die het vijf keer doen. Tussen hen die bij het gebed de handen langs hun zij laten hangen en hen die ze voor hun buik vouwen. Tussen degenen die eeuwen geleden van mening waren dat slechts één familielid van de profeet Mohammed de opvolger van de godsdienststichter kon worden, en degenen die dat een ketterij vonden.

De Straat van de bomen is de grens tussen twee buitenwijken in het westen van Bagdad, het soennitische Ghasalija en het sjiitische Shuala. Slechts tien kilometer hiervandaan begint het kalifaat van IS. Hoe verder je de straat inrijdt, hoe moeilijker het wordt waanzin van redelijkheid, en redelijkheid van waanzin te onderscheiden. En hoe begrijpelijker de krankzinnigheid wordt die zoveel soennieten naar IS drijft.

Bij de toegang tot de Straat van de bomen danst een politieagent dromerig met uitgestrekte armen, op zijn rug een kalasjnikov. ‘Kom!’ zingt hij. ‘Vooruit!’ Hij draait om zijn as, hupt op de punten van zijn laarzen, regelt het verkeer met armgebaren, lacht. Als in trance staat hij daar tussen de betonblokken van zijn controlepost, die vaak het doel is van aanslagen. ‘Drugs,’ zegt Moataz, onze chauffeur, die veel meer is dan chauffeur. Moataz rijdt ons in zijn gele taxi de stad uit, tot aan het eind van de straat. Niet te snel, niet te langzaam, om maar niet op te vallen. Moataz is eenendertig, gemoedelijk en zo dik dat hij nauwelijks achter het stuur past. Hij woont in de buurt en kent de gevaren. De Straat van de bomen is nog geen tien meter breed. Aan beide zijden groeien palmen. De huizen links, waarin de soennieten wonen, verschillen op het eerste gezicht helemaal niet van die rechts, waarin de sjiieten leven. Bruine gebouwen met een verdieping, met kleine tuintjes en grote dakterrassen.

nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak.

Vrijwel niemand steekt de straat over. We rijden langs een voetbalstadion. Het werd in 2012 aan de sjiitische kant gebouwd als teken van verzoening, maar is nog nooit werd gebruikt omdat niemand daar durft te spelen. We passeren een soennitische moskee, waarvan de muren zwaar beschadigd zijn door granaatinslagen. Sjiitische milities hebben die in 2007 onder vuur genomen omdat zich er scherpschutters van Al-Qaida verschanst hadden. De imam werd onlangs op straat dood geschoten, nu vreest de opvolger voor zijn leven.

Aan de sjiitische kant woont de vijfentwintigjarige Muktada. Hij is een van de bewoners van de grensstraat die met ons durven te spreken. Over enkele dagen gaat Muktada trouwen; hij moet meubels kopen, beddengoed en sieraden. ‘Je moet niet bang zijn,’ zegt hij tegen zijn bruid, die na de bruiloft bij zijn familie zal intrekken. ‘Dan ben je bij mij, ik zal je beschermen.’

We zullen hem, zoals al onze gesprekspartners, buiten de wijk ontmoeten, op een plek die veilig is voor alle betrokkenen. Wij, de journalisten, vrezen ontvoerd te worden. Onze gesprekspartners zijn bang met ons gezien te worden. Dan zouden er snel geruchten kunnen ontstaan dat zij zich verhuren als spionnen voor westerse geheime diensten.

Door de autoruiten zien we nu aan de soennitische kant het huis van een kleuterschooljuf. Ook zij heeft het deze dagen druk. Het nieuwe schooljaar begint. Ze wil een groot feest geven om de tweehonderd nieuwe kinderen en hun ouders te verwelkomen. ‘Het feest,’ zal ze ons vertellen, ‘moet perfect worden.’

Twee wijken

De straat scheidt twee wijken die ooit deel wilden zijn van een trotse natie. Links, aan de soennitische kant, ligt Ghasalija, de ‘stad van de vrede’, een naam die de voormalige dictator en soenniet Saddam Hoessein de wijk gaf. Er wonen honderdduizend mensen. Eengezinswoningen met goed onderhouden tuinen verlenen Ghasalija de charme van een Amerikaanse buitenwijk. Voor de Amerikaanse invasie woonden hier militairen en academici. Ghasalija was opgezet als een organogram van de Iraakse staat. Er waren speciale gebieden voor piloten, atoomtechnici, journalisten en bewakers van de presidentiële paleizen. Toen al leefden hier vooral soennieten.

Rechts van de straat, aan de sjiitische kant, ligt Shuala, ‘de fakkel’, een wijk van armen en arbeiders, gebouwd voor de werknemers van de grote steenfabriek van de hoofdstad. Deze wijk, met tweehonderdduizend inwoners, is het Harlem van Bagdad. Onder Saddam waren de sjiieten uitgesloten van de meeste politieke functies. Steeds weer kwamen ze in opstand tegen de dictator, die tienduizenden van hen liet doden. En toch leefden toen in veel straten van Ghasalija en Shuala sjiieten en soennieten samen. Deze co-existentie bleef aanvankelijk intact na de invasie van de Amerikanen, maar begin 2006 verwoestte een aanslag de gouden moskee van Samarra, ten noorden van Bagdad, een van de grote heiligdommen van de sjiieten. De verdenking viel op soennieten; nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak. In de twee jaar daarna vonden alleen al in Ghasalija en Shuala duizenden mensen de dood.

De stad werd opnieuw verdeeld. Soennieten trokken naar soennieten, sjiieten naar sjiieten. Tijdens de Amerikaanse bezetting sloten Amerikaanse troepen delen van Ghasalija af met betonnen wallen, 32 kilometer lang. Ze probeerden de haat te isoleren, zoals de atoomindustrie radioactief afval isoleert. Ze goten hem in beton, om af te koelen.

Aan de rand van beide buitenwijken leven de Ashwatat, illegale inwoners, wier krottenwijken de stad omringen. De meesten zijn door de oorlog op drift geraakt; dagelijks worden het er meer. De soennieten onder hen vestigen zich aan de rand van Ghasalija, de sjiieten aan de periferie van Shuala. In de zone van de Ashwatat heeft de ontbinding van de Iraakse staat het eindstadium bereikt. De rechteloosheid van de houten hutten omgeeft de buitenwijken van de metropool als een meteorietenzwerm, oncontroleerbaar en onheilspellend.

Op de grens van de beschaving, in het stadskantoor aan de sjiitische kant, zit Muktada, de aanstaande bruidegom, achter een hoge wal van zandzakken. Hij spreekt goed Engels, heeft zijn haar met gel strak achterover gekamd. Elke dag hoort Muktada de klachten aan van vluchtelingen uit de omstreden provincies. Muktada is een poortwachter van de Iraakse bureaucratie: hij reikt aan nieuwe burgers de Tahid uit, het aanmeldingsformulier voor de burgerlijke stand.

Een soennitische in een zwarte chador staat druk gebarend voor hem. ‘Zonder je man kan ik je geen papieren geven!’ zegt Muktada. Ze is op de vlucht voor de belegeraars van Bagdad, zegt ze. Haar man mocht het dorp niet verlaten, IS zou dat verhinderen. ‘Hoe kan ik weten of hij niet voor IS vecht?’ zegt Muktada met een bitter lachje. ‘Mijn man is geen terrorist!’ zegt de vrouw en begint te huilen. ‘Ik ken je niet,’ zegt Muktada. Hij wuift haar weg. Soms verbaast hij zich over zichzelf, hoe hard hij kan zijn. ‘Dat is mijn werk,’ zegt hij.
Muktada’s leven volgt een vast stramien. Nooit komt hij in soennitische buurten; hij vreest herkend te worden als sjiiet. Hij drinkt zijn thee altijd in dezelfde cafés, waar hij altijd dezelfde vrienden treft. Mensen die hij kan vertrouwen.

Een lid van de sjiitische Badr-brigade zwaait met een vlag en een wapen. – © Stanislav Krupar
Een lid van de sjiitische Badr-brigade zwaait met een vlag en een wapen. – © Stanislav Krupar

In de Straat van de bomen is de angst gelijk verdeeld over beide zijden. Als we hem buiten de wijk ontmoeten, vertelt Muktada over de ontvoeringen. Daarbij gaat het allang niet meer om vriend of vijand, sjiiet of soenniet. De ontvoeringen hebben zich in Irak ontwikkeld tot een criminele bedrijfstak, zoals elders de drugshandel. Muktada vertelt over een dag waarop drie mensen gekidnapt werden, allen in de buurt van zijn huis. Een makelaar die ze uit zijn kantoor gesleept hebben, een twaalfjarige jongen die op weg naar school werd overvallen, en een voormalig officier die op straat liep. De ontvoerders trokken een zak over zijn hoofd en gooiden hem in de kofferbak van hun auto.
Hoe dichter de chaos van de gevechten de stad nadert, hoe meer ontvoeringen er plaatsvinden. Volgens een hoge regeringsambtenaar zijn er soms wel zeventig gevallen per dag. De meeste ontvoerden komen na betaling van hoge losgelden weer vrij.

Er zijn dagen waarop Muktada van zijn straat houdt. De familie van zijn verloofde, een achttienjarige sjiitische, woont maar een paar huizen verderop. ‘Jij bent de eerste vrouw in mijn leven,’ zegt hij altijd tegen haar. Een leugentje om bestwil. Zijn eerste vriendin, bekent hij ons, was een soennitische. Ze leerden elkaar kennen op de universiteit. Ze had een lief gezichtje, zei hij. En ze was slim. Maar de families waren ertegen.

Als Muktada uit het stadskantoor terugkomt in zijn wijk, gaat hij naar het huis van de familie van zijn verloofde. Ze houden elkaars hand vast en de moeder schenkt het paar thee in. Voor de verloving heeft het meisje alleen een foto gezien van Muktada. Hij beviel haar. Bovendien heeft hij een stabiel inkomen. Na de verloving duurde het drie dagen voor ze begon te praten. ‘Ik ga je silent girl noemen als je zo stil blijft,’ dreigde hij lachend. Zij lachte ook. Het ijs was gebroken.

Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom

Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom. Een rookkolom stijgt op. Brandende auto’s maken de wolk steeds groter: uit de eerste rookkolom zwelt een tweede op, en een derde. Dan drijft de wind ze uiteen tot zwarte sluiers.

De bom zou zeven mensen gedood hebben, hoort Moataz, onze begeleider, later. Er was een politiepost aangevallen. In de kranten en op het internet vinden we er niets over. De Iraakse regering doet haar best om de schijn op te houden dat Bagdad veilig is.

Een paar jaar lang zag het ernaar uit dat de betrekkingen tussen sjiieten en soennieten genormaliseerd zouden kunnen worden. De soennieten uit Ghasalija begonnen de markt in het sjiitische Shuala weer te bezoeken, waar de groente heel goedkoop is. De sjiieten uit Shuala waagden zich weer op de Naffla-markt in het soennitische Ghasalija, die bekendstaat om zijn grote assortiment stoffen.

Maar de haat tussen soennieten en sjiieten vlamde op 28 februari 2013 weer op. In het grote stadion van Shuala ontplofte een bom te midden van de toeschouwers. De wedstrijd om de derde plaats van het lokale voetbalkampioenschap was juist begonnen. Zeventien mensen kwamen om, de meesten kinderen en jongeren. Er waren meer dan honderd gewonden.

De daders konden alleen soennieten zijn, meenden de sjiieten. Hun milities zwermden uit naar Ghasalija, ontvoerden tientallen mensen naar Shuala, lieten er enkele vrij tegen losgeld en vermoordden de anderen. De soennieten noemen de sjiitische wijk aan de andere kant van de straat nu ‘de stad waaruit de mensen niet terugkomen.’

De moordenaars gooien hun slachtoffers meestal op een stuk land naast de autoweg, dat bedekt is met vuilnis, bouwafval en dode dieren; bijna dagelijks vindt de politie daar lijken. In de afgelopen week, werd ons verteld, waren het dertien mannen, geboeid en geëxecuteerd.

Al jaren voelen de soennieten van Ghasalija zich tweederangsburgers. Ze verwijten de door sjiieten gedomineerde Iraakse regering dat de soennitische wijken worden achtergesteld. In het sjiitische Shuala wordt vuilnis opgehaald, in het soennitische Ghasalija niet. Daar kruien de inwoners hun afval zelf naar de rand van de wijk en verbranden het daar. Een vette rook hangt dan over de huizen.

Dat heeft niets te maken met achterstelling, zegt de sjiiet Muktada van het stadsbestuur: ‘Onze vuilnismannen durven Ghasalija niet in.’ Want ze zijn sjiieten. Het bestuur in het westen van Bagdad neemt geen soennieten in dienst, dat geldt ook voor de vuilnisophaaldienst.

Strijd tegen IS

In Ghasalija is geen ziekenhuis, en de kliniek in Shuala ligt zo ver in de sjiietenwijk dat de soennieten er niet heen durven. Dus brengen ze hun patiënten naar het ziekenhuis van Jarmuk, in het zuiden van Bagdad, ook de zwaargewonden. Dat is een uur rijden; sommigen sterven onderweg. In hun haat vuren soennieten granaten af op Shuala, altijd op vrijdag, de gebedsdag. En voeden daarmee alleen maar de wraaklust van de sjiieten.

‘Ghasalija moet gezuiverd worden,’ zegt sjeik Ahmed, leider van een sjiitische militie, in zijn hoofdkwartier in de binnenstad van Bagdad. Zijn militie is een van de tientallen sjiitische vrijwilligersformaties die in de afgelopen maanden zijn opgericht. In de zomer van 2014 riep grootayatollah Ali al-Sistani, de hoogste leider van de Iraakse sjiieten, alle Irakezen op tot de strijd tegen IS.

Terwijl het leger binnen een jaar inkromp van 210.000 tot 48.000 man, groeide na de oproep van de ayatollah het aantal bewapende militieleden tot naar schatting 120.000 strijders. Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over 12.000 man. Veel van zijn strijders komen uit Shuala.

Nieuwe vrijwilligers worden ingezworen. – © Stanislav Krupar
Nieuwe vrijwilligers worden ingezworen. – © Stanislav Krupar

De sjeik loopt op krukken. Hij is onlangs aan het front op een mijn gestapt. De artsen wisten zijn been gelukkig te redden. Hij draagt een grijze baard, een witte tulband en een camouflagepak. ‘Ik ben nu generaal-majoor,’ zegt hij. ‘Ik leid een divisie.’ Eerder was hij een huurling in de Syrische burgeroorlog, waar hij aan de kant van de sjiitische dictator Bashar al-Assad vocht.

In de hal staan zes lijfwachten van de sjeik, in nieuwe kogelvrije vesten van het Amerikaanse leger, helemaal in het zwart. De sjeik zit achter een vrijwel leeg bureau. De Iraakse vlag aan zijn rechterzijde heeft hij speciaal voor de fotograaf van Die Zeit gekocht, zoals onze chauffeur Moataz vooraf telefonisch vertelde. Ook de villa waarin hij ons ontvangt, heeft hij alleen voor ons bezoek betrokken.

Sjeik Ahmed somt de veldslagen op die hij met succes tegen IS heeft gevoerd. Midden in zijn verhaal stokt hij en grijpt naar zijn rug, waar nog twee splinters van de mijn in zitten. Vlak bij de ruggengraat, zegt hij. Of wij niet een kliniek in Duitsland weten waar hij geopereerd kan worden?

Zijn smartphone, een witte Samsung, rinkelt. En blijft rinkelen. Tot nu toe heeft hij alle oproepen weggedrukt, maar nu zegt hij, na een blik op het schermpje: ‘Een ogenblik alsjeblieft’, en neemt de oproep aan.

‘Wij zijn klaar voor de overdracht van het geld,’ hoort onze begeleider Moataz de beller zeggen. De man spreekt met een smekende stem. ‘Wij zijn bereid om naar de afgesproken plek te komen.’

‘Er wordt aan gewerkt,’ zegt de sjeik. ‘Ik heb gasten.’

Hij beëindigt het gesprek, verontschuldigt zich voor de onderbreking en zegt dat de beller de eigenaar is van een ziekenhuis in Koerdistan, die hem heeft aangeboden de beide splinters gratis te verwijderen.

Schoolfeest

In Ghasalija, aan de soennitische kant van de Straat van de bomen, woont Raihana, de kleuterschooljuf. Moataz heeft ons haar bungalow aangewezen. Bij ons gesprek buiten de wijk draagt Raihana een bruin pak, dat ze combineert met een bruine hoofddoek. Haar ogen zijn donker omrand met kohl [een mengsel van roet en andere ingrediënten]. Ze zegt dat het bed in haar huis de plek is waar ze zich het veiligst voelt. Daar ligt ze urenlang, tussen dekens en kussens, terwijl de tv aanstaat. Alsof ze zo het rumoer van de wereld buiten een beetje kan dempen.

Het zijn de laatste vakantiedagen. Raihana vertelt over het geplande feest bij het begin van het nieuw schooljaar. ‘Wij zijn de enige kleuterschool in de buurt die zo’n feest geeft,’ zegt ze trots. Op vier vellen papier heeft ze alles genoteerd wat ze voor deze grote dag moet regelen. Het werk, zegt ze, is het enige wat haar in leven houdt.

De soennitische Raihana was ooit met een sjiitische man getrouwd. Twintig jaar geleden liep het huwelijk stuk, ook omdat haar familie altijd al tegen die verbintenis was. De uit hun huwelijk geboren zoon vluchtte in 2007 naar Jordanië. sjiitische milities waren haar huis binnengedrongen om hem mee te nemen. ‘Voor hen is hij een halve soenniet,’ zegt zijn moeder. Nu belt ze om de twee weken met hem. ‘Thuis wacht me alleen leegte. Mijn leven is eenzaamheid.’ Elke avond slikt ze tabletten om te kunnen slapen.

Raihana weet dat IS maar een paar kilometer verderop zit, dat de opstandelingen elk moment Ghasalija kunnen bezetten. De sjiieten zouden meteen de tegenaanval inzetten. Dagelijks legt Raihana geld opzij om te kunnen vluchten voor de straatgevechten. Naar de sjiitische woongebieden zou ze niet kunnen, omdat ze daar als soennitische vervolgd zou worden, zegt ze. En soennitische buurten in andere delen van Bagdad komen niet in aanmerking omdat IS ook daar invloed heeft. Dan zou alleen de binnenstad overblijven, waar aanhangers van beide geloofsrichtingen nog naast elkaar leven.

En toch is IS voor Raihana een gevaar dat ver weg lijkt in vergelijking met de bedreigingen in haar buurt. ‘Je gaat de straat op en denkt dat het veilig is. Maar plotseling gebeurt er iets, en je wordt ontvoerd,’ zegt ze. De dochter van een collega werd op weg naar school gekidnapt. Voor 10.000 dollar kon de moeder haar kind terugkopen. Een week geleden vonden politieagenten in een huis acht ontvoerde kinderen, opgesloten in de kelder. Raihana vertelt erover, maar niet lang. Dan gaat het weer over haar feest. Dat moet geweldig worden. De volgende morgen wil ze naar de markt om twee dozen in goudpapier verpakte toffees voor de kinderen te kopen. Ook wil ze vijftig kleine kaarsen kopen, zegt Raihana, en tweehonderd kartonnen bordjes en vijfhonderd ballonnen. ‘Ik zou willen dat de kinderen merken dat het een bijzondere dag is.’ De ballonnen zal ze oppompen, aan een touw knopen en boven de ingang van de school hangen. Ze moet morgen naar vier verschillende winkels voor die inkopen. Ze maakt zich zorgen of ze dat allemaal redt in een dag; acht controleposten moet ze passeren, en bij elke post wordt het verkeer opgehouden.

Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?

Onze begeleider Moataz rijdt ons na het gesprek naar het hotel. Het is laat geworden, hij is moe. Dan staat er midden op straat een politieagent die het verkeer tegenhoudt om een konvooi van de Veiligheidsdienst in te laten voegen. Moataz meent dat de agent hem een teken geeft om door te rijden. Hij geeft gas in plaats van te remmen. Met een ruk richt de agent zijn wapen op ons. We schreeuwen. Moataz stopt. Hij scheldt en trekt wit weg. In Bagdad voeren vele wegen naar de dood, vooral misverstanden.

Buiten de stad is de opmars van IS voorlopig tot stilstand gekomen. Maar nog altijd slagen de islamisten erin nieuw terrein te veroveren. Binnen twee weken vallen twee steden van elk 100.000 inwoners. Ook gematigde soennieten kunnen hun bewondering voor IS niet verhelen. ‘Hoe krijgen ze het voor elkaar?’ vraagt iemand uit de straat van de bomen. ‘Ze voeren tientallen veldslagen tegelijk en vechten tegen zeven legers.’

De strijders van IS namen bliksemsnel miljoenensteden in, wisten de grens tussen Irak en Syrië uit, en veranderden de kaart van het Midden-Oosten. De extremisten uit het buitenland die in de wereldpers figureren en de beruchte video’s maken, vormen maar een klein deel van de IS-strijders. De meeste manschappen worden geleverd door de grote soennitische stammen. Sinds de Amerikaanse invasie zijn er vier soennitische verzetsgroepen geweest. Die zijn nu allemaal versmolten met IS.

Het is vroeg in de morgen op de dag waarop Raihana snoepjes wil gaan kopen en Muktada zijn verloofde naar de juwelier wil brengen. Op deze dag verlaten wij de hoofdstad. Met een militair konvooi van de sjiitische Badr-militie rijden we de provincie Dijala in, die Bagdad verbindt met de Iraanse grens.

Drie weken geleden hebben de sjiieten het gebied op IS terugveroverd. De Badr-militie is de machtigste van hun strijdgroepen, naar eigen zeggen 50.000 man sterk, groter en slagvaardiger nog dan de militie van sjeik Ahmed. Een strijdgroep die zelfs een eigen tv-kanaal runt voor propagandadoeleinden. ‘Wees gerust!’ zegt een cameraman van de militie, met wie we in de jeep meerijden. ‘We hebben alle terroristen uitgeschakeld.’ De mediamensen van Al-Badr maken grappen en bediscussiëren de voordelen van de verschillende typen camera’s. Maar ze worden stil als we de controlepost aan de rand van Bagdad passeren en de stad verlaten.

Dit land draagt de sporen van vele oorlogen. De heuvelachtige vlakte waar we doorheen rijden, is bezaaid met betonnen wallen en hopen aarde. Steeds weer komen we langs wachttorens en politieposten, die vaak brandsporen van bomaanslagen dragen. ‘Dit is het begin van onze overwinning! We zullen de ene provincie na de andere bevrijden!’ roept generaal Muen al-Kadhimi bij onze eerste tussenstop tegen tachtig pas gerekruteerde vrijwilligers. ‘God en alle engelen kijken naar jullie!’ Het terugtrekkende IS heeft de bruggen over de rivieren opgeblazen. Ons konvooi steekt het water over op geïmproviseerde houtconstructies. We zien opgeblazen pantserwagens die naar men zegt van IS waren, maar misschien ook van het Iraakse leger. Op veldwegen en in irrigatiekanalen staan uitgebrande militaire voertuigen van Amerikaanse makelij. Overal wapperen de groene en zwarte vlaggen van de sjiieten, de kleuren van de veroveraars, want dit deel van Dijalas werd voor de oorlog overwegend door soennieten bewoond. ‘Saddam gaf ze zulke mooie huizen,’ peinst de cameraman. ‘En wij moeten in ellendige holen wonen.’

Aan het begin van een zijweg ligt het lijk van een man, half vergaan. Een sjiitische wachtpost staat er onaangedaan naast en staart naar ons konvooi. De dorpelingen die we passeren zijn allemaal beroofd. Dode geiten liggen in de beken.

 onder: Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over een privémilitie van 12.000 man. – 
© Stanislav Krupar
onder: Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over een privémilitie van 12.000 man. – 
© Stanislav Krupar

De generaal wil ons een moderne gascentrale tonen, in 2013 gebouwd door het Franse Alstomconcern, in 2014 door IS veroverd en drie weken geleden terugveroverd door de Badr-militie. Nu houdt een kleine eenheid van het Iraakse leger de heuveltop bezet, waarop gastorens blinken. De generaal hangt ook hier de winnaar uit. De officier van de legereenheid laat hij nauwelijks aan het woord komen. Het is duidelijk wie het in deze veldtocht voor het zeggen heeft: niet meer het reguliere leger, maar de sjiitische milities. De reguliere soldaten die de fabriek tegen IS moeten beschermen, bewapend met niet veel meer dan kalasjnikovs, en omgeven door open veld, maken een timide indruk.

Slechts enkele uren eerder zijn op de enige weg naar de centrale drie springladingen geëxplodeerd. Blijkbaar heeft een IS-commando die op afstand tot ontploffing gebracht. Naar verluidt is een servicewagen van de elektriciteitscentrale getroffen. Er zouden vier gewonden zijn. Het konvooi houdt halt op de terugweg om de plek van de explosie te onderzoeken. Een van de chauffeurs ontdekt opeens een vierde, nog intacte bom: een geel plastic bakje in de greppel naast de weg. Vanuit de springlading leiden twee draden tot vlak bij de weg. De generaal beveelt snel verder te rijden. Mogelijk worden we door IS-strijders geobserveerd. Ze kunnen de bom elk moment laten ontploffen.

Aan de horizon branden intussen de dorpen. In drie windrichtingen zien we rookzuilen. Hele stukken straat staan in brand. ‘Die hadden daar waarschijnlijk kortsluiting,’ zegt de cameraman lachend. De term ‘kortsluiting’ heeft een speciale betekenis in Irak. Tijdens de eerste burgeroorlog in 2006 noteerde de politie in hun rapporten steevast ‘kortsluiting’ als oorzaak van de talloze branden. Maar iedereen wist dat het vuur bijna altijd was aangestoken door sjiitische of soennitische milities om elkaar wederzijds uit de wijken te verjagen.

Deze aanblik komt de generaal niet goed uit. Hij wilde met deze rit de beschuldigingen tegen zijn militie ontkrachten. De mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch beschuldigen de sjiitische Badr-brigades ervan de soennitische bevolking systematisch te verdrijven. De gebeurtenissen hier in de provincie Dijala lijken op die in de provincie ten zuiden van Bagdad, waar de Badr-militie IS al een half jaar geleden versloeg. Tienduizenden soennieten mogen sindsdien niet meer terug naar hun dorpen. Volgens de milities vanwege veiligheidsredenen. In werkelijkheid willen ze waarschijnlijk de sjiitische woongebieden uitbreiden. Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?

Daeshmarkt

Als we terug zijn in Bagdad, in het soennitische Ghasalija, laat kleuterjuf Raihana weten dat de kleine vierjarige jongens en meisjes de sjiieten al als vijanden begonnen te zien. ‘Sjiieten zijn net als apen,’ zeggen de kinderen. ‘Sjiieten hebben lange staarten in hun broek.’ Ze beledigen Ali, de profeet van de sjiieten. Als Raihana de kinderen ter verantwoording roept, hoort ze vaak: ‘Dat mag ik best zeggen, mijn vader zegt dat ook.’ Ze denkt dan goed na, welk kind ze terechtwijst. Ze vreest de woede van de vaders. ‘Je kunt niemand meer vertrouwen,’ zegt ze. ‘Soms geloof ik dat ik mezelf niet meer kan vertrouwen.’

Aan de andere kant van de straat, in het sjiitische Shuala, is een nieuwe markt geopend. De mensen noemen het de Daeshmarkt. Daesh is de Arabische afkorting voor IS. Daar verkopen de milities hun oorlogsbuit, alles wat ze zogenaamd op IS buitgemaakt hebben.
‘Iedereen weet dat dat gestolen goed is,’ zegt Abdullah, een taxichauffeur, die ook aan de straat van de bomen woont, aan de soennitische kant.

Abdullah vertelt dat de Daeshmarkt de koopjesmarkt van de sjiieten is geworden. Volgens hem verkopen ze daar wat ze in de veroverde dorpen van de soennitische bewoners geroofd hebben: tv’s, koelkasten, computers, auto’s.

Zo is elke marktdag in Shuala een vernedering voor de soennieten in Ghasalija. De granaten die van de soennitische kant afgevuurd worden op Shuala slaan vaak in op de markt. In het Iraakse parlement hebben soennitische afgevaardigden al weken geleden geëist dat de markt wordt gesloten – vergeefs.

Mee op expeditie met een sjiitische militie. Op de achergrond branden soennitische dorpen. – 
© Stanislav Krupar
Mee op expeditie met een sjiitische militie. Op de achergrond branden soennitische dorpen. – 
© Stanislav Krupar

Het had niet zover hoeven komen met het conflict tussen Ghasalija en Shuala, vertelt Abdullah als we hem treffen in een ijssalon in de binnenstad. ‘We hadden een echte kans.’ Toen het moorden in 2007 op z’n hoogtepunt was, vielen de Amerikanen Ghasalija binnen. Ze bouwden drie steunpunten en wierven 450 soennieten aan als politieagenten: de Ghasalija Guardians. Abdullah was een van hen. Zijn ogen lichten op als hij vertelt over die tijd. De Amerikanen leidden de agenten op, gaven hen uniformen, voertuigen en een fatsoenlijk salaris. De soennieten kregen een stukje macht over hun stadswijk terug. De macht die de Amerikanen hun met de val van Saddam Hoessein in 2003 ontnomen hadden.

De soennitische agenten beschermden Ghasalija tegen de aanvallen van de sjiitische milities en de Amerikanen tegen de aanvallen van Al-Qaida. Veel Al-Qaida-strijders zouden zich bij hun troepen hebben aangesloten. ‘De meeste van die jongens,’ zegt Abdullah, ‘geloven helemaal niet in die Al-Qaida-filosofie. Die geloven in het geld.’ De soennitische Ghasalija Guardians hielden ook de militanten onder de soennieten in toom, er waren nauwelijks nog aanslagen; de spanningen tussen soennieten en sjiieten verminderden. Maar in het jaar 2009 vertrokken de Amerikanen. ‘Ze lieten ons in de steek en leverden ons uit aan de sjiietenregering,’ zegt Abdullah.

De Ghasalija Guardians werden ontbonden. Veel van hun voormalige officieren werden vermoord. Abdullah kreeg het aanbod schoonmaker te worden in het ministerie van Transport. Hij wees het af en werd taxichauffeur.

De afbrokkelende muren van de voormalige Amerikaanse steunpunten zien eruit als de ruïnes van het oude Rome. Legerplaatsen en forten uit een voorbije tijd. Voor de Iraakse veiligheidsdiensten waren de militaire bases te groot. Overal in de wijk stuit men erop: resten van een verzonken rijk.

Hij zal niet nog eens tegen de islamisten vechten, zegt Abdullah, de soenniet. Hij zal het met IS op een akkoordje gooien. Met die lui valt te praten, met de sjiitische milities niet. Die onderhandelen niet met soennieten, ze vermoorden ze. ‘Dat is de keus die ik heb. Dan is IS voor mij beter,’ zegt hij, en neemt afscheid om zijn volgende klant af te halen.

Gespannen rust

Het welkomstfeest waar kleuterjuf Raihana dagenlang naartoe gewerkt heeft, is voorbij. Tot tranen geroerd vertelt ze hoe het was: om acht uur ’s morgens opende ze de grote poort. De nieuwe kinderen kwamen paarsgewijs binnen, ze hielden elkaars handjes vast. Ze droegen hun mooiste kleren, de jongens zwarte pakjes, de meisjes witte prinsessenjurkjes. Er speelde muziek, er brandden kaarsen. Op de tafels stonden bordjes met chocoladekoeken en schotels met snoepjes. Raihana hield een toespraak. ‘Mijn lieverdjes,’ begon ze. Ze spoorde de vierjarigen aan zich goed te verzorgen, hun kleren schoon te houden en hun nagels te knippen. En zich te excuseren als ze op fouten betrapt werden. Twee uur duurde het feest. Toen ging Raihana naar huis, zette de tv aan en sloot haar ogen.

Onze begeleider Moataz rijdt ons weer door de Straat van de bomen, die vandaag nog rustiger is dan anders. In de ochtenduren hebben onbekenden in Bagdad een soennitisch stamhoofd doodgeschoten. Hij had zich ingezet voor toenadering tussen de geloofsrichtingen. Hij en zijn lijfwachten werden dood gevonden onder een viaduct.

De vertegenwoordigers van de soennieten stellen de sjiitische Badr-militie verantwoordelijk. De militie ontkent. Er heerst een gespannen rust in de straat. Iedereen weet: het zal niet lang duren voor de soennieten wraak nemen, en dan de sjiieten weer. In Bagdad voedt de haat zich allang met zichzelf.

Op de middag van diezelfde dag zit ik op het bed in mijn hotelkamer, met mijn mobieltje in de hand. Het telefoontje van het Bundeskriminalamt uit Berlijn. Wie heeft ons verraden? Kleuterjuf Raihana? Bestuurssecretaris Muktada? De twee hotelgasten die ons de vorige avond in het restaurant zo’n onvriendelijke blik toewierpen? Moataz, onze chauffeur? Hij had zo veel mogelijkheden om ons uit te leveren aan onze ontvoerders, en hij heeft het niet gedaan. Nee, niet Moataz! Moataz niet, hoop ik.

Drie uur later vallen de portieren van de gepantserde limousine van de Duitse ambassade achter ons dicht.

Auteur: Wolfgang Bauer
Vertaler: Piet Meeuse

  • De namen en een paar levensomstandigheden van onze gesprekspartners zijn omwille van hun veiligheid veranderd.

Wolfgang Bauer (1970) is sinds 1994 freelancejournalist. Hij studeerde Islamstudies, Geografie en Geschiedenis. Bauer schreef onder meer voor Focus, Die Zeit, Neon, Greenpeace Magazin, Geo en National Geographic. 
Zijn werk werd veelvuldig bekroond.

Die Zeit
_Duitsland | dagblad, 
oplage 540.000 _
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

Genomineerden in de categorie Distinguished writing award:

Paul Raymond & Jack Watling 
(Verenigd Koninkrijk):

The Struggle for Mali

Jonathan Stock (Duitsland): 

Die Löwen vom Sindschar

Elena Stancu (Roemenië):

No Criminal Record

Justyna Kopinska (Polen):

The Fear-Sick Ward

Magda Gad (Zweden): 

Why the Beggars Come

Wolfgang Bauer (Duitsland):

Straße der Angst


Deel dit artikel


Recent verschenen