Met de val van de Sovjet-Unie bezweek de laatste dijk die de vloedgolf van de neoliberale globalisering tegenhield. Sindsdien zijn de midden- en arbeidersklasse overal in de steek gelaten door de sociaaldemocraten en de radicale intellectuelen, en opnieuw het ‘lijdend voorwerp’ van de geschiedenis geworden. De analyse van een linkse Russische politicoloog.
In de moderne sociologie is bestudering van de elite meer in de mode dan die van het volk. In feite heeft het politieke leven van de afgelopen kwart eeuw geprivilegieerde groepen in de kaart gespeeld die over macht en rijkdom beschikten en controle hadden over de informatiestromen, ten koste van andere sociale lagen die aan de zijlijn bleven staan. Waar de conservatieve Spaanse filosoof Ortega y Gasset aan het begin van de twintigste eeuw geïrriteerd over de ‘opstand der horden’ sprak, had de Amerikaanse denker Christopher Lasch het aan het eind van diezelfde eeuw over de ‘opstand van de elite’.
De verwerping van de politiek door het gewone volk is inmiddels bijna een wereldwijd fenomeen en manifesteert zich met wisselende heftigheid in de meest uiteenlopende regio’s. Natuurlijk zijn de volksmassa’s niet van het scherm verdwenen: ze blijven stembiljetten in bussen stoppen, nemen deel aan betogingen, komen soms zelfs in opstand en zoeken de confrontatie met de politie. Maar hun belangen, hun problemen, hun ideeën zijn niet meer aan de orde van de dag. Aan de ene kant heeft een deel van de elite het ontevreden (of juist loyale) volk gebruikt voor hun eigen doelstellingen en als stemvee. Aan de andere kant zijn de pogingen van volksbewegingen om zich in de ‘echte politiek’ te storten en de leidende klassen te verplichten over hun problemen te debatteren en rekening te houden met hun meningen, over het algemeen vergeefs gebleken.
Amusante fantasie
Beslissingen die voorheen onderwerp waren van publiek debat werden opeens als ‘technisch’ gekwalificeerd en gereserveerd voor deskundigen. De mening van de man in de straat was hooguit nog een amusante fantasie. De overtuiging dat ‘impopulaire hervormingen objectief gezien onvermijdelijk’ waren en ondanks de publieke opinie moesten worden doorgedrukt, is de richtlijn geworden voor alle regeringen, een enkele uitzondering daargelaten. Het verschil tussen links en rechts is teruggebracht tot nauwelijks waarneembare culturele nuances die het volk niet meer interesseren. Tegelijkertijd zijn kwesties die niet meer dan enkele procenten van de bevolking aangaan, in welk land dan ook (zoals het homohuwelijk), tot de kern van het nationale (en soms internationale) publieke debat doorgedrongen en in een machtsstrijd ontaard. En dat alleen maar omdat deze kwesties op geen enkele manier verband houden met de echte problemen van de meeste mensen.
Waar tussen het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw de politieke evolutie de volksmassa’s van lijdend voorwerp tot historisch en politiek onderwerp had verheven, is dit proces honderd jaar later omgekeerd. Wanneer heeft deze breuk zich voorgedaan? Waardoor is hij veroorzaakt en waarom heeft hij zulke proporties aangenomen?
Zeker is dat in het Westen de breuk is opgetreden doordat de twee grote sociale bewegingen van de jaren tachtig de vakbonden monddood hebben gemaakt. Toen Margaret Thatcher de opstand van de Britse mijnwerkers neersloeg en Ronald Reagan korte metten maakte met de staking van de Amerikaanse luchtverkeersleiders, zijn de krachtsverhoudingen tussen arbeid en kapitaal in de democratische en ontwikkelde landen op een duidelijke en onverbiddelijke manier omgedraaid ten gunste van het kapitaal. De klassenstrijd was niet langer het parool van het proletariaat, maar het levensprincipe van de bourgeoisie. De sociale verworvenheden van de voorgaande decennia werden in toenemende mate beperkt of zelfs afgeschaft.
De ontmanteling van het Oostblok in 1989 was de volgende etappe van dit proces. Niet alleen namen de landen die tot dan toe communistisch waren geweest een voor een het kapitalistische model over, waarbij ze zo snel mogelijk en tegen elke prijs in de wereldeconomie wilden integreren, ze stuitten daarbij op geen enkele tegenstand omdat de voormalige communisten met verbazingwekkend gemak de volstrekt liberale, nationalistische, sociaaldemocratische of zelfs conservatieve praktijken hadden omarmd.
Voor alle ideologieën en alle symbolen liep men warm, behalve voor de systemen die door de leidende klassen van het oude systeem werden gepropageerd. Overigens waren de vertegenwoordigers van de voormalige communistische elite niet de enigen die als een blad aan een boom omdraaiden, ook veel tot dan toe sociaaldemocratische en links-liberale dissidenten hebben zich razendsnel tot het conservatisme of nationalisme bekeerd.
De val van de Sovjet-Unie betekende de genadeklap. Niemand betwist inmiddels meer dat de leidende klassen in het Westen, die niets meer van de Sovjets te vrezen hadden, elke vorm van sociaal compromis in hun eigen land op de schroothoop hebben gegooid. Tijdens de Koude Oorlog waren de twee kampen verplicht naar de meerderheid van hun burgers te luisteren en hun rekenschap te verschaffen. De formele steun van het volk was niet voldoende. De ervaring in de Oost-Europese landen, waar het systeem toch stabiel was maar in 1989 binnen enkele weken te gronde ging toen de vrees voor de ‘grote broer’ was verdwenen, is het bewijs van het tegendeel.
In het Westen daarentegen zat de democratie zodanig in elkaar dat elke poging tot destabilisering van buitenaf uiteindelijk niet alleen op verzet van de politiek of de inlichtingendiensten stuitte, maar ook van het volk zelf, dat het plaatselijke systeem accepteerde en steunde. De arbeidersklasse kon door op de sociaaldemocraten of zelfs de communisten te stemmen uitdrukking geven aan haar verzet tegen het kapitaal, waarmee ze voortdurend in conflict was, maar de twee kampen hadden dezelfde wens om de spelregels en de instellingen te behouden, uit vrees voor chaos en een radicale confrontatie. De arbeiders wilden geen revolutie die hen van burgerlijke vrijheden zou beroven, zoals in de Sovjet-Unie. Het kapitaal had de politieke steun van de arbeiders nodig om de liberale democratie te verdedigen.
De ontwikkelingslanden en Oost-Europa waren de eerste slachtoffers van de globalisering
Door het verdwijnen van de Sovjet-Unie is de situatie veranderd. En ook al is het neoliberalisme heel wat eerder ten tonele verschenen (deels als reactie op de kosten van de verzorgingsstaat en de keynesiaanse regulering, maar ook door het besef dat het Sovjetsysteem onvermijdelijk ten dode was opgeschreven), het is juist na 1991 hard, agressief, compromisloos en mondiaal geworden. De communistische partijen waren op dat moment niet de enigen die instortten, uiteenvielen en van etiquette veranderden. Ook met de sociaaldemocratie ging het rap bergafwaarts. Omdat die was ontstaan onder de comfortabele omstandigheden van het naoorlogse mondiale evenwicht, was ze niet in staat het hoofd te bieden aan een plotseling verhevigde klassenstrijd.
De meesters in het onderhandelen en de virtuozen van het compromis stuitten plotseling op de bourgeoisie, die in enkele jaren, of zelfs enkele maanden, van een vreedzame ‘sociale partner’ in een onverzoenlijke vijand was veranderd. Na enkele vernederende tegenvallers, zoals vakbonden die van koers veranderden tijdens verkiezingen, maar ook als gevolg van stakingsacties en openbare debatten, hebben de sociaaldemocraten zich uiteindelijk aan de kant van de overwinnaars geschaard. Terwijl ze, anders dan de communisten, hun naam en hun symbolen behielden, zijn ze van ideologie en programma veranderd. Door hun loyaliteit aan de winnende bourgeoisie te betuigen waren ze ervan verzekerd dat hun kiezers, al waren ze keer op keer verraden, op hen zouden blijven stemmen, bij gebrek aan beter.
Promotie
Deze tactiek heeft haar vruchten afgeworpen: de sociaaldemocratische partijen zijn weer aan de macht gekomen, niet als hervormers maar als eenvoudige handhavers van het systeem, die niet eens hun mening meer durfden te geven. Daarmee hebben ze zich aangesloten bij de politieke klasse van de bourgeoisie en zijn ze daar definitief in opgegaan.
Tegelijkertijd heeft een analoge, hoewel autonome beweging tot de integratie van de linkse intellectuelen in de academische elite en de bourgeoiscultuur geleid. Dat manifesteerde zich erin dat links-radicalen, die voordien als marginalen en rebellen werden beschouwd, plotseling op hoge posten bij de media, de universiteiten en tal van andere openbare instellingen werden benoemd. Maar deze promotie had niets te maken met het terugwinnen van politieke of ideologische invloed door links. Integendeel, ze was omgekeerd evenredig aan de stijgende macht van de antikapitalistische bewegingen.
Deze paradox laat zich verklaren door het feit dat de rebellen van gisteren het systeem hebben omarmd om te slagen. Ze hebben niet de macht gegrepen in de instellingen (zoals de ‘nieuw-linkse’ denker Rudi Dutschke eind jaren zestig voorspelde), ze zijn erdoor geabsorbeerd. De ‘linkse’ intellectuelen ontlenen hun legitimiteit en hun invloed niet meer aan de steun van de arbeidersklasse, maar aan de erkenning van de liberale elite die hen als gelijken behandelt in de academische, culturele en ideologische instellingen.
Deze integratie van de intellectuelen heeft het ‘radicale discours’ (feminisme, minderhedencultus, homohuwelijk et cetera) tot officiële ideologische norm verheven, tot in de hoogste kringen van de staat, waarbij de ‘subversieve’ en antiburgerlijke ideeën, formules en slogans verloren gingen. Zo heeft het kapitaal het feminisme en de strijd voor gelijke rechten van seksuele minderheden geïncorporeerd, zonder ze het recht op radicale retoriek te ontnemen waarmee ze zichzelf konden legitimeren.
De derdewereldlanden hebben een soortgelijke evolutie doorgemaakt. Na de val van de Sovjet-Unie waren de op Moskou georiënteerde regimes verzwakt en gedemoraliseerd. De Sovjethulp stopte, en daarmee het ontwikkelingsmodel dat hen aan de overwinning moest helpen. Toen ze eenmaal alleen stonden tegenover het Westen en zijn mondiale instituties, schudden de vroegere revolutionairen hun ideologische veren af en trokken in allerijl kapitaal aan, onder welke voorwaarden dan ook.
Met hun scherpe markteconomische draai schoeiden ze hun respectievelijke economieën (althans op papier) op een nog liberalere leest dan de landen die het westerse model hanteren. Door deze radicale verandering werden deze landen niet alleen afhankelijk van buitenlands kapitaal, maar ook van internationale experts en technocraten, die in toenemende mate werden vervangen door in het Westen of naar westers model opgeleide jongeren uit eigen land. Zo drong de nieuwe technocratische elite de oude steeds meer naar de achtergrond. En hoe meer de kapitalistische markt geglobaliseerd werd, des te effectiever deze nieuwe school bleek en hoe verder ze haar invloed kon uitbreiden.
Helaas stuitten de technocraten op een probleem: niet de hele economie en niet alle sociale lagen konden deelnemen aan het liberaliseringsproces van de wereldmarkten. Erger nog, naarmate het neoliberale kapitalistische model zich verder over de wereld verspreidde, werden zijn contradicties en zijn disproportionele karakter steeds zichtbaarder, te beginnen met de toename van de materiële ongelijkheid, die verantwoordelijk was voor de dalende marktvraag.
De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden
Toch leken deze problemen anekdotisch zolang de wereld over een continue groeimachine beschikte, namelijk de Chinese economie. Uitgerekend China, dat zijn rode vlaggen en zijn communistische ideologie had behouden, speelde aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw de rol van belangrijkste stabilisator van het liberale kapitalisme. Omdat het de wereldmarkten kon overspoelen met goedkope producten – waardoor de arbeiders in andere landen met lagere lonen genoegen moesten nemen – slokte dat land tegelijkertijd enorme hoeveelheden kapitaal, informatietechnologie en geavanceerde apparatuur op en ondersteunde daarmee bepaalde relatief welvarende sectoren van de westerse economieën. Resultaat: de loyaliteit van een deel van de arbeiders en de zakenwereld was gegarandeerd, terwijl die onder andere omstandigheden bereid zouden geweest tegen het systeem in opstand te komen.
De culturele transformatie van de bureaucratie en de politieke en culturele elite van China heeft zich op dezelfde manier voltrokken als die in de voormalige landen van het Sovjetblok en hun ‘niet-kapitalistische’ bondgenoten, met dien verstande dat het langzamer, gecontroleerder en dus minder verwoestend verliep. Demografisch, sociologisch en cultuur-evolutionistisch gezien verwachtte niemand dat zich in China een crisis zou voltrekken zoals in 1989-1991 in Rusland. Maar door de instabiliteit van het mondiale systeem zien de Chinese machthebbers zich met absoluut nieuwe uitdagingen geconfronteerd, waarbij het risico bestaat dat China niet langer een stabiele maar een onzekere factor zal zijn voor de wereldeconomie.
De crisis is gekomen via de Zuid-Amerikaanse landen die als eersten alle positieve en negatieve effecten van het neoliberalisme hebben ondervonden. De overwinning die de technocraten halverwege de jaren negentig bijna overal op de populisten hadden behaald zorgde ervoor dat de plaatselijke valuta’s werden gestabiliseerd, dat er buitenlands kapitaal kon worden aangetrokken, dat de export kon worden opgevoerd en dat er een nieuwe middenklasse ontstond naar Europees model.
Maar aan het begin van deze eeuw vertrokken het kapitaal en de productie naar Azië, met name naar China. Er wordt altijd gezegd dat de globalisering funest is geweest voor de werkgelegenheid in de Verenigde Staten en West-Europa. In werkelijkheid waren de ontwikkelingslanden en Oost-Europa de eerste slachtoffers. De westerse landen hebben hun industrie precies zo groot laten blijven als hun elite wilde. Groot-Brittannië heeft bewust een de-industrialiseringsbeleid gevoerd, anders dan Duitsland, dat zijn industrie door modernisering juist heeft versterkt. Dit alles in tegenstelling tot de Zuid-Amerikaanse landen en de meest ontwikkelde Arabische landen – Egypte, Tunesië en Algerije – die de kapitaalbewegingen niet hebben kunnen beïnvloeden.
Links front
De explosieve groei en de sociale crisis die volgde, en die gepaard ging met een reeks financiële crises en economische stagnatie, heeft in Zuid-Amerika tot een ware opstand tegen het systeem geleid. Deze opstand heeft het volk en de ondernemers die op de binnenlandse markt actief waren verenigd, evenals een flink deel van de ambtenaren die woedend waren op de technocraten met een commerciële westerse opleiding. Zo ontstond het beroemde Zuid-Amerikaanse ‘linkse front’. Helaas zijn de linkse regeringen niet in staat gebleken het ontwikkelingstraject in hun land om te buigen. De Zuid-Amerikaanse opstand tegen het neoliberalisme heeft het afgelegd tegen de wereldwijde economische crisis. Een crisis die heeft bewezen dat het onontkoombaar is om de prioriteiten van de mondiale ontwikkeling te verleggen.
In feite heeft deze crisis aangetoond dat de liberale elite maar in beperkte mate in staat is om de situatie te beheersen, terwijl hun bronnen opdrogen. Het sinds de jaren tachtig en negentig toegenomen risico dat dit economische model uit elkaar klapt maakt een politieke en culturele crisis onvermijdelijk, en vooral onoverkomelijk. Omdat de neoliberale verandering de dialoog en de communicatie met het volk heeft vervangen door manipulatie, die steeds minder effectief wordt, zit de elite momenteel in een soort sociaal vacuüm en is ze gestrest en gedesoriënteerd.
Paradoxaal genoeg blokkeren het conservatisme van de elite en het gebrek aan communicatie tussen haar en het volk alle gebruikelijke hefbomen om de hervormingsmechanismen in de maatschappij zonder al te veel schade in gang te zetten. De protestbewegingen, die verstoken zijn van de gebruikelijke dialoog met de politieke klasse en de progressieve intelligentsia, laven zich aan nationalistische, traditionalistische en religieuze bronnen, die een vruchtbare voedingsbodem zijn voor populisten, zowel van links als van rechts. Toch zullen deze bewegingen na heel wat beproevingen uiteindelijk aan de wieg staan van een nieuwe democratische cultuur, die de kwalijke gevolgen van de ‘opstand van de elite’ te boven zal komen.
Auteur: Boris Kagarlitski
Vertaler: Peter Bergsma
Journalist en politicoloog Boris Kagarlitski (1958) staat aan het hoofd van het Instituut voor globalisering en sociale bewegingen (IGSO), een onafhankelijk onderzoekscentrum in Moskou. Hij leidt ook het onlinemagazine Rabkor. Kagarlitski is een kenner van de Europese sociaaldemocratie en de Europese vakbeweging, en tevens een van de weinige voormalige Russische dissidenten die hun links-democratische opvattingen zijn trouw gebleven na het ineenstorten van de Sovjet-Unie. Hij heeft tal van publicaties op zijn naam staat, waaronder Neoliberalisme en revolutie (Uitgeverij Poligraf, 2013).
Ekspert
Rusland | weekblad | oplage 90.000
Ekspert is een Russisch zakenweekblad dat in 1995 werd opgericht door een groep journalisten afkomstig van het financiële dagblad Kommersant. Het blad heeft een oplage van 90.000 en de redactie heeft een meerderheidsbelang in de onderneming. Zij wordt sinds 1998 geleid door Valery Fadejev, die overigens ook zitting heeft in het bestuur van de politieke partij Verenigd Rusland, de ‘partij van Poetin’.
Maar het blad is niet eenkennig. Het kiest, in navolging van het Amerikaanse Time, een ‘Persoon van het Jaar’ (tot dusver steeds mannen). In 2003 was dat de oligarch Michaïl Chodorkovski, die kort daarop in ongenade viel, jaren in de gevangenis zat en in 2013 gratie kreeg (hij woont nu in Zwitserland, zijn fortuin nog grotendeels intact). In 2007 riep het blad Chodorkovski’s tegenstander Vladimir Poetin uit tot ‘Man van het Jaar’.
Tot de Ekspert-groep behoort ook het weekblad Roesski Reporter, dat voornamelijk reportages bevat.

