3 dingen die ik dictatoriaal zou doorvoeren


Simon Schama zou stroomstootjes uitdelen aan mensen die te hard in hun mobiele telefoon praten, de woorden ‘whatever’ en ‘cool’ afschaffen en verbieden dat vliegtuigpersoneel nog langer aan mensen uitlegt hoe ze hun veiligheidsriem moeten vastmaken.

Ik heb geen leiderskwaliteiten. Het dichtst dat ik ooit bij opperste macht ben gekomen was toen ik vicepresident was van de Amerikaanse tak van schrijversorganisatie Pen, en gevraagd werd of ik wilde overwegen om president te worden. De waarheid is dat president Schama me niet iets leek om serieus te nemen.

In zekere zin zou je als historicus niet aan de poorten van de macht moeten kloppen; jouw taak is het om de machtigen ’s nachts wakker te houden, ze slapeloosheid te bezorgen. Ik heb me de laatste tijd veel bezig gehouden met de Joodse geschiedenis, en van oudsher is er al een heftig debat over wat ‘macht’ in de Joodse traditie kan betekenen. Mozes bijvoorbeeld, is geen heerser; hij is geen koning. Zodra er koningen opduiken, ontstaan er problemen – David, Salomo en Saul. Het debat wordt echt heftig in de tijd van de Hasmoneese dynastie. Halverwege de tweede eeuw voor Christus was er een opstand tegen de Grieken, en daaruit kwam een autonoom Joods koninkrijk voort dat onmiddellijk ‘veroveraar’ werd en zijn territorium begon uit te breiden. Alle Farizeeën zeiden toen: ‘Dit koninkrijk heeft ons uiteindelijk tot Grieken gemaakt.’ Er hangt iets ongemakkelijks rond Joodse tradities en daden van macht, dus het is moeilijk voor mij om in termen van heersen te denken.

‘Ben je daar? O, mooi, ik ben hier. Wanneer ben jij er? Ik zit in de trein, maar straks ben ik er.’ Ondraaglijk

Dat gezegd hebbende zijn er wel dingen die ik onmiddellijk dictatoriaal zou doorvoeren. Ik zou het prachtig vinden als er, wanneer jij te luid in een mobiele telefoon praat, een klein maar pijnlijk stroomstootje recht vanuit de telefoon je oor in zou gaan, om te zorgen dat je ophoudt. Ik heb een enorme hekel aan mensen die in de trein roepen: ‘Ben je daar? O, mooi, ik ben hier. Wanneer ben jij er? Ik zit in de trein, maar straks ben ik er.’ Ondraaglijk.

Er zijn ook woorden die ik graag zou ver‑bieden – net als komiek George Carlin en zijn school van de Knorrige Woordafschaffing. Ik zou ‘whatever’ afschaffen, en ‘dude’, en ik ben ook geen fan van ‘cool’, omdat we dat als vijftienjarigen zeiden en ik er slecht tegen kan dat het terugkomt. Zoals Carlin zei: ik heb een hekel aan mensen die zich met elkaar verwant voelen, tenzij het echt verwanten zijn. En ik zou absoluut verbieden dat vliegtuigpersoneel nog langer aan mensen uitlegt hoe ze hun veiligheidsriem moeten vastmaken. Is er iemand in de wereld die niet weet hoe je een veiligheidsriem vastmaakt? Het is zo beledigend.


Ik zou graag verplicht stellen dat mensen tot hun zestiende geschiedenis krijgen op school. En dan minstens twee uur per week, in plaats van één. Ik denk niet dat je goed vragen kunt opwerpen of verhalen kunt vertellen in dat karige uurtje geschiedenis dat leerlingen nu krijgen. Hoe minder tijd ze hebben, des te meer de les simpelweg een opsomming wordt van dingen die je moet leren, en natuurlijk gaan ze zich dan vervelen. ‘De poëzie van geschiedenis’ is, volgens historicus G.M. Trevelyan, dat het over mensen gaat die in veel opzichten net zo waren als wij, maar tegelijkertijd niet méér van ons konden verschillen. Dat prikkelt op een betoverende manier de nieuwsgierigheid van jonge mensen.

Het is voor kinderen belangrijk om geschiedenis te leren, want als je niet weet waar je vandaan komt, heb je maar weinig houvast voor het heden. Bijvoorbeeld: er was eens een tijd dat Engeland een obsessief, fanatiek christelijk land was. We vochten een burgeroorlog uit over godsdienst en bleven nog tot de achttiende eeuw godsdienstoorlogen voeren. Daarom zouden wij in een positie moeten zijn om te begrijpen wanneer godsdienst, ten goede en ten kwade, politiek wordt, zoals het dat in een groot deel van de wereld is.

Tragische muze

Als ik de baas was in de wereld, zou ik het onmogelijk maken om ‘zonde’ tot misdaad te maken. Ik zou het een kwestie van internationale mensenrechten maken dat niemand ooit vervolgd zou worden – en al helemaal niet gestraft – wegens godslastering. Daar pleitte Jefferson al voor in 1770, maar het is er kennelijk nooit van gekomen. Ik ben geen atheïst, maar ik vind wel dat iedereen zonder enige angst voor vervolging elke godsdienst – of juist geen enkele – moet mogen belijden. Als je vindt dat je handelt op instructie van de enige echte wijsheid, de enige echte godheid, denk je dat je het recht hebt om mensen die toevallig die visie niet delen verschrikkelijke dingen aan te doen. Als je mensen van mijn generatie spreekt, vooral historici, denk ik dat dat
gene wat ons allemaal heeft verrast de terugkeer van de staatsgodsdienst was.

Maar ik ben een eeuwige vicepresident; ik ben niet goed in grote beleidsbeslissingen. Mijn kennis over monetair beleid past op de achterkant van een postzegel. De historicus in mij, de scepticus, het kleinkind van George Orwell, hoort altijd de inflatie van de retoriek. De geschiedenis is een tragische muze. Een van de bepalende momenten in haar ontstaan is de Peloponnesische Oorlog en het hele monumentale, angstaanjagende drama daarvan dat culmineert in de enorme overmoed waarmee Athene de expeditie tegen Syracuse onderneemt. Dat is echte, eerlijke westerse geschiedenis. Die geschiedenis zou nooit zelfgenoegzaam mogen zijn; ze zou mensen ’s nachts wakker moeten houden.

Auteur: Simon Schama
Vertaler: Annemie de Vries

Simon Schama is hoogleraar Geschiedenis en Kunstgeschiedenis aan de Amerikaanse Columbia University.


Deel dit artikel


Recent verschenen