De Taiwanese elektronicareus Foxconn is van plan om samen met Apple een fabriek voor lcd-schermen te bouwen in de VS. Op voorwaarde dat ze subsidie krijgen.
Terry Gou, bestuursvoorzitter van Hon Hai Precision Industry, een Taiwanese elektronicareus die beter bekend is als Foxconn, lijkt bereid mee te gaan in het ‘made in America’ dat Donald Trump zo lief is. Op 22 januari verklaarde Gou dat hij 7 miljard dollar wil investeren in de bouw van een fabriek voor lcd-schermen in de Verenigde Staten en dat hij die investering samen zal doen met Apple, een van de grootste klanten van zijn bedrijf. Deze verklaring heeft voor nogal wat opschudding gezorgd, niet alleen in Taiwan, maar ook in de VS: de baas van een van de grootste industriële groepen van Azië wil naar de pijpen dansen van Trump.
Trumps houding tegenover buitenlandse investeerders is dualistisch. Iedereen die geld in de VS steekt en er banen creëert is een bondgenoot, iedereen die dat weigert, om welke reden dan ook, is een vijand. Al wordt hij nog zo bekritiseerd vanwege het protectionisme dat inherent is aan zijn credo ‘America first’, hij laat zich niet uit het veld slaan: buitenlandse ondernemingen kunnen het zich tenslotte niet permitteren doof te blijven voor de machtigste man van de grootste economie ter wereld. Het wekt dan ook geen verbazing dat zo veel bedrijven investeringsplannen in de VS hebben aangekondigd.
1 procent
Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat Gou zich bij de schare bazen voegt die de Amerikaanse president naar de mond willen praten. Maar in werkelijkheid droomt hij er al jaren van om fabrieken in de VS te bouwen. Dat is in een stroomversnelling geraakt toen Masayoshi Son, president-directeur van het mobieletelefoniebedrijf SoftBank Group en een vriend van Gou, afgelopen december een ontmoeting had met Trump. Tijdens dit gesprek bracht Son het idee van Gou naar voren voor een gezamenlijke investering in de VS.
Foxconn zou er belang bij hebben om meer in China te investeren, een land waaraan de groep zijn snelle opmars dankt, of om de productie vanuit China te verplaatsen naar landen waar de arbeidskracht goedkoper is. Maar de Verenigde Staten? Het is zelfs niet zeker of Gou zich heeft gerealiseerd hoeveel kosten zo’n initiatief met zich meebrengt. Hij sluit misschien niet uit dat de VS opnieuw de werkplaats van de wereld worden – een idee dat al enige tijd opgang doet.
Volgens een rapport dat op 11 januari werd gepubliceerd door de Boston Consulting Group, is het verschil in productiekosten tussen de VS en China niet meer dan 1 procent. Ook al gebruikt dit rapport cijfers die afkomstig zijn uit de Yangtze-delta, een regio waar de salarissen zijn toegenomen en waar ook Shanghai en het zuiden van de provincie Jiangsu onder vallen, het kleinere verschil tussen de twee landen is niet alleen te verklaren vanuit het inkomenspeil. Een andere reden voor deze ontwikkeling is de spectaculaire verandering die de Amerikaanse industriële sector ondergaat.
De voortschrijdende informatietechnologie heeft de productiviteit verbeterd, terwijl de schaliegasrevolutie de energieprijs heeft doen dalen. ‘Ook al reken je de indirecte kosten van transport, opslag en andere factoren mee, het is tegenwoordig goedkoper om artikelen in de VS zelf te produceren als ze daar worden geconsumeerd’, aldus het rapport.
Gou is ongetwijfeld op de hoogte van deze nieuwe tendensen in een industrie die volop in ontwikkeling is, en hij is waarschijnlijk niet zo naïef om zijn wereldbeeld te laten beïnvloeden door kleine, zich regelmatig voltrekkende veranderingen. ‘Wat wij in de Verenigde Staten verwachten te vinden, is goedkope grond en goedkope elektriciteit,’ heeft hij gezegd. ‘Ik hoop dat de Verenigde Staten ons die zullen leveren.’
In de VS moeten staten waarop industriëlen hun oog laten vallen voor nieuwe investeringen, vaak tegen elkaar opbieden. Carrier, een belangrijke Amerikaanse producent van airconditioners, zag af van de sluiting van een fabriek in Indiana nadat Trump het bedrijf tijdens de presidentscampagne had bekritiseerd omdat het een deel van de productiecapaciteit naar Mexico wilde verplaatsen. In ruil heeft Indiana Carrier 7 miljoen dollar belastingvoordeel geboden. Je zou denken dat het bedrijf een goede keus heeft gemaakt door te zwichten voor Trump.
Trump is een vastgoedmagnaat, hij is gewend om hotels en casino’s te runnen. In weerwil van het wijdverbreide idee dat zijn bedrijven altijd winst maken, is de casinopoot van Trump maar liefst vier keer failliet gegaan. Daarmee heeft hij dus voorlopig misgegokt.
‘Die plannen bestaan, maar het is geen belofte, het is een wens,’ verduidelijkte Gou volgens Reuters, toen hem naar de investering in de VS werd gevraagd. Het pokerspel is nog maar net begonnen.
Auteur: Masanori Murui
Vertaler: Peter Bergsma
Nikkei Asian Review
Tokio | weekblad | oplage onbekend
Nikkei voert zijn berichtgeving over Azië op door wekelijks een publicatie aan deze regio te wijden. Dankzij zijn reportages, analyses en onderzoeksjournalistiek, met name op economisch gebied, is het blad een waardevolle bron voor het volgen van de actualiteit.
CONTEXT – Antiglobalisme: eerst links, nu rechts
‘Het protectionisme viert hoogtij in de grootste landen van de westerse wereld, in dezelfde landen waar de neoliberale ideologie werd geboren’, schrijft de Spaanse website Ctxt (die als links wordt beschouwd) in een lang artikel over de ‘antimondialisering, van de ondercommandant Marcos [in de jaren negentig leider van het Zapatistisch Nationaal Bevrijdingsleger in de Mexicaanse staat Chiapas] tot Donald Trump’. Journaliste Cristina Vallejo vraagt zich af hoe het is gekomen van het verzet tegen de ultraliberale mondialisering aan het eind van de jaren negentig, een beweging die duidelijk links en internationaal was, tot de huidige rechtse ‘demondialisering’ die door Trump wordt voorgestaan, een beweging waartoe ook de Brexit moet worden gerekend, evenals de dreiging van een terugvallen op ‘eigen volk eerst’ in Frankrijk en Italië.
Het kantelpunt zou de bankencrisis van 2008 zijn geweest en de langdurige recessie die daarvan het gevolg was
‘De onvrede die door de mondialisering wordt gewekt, komt tot uiting in landen waarvan men dacht dat deze de grote winnaars waren van de vrijheid op de wereldmarkt,’ merkt Vallejo op. ‘Welaan, ook in die landen zijn er verliezers.’
Het kantelpunt zou de bankencrisis van 2008 zijn geweest en de langdurige recessie die daarvan het gevolg was.
Vallejo herinnert er ook aan dat Latijns-Amerika voordien al landen met antimondialistische regeringen kende, vooral linkse, aan het begin van de eenentwintigste eeuw. Volgens de politicologen die zij raadpleegde ging het daarbij om een weerzin tegen de ‘gelukkige mondialisering’ die werd aangeprezen door de multinationals. In het geval van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk zou het eerder gaan om het heroveren van hun hegemonie door in eigen voordeel te gaan ‘heronderhandelen’ over de voorwaarden van mondialisering, aldus de Spaanse website.

