Onwetendheid als deugd. Veel kiezers lijken hun buik vol te hebben van experts en deskundigen.
Volgens cijfers van het IMF was de Europese Unie (plus Noorwegen, Zwitserland en IJsland) in 2014 goed voor 25,4 procent van de wereldhandel, een groter aandeel dan de VS (22,5) en veel groter dan China (13,4). Probleem is dat een schokkend groot percentage van de Britten dat niets kan schelen, want voor hen is de mening van experts tegenwoordig een hinderpaal en geen hulp bij hun meningsvorming. Dat is in lijn met de leiders van de Brexit-campagne, die beweerden: ‘De mensen in dit land hebben hun buik vol van deskundigen. Er is maar één expert die ertoe doet: u, de kiezer.’
En dat is ook de grondhouding van de campagne die Donald Trump voert.
Onwetendheid is een deugd geworden, en even snel als het internet de mogelijkheid opende tot een globale conversatie, plaatsten de sociale media weer hokjes zodat we alleen nog de stemmen horen van degenen wier stemmen we willen horen en niet meer de stemmen die we zouden moeten horen. Het lijkt bijna op het einde van het tijdperk van de Verlichting en het begin van de eeuw waarin beredeneerde ideeën en wetenschappelijke methoden maar storend worden gevonden.
Er is genoeg kritiek te leveren op de EU, maar de voordelen wegen op tegen de hoofdpijndossiers. De voornaamste bestaansreden is wel dat het meest door oorlogen geteisterde continent in de moderne geschiedenis geen militaire vijandigheden meer heeft gekend sinds de vorming van de Europese Unie. Ondanks hevige spanningen op andere fronten van tijd tot tijd.
(Jacob Weindling in Paste Magazine, Atlanta)
Poetins digitale soldaatjes
De Russische ‘trollenfabriek’ probeert door het verspreiden van valse informatie verwarring te zaaien in het Westen, zo blijkt uit een verhaal in The New York Times.
Midden in een stevig nationaal debat over de vraag of het land een militair partnerschap moet aangaan met de NAVO, worden de Zweden plotseling geconfronteerd met een vloedgolf van verdraaide of ronduit verzonnen informatie op sociale media over het onderwerp. Als de regering tot het partnerschap zou besluiten, zou het bondgenootschap in het geheim kernwapens opslaan op Zweeds grondgebied. De NAVO zou dan vanuit Zweden Rusland kunnen aanvallen zonder toestemming van Stockholm. Ook zouden NAVO-militairen ongestraft Zweedse vrouwen kunnen verkrachten.
De berichten vonden hun weg naar de traditionele media, en minister Peter Hultqvist van Defensie kreeg er keer op keer vragen over tijdens zijn rondreis door het land om de eventuele overeenkomst toe te lichten.
De Zweedse autoriteiten waren niet bij machte de bron van de geruchten te achterhalen. Maar westerse inlichtingendiensten wijzen onmiddellijk naar Moskou. In de Krim, in Oost-Oekraïne en in Syrië pronkt Poetin met een gemoderniseerde en gespierde militaire macht, maar het ontbreekt hem aan economische kracht om een openlijke confrontatie met de NAVO aan te gaan. Hij heeft daarom zwaar geïnvesteerd is een programma van ‘gewapende informatie’, met gebruikmaking van allerlei methoden om twijfel en verdeeldheid te zaaien onder lidstaten van het bondgenootschap.
‘Ik ben ervan overtuigd dat er tal van centra zijn van waaruit verzonnen verhalen de wereld in wordt geholpen’
‘Moskou ziet wereldpolitiek als een systeem van speciale operaties en voelt zich zelf in alle ernst ook het doelwit van dergelijke ondernemingen vanuit het Westen,’ zegt Gleb Pavlovsky, die vóór 2008 betrokken was bij de informatievoorziening vanuit het Kremlin. ‘Ik ben ervan overtuigd dat er tal van centra zijn, sommige met banden met de staat, van waaruit dit soort verzonnen verhalen de wereld in wordt geholpen.’
Ook in Amerika is dit ‘propagandaleger’ actief. Zo wordt de Russische geheime dienst verdacht de bron te zijn geweest van waaruit e-mails lekten van de leiding van de Democratische Partij. Dit lek had tot doel de verkiezingscampagne van Hillary Clinton te ontregelen.
(Neil McFarquhar vanuit Stockholm in The New York Times)
De invloed van technologie
Dankzij sociale media hebben we allemaal onze eigen waarheid.
Vijfentwintig jaar nadat de eerste website online ging, wordt duidelijk dat we in een tijd van duizelingwekkende verandering leven. Eeuwenlang was het gedrukte woord de overheersende vorm van informatie, kennisoverdracht in een vaststaande vorm die de lezer vertrouwen gaf in onwankelbare waarheden. Maar vandaag zitten we in een kruisvuur van krachten: tussen waarheid en leugen, feit en gerucht, tussen internet als open podium en de omheinde ruimten van sociale netwerken, tussen een goed geïnformeerd publiek en een misleide massa.
Wat die tegenstellingen gemeen hebben – en waarom een oplossing van het probleem urgent is – is dat het steeds gaat over de afnemende status van de waarheid. Dat betekent niet dat er geen waarheden meer zijn, het betekent dat we het er niet over eens kunnen worden wat waarheid is.
Chaos gluurt om de hoek. Steeds meer geldt als een feit louter wat iemand meent dat waar is – en de technologie maakt het buitengewoon eenvoudig om die ‘feiten’ te verspreiden met een snelheid en een bereik die zelfs nog maar tien jaar geleden voor volslagen onmogelijk werden gehouden. In het digitale tijdperk is het eenvoudiger dan ooit om geruchten als waarheden te verspreiden. Dat gebeurt soms in paniek, soms uit boosaardigheid, soms met de opzet de publieke mening te manipuleren.
Daar komt bij dat zoekmachines als Google zo zijn ingericht dat ze ‘gepersonaliseerde’ resultaten van zoekopdrachten verstrekken: we krijgen te zien wat we verondersteld worden te wíllen zien. Dat maakt het minder waarschijnlijk dat we worden blootgesteld aan informatie die onze opvattingen weerspreken. Als we de internetbedrijven vragen daar iets aan te doen, gaan we uit van de veronderstelling dat het een probleem is dat gemakkelijk kan worden opgelost. Maar het probleem zit ingebakken in het hele idee achter de social media: die zijn er nu juist op ontworpen om ons te geven wat we graag willen.
(Katherine Viner in The Guardian)
Post-feiten? Zo erg is het niet
Dertig jaar geleden al verontschuldigde Ronald Reagan zich voor het misleiden van het Amerikaanse volk in de Iran-Contra-affaire met de woorden: ‘Mijn hart en mijn beste bedoelingen zeggen me nog altijd dat ik de waarheid heb gesproken, maar de feiten en het bewijs wijzen iets anders uit.’
Ik vermoed dat we in elk tijdsgewricht wel klachten kunnen vinden over politici die ons begrip van de werkelijkheid geweld aandoen. Een classicus vertelde me kortgeleden dat de oude Griekse redenaars er ook een handje van handen het publiek maar wat op de mouw te spelden.
Maar toch werd het dagen van het ‘postfactische tijdperk’ aangekondigd in kranten en tijdschriften, niet alleen in het Verenigd Koninkrijk en Amerika, maar ook in Zuid-Afrika, India en Nieuw-Zeeland. Wat is er toch aan de hand?
Als politieke realiteiten als de kandidatuur van Trump of de uitslag van het Brexit-referendum vloeken met de liberaal-kosmopolitische wereldbeschouwing, is het wellicht eenvoudiger dat weg te moffelen door 2016 af te schilderen als het apocalyptische tijdperk van de ‘post-waarheid’. Maar dat wil niet zeggen dat er geen grond voor bezorgdheid is. Dit is wel degelijk een jaar van bittere politieke strijd aan weerszijden van de Atlantische Oceaan. De waarheid heeft nogal wat scherfschade opgelopen van campagnes waarin wordt beweerd dat feiten er niet toe doen.
Maar daarnaast zijn er tekenen die erop duiden dat feitencontrole er wél toe doet: websites als Factcheck.org, PolitiFact en FactChecker van The Washington Post worden drukker bezocht dan ooit en luisteraars naar de National Public Radio geven aan dat ‘factchecking’ het type politiek programma is waarin zij het meest geïnteresseerd zijn.
(Alexios Mantzarlis in Poynter, St. Petersburg Florida)
Vertaler: Lambiek Berends

