Zoals op iedere klimaattop wemelt het in Parijs van de NGO’s en andere maatschappelijke organisaties. Maar hoe effectief zijn hun inspanningen? Een analyse van Dhananjayan Sriskandarajah, secretaris-generaal van CIVICUS: World Alliance for Citizen Participation.
Klimaatbijeenkomsten zoals die in Parijs worden door velen gezien als een uitgelezen kans om de mondiale beleidsagenda te beïnvloeden. In het ontwikkelingswerk spenderen we elk jaar honderden uren, duizenden dollars en een heleboel koolmonoxide om in gesprek te raken met mondiale bestuursinstanties. Maar als je even stilstaat bij het resultaat van al deze moeite, moet je je wel afvragen of het dat allemaal waard is; of het onze kostbare en schaarse middelen waard is, en onze al even kostbare en schaarse tijd.
Neem de gesprekken over de Post-2015 millenniumdoelstellingen. Anders dan bij de eerste millenniumdoelstellingen, die in besloten kring plaatsvonden, wordt de ‘civil society’, het maatschappelijk middenveld, nu toegelaten en krijgt het, volkomen terecht, alle gelegenheid om de agenda te beïnvloeden. Tot nu toe heeft het maatschappelijk middenveld miljoenen uren geïnvesteerd in pogingen om deze nieuwe doelstellingen vorm te geven. Maar als al deze moeite, alle kostbare tijd en het geld dat we hieraan besteden, iets meer oplevert dan een andere formulering hier en daar, zal ik aangenaam verrast zijn.
Dat wil niet zeggen dat ons werk op dit gebied gespeend is van goede bedoelingen. Maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat we maar al te vaak genoegen moeten nemen met uiterst beperkte interacties met mondiale bestuursinstanties, die op hun beurt steeds minder in staat zijn om de complexe mondiale uitdagingen van de eenentwintigste eeuw het hoofd te bieden.
We zijn ons tevreden gaan stellen met het kleinste stoeltje aan tafel
Zoals we betogen in ons State of Civil Society-rapport van 2014, wordt het maatschappelijk middenveld weliswaar regelmatig uitgenodigd voor overleg, maar in de context van een intergouvernementeel systeem waar staten vrijwel volledig de dienst uitmaken, hebben we maar weinig kans om de werkelijke agenda te beïnvloeden. Zelfs tussen de staten onderling bestaan enorme verschillen in invloed: de rijkste landen en bedrijven hebben buitenproportioneel veel macht bij het bepalen van internationale agenda’s en normen. Met een complex arsenaal aan gevestigde geopolitieke belangen die allemaal om voorrang strijden – en het systeem vaak laten vastlopen – lijkt de stem van het maatschappelijk middenveld op het nauwelijks hoorbare gefluister van een kind dat getuige is van een verhitte ruzie onder volwassenen.
En net als een kind zijn we ons tevreden gaan stellen met het kleinste stoeltje aan de tafel, het plastic stoeltje dat van zolder is gehaald. In het georganiseerde maatschappelijk middenveld zijn we veel te veel gaan vertrouwen op ruimten waar we zijn ‘uitgenodigd’ in plaats van dat we ze zelf hebben ‘geïnstigeerd’, om het onderscheid te citeren dat voor het eerst door professor Alan Fowler werd gemaakt.
Toen ik in september een presentatie gaf bij de Algemene Vergadering van de VN in New York, bevond ik me ontegenzeglijk in een ruimte waar ik was uitgenodigd, op een bijeenkomst geïnitieerd en gecontroleerd door een bestuursinstantie, in dit geval de VN. Maar op datzelfde moment namen duizenden mensen deel aan de klimaatmars in de straten van New York: gewone burgers, bedrijven, vakbonden, religieuze afgevaardigden en milieugroeperingen, die allemaal klimaatrechtvaardigheid eisten. Zij waren buiten en ik was binnen. De hamvraag was: wie oefende de meeste druk uit op de wereldleiders, wiens boodschap kreeg de meeste aandacht, wie wist de agenda misschien een klein beetje te ontregelen?
Natuurlijk voelden we ook in mijn vergaderzaal de druk van de burgers, die cruciale aanzet tot sociale en politieke verandering. Maar mijn collega’s en ik, die de geëigende paden bewandelen, ontregelden niets; we zorgden er zelfs vaak voor dat we vrij gemakkelijk konden worden genegeerd. Maar duizenden mensen die een mars door het centrum van New York houden en overal op de wereld hun solidariteit betuigen, tja, dat valt moeilijker te negeren. Dat is een krachtige boodschap.
Ik ben ervan overtuigd dat bewegingen zoals de klimaatmars – bewegingen die niet wachten op een uitnodiging maar die zelf in actie koment totdat hun eisen worden gehoord – voor een ommekeer zouden kunnen zorgen. Want de effectiefste manier om hervormingen af te dwingen bij onze mondiale instituties is ongetwijfeld het herstellen van het machtevenwicht tussen overheid en volk.
Het is onze uitdaging, als georganiseerd burgerlijk middenveld, om op een nieuwe en radicale manier contact te leggen tussen deze spontane massaprotesten en de mondiale bestuursinstanties; tussen mij in de vergaderzaal en de demonstranten op straat.
Auteur: Dhananjayan Sriskandarajah
Vertaler: Peter Bergsma
Dhananjayan Sriskandarajah (1975) is secretaris-generaal van CIVICUS: World Alliance for Citizen Participation. Daarvoor was hij de jongste directeur ooit van de Britse, 140 jaar oude ngo Royal Commonwealth Society.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | oplage 332.000
Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten, en een van de koplopers op het gebied van crowdsourcing in de journalistiek.

