Vroeger hadden de Ieren een harde grens met Engeland toegejuicht. Maar nu de Brexit nadert vinden ze het jammer, schrijft de Ierse columnist Fintan O’Toole. ‘De tijd dat Iers-zijn het tegenovergestelde was van Engels-zijn is voorbij.’
Die zomer hing in Londen een soort hitte die ik in Ierland nog nooit had gevoeld, zo drukkend en benauwd als je alleen in heel grote steden meemaakt. Het was 1969, ik was elf en dit was mijn eerste dag in Engeland. Samen met mijn vader en mijn broer was ik met de boot van Dublin naar Liverpool gekomen. Met de bus waren we door de Midlands gereden, een intens onbekend landschap van autowegen, benzinestations en reusachtige energiecentrales. Mijn vaders neef Vincent had ons opgewacht bij het busstation en een volgende bus bracht ons naar East End, waar we logeerden bij mijn moeders zus Brigid. Brigid was een non, dus eigenlijk logeerden we in een katholiek klooster.
Vanwege de hitte en het vooruitzicht van drie dagen achter de kloostermuren besloot mijn vader dat hij wel een biertje kon gebruiken. Dus mijn vader en Vincent lieten mijn broer en mij met een flesje Fanta achter op een laag muurtje en verdwenen zelf de kroeg in. Ik weet nog dat ik op dat muurtje hard op mijn rietje zat te zuigen om de paniek te onderdrukken. We waren alleen in Engeland, van iedereen verlaten, op een wezensvreemde plek. ‘Engeland’ was een angstaanjagend begrip voor me.
Uit de geschiedenislessen op school wist ik dat de Engelsen alleen maar slechte dingen tegen de Ieren hadden gedaan. En ik wist dat de kern van al die slechtigheid het protestantisme was. Er was maar één waar geloof en dat dat was natuurlijk het katholicisme, dus Engeland was in principe al abnormaal. Je wist nooit wat je van zulke mensen kon verwachten – alleen dat ze niet aardig waren.
De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen
Toen kwam er over de weg een enorm grote man aan in een wapperend wit gewaad, en zijn lengte werd nog geaccentueerd door een hoge muts van luipaardbont. Hij had een gevolg van vijf of zes mannen, ook in het wit, zij het minder flamboyant. Hij was kennelijk een soort hoogwaardigheidsbekleder, een koning of een stamhoofd. Ik kon mijn ogen niet van hem afhouden. Hij zag me kijken en op zijn gezicht verscheen een grote glimlach. Hij gaf me een klopje op mijn hoofd en zei in een voor mij onbekende taal iets tegen zijn kompanen. Hij vroeg: ‘Geniet je van je fles prik?’ ‘Prik’ was een woord dat we in Ierland niet gebruikten voor frisdrank, maar ik wist wat het betekende. Ik kende het woord uit de Britse stripverhalen die we verslonden. Het verbaasde me dat hij mijn broer en mij voor Engelsen hield. Ik wilde hem uitleggen dat hij zich vergiste, dat wij net als hij buitenlanders waren. Maar ik was te perplex om iets te kunnen zeggen en hij vervolgde majestueus zijn weg.
Soms vraag ik me af wat ik als elfjarige tegen dat koninklijke personage zou hebben gezegd als ik in staat was geweest om mijn gevoelens uit te spreken. Stel dat hij mijn protest had weggewuifd: ‘Ik vind jou er Engels uitzien, dus wat is het probleem?’ Stel dat hij had gevraagd wat we daar überhaupt deden. Dan had ik moeten uitleggen dat mijn oom Vincent die in het café achter ons zat, uit het arbeidersmilieu in Dublin was weggegaan en erin geslaagd was om af te studeren op de universiteit van Oxford. En dat we logeerden bij mijn tante, de non, die als verpleegster in East End werkte. En dat we daarna in Maidstone zouden logeren bij mijn vaders broer Kevin die foerier was in het Britse leger en op de Tories stemde. En dat we daarna zouden logeren bij mijn moeders broer Pete en zijn vrouw in Manchester; hij was buschauffeur en zij stemden Labour.
En dat al hun kinderen – de neven en nichten die Engels met het plaatselijke accent spraken – net zo waren als ik: we speelden dezelfde spelletjes, keken naar dezelfde tv-programma’s, luisterden naar dezelfde popmuziek en we konden meteen goed met elkaar opschieten omdat we familie waren.
Ik weet niet of hij ervan overtuigd zou zijn dat mijn Iers-zijn iets meer was dan een kleine lokale variatie op het Engels-zijn. Het was natuurlijk veel meer – en dat is het nog steeds. Het Iers-zijn is niet iets wat je hoeft te bewijzen. Maar het ligt ook weer niet zo simpel en het is zeker niet wat ik als jongetje dacht dat het was: het tegenovergestelde van Engels-zijn.
Meerduidig en complex
Relaties binnen wat we nu ‘de eilanden’ noemen zijn meerduidig en complex. Engeland, Schotland, Wales, Noord-Ierland en de Ierse Republiek vormen een soort matrix, maar die verschuift voortdurend en is nooit stabiel. De officiële Ierse cultuur van mijn jeugd definieerde Ierland als alles wat Engeland niet was. Engeland was protestants, dus het katholicisme moest het hart van de Ierse identiteit vormen. Engeland was industrieel, dus Ierland moest zijn onderontwikkelde en gedeïndustrialiseerde economie tot deugd verheffen. Engeland was urbaan, dus Ierland moest een exclusief rustiek imago van zichzelf creëren. De Engelsen waren wetenschappelijke rationalisten, dus wij moesten als Ieren de mystieke dromers van dromen zijn. Zij waren Angelsaksen, dus wij waren Keltisch. Zij hadden een monarchie, dus wij een republiek. Zij ontwikkelden een welvaartstaat, dus wij vertrouwden op de genade van de liefdadigheid.
Maar zo simpel was het leven niet. Mijn tantes en ooms waren dolblij met hun werk in de fabriek en de dienstverlening in Engelse steden. Ze emigreerden niet zozeer naar Engeland als wel naar de welvaartsstaat. De Ieren hielpen de National Health Service opbouwen en genoten van de voordelen ervan. Ze maakten gebruik van de onderwijsmogelijkheden die de Britse sociale democratie hun bood. En hoewel ze zeker wel racistische trekjes hadden, genoten ze van het leven in een multi-etnische samenleving.
Hoewel het katholicisme een belangrijk punt van onderscheid was, gaven veel Ieren er de voorkeur aan om in Engeland te wonen omdat ze dan verlost waren van seksuele vooroordelen. Zes jaar na mijn eerste bezoek werkte ik als zeventienjarige in de zomervakantie in een bioscoop in Piccadilly Circus. Daar werd me voor het eerst gevraagd: ‘Ben je homo of hetero?’ Me bijna verontschuldigend mompelde ik dat ik hetero was – verontschuldigend omdat ik me meteen realiseerde dat bijna iedereen die daar werkte homo was. De manager was homo en hij nam homo’s in dienst om van het bedrijf een soort veilige haven te maken. Ik had de baan gekregen op basis van een verkeerde inschatting, maar ik werd getolereerd. Het was voor mij een belangrijke, zij het wat vreemde ervaring: ik kon even meemaken hoe het was om tot een seksuele minderheid te behoren.
Op verschillende manieren betekende Engeland dat voor veel Ieren: het land leerde ons dat ‘meerderheid’ en ‘minderheid’ willekeurige typeringen waren. In Ierland maakten de meesten van ons deel uit van een meerderheidscultuur; in Engeland moesten we leren wat het was om tot de weinigen te behoren in plaats van tot de velen. Dus we hadden twee verschillende ideeën over Engeland: als het tegenovergestelde van Ons en als een plek waar Wij iets veel ruimers betekende.
Maar de opvatting dat Ierland en Engeland elkaars tegenovergestelde zijn is allang achterhaald. Ierland is veel minder katholiek en Engeland veel minder protestants; in elk geval speelt religie een veel minder belangrijke rol in de identiteit van beide landen dan vroeger. De historische vijandigheid heeft plaatsgemaakt voor intense samenwerking en een gedeeld belang in vrede. En wellicht het belangrijkste: Engeland en Ierland zijn niet langer de tegenovergestelde nationaliteitspolen op de ‘eilanden’ – Wales en in het bijzonder het zelfstandigere Schotland zijn veel assertievere delen van de matrix.
Het wegvallen van deze simplistische tegenstelling is alleen maar goed. Maar de andere, positievere, kant van de oude tegenstelling is ook aan het verdwijnen, deels omdat Ierland is veranderd. De tijd is allang voorbij, bijvoorbeeld, dat Ieren de zee moesten oversteken om het leven in een multi-etnische samenleving te ervaren – de sinds de jaren negentig snel toenemende immigratie heeft ertoe geleid dat ze dat ook in hun eigen land kunnen ervaren. De strijd is ook voorbij dat LHBT-ers het gevoel hadden dat ze naar Engeland moesten om een tolerantere cultuur te vinden. Ierse vrouwen gaan nog steeds wel naar Engeland voor een abortus die ze in hun eigen land niet kunnen krijgen, maar die tijd zal ook langzaam voorbijgaan nu Ierland op het punt staat de strenge abortuswet te veranderen. Als Engeland in mindere mate een toevluchtsoord is voor Ieren, komt dat deels doordat er minder is om voor te vluchten.
Paradox
Als de tegenstellingen waar we aan gewend waren verdwenen zijn, blijft voor ons de paradox over: de Ierse Zee heeft nog nooit zo smal geleken en de twee kanten zijn nog nooit zo gelijk geweest. Toch zullen Ierland en Engeland binnenkort wellicht meer gescheiden zijn dan voorheen, omdat er dan een EU-grens tussen ligt. Er was natuurlijk een tijd dat veel Ieren van zo’n situatie zouden hebben gedroomd, dat nationalisten niets liever wilden dan dat de hoogst mogelijke barrières tussen Ierland en Engeland werden opgeworpen.
Maar nu kom je bijna geen Ier meer tegen die het niet diep betreurt. Dat zegt op zichzelf al veel. Onder al dat politieke gedoe heeft alles zich heel fatsoenlijk geschikt, in een over het algemeen tevreden nabuurschap. Na zo veel eeuwen van verbittering is dat geen sinecure. De Engelsen en de Ieren hebben onderling geen problemen meer. En juist het feit dat er geen problemen meer zijn is nu een big deal.
Auteur: Fintan O’Toole
Vertaler: Paul Bruijn
Lees ‘Brexit kan Groot-Brittannië en Ierland opnieuw verdelen’ terug in Reader # 0.
The Irish Times
Ierland | dagblad | oplage 61.049
In 1859 opgericht door protestanten. Tegenwoordig staat de krant onder controle van een groep ‘trustees’, die de politieke en religieuze onafhankelijkheid bewaakt. The Irish Times heeft nog altijd een groot correspondentennetwerk en vele prominente ‘pennen’.

