De invloed van China in Afrika groeit. In Namibië, een land met 2,4 miljoen inwoners, werken intussen tienduizenden Chinezen. Zij zorgen voor ontwikkeling, maar ook voor nieuwe afhankelijkheid.
Elke doordeweekse ochtend vindt nog voor zonsopgang een ware volksverhuizing plaats, niet ver van de woestijn aan de zuidwestkust van Afrika. Om halfzes ’s ochtends komen in de Namibische plaats Swakopmund, waar eeuwenoude gebouwen staan die nog sporen dragen van de Duitse kolonisatie, uit allerlei huizen en appartementen mannen tevoorschijn die in stevig tempo door de duisternis lopen – de witte reflecterende strepen lichten af en toe op. Het zijn geen Afrikanen, maar Chinezen. Terwijl de mannen zich verzamelen bij een keurig huis aan de Libertina Amathila Avenue, het enige huis in de buurt waar licht brandt, is de rest van het Atlantische kustplaatsje nog in een diepe rust gedompeld.
Dylan Teng, een jongensachtige ingenieur van 29 met kortgeschoren haar en een metalen brilletje, is een van de laatsten die bij het huis arriveert. Zoals vrijwel elke dag sinds hij drieënhalf jaar geleden in Namibië is aangekomen, voegt Teng zich bij de anderen en doet zich tegoed aan een ontbijt van gestoomde broodjes en rijstepap. Hij pakt een lunchpakket dat is klaargemaakt door een kok van een bedrijf en om klokslag zes uur, terwijl de sterren nog schitteren aan de hemel, stapt hij in een bus met op de zijkant de letters C.G.N. – China General Nuclear, een gigantisch overheidsbedrijf dat het grootste Chinese project in heel Afrika uitvoert.
Een uur later, wanneer de zon de horizon doet oplichten, slingert de bus door een onherbergzaam maanlandschap en daalt af naar de Husab Uranium Mine, de op een na grootste uraniummijn ter wereld – een investering van 4,6 miljard dollar. Teng heeft deze route inmiddels al bijna duizend keer afgelegd, maar elke keer opnieuw lijkt Husab een fata morgana: een virtuele stad die zich als een lint van een kilometer of tien uitstrekt over het woestijnoppervlak, met aan het ene uiteinde twee enorme open groeves die zijn uitgehakt in de rotsachtige ondergrond, en aan het andere uiteinde een verwerkingsfabriek. Die fabriek heeft, op de laatste werkdag van 2016, zijn eerste vaten U₃O₈, opgeleverd, het uraniumconcentraat dat kan worden gebruikt om kernenergie op te wekken (en om wapens te maken). ‘We hebben die dag een grote ceremonie georganiseerd,’ zegt Teng.
Het belang van Husab
Teng is een van de weinigen uit zijn geboortedorp in de provincie Sichuan, in het zuidwesten van China, die een universitaire studie heeft afgerond. Hij is zich terdege bewust van het belang van Husab. Husab is meer dan alleen een reddingsboei voor de kwakkelende economie van Namibië – naar schatting zal het bruto nationaal product van het land met 5 procent stijgen wanneer de mijn volgend jaar op volle toeren draait. Maar los daarvan zal het uranium, dat vrijwel allemaal naar China gaat, ook Tengs vaderland opstuwen tot wereldleider op het gebied van kernenergie, waarmee de afhankelijkheid van kolen zal afnemen. In Beijing, waar Teng werkte voordat hij naar Namibië kwam, leefde hij onder een grijze wolk van door kolen veroorzaakte luchtvervuiling, die over vrijwel heel Oost-China hangt. Nu werkt Teng aan de toekomst – zowel die van hemzelf als die van zijn land – onder een oneindige, kobaltblauwe Afrikaanse hemel. ‘Ik had nooit kunnen denken,’ zegt hij, ‘dat ik aan de andere kant van de wereld zou belanden.’
De aantrekkingskracht van China doet zich momenteel vrijwel overal ter wereld gelden, maar er zijn weinig landen waar die kracht zo sterk voelbaar is als in Namibië, een winderig land met 2,4 miljoen inwoners – nauwelijks eentiende van het inwonertal van Beijing – op zo’n 12.000 kilometer van de Chinese hoofdstad. De woestijn waar de afgelopen jaren de Husab-mijn is verrezen, stond bekend om de aanwezigheid van de Welwitschia mirabilis, de lage plant waaraan maar twee bladeren groeien en die meer dan duizend jaar oud kan worden. Inmiddels heeft de invloed van China zich, in net iets meer dan duizend dagen, uitgestrekt tot ver voorbij de uraniummijn.
Iets ten noorden van Swakopmund is een Chinees telemetriestation verrezen, met schotelantennes die naar de hemel zijn gericht om satellieten en ruimtemissies te kunnen volgen. Zo’n 40 kilometer zuidelijker, in Walvisbaai, is een Chinees staatsbedrijf bezig met de aanleg van een kunstmatig eiland ter grootte van veertig honkbalvelden, als deel van een immense havenuitbreiding. Andere Chinese projecten in de buurt zijn onder meer een winkelcentrum, een granietfabriek en een brandstofopslagdepot van 400 miljoen dollar. In de haven wordt Chinese handel verscheept: containerschepen vol cement, kleding en apparatuur komen de haven in; tegels, mineralen en – soms – illegaal kaphout of bedreigde diersoorten zetten koers richting China. Het is zo’n bedrijvigheid dat het gerucht gaat dat er plannen zijn voor een marinebasis in Walvisbaai. Hoewel die geruchten met klem worden ontkend door hoge Chinese ambtenaren, houdt de plaatselijke bevolking het niet voor onmogelijk.
Deze bescheiden buitenpost is misschien nog maar het begin van wat weleens de grootste wereldwijde handels- en investeringsslag uit de geschiedenis zou kunnen worden. Gedreven door economische (een verlangen naar bronnen en nieuwe afzetmarkten) en politieke motieven (een verlangen naar nieuwe strategische partners) zijn Chinese bedrijven en arbeidskrachten over de hele wereld uitgewaaierd. In 2000 beschouwden slechts vijf landen China als hun belangrijkste handelspartner; momenteel geldt dat voor meer dan honderd landen, van Australië tot de Verenigde Staten. Er komt geen einde aan de reeks voorgestelde projecten: China’s eerste buitenlandse militaire basis, in Djibouti; een hogesnelheidstrein door Nigeria, een project van 8 miljard dollar; een kanaal dwars door Nicaragua, dat naar verwachting zo’n 50 miljard zal gaan kosten. En zelfs nu China’s hausse enigszins begint af te nemen, staat nog altijd het meest ambitieuze project van allemaal in de steigers: met het One Belt, One Road-initiatief – een verwijzing naar de handelsroutes – wil president Xi Jinping naar eigen zeggen in het komende decennium 1,6 biljoen dollar in infrastructuur en ontwikkeling steken, door heel Azië, Afrika en het Midden-Oosten. Hierbij verbleekt het Marshallplan van de Verenigde Staten voor Europa, na de Tweede Wereldoorlog.
China’s band met Afrika gaat terug tot de jaren zestig, toen voorzitter Mao Zedong solidariteit met de westerse wereld bepleitte – Ya Fei La, zoals hij het noemde, naar de eerste lettergrepen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Hoewel China arm was, en verzand in de chaos van de Culturele Revolutie, wist het in Afrika nieuwe bondgenoten te werven door in 1976 een spoorlijn van maar liefst 1860 kilometer aan te leggen tussen Tanzania en Zambia. Hierna druppelde er wel af en toe wat geld binnen, maar er dienden zich in de dertig jaar die volgden geen andere grote projecten aan. China richtte zich op de binnenlandse economie, naar het adagium van leider Deng Xiaoping: ‘Verberg je kracht en wacht tot je tijd daar is.’ Dat was in 2000, toen Beijing zich realiseerde dat er buitenlandse bronnen en bondgenoten nodig waren om de economische groei te stimuleren. Chinese bedrijven werden opgeroepen ‘de blik te verbreden’ naar het buitenland.
Wie nu een nachtvlucht neemt van Shanghai naar Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië, loopt grote kans tussen allemaal Chinese arbeiders te belanden, die op weg zijn naar een bouwplaats in het olierijke Equatoriaal-Guinea, een katoenfabriek in Mozambique of een telecomproject in Nigeria. In de afgelopen twintig jaar is de handel van China met Afrikaanse landen verveertigvoudigd. De arbeiders en de migranten die de mondiale visie van China uitdragen zijn nu zo alomtegenwoordig in Afrika – volgens een schatting zijn het er wel een miljoen – dat toen mijn vrouw en ik een Hunanees restaurant in Addis Abeba binnenliepen, de arbeiders die er met een rood hoofd dubbelgekookt varkensvlees zaten te eten, uitriepen: ‘Ah, laowai laile!’ Kijk, buitenlanders! Het leek onbeleefd om hen erop te wijzen dat ze zelf ook buitenlanders waren.
Een land als Namibië kan moeilijk weerstand bieden aan China’s verkooppraatjes, deels omdat die teruggrijpen op een historische verbondenheid. Beijing steunde de vrijheidsstrijd van de zwarte nationalisten tegen de apartheid en tegen de blanke, Zuid-Afrikaanse herenboeren. Sam Nujoma, de leider van de South West Africa People’s Organization, bracht begin jaren zestig een bezoek aan Beijing, op zoek naar wapens en financiële steun. Toen Namibië begin jaren negentig eindelijk de onafhankelijkheid uitriep, met Nujoma als president, was China een van de eerste diplomatieke bondgenoten, die liet weten dat de twee landen ‘door dik en dun’ bevriend waren. (Beijing was wanhopig op zoek naar bondgenoten teneinde het diplomatieke isolement te doorbreken als gevolg van het gewelddadig neerslaan van de democratiseringsbeweging in 1989).
Sommige inwoners van Namibië zien de overvloed aan Chinese leningen en investeringen niet zozeer als een vorm van vrijheid, maar eerder als een nieuwe vorm van kolonialisme
China heeft meer te bieden dan alleen het eigen historische voorbeeld als een model om te ontsnappen aan de armoede: het land financiert ook buitenlandse ondernemingen zonder allerlei voorwaarden te stellen op het gebied van mensenrechten, good governance en fiscale regels. ‘Wij waren heel blij met China, omdat we voor het eerst een alternatief hadden voor de agenda die werd bepaald door het Westen, of het nu ging om Zuid-Afrika of om de westerse wereld,’ zegt Calle Schlettwein, de Namibische minister van Financiën. ‘De Chinezen zeggen: “Jullie moeten je eigen koers bepalen, dus zeg maar wat we voor jullie kunnen doen”.’ Maar ook de Chinezen stellen voorwaarden, aldus Schlettwein. ‘Uiteindelijk willen ze totale controle over alles wat er gebeurt, wat het lastig maakt om een situatie te creëren waarbij werkelijk beide partijen baat hebben.’
De leiders van China hameren erop dat hun invloed alleen maar positief is, een mondiale oefening in wat zij een ‘win-winsamenwerking’ noemen. En het valt niet te ontkennen dat veel van de projecten die Chinese bedrijven realiseren – wegen en spoorlijnen, havens en pijpleidingen, mijnen en telecomnetwerken – er nooit zouden zijn gekomen zonder de Chinezen. China’s investering in de Husab-uraniummijn, waarvan 90 procent van de aandelen in handen is van C.G.N. en 10 procent in handen van de Namibische overheid, is een niet onbelangrijk middel om de recessie op afstand te houden. ‘We hebben Namibië geholpen om zich in politiek opzicht te bevrijden,’ zegt Xia Lili, een voormalig Chinees diplomaat die nu bij een Chinees bedrijf werkt in Windhoek. ‘Nu helpen we het land om zich in economisch opzicht te ontwikkelen.’
Sommige inwoners van Namibië zien de overvloed aan Chinese leningen en investeringen niet zozeer als een vorm van vrijheid, maar eerder als een nieuwe vorm van kolonialisme. De nieuwe infrastructuur wordt verwelkomd, maar aangezien de projecten onmogelijk zouden zijn geweest zonder leningen – verstrekt door de Chinezen – is de economie opgezadeld met schulden en is het werkloosheidspercentage van bijna 30 procent nauwelijks gedaald. Bovendien zijn er de laatste maanden een aantal schandalen geweest rond Chinezen – waaronder belastingontduiking, witwassen en jagen op beschermde diersoorten – waardoor de plaatselijke bevolking genoeg begint te krijgen van de buitenlanders; die willen volgens hen namelijk vooral dingen úít het land halen: uranium, hout, neushoornhoorns en financiële winsten, zonder iets terug te geven aan de bevolking van het land waar de kloof tussen arm en rijk, dankzij de erfenis van de apartheid, tot de meest schrijnende ter wereld behoort. In januari werden deze gevoelens, die steeds meer terrein winnen, mooi verbeeld in een krant uit Windhoek, die op de voorpagina een cartoon plaatste van een draak die de Namibische vlag verslindt. De bijbehorende tekst: ‘Namibië wordt aan de Chinezen gevoerd.’
De vraag hoe China de wereld verandert wordt vaak gepresenteerd als een binaire kwestie: is China de redding van ontwikkelingslanden, de enige wereldmacht die investeert in hun toekomst – of is dit het begin van een nieuw koloniaal tijdperk? De vraag zelf is echter misleidend. Niet alleen in Namibië zelf, maar ook in de rest van de wereld bestaan deze twee verhaallijnen naast elkaar en zijn ze onmogelijk te ontwarren. ‘Je zou kunnen zeggen dat China het beste is wat Afrika ooit is overkomen – of het ergste,’ aldus Eric Olander, co-presentator van de wekelijkse China in Africa Podcast. ‘De schoonheid schuilt in de complexiteit.’
Vrijheid en mogelijkheden
Op de citroengele muur van het restaurant staat in het Chinees: Ye Shanghai. De nachten van Shanghai. De gasten voor de lunch zijn inmiddels alweer vertrokken, maar aan een tafel zitten nog zes Chinese mannen en vrouwen van middelbare leeftijd – onder wie James Shen en zijn vrouw Rose, de eigenaren. Ze pellen garnalen en zuigen met smaak de schaal leeg. Niemand zegt een woord. Uit de flatscreen-tv aan de muur schalt een reportage van CCTV-4, een zender van de Chinese staatstelevisie, waarin ademloos het machtige Volksbevrijdingsleger wordt geroemd. Wanneer er een dubbele rij explosies op zee wordt getoond, roept Rose uit: ‘Wah, wat is ons China sterk!’
Het restaurant van het echtpaar bevindt zich in Walvisbaai, een havenstad die aan drie kanten wordt ingesloten door de Namibwoestijn, volgens sommigen de oudste ter wereld. James en Rose maken deel uit van een van de eerste golven Chinese immigranten, die twintig jaar geleden in Afrika zijn aangekomen om er nooit meer te vertrekken. De Chinese diaspora heeft een lange geschiedenis van wortelen en tot bloei komen, op enkele van de meest afgelegen plekken ter wereld. Werkelijk overal ben ik Chinese kooplieden tegengekomen, van de Siberische toendra tot aan kleine mijnsteden in de Andes. In Afrika hebben ondernemers zoals James en Rose een nieuw land gevonden met de ruimte, de vrijheid en de mogelijkheden die ook de kolonisten van vroeger in het westen van Amerika zo aansprak. ‘Mijn man was op zoek naar een plek om een zaak op te zetten, en hij viel voor de ruimte, de weidsheid,’ zegt Rose. ‘Maar we blijven altijd op de eerste plaats Chinees.’
Zoals zovele Chinese immigranten over de hele wereld begon het echtpaar met een klein winkeltje, waar ze goedkope kleren, schoenen en tassen verkochten die per schip uit China werden aangevoerd. Hun zaakje, James and Rose, is er nog altijd, aan een belangrijke kruising in Walvisbaai, maar inmiddels hebben ze hun activiteiten uitgebreid met een hotel, een restaurant, een karaokebar, een massagesalon en een handelsonderneming. Tegenwoordig zie je in vrijwel elke stad in Namibië wel zo’n Chinese winkel – en nog vele duizenden meer in de rest van Afrika.
Op een zondag in het Chinatown van Windhoek, waar tientallen winkeltjes zijn gevestigd in een lange rij pakhuizen in het industriële deel van de stad, slenteren Namibische families over straat en dingen af op van alles en nog wat, van namaak-Nikes en plastic speelgoed tot zonnepanelen en tweedehandsmobieltjes. Een man vertelt me dat hij blij is met de lage prijzen, maar ondertussen doet hij wel zijn beklag over de kwaliteit – en de nadelige effecten op de lokale handel. Wu Qiaoxia, een Chinese makelaar die is begonnen met een klein zaakje in de noordelijke stad Oshakati, wuift die kritiek van de hand. ‘Voordat wij hier kwamen, liepen er in Namibië nog veel kinderen rond die niet eens schoenen hadden,’ zegt Wu. ‘De mensen hier hadden behoefte aan van alles, en dat hebben wij hun verkocht, tegen lage prijzen.’
Over het precieze aantal Chinezen in Namibië lopen de meningen nogal uiteen. Er zijn geen officiële cijfers en het beeld wordt vertroebeld door een constant komen en gaan van contractarbeiders. Afgelopen najaar trok het Namibische ministerie van Binnenlandse Zaken aan de alarmbel met de bewering dat er honderdduizend Chinezen in Namibië wonen – wat zou neerkomen op zo’n 4 procent van de bevolking. Voorzichtigere schattingen gaan uit van iets tussen de tien- en de twintigduizend. Hoe dan ook is duidelijk dat in Namibië, zoals in vrijwel alle ontwikkelingslanden, de oudere generatie langdurige immigranten wordt verdrongen door China’s diaspora: jongere arbeiders met een betere opleiding, die naar het buitenland gaan om ervaring op te doen – en goed te verdienen – om vervolgens terug te keren naar China. ‘Wij waren hier als een van de eersten,’ zegt Rose Shen, ‘maar inmiddels zitten er overal Chinezen.’
In Afrika verdient Sean Hao ruim tien keer zoveel als thuis in China
Sean Hao, een jonge telecommunicatiespecialist in Windhoek, maakt deel uit van die diaspora. Hij is opgegroeid in een grotwoning in de provincie Shaanxi in Centraal-China, en het lag in de lijn der verwachting dat hij in zijn leven niet veel verder zou komen dan de jujubeboomgaard van het dorp. Maar Hao werd toegelaten tot een universiteit, als eerste van de familie, en na zijn afstuderen kreeg hij een baan als netwerkinstallateur bij een Chinese telecomgigant. Door een kamer te huren voor slechts 15 dollar per maand wist hij wat geld opzij te zetten van de 500 dollar die hij elke maand verdiende. Maar zijn spaargeld was nauwelijks genoeg om het appartement te kopen dat hij nodig had om te kunnen trouwen. In een land waar veel meer jonge mannen zijn dan jonge vrouwen – als gevolg van de eenkindpolitiek – wordt een appartement gezien als een noodzakelijk iets om een vrouw aan je te kunnen binden en niet te hoeven eindigen als een ‘dorre tak’ (een ongetrouwde man). Maar onroerend goed leek te hoog gegrepen voor iemand die was opgegroeid in een grot.
Toen een headhunter Hao attendeerde op een baan in Afrika waarmee hij meer dan 6000 dollar per maand zou verdienen, vertrouwde Hao het niet. ‘Ik was bang dat het om mensensmokkel ging,’ vertelt hij lachend. Het aanbod bleek serieus, maar het ging om een baan in Nigeria, wat in zijn ogen geen veilig land was. Dus tekende Hao in plaats daarvan een contract om een telecomsysteem aan te leggen in Angola, voor ruim 5000 euro per maand – meer dan tien keer zoveel als hij daarvoor verdiende. Na een jaar in Afrika deed Hao een aanbetaling voor een appartement in Xi’an, een stad in Centraal-China, en hij wist de ouders van zijn vriendin ervan te overtuigen dat hij een voldoende solide financiële basis had om met hun dochter te trouwen. Hao en zijn vrouw kregen na korte tijd een dochtertje, maar door zijn werk in Afrika heeft hij haar de eerste vijftien maanden van haar leven slechts één maand gezien. ‘Ze herkende me niet eens,’ zegt hij. Zijn vrouw en dochtertje besloten bij hem te komen wonen, in Namibië, waar hij inmiddels werkte. Maar na een lang en eenzaam jaar vertrokken ze weer naar huis, en Hao wordt nog altijd heen en weer geslingerd tussen het verlangen om bij zijn gezin in China te zijn en de kans om zijn slag te slaan in Namibië.
Op een warme zaterdag, eind maart, voegt Hao zich bij een tiental Chinese collega’s, onder het strodak van Joe’s Beerhouse in Windhoek. Twee van de mannen gaan terug naar China, nadat hun kortlopende contract is afgelopen, en de groep neemt afscheid met grote glazen zogenaamd Duits bier. Tegen de tijd dat ik in de bar arriveer zijn er al drie mannen lam en liggen met hun hoofd op tafel, terwijl een paar anderen gevaarlijk overhellen. Hao, die nog moet rijden, heeft nauwelijks een slok gedronken. Door het afscheid van zijn vrienden, die terugkeren naar het moederland, is hij in een wat melancholieke stemming. ‘Ik zou ook wel naar huis willen,’ zegt hij, ‘maar in China kan ik onmogelijk een baan vinden waarmee ik ook maar in de verste verte kan verdienen wat ik nu verdien.’
Auteur: Brook Larmer
The New York Times Magazine
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.160.000
Tijdschrift dat op zondag verschijnt bij de The New York Times en dat vooral bekend staat om zijn fotografie, met name op het gebied van mode en stijl.

