Volgens de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev heeft de Turkse regering grote fouten gemaakt in de nasleep van de recente coup. Maar ook de EU reageerde verkeerd. Het is nu zaak om te zorgen dat de relatie niet volledig ontspoort.
Toen ik een paar dagen geleden aan boord stapte van een Turkish Airlines-vlucht naar Ankara, overhandigde een stewardess me een gelikt uitziende brochure over de mislukte staatsgreep van 15 juli. Daarin werd het Turkse volk geprezen om zijn bezielde verdediging van de democratie en werd de Gülen-beweging, die voor de staatsgreep verantwoordelijk werd gesteld, afgeschilderd als een duistere religieuze samenzwering die je eerder in een roman van Dan Brown zou verwachten.
De patriottische brochure was een voorbode van wat ik tijdens mijn bezoek aan het land veelvuldig te horen zou krijgen van Turkse ministers, onafhankelijke journalisten en oppositieleiders. Deze totaal verschillende mensen, vaak afkomstig uit tegengestelde politieke kampen, waren het over één ding roerend eens: de poging tot staatsgreep op 15 juli was totaal onverwacht (in een land dat tijdens recente decennia al vier staatsgrepen te verduren had gekregen) en om die reden zwaar traumatisch. En stuk voor stuk gaven ze de gülenisten de schuld.
De hoop op aansluiting bij de Europese Unie lijkt voorgoed vervlogen
Hun verbazing verklaart mede waarom een slecht voorbereide staatsgreep, die al leek te eindigen voordat hij goed en wel begonnen was, zulke schokgolven in het land teweeg kon brengen. Heel even hadden de Turken het angstige idee in een bloedige burgeroorlog te worden meegesleurd. Bovendien reageerde het Westen met een combinatie van een halfslachtige veroordeling van de coupplegers en een afwachtende realpolitik.
Maar hoewel de Turken redenen hebben om boos te zijn vanwege de westerse reactie, is ook het officiële verhaal van Ankara niet van tendentieuze oogkleppen gespeend. Daarin wordt de schuld volledig bij de kwalijke invloed van de religieuze leider Fethullah Gülen gelegd, terwijl de steun voor de staatsgreep veel breder was. Als je de AK-partij mag geloven, zijn de gülenisten verantwoordelijk voor het politieoptreden tegen de betogers in het Taksim Gezi Park in 2013 en voor het neerschieten van een Russisch vliegtuig boven de Turks-Syrische grens, afgelopen herfst. Sommigen betichten hen er zelfs van dat ze achter het Turkse verzet tegen een gezamenlijke Amerikaans-Turkse militaire operatie tegen IS in Syrië zitten.
Onderscheid
Evenmin heeft de Turkse regering de moeite genomen om uit te leggen waarom ze, toen de kloof met de gülenisten ontstond, de waarschuwingen van journalisten en oppositieleiders in de wind heeft geslagen dat de Gülen-beweging in staatsinstellingen infiltreerde, de controle over een belangrijk deel van het rechtssysteem naar zich toe trok en vals bewijs fabriceerde om haar vijanden in diskrediet te brengen en gevangen te zetten.
Dit alles heeft de regering er niet van weerhouden om een gigantische, zelfdestructieve zuivering uit te voeren, waarbij zo’n tienduizend mensen zijn gearresteerd, honderdduizend mensen zijn ontslagen en voor een kleine tien miljard euro aan bezittingen in beslag is genomen, getallen die niet alleen mensenrechtenactivisten zorgen baren maar ook buitenlandse investeerders.
De woede van de regering is begrijpelijk, net als haar behoefte om de staat voor coupplegers te vrijwaren. Maar er zou onderscheid gemaakt moeten worden tussen degenen die deelnamen aan de staatsgreep en degenen die alleen maar tot de Gülen-beweging behoren.
Neem het geval van de Bank Asya. In 2014 zette de regering deze bank, die eigendom was van aan de gülenisten gelieerde zakenlieden, de duimschroeven aan. Gülen ondernam een reddingspoging en vroeg zijn volgelingen hun geld op de Bank Asya te zetten, en ook om geld bij andere banken te lenen en dat bij de bank van de beweging te investeren. Veel gülenisten deden dat. Nu probeert de regering de mensen te identificeren die gehoor hebben gegeven aan de oproep van Gülen, en hen als staatsvijanden te bestempelen; in juli werd de vergunning van de bank ingetrokken.
Zoals ik tijdens mijn reis heb kunnen constateren, heeft het onvermogen – of de weigering – van de regering om een dergelijk onderscheid te maken al diepe sporen nagelaten in de Turkse samenleving. In een normale democratie zouden rechtbanken over zulke kwesties oordelen. Maar omdat de gülenisten het rechtssysteem op veel niveaus domineerden, en omdat ze allemaal zijn weggezuiverd, ontbreekt het de nieuwe en resterende rechters aan de legitimiteit en, naar mijn mening, aan de wil om de regering het hoofd te bieden. Hetzelfde geldt voor de media: in een vergiftigde sfeer waarin alle kritiek op de zuiveringen als een verdediging van de gülenisten wordt uitgelegd, zijn maar weinig journalisten bereid het achterste van hun tong te laten zien.
Tegelijkertijd betekent het feit dat de Europese leiders zich niet krachtig tegen de staatsgreep hebben uitgesproken, en zich niet solidair hebben verklaard met Turkije, dat de Europese Unie haar morele geloofwaardigheid in Turkije heeft verspeeld, net op het moment dat haar stem het hardste nodig is. In een land waar toch al scheef werd aangekeken tegen het idee van aansluiting bij de Europese Unie, lijkt de hoop daarop voorgoed vervlogen door de staatsgreep en de gevolgen daarvan.
Natuurlijk moet Turkije, of het nu lid wordt of niet, blijven samenwerken met de Europese Unie en vice versa – op het gebied van vluchtelingen, van terrorisme, van veelomvattende kwesties zoals regionale vrede en stabiliteit. Zoiets zal niet eenvoudig zijn. Maar het is duidelijk dat er stappen genomen moeten worden.
Europa moet stoppen met de valse aantijging dat Turkije alleen maar drie miljoen vluchtelingen heeft opgenomen (en hen voedt en hun kinderen onderwijs probeert te geven) om hen tegen Europa te kunnen gebruiken. Evenzo moeten de Turken stoppen met doen alsof elke kritiek vanuit Europa een teken is dat Europa anti-islam of pro-Gülen is.
De afgelopen jaren zijn de Europees-Turkse betrekkingen in een giftige mengeling van gemeenschappelijke belangen, gemeenschappelijke frustraties en klinkklare hypocrisie verzonken. Laten we hopen dat de gemeenschappelijke belangen het zullen winnen van de gemeenschappelijke frustraties, en dat de klinkklare hypocrisie niet zal omslaan in onverbloemde rancune.
Auteur: Ivan Krastev
Vertaler: Peter Bergsma
The New York Times
Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

