Voor iedereen die opgroeide in de jaren zeventig was de eerste Star Wars-film een culturele mijlpaal. En dus houdt New York Times-criticus A. O. Scott ondanks alles nog steeds van Luke, lichtzwaarden en de Force.
Halverwege 1977 vonden er kort na elkaar drie belangrijke gebeurtenissen plaats. Star Wars ging in roulatie, ik werd elf en Elvis Presley ging dood. Een van die gebeurtenissen is van een volkomen andere orde, ik weet het; en strikt genomen was er – en ís er – weinig meer onderlinge samenhang dan het gegeven dat die data zo dicht bij elkaar liggen. Maar toch zijn die willekeurige gebeurtenissen bepalend geweest voor mijn relatie met de populaire cultuur.
En dat geldt natuurlijk niet alleen voor mij. Het moderne leven is een aaneenschakeling van mijlpalen, gekoppeld aan een bepaalde generatie. We ontlenen onze collectieve identiteit aan de gedeelde ervaringen van allerlei publieke gebeurtenissen, waar ook kaskrakers en hits onder vallen. Of we ze nou mooi vinden of niet, ze gaan als vanzelf deel uitmaken van de architectuur van onze persoonlijke identiteit, en ze vormen een soort ruilmiddel tussen leeftijdsgenoten. Elvis, die halverwege de veertig was toen hij overleed, hoorde voor kinderen zoals ik onmiskenbaar bij de ouderen, hij stond symbool voor het moment in de jeugd van onze ouders waarop alles veranderde. De Beatles vertegenwoordigden een soortgelijke aardverschuiving, zij het van iets recentere datum. Ook zij maakten deel uit van het verleden. Op de kleuterschool hadden we hun liedjes gezongen, en we hadden ze gehoord bij Sesamstraat. Ze behoorden tot het domein van de nostalgie. Bij Star Wars lag dat anders. Star Wars was van óns – het was onze eigen tektonische plaat die begon te schuiven, waarmee het landschap voorgoed zou veranderen.
Althans, zo gaat het verhaal – zowel de heroïsche als tragische versie. Het ongekende succes van de film die tegenwoordig bekend staat als Episode IV – A New Hope _wordt verantwoordelijk gehouden voor veel van wat volgde, zowel in positieve als in negatieve zin. _Stars Wars zou een einde hebben gemaakt aan de nieuwe artistieke ambities in het Hollywood van de jaren zeventig, waar grote risico’s werden genomen, en het begin hebben gevormd van een tijdperk waarin kaskrakers de dienst uitmaken, een tijdperk waaraan nog altijd geen einde is gekomen. Volwassenen in de eenentwintigste eeuw die zich beklagen over de hegemonie van franchisefilms met een fantasyconcept – wij bijna allemaal dus, op enig moment – moeten de schuld zoeken bij ons eigen jeugdige enthousiasme. Maar de eerste Star Wars-trilogie zou ook verantwoordelijk zijn voor de duizelingwekkende wereld van de fancultuur. Ook zou de trilogie bevrijdend hebben gewerkt voor nerds en geeks die voorheen konden rekenen op de minachting van ouderen en de hoon van leeftijdsgenoten, terwijl hun passie nu ineens in het centrum van het universum was beland. Zoals het eerder de rock-’n-roll was gegaan, zo werd ook dit nieuwe culturele model niet direct breed gedragen, maar wel was het vanaf het allereerste moment winstgevend, en het kon keer op keer vernieuwd worden.
Maar hoe vernieuwend was het nou eigenlijk? De geschiedenis heeft er een handje van nieuwe dingen te doen voorkomen alsof ze niet echt nieuw zijn. Elvis drukte zijn onmiskenbare stempel op het bewustzijn van de babyboomer door de zwarte muziek uit het zuiden, die al veel langer bestond, te voorzien van een wit gezicht en de lippen van een pruilende tiener. De Beatlemania borduurde goeddeels voort op de echo van Elvis en Chuck Berry. Star Wars greep nog bewuster terug op het verleden, het was haast een caleidoscopische hommage van een student filmkunde, een allegaartje van stijlen en verwijzingen.
In zijn gunstige, maar ook enigszins neerbuigende recensie in The New York Times maakte Vincent Canby gewag van verwijzingen naar de Flash Gordon-serie en een hele verzameling literatuur die zonder meer eclectisch valt te noemen: Quo Vadis, Buck Rogers, Ivanhoe, Superman, De tovenaar van Oz, het evangelie volgens Mattheüs, de legende van koning Arthur en de Ridders van de Ronde Tafel. De collega-cinefielen van George Lucas wezen erop dat hij schatplichtig was aan John Ford en Akira Kurosawa. Stars Wars mocht dan ogen als een sciencefictionfilm met de bijbehorende ruimtegevechten, het was óók een western, een epische samoeraifilm en, zeker wanneer Carrie Fisher en Harrison Ford in een en dezelfde scène speelden, een screwball comedy. Een schoolvoorbeeld van wat sommigen van ons jaren later tijdens de studie zouden leren herkennen als de typisch postmoderne esthetiek van de pastiche.
Demografische en sociale krachten
Maar wat wisten we daar in die tijd nou van? Voor wie in 1977 elf was, was Stars Wars iets volkomen nieuws. Wat niet wilde zeggen dat we dachten dat het zomaar uit het niets was gekomen. Er waren al actie-avonturenfilms, sciencefictionallegorieën met steeds weer nieuwe delen en stripboeken die de fan hadden voorbereid op de geneugten van verhalende series. We kenden The Lord of the Rings (zowel de boeken als de animatiefilm van Ralph Bakshi), Planet of the Apes (zowel de film als de spin-offs, de animatiefilms op zondagochtend), Star Trek, het tijdschrift Mad. Meer dan voldoende brandstof voor de ontluikende fantasie van een liefhebber.
Dit alles had het vuur in gang gezet, en ik sluit niet uit dat dat ook tot ontbranding was gekomen als George Lucas niet de lucifer had afgestreken. De vonk in de zomer van 1977 was misschien niet alleen – of niet voornamelijk – de liefde voor een bepaalde film. Achteraf gezien leek het bredere fenomeen Star Wars symbool te staan voor wat het onvermijdelijke resultaat lijkt te zijn van demografische en sociale krachten.
De ‘helden’-theorie binnen de geschiedkunde staat altijd op gespannen voet met een meer deterministische visie. De opkomende generatie – die pas later ‘generatie x’ genoemd zou worden – hunkerde naar nieuwe dingen, afleiding, comfort, orde, mythologie, heroïek, kortom alles wat onze post-jarenzestigtijd van recessie niet te bieden had. We hadden alleen nog een babyboomer nodig die daarin zou voorzien, die ondertussen steenrijk zou worden en zou zorgen dat wij ons de rest van ons leven konden koesteren in aanbidding en afgunst. Hij zou de bedenker zijn, maar wij de eindgebruikers, en we zouden ons het product toe-eigenen. Wat gold voor Star Wars, gold een paar jaar later ook voor de personal computer. Beide zouden de generatiekloof verdiepen tussen de inmiddels grijzende generatie X en de millenniumgeneratie in opkomst.
Maar daarover straks meer. Ik ben Coleridges ancient mariner, en dit is nog altijd mijn verhaal. Ik weet niet precies hoe vaak ik Star Wars heb gezien in het jaar dat de film uitkwam, maar wat ik wel weet is dat er niet één andere film ik is die ik zó kort achter elkaar zó vaak heb gezien – totdat mijn kinderen werden geboren en er een dvd-speler in huis kwam en een dvd van Toy Story 2.
De schrijver Jonathan Lethem, die twee jaar ouder is dan ik, heeft in een indringend stuk (getiteld ‘13, 21, 1977’) geschreven dat hij de film 21 keer heeft gezien, waarvan de meeste keren in zijn eentje, tijdens een uitzonderlijk zware periode van zijn leven. Aan dat aantal kom ik niet, en er zat ook geen patroon in mijn kijkgedrag. Volgens mij ben ik er de eerste keer met mijn ouders naartoe geweest. Later ben ik er met mijn zusje naartoe gegaan. Nog weer later ging ik met een meisje uit de klas, in wat een soort onhandige voorloper van een afspraakje was. Ik herinner me ten minste één partijtje van een vriendje waarbij we naar Star Wars gingen. Zoals ik het me herinner was het gewoon iets wat je om de zoveel tijd deed. Je was bij een vriendje thuis aan het spelen, of je probeerde wheelies te maken op je fiets, en als het je begon te vervelen en je had nog zakgeld over, dan ging je naar de bioscoop, waar de film sinds het einde van het voorgaande schooljaar niet meer weg was geweest. Het was gewoon een van de dingen die je deed in je vrije tijd.
Voor sommigen, onder wie Lethem, was het tevens een opstapje naar meer kwalitatief hoogstaande cinematografische geneugten, en een eerste stap op het pad terug door de filmgeschiedenis. In zijn geval maakte Star Wars eerst plaats voor 2001: A Space Odyssey en vervolgens voor The Searchers – twee films die niet geheel toevallig worden gerekend tot de voorlopers van A New Hope. Anderen klampten zich vast aan kinderachtige dingen en vormden een Rebellenalliantie tegen het rijk der volwassenen. Het is nauwelijks toeval te noemen dat J. J. Abrams, regisseur van Star Wars: The Force Awakens, een van ons is. Hij werd twee weken voor mij elf.
De legende van Star Wars is pas later ontstaan. In 1977 wisten we nog niets van Joseph Campbell [de Amerikaanse hoogleraar Mythologie wiens boek The Hero with a Thousand Faces – over archetypische helden – een inspiratiebron was voor George Lucas] en de overige associaties die Lucas en anderen in het leven zouden roepen. De allegorische betekenissen – de strijd tussen goed en kwaad, het mysterie van de Force – kleven ook enigszins aan het gladde oppervlak van A New Hope. De verwijzingen naar diepte en duisternis waren veel sterker in The Empire Strikes Back en Return of the Jedi – hoewel het natuurlijk ook kan zijn dat wij ze makkelijker oppikten omdat we weer een paar jaartjes ouder waren.
En toen ging het leven gewoon verder, in ieder geval tot 1999, toen George Lucas terugkwam met The Phantom Menace, en de hele generatie X-nalatenschap van ambivalentie en verwarring weer opnieuw tot wasdom kwam. Wat een verschrikkelijke film! Net als Attack of the Clones. Maar dat maakte niets uit. Iedereen ging er evengoed heen, en het feit dat die films zo slecht waren verleende die eerste trilogie een zekere, wellicht niet geheel terechte glans. Zo goed waren die films nou ook weer niet geweest. Ook dát leek niets uit te maken. Die films – de hele kosmos, de gestalt, of wat het ook is – het bestaat in een universum waarin dergelijke oordelen geen geldigheid meer hebben, een universum dat zich onttrekt aan de gebruikelijke wetten der nostalgie. Star Wars is inmiddels een oude film, ouder dan de eerste Elvisplaten waren in 1977. De film is traag en je ziet de predigitale lassen. Het is eerder ontroerend dan subliem, een vermakelijk voortbrengsel van de populaire cultuur, vol grappige personages, tenenkrommende dialogen en hijgerig acteerwerk. Het is precies zoals in mijn herinnering en als ik er nu weer naar kijk, vraag ik me af wat ik er destijds in zag. Ik schrik van mijn gebrek aan loyaliteit. Maar ik zal altijd een believer blijven.
Auteur: A.O. Scott
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
A.O. Scott (1966) is journalist en filmrecensent.
The New York Times
Verenigde Staten | oplage 1.120.402
De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Ook wel de grijze oude dame van de journalistiek genoemd, maar nog alijd up en running.

