Volgens Winston Churchill was jaloezie ‘de improductiefste der ondeugden’. Maar is dat wel zo? Of wakkert deze ingewikkelde emotie juist onze overlevingsdrang aan? Hoogleraar klassieke talen Peter Toohey zocht het tot op de bodem uit.
Uiteindelijk draait alles om de liefde, zegt de romanticus, volgens de cynicus draait alles om geld. Peter Toohey, hoogleraar klassieke talen aan de Universiteit van Calgary, heeft een onderhoudend pleidooi gehouden voor het idee dat jaloezie de bron is voor een groot deel van ons emotionele leven en wellicht voor een nóg groter deel van de literatuur, de wetten en het dagelijks bestaan. In andere geschriften heeft de hoogleraar de begrippen verveling en melancholie uitgewerkt; zowel in die boeken als in deze studie noemt hij een aantal voordelen van emoties die normaal als negatief worden beschouwd: jaloezie is ‘een krachtig middel om de rechten van het individu te verdedigen en samenwerking en gelijke behandeling te stimuleren’.
Afgunst richt zich op wat je graag wilt hebben, jaloezie op wat je niet kwijt wilt raken
Om jaloezie te onderscheiden van haar zusje, afgunst, haalt hij Peter van Sommers’ bondige definitie van deze twee begrippen aan: ‘Afgunst richt zich op dat wat je graag wilt hebben maar niet bezit, terwijl jaloezie zich richt op dat wat je hebt en niet kwijt wilt raken.’ Ik ben jaloers op de vrouw voor wie mijn man bewondering koestert; ik benijd haar omdat ze zo goed op hoge hakken kan lopen. Othello is jaloers op Desdemona, maar Iago is afgunstig op Othello.
Toohey benadrukt dat de definitie niet alles dekt, maar dat we zo meestal wel het ene van het andere weten te onderscheiden. Alleen zijn die twee onderling vervlochten, een laocoönse psychische stijlfiguur, waarbij jaloezie vaker dan afgunst wordt geassocieerd met geweld – smijten met servies, woedende echtgenoten, versmade echtgenotes, moord. Hij gaat uitvoerig in op enkele beroemde, afschuwelijke moordzaken, maar Othello en Medea zijn de archetypen. ‘Gramschap is wreed en toorn is overstelpend, maar wie zal voor jaloersheid bestaan?’ (Spreuken 27:4)
Je kunt zeker twisten over Tooheys interpretatie van Vermeers vredige tafereeltje, dat meestal als een muziektafereel wordt gezien, maar waar Toohey zich iets levendigers bij voorstelt: misschien benijdt de wat saaie klavecimbelspeelster met haar schuldbewuste gebogen hoofd de vruchtbaarheid en het uiterlijk van de zwanger uitziende zangeres. De muziekleraar – uit een lager sociaal milieu dan de twee vrouwen – benijdt misschien het gemakkelijke leventje van de chic geklede jonge vrouwen. Of deze twee vrouwen zitten klem in een soort liefdesdriehoek…
In Rebecca, de roman van Du Maurier, is de vertelster zeker jaloers, want haar man, Maxim de Winter, lijkt meer van zijn eerste vrouw Rebecca te hebben gehouden dan hij nu van haar houdt, zijn nieuwe bruid. Maar Rebecca laat zien hoe moeilijk het is om jaloezie van afgunst te onderscheiden. Omdat Rebecca dood is, kun je stellen dat de vertelster eigenlijk alleen de eigenschappen schoonheid en vrolijkheid benijdt waarover Rebecca volgens velen zou hebben beschikt.
Jaloezie is zo complex dat we voor sommige uitingen daarvan een ander woord nodig hebben: leedvermaak, de emotie die de vertelster waarschijnlijk voelt wanneer ze hoort dat Rebecca door geweld om het leven is gekomen. De beroemde opmerking van Gore Vidal – ‘telkens wanneer een vriend succes heeft, ga ik een beetje dood’ – wordt ook door Toohey aangehaald en is eigenlijk het omgekeerde van leedvermaak. Hebben we daar een woord voor?
Lange geschiedenis
Jaloezie kent een lange geschiedenis. Klassieke, Bijbelse, mythische, literaire beschrijvingen van jaloezie beginnen met de scheppingsmythes uit Ur, met Kaïn en Abel, of met Homerus – het Parisoordeel, dat de jaloerse godinnen Hera en Athene ertoe aanzette om de Trojaanse Oorlog te ontketenen. Toohey heeft enkele interessante Egyptische en Griekse vervloekingen gevonden die door jaloerse mannen waren uitgesproken. Zoals een Egyptenaar uit de tweede eeuw na Christus die de goden vraagt om de geslachtsorganen van Allous door hitte te laten verteren, haar vulva, haar ledematen, net zo lang tot ze bij Apollonios weggaat. ‘Kluister Allous aan het bed met koorts, met voortdurende misselijkheid … met beschimpingen, haat, afschuw, totdat ze bij Apollonios weggaat.’
Toohey begint zijn betoog dat jaloezie een terugkerend onderwerp is in de kunst, met een bespreking van Rebecca van Daphne du Maurier, Vermeers raadselachtige schilderij Het concert en de roman La Jalousie van Alain Robbe-Grillet – drie voorbeelden van hoe jaloezie zich vaak voordoet in een driehoekssituatie, waarbij een rivaal of een prijs een rol speelt. De roman van Robbe-Grillet gaat over de jaloerse obsessie van de verteller voor zijn vrouw en iemand die Franck heet, die hij bespioneert door een jaloezie of de kieren van een luik.
Jaloezie is zo complex dat we voor sommige uitingen ervan andere woorden nodig hebben
Toohey schrijft dat aan het einde van de negentiende eeuw in de schilderkunst en literatuur een ‘explosie’ plaatsvond in de behandeling van het thema jaloezie, met obsessief jaloerse personages als Tolstojs Pozdnysjev in De Kreutzersonate of, later, Dickens’ Bradley Headstone – de lezer kan vast wel tientallen voorbeelden bedenken – Emma, Nicht Bette of de held uit Trollopes He Knew He Was Right, die eraan overlijdt, of Così fan tutte, veel van Verdi, ‘Frankie and Johnny’ – jaloezie was overal.
In de schilderkunst en de beeldhouwkunst bestaat er een complete iconografie van de jaloezie – oren, echtgenoot luistert aan de deur, kat met groene ogen, de kleur geel. Als de twintigste eeuw aanbreekt, beginnen kunstenaars uitdrukking te geven aan hoe jaloezie voelt. Daarbij wijst Toohey op schilderijen van Edvard Munch en van August Strindberg, de toneelschrijver, die schilderen een directere expressie vond voor zijn jaloerse geest.
Een ziekelijk jaloers iemand zoekt naar zichtbaar bewijs voor zijn gevoelens
Toohey behandelt de ontdekkingen in de psychologie van rondom de eeuwwisseling van Freud en zijn collega’s. Hij noemt hem niet, maar we kunnen denken aan Droomnovelle van Freuds vriend Arthur Schnitzler, de inspiratie voor Eyes Wide Shut, de film van Stanley Kubrick, waarin nauwkeurig de wraakfantasieën worden beschreven van een echtgenoot wiens jaloezie in al haar freudiaanse complexiteit werd gewekt door de erotische fantasieën van zijn vrouw.
Een van Tooheys interessantere ontdekkingen is dat een ziekelijk jaloers iemand (in tegenstelling tot een ‘normaal’ jaloers iemand) er vooral op gebrand is zichtbaar bewijs te vinden dat het gelijk van zijn gevoelens bevestigt. Othello moet Desdemona’s zakdoek ook echt zíén. Dat visuele element maakt film het medium bij uitstek voor het thema jaloezie. Hij oppert dat stalken ook voortkomt uit een visuele behoefte.
Regionale trends in jaloezie
Als we al die manifestaties van jaloezie in gedachte houden, begint Tooheys betoog wel wat oppervlakkig te lijken; misschien geldt dat voor iedereen die een poging doet om het brede jaloeziespectrum in kaart te brengen. In Tooheys boek over verveling betoogt een wetenschapper dat verveling niet bestaat, dat daarachter een constellatie van onafhankelijke gemoedstoestanden schuilgaat, zoals frustratie, depressie, walging, enzovoort, en die nogal verregaande stelling lijkt ook hier wel enig opgeld te doen. Met het voorbehoud dat je onmogelijk zo’n complex geheel helemaal kunt analyseren, vinden we dat met dit betoog over jaloezie in het leven en in de kunst een prijzenswaardige poging is gedaan om zo’n uitgebreid onderwerp overzichtelijk te maken door enkele structurerende generalisaties toe te passen.
Er zijn regionale trends in jaloezie; in noordelijke samenlevingen leeft het idee dat zuidelijkere samenlevingen er levendiger of agressiever uiting aan geven. In de loop der tijd en binnen culturen hebben zich veranderingen voorgedaan in de uiting en de bron van jaloezie. Toohey neemt in zijn beschouwing enkele paradijselijke eilanden mee, zoals Samoa, waar mensen geen jaloezie lijken te kennen, hoewel sommige antropologen denken dat ze alleen maar deden alsof om Margaret Mead in de maling te nemen [Amerikaans antropologe (1901-1978), beschouwd als een van de pioniers van de culturele antropologie]. En hoe zit het met de Eskimo’s en hun tradities op het gebied van gastvrijheid, die zouden voorschrijven dat de gastheer zijn vrouw uitleent aan de gast?
Onaantrekkelijke en onaangename mensen zijn eerder geneigd om jaloezie te ervaren en daarnaar te handelen
Die Eskimo’s buiten beschouwing latende stelt Toohey dat jaloezie, vooral seksuele jaloezie, in bepaalde mate aangeboren is, een functie van ons instinct voor ‘genetische reproductie’. Volgens hem is het ook een integraal onderdeel van de normale menselijke ontwikkeling die voortkomt uit de vrees van het individu om buitengesloten te worden uit de ‘kring van liefde en respect’ waar mensen zo naar verlangen. Angst voor buitensluiting kan ons ook aanzetten tot het bedenken van vormen van samenwerking en groei, wat weer een positief resultaat is. Onaantrekkelijke en onaangename mensen, die een grotere kans hebben om buitengesloten te worden uit een vriendschap of een groep, zijn eerder geneigd om jaloezie te ervaren en daarnaar te handelen dan de succesvolle medemens.
Ook al lijkt dit intuïtief allemaal waar, zelfs voor de hand liggend, toch kan de psychologische literatuur die het ook moet ‘bewijzen’ wel heel ver gaan om ons te overtuigen van wat we al weten: Toohey heeft een wetenschapper gevonden die in zijn pogingen om het gedrag van Othello te verklaren suggereert dat Othello aan een bepaalde vorm van dementie lijdt en beweert dat, ook al kunnen we dat niet echt opmaken uit de tekst van het toneelstuk, ‘hij door zijn beroep als soldaat het risico loopt op hersenletsel of hersentrauma’.
Een andere onderzoeker, Maria Legerstee, bestudeerde drie maanden oude baby’s en ontdekte dat als een baby werd buitengesloten uit de dialoog tussen moeder en de onderzoeker, ‘het kind geagiteerd reageerde (…) zulke jonge kinderen hielden dan ook hun armpjes voor hun gezicht (…) maakten trapbewegingen of stopten hun voetje in hun mond’. Haar conclusie is dat ‘bevindingen uit dyadische en triadische communicatieve interacties laten zien dat al snel na de geboorte kinderen intersubjectieve relaties met anderen aangaan, specifieke verwachtingen hebben van mensen in zo’n relatie en adequaat reageren als niet aan hun verwachtingen wordt voldaan’.
We hebben de wetenschap niet echt nodig om te weten dat baby’s huilen wanneer hun moeder weggaat, en iedereen kent de boze blik van een peuter wanneer hij naar de nieuwe baby kijkt. Hondenbezitters en ouders van kleine kinderen is het allemaal vast wel opgevallen dat die kleine wezentjes er een hekel aan hebben wanneer je aan het telefoneren bent. Volgens Darwin is jaloezie een aangeboren overlevingsmechanisme – ieder individu streeft naar een prioriteitsrecht en is waarschijnlijk voorgeprogrammeerd om daarnaar te handelen, zoals jonge poesjes in een nest elkaar bij de tepel wegduwen.
Toohey noemt studies van honden en apen die gaan mokken en beloningen weigeren als andere dieren meer en betere beloningen krijgen voor dezelfde inspanning. Misschien is jaloezie uiteindelijk een te beperkte term voor de enorme complicaties in het leven van een mens (of een dier) die ontstaan na een diepgevoelde teleurstelling wanneer we voor het eerst beseffen dat het leven niet rechtvaardig is. Hoewel we voortdurend lezen over moorden door jaloerse minnaars, meestal een man die niet kan omgaan met de angst voor verlies of falen, wat zijn jaloezie aanwakkert, leren de meesten van ons in de loop van het leven om onrechtvaardigheid te verdragen. De vraag die Toohey stelt is of we ons, als we dat konden, zouden ontdoen van jaloezie of heeft jaloezie uiteindelijk juist een positief effect?
Alomtegenwoordig
Draait uiteindelijk alles om jaloezie? Tooheys hypothese over haar alomtegenwoordigheid lijkt overtuigend wanneer je ernaar op zoek gaat in het boek waar je net in zit te lezen of de film waar je net naar zit te kijken; daar zul je de jaloezie zeker aantreffen, afhankelijk van hoe breed je het woord interpreteert. Ik heb toevallig drie boeken op mijn nachtkastje liggen: de nieuwe korteverhalenbundel van de Franse toneelschrijfster Yasmina Reza over mensen in de hogere kringen van de Franse politiek en de media, die elkaar goed kennen, een nieuwe uitgave van enkele verhalen van Elizabeth Taylor, de Engelse schrijfster, en de pas verschenen memoires van Valérie Trierweiler, de versmade maîtresse van de Franse president, François Hollande.
Het eerste verhaal (‘Hester Lilly’) in Taylors fijne bundel You’ll Enjoy It When You Get There gaat in het bijzonder over de jaloezie van een echtgenote op een jonger familielid die bij haar en haar man komt wonen. De daaropvolgende verhalen beschrijven ook expliciet of impliciet situaties die draaien om jaloezie of de consequenties ervan, zoals verlies en teleurstelling.
Trierweiler zet zichzelf neer als de Tonya Harding van de presidentsvrouwen
‘Presidentsvrouw’ is een rol die in het recente verleden voor veel opschudding heeft gezorgd, te beginnen bij de ex Cécilia van de vorige president Nicholas Sarkozy, die hem dumpte tijdens zijn ambtstermijn en die in Amerika een groot aantal fans vergaarde door een lunch af te zeggen met George W. Bush en zijn vrouw, omdat ze hoofdpijn zou hebben, maar later gewoon ging winkelen. Ze scheidde van Sarkozy na vier maanden en negenentwintig dagen ‘première dame’ te zijn geweest.
De huidige president Hollande heeft vier kinderen met de vrouw met wie hij lange tijd samen was, ook een beroepspoliticus, Ségolène Royal. Ze waren al uit elkaar voor haar mislukte gooi naar het presidentschap in 2007. Toen hij in 2012 werd gekozen, werd zijn nieuwe maîtresse Valérie Trierweiler geïnstalleerd als zijn officiële partner. Dat leidde tot veel discussie over haar exacte status – een protocolkwestie, vooral voor sommige Amerikanen, omdat Hollande van plan was een bezoek aan Washington te brengen en een leider die een ongetrouwde presidentsvrouw meeneemt, zorgt bij het staatsdiner voor een probleem bij de tafelschikking.
Hollande voorkwam dat door zonder haar te vertrekken en vlak voor de reis bekend te maken dat hij het had uitgemaakt met Valérie: ‘Hierbij laat ik u weten dat ik mijn relatie met Valérie Trierweiler heb verbroken.’ Volgens sommigen heeft Valérie het zo ook moeten vernemen. (Valérie zei dat ze had geweigerd om een gezamenlijk communiqué te ondertekenen, ‘pas question’.)
In haar wraakzuchtige maar ook berouwvolle autobiografie zet Trierweiler zichzelf neer als de Tonya Harding van de presidentsvrouwen [voormalig Amerikaans kunstschaatster die in 1991 haar rivale Nancy Kerrigan liet verwonden, zodat deze niet mee kon doen aan de wereldkampioenschappen]. Royal is haar Rebecca. Ze kon het niet verkroppen dat Hollande een relatie had gehad met Royal die ook nog eens de moeder van zijn kinderen was, en ze doet geen enkele moeite om haar impopulaire, onaangename emotie te verbergen: ‘Ik geef het meteen maar toe: ik ben jaloers. Ik ben jaloers geweest bij iedere man van wie ik heb gehouden. Ik weet niet hoe ik dat kan voorkomen wanneer ik van iemand houd.’
Zelfs voor haar tijd als presidentsvrouw was ze in woede uitgebarsten bij foto’s van Hollande en Royal samen: ‘Ik geef toe dat ik wilde dat het verschil duidelijk was. Er was een vrouw vóór mij geweest, met wie hij vier kinderen had, en er was nu een andere vrouw…’ Toen zij degene was die officieel met hem samen was, moest en zou ze Royal zo ver krijgen dat ze haar erkende. Ze zorgde ervoor dat haar rivale geen kant op kon en met een knikje naar de fotografen dwong ze Royal de uitgestoken hand aan te nemen. ‘Ik weet dat het kinderachtig van me was, maar het deed me heel goed.’
Ze had meteen haar eigen glazen ingegooid en de publieke opinie tegen zich gekeerd door heel onsolidair in een tweet haar steun te betuigen aan Royals tegenstander bij een regionale verkiezing: ‘Mijn tweet heeft het hoogste symbool besmet: de moeder, de onschuldige.’ Op de avond van de verkiezingen maakte ze het nog bonter, toen ze zag dat hij bij haar wegliep om Royal te begroeten. Valérie verloor haar zelfbeheersing en fluisterde triomfantelijk dat ze op de mond gekust wilde worden, niet beseffend dat iedereen dat kon liplezen op het reusachtige scherm.
Ze was zelfs nog jaloers namens Michelle Obama toen de knappe blonde Deense premier een selfie maakte van haar met Barack: ‘Ik kon het niet uitstaan als andere vrouwen hun hoofd op [François’] schouder legden en een arm om zijn middel sloegen… Ik heb er zelfs een paar het huis uit gestuurd. Zouden die vrouwen het ook leuk hebben gevonden als ik avances maakte bij hun echtgenoot?’ Ze begrijpt dan ook heel goed de duidelijk ontstemde uitdrukking op het gezicht van Michelle op de foto: ‘Het deed me goed om te zien dat ik niet de enige jaloerse partner ben. Niemand ontkomt eraan dat hij of zij die emotie in bepaalde situaties onstuitbaar in zich op voelt komen.’
Yasmina Reza, vooral bekend vanwege haar toneelstukken Art en Le Dieu du carnage, is een sarcastisch en scherp waarneemster van sociaal gedrag. Haar bundel onderling samenhangende verhalen, Gelukkig de gelukkigen, is een verzameling monologen door achttien Fransen wier levens zijn verweven in vriendschap en rivaliteit, een ronde; grappig maar treurig, een en al verlangen en rivaliteit, alles vallend onder de koepel ‘jaloezie’, en met net genoeg spannende snufjes ‘sleutelroman’ over allerlei mensen uit de Franse politiek om ons te herinneren aan de invloed die deze emotie ook in de echte wereld voortdurend uitoefent.
Een vrouw, Chantal, heeft een affaire met een DSK-achtige minister, een ‘gedrongen man die tot mijn schouder reikt.’ Op een dag neemt hij een vrouw mee voor een triootje, maar dat blijkt een teleurstelling: ‘Ik had Markies de Sade verwacht, maar zat opgescheept met een kwabbige kerel die verlekkerd op mijn bank ging liggen en zei: “Vooruit meiden, kom eens hier”. De grote libertijn had niet eens de moeite genomen ons te verleiden met een fles champagne…’
Als de waardige, evenwichtige echtgenote Chantal vertelt dat haar man aan andere vrouwen dezelfde erotisch e-mails stuurt als aan haar, drijft jaloezie haar tot waanzin.
Reza’s verhalen zijn, net als alle fictie, gebaseerd op echte mensen, zij het in meer of mindere mate versluierd, maar Valérie Trierweilers autobiografie, Merci pour ce moment, gaat schaamteloos over haar eigen leven. Het is een verslag van haar korte bewind als de première dame van president François Hollande en van de ellende die ze zichzelf heeft aangedaan met haar jaloezie op zijn voormalige partner, hoewel het niet helemaal duidelijk is of die boodschap ook bij haar zelf zo is overgekomen.
Breed scala aan leed
Een ‘relatietherapeut’ heeft een lijst op internet gezet met gewone situaties waarin Amerikanen zich wellicht herinneren jaloezie te hebben gevoeld, zoals de situatie waar Trierweiler last van had: ‘Je partner lijkt loyaler en toegewijder aan zijn kinderen uit een vorig huwelijk dan aan jou.’
(Ze voegt er nog een aantal aan toe: ‘Je ouders hadden het druk met hun werk en andere bezigheden en schonken niet zo veel aandacht aan jou als je zou hebben gewild.’ ‘Door de geboorte van een nieuw broertje of zusje was opeens alle aandacht op de nieuwe baby gericht.’ ‘Een ouder lijkt een kind voor te trekken of een van de kinderen was braver, deed het beter op school of had maatschappelijk meer succes.’ ‘Een vriend haalt hogere cijfers en kan daarom naar een betere universiteit.’ ‘Je buurman heeft een mooier huis dan jij of koopt een heel dure auto.’ ‘Je collega krijgt de promotie waar jij om had gevraagd.’ ‘Je beste vriendin trouwt met iemand met veel geld of met iemand die veel knapper is dan jouw man.’ ‘Je partner besteedt te veel tijd aan zijn werk, sport, de computer of hobby’s en te weinig tijd aan jou… Het kind van de buren wordt toegelaten op Harvard en jouw kind is een werkeloze blower…’)
Gewapend met verstand, eruditie en Google zou iedereen wel een boek kunnen schrijven over welke emotie of toestand ook – angst, apathie, hebzucht – en daar dan de drijvende kracht achter ieder verschijnsel van maken, maar ‘jaloezie’ lijkt inderdaad een prachtig parapluwoord te zijn voor een breed scala aan leed. Met al dat lijden dat onder die term bij elkaar is geveegd is het niet moeilijk om een van de vragen te beantwoorden die Peter Toohey stelt: geven we de voorkeur aan een ideale wereld zonder jaloezie boven de huidige toestand met al die commoties? Misschien wel, maar dat zou een slag zijn voor de kunst – geen Othello, geen Emma – en misschien zou onze soort, zonder die competitieve vonk, ook verdwijnen. ‘Jaloezie, jaloezie,’ merkte Winston Churchill op, ‘de improductiefste der ondeugden.’ Misschien, maar zoals voor veel ondeugden geldt: een beetje ervan voegt een heleboel toe aan het leven.
Auteur: Diane Johnson
Vertaler: Paul Bruijn
The New York Review of Books
Verenigde Staten, maandblad, oplage 119.000
Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.

