Wanneer was u voor het laatst in uw kelder? Geïnspireerd door Im Keller, de nieuwe film van Ulrich Seidl, daalde Zeit Magazin af in de ‘onderwereld’. Of zoals Seidl zegt: ‘Waar de echte ziel huist.’
Er is een trap. Er zijn treden. Er is een lichtknop. De weg naar beneden is eigenlijk heel gemakkelijk. Dan komt de deur. Achter de deur wordt het moeilijk.
Achter de deur zijn kisten, balen, zakken, plastic tasjes, de hometrainer, de slee en het pierenbadje. De VHS-cassettes, de lamp met franjekap, plattegronden van Londen, Parijs en Goslar, de oude tv, de handstofzuiger, de keukendeur en de kattenbakkorrels, de sta-asbak, de golfstok, het nooit gebruikte broodrooster en de met veters samengebonden tennisschoenen. De lucht smaakt stoffig.
Als je je nu omdraait en weer naar boven gaat, is het ergste achter de rug. Maar het is er nog wel.
Mens en kelder kunnen goed met elkaar overweg, zolang ze elkaar met rust laten. In huis is de kelder het minste onder de vertrekken. Hij komt zelfs nog na de garage. Bescheiden verricht hij zijn taak. Hij vraagt niet – zoals de woonkamer – of de tafel wel bij de bank past. Hij vraagt niet eens of er nog wel wat bij kan. Klakkeloos laat hij zich volzetten. Hij wordt niet, zoals de keuken, elke dag schoongemaakt, vrijwel nooit gezogen. De kelder accepteert alles zonder klagen. Maar er komt een dag dat hij gaat praten.
De mens komt de kelder binnen en hoort ineens een stem: je zou eens. Je moest misschien. Je had toch allang. En eigenlijk kon je wel. Dat is het moment waarop het serieus wordt. De kelder is de probleemzone in het huis: alles wat er afgedankt, opgehoopt, ingeperst ligt, uit zich in verwijten. Wat verdrongen was komt onverteerd weer boven en vraagt om verwerking.
De kelder verzamelt niet alleen de afgedankte dingen, maar ook al het verlangen, al het wensen, al het mislukken, al het afkeuren dat hen hierheen gebracht heeft. De schoenen met hakken waar niet op te lopen viel. De ski met de krukken ernaast. De saxofoon, de diaprojector, de cd-rom met de cursus Spaans, de vruchtenpers die slechts één zomer in de keuken werd geduld. Allemaal duur betaald. En allemaal nog goed.
Voor later
Of nog redelijk goed, zoals de misschien nog complete puzzel. Redelijk goed is de fauteuil met vlekken, het landschapje met de vrijwel onzichtbare deuk, het theemeubel van namaaknotenhout. De cassetterecorder heeft tot het laatst toe vlekkeloos gefunctioneerd. Hij zit helaas niet in een plastic tas; nu is hij met gruis gepaneerd. Je kunt hem afstoffen en direct aansluiten, misschien verkopen, de verpakking compleet met piepschuim en gebruiksaanwijzing moet nog ergens liggen, daarachter tussen de kartonnen dozen. Komt wel, later.
‘Nog goed’ en ‘voor later’ – het zijn de terreurwoorden van het bezitten die daar beneden klinken als de mens de kelder antwoordt. Maar gewoon weggooien na eeuwig opbergen – hoe moet dat in vredesnaam? En daar zoemt ook nog de vrieskist met diepgevroren inhoud.
De kelder is een overloopbekken. Langzaam stijgt het waterpeil. Maar helaas, het bekken is vol. Er is geen kelder voor de kelder. In huis is hij het eindstation.
De kelder is de deur die terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme
Maar weinig dingen weten vanuit de onderwereld terug te komen naar het licht. Het zijn de seizoenarbeiders onder de spullen: de tuinstoelen, de kerstboomstandaard of de sneeuwschuiver. Ze zijn bevoorrecht en mogen naar de garage als hun bezitters al dat traplopen te veel vinden worden. Vanwege de wanorde die er heerst heeft de kelder iets provisorisch. Maar dat is maar schijn. Wat in de kelder belandt, is voor het huis verloren. Wat de kelder verlaat, moet ook het huis verlaten. De vraag is alleen hoe en waarheen.
De rommelmarkt en eBay, het zijn de verlossingsfantasieën van wie veel bezit. Daarachter ligt de idee dat hoe langer iets opgeslagen ligt, hoe waardevoller het wordt. Door er gewoon te zijn en de tijd zijn werk te laten doen, wordt de kelder een schatkamer, die kan worden geplunderd als we niet genoeg geld hebben om op vakantie te gaan. Er is zelfs een televisieserie over, Der Trödel-King. Op de WDR bellen gezinnen deze rommelkoning om hun verzonken have te laten taxeren. De oude kachel brengt beslist nog 500 euro op! De tuinkabouters met Beatlekapsel en de in prima staat verkerende Bismarckbuste zijn zonder meer curiositeiten! De rommelkoning vraagt advies aan deskundigen over de echte waarde en biedt de waar aan liefhebbers aan. De kachel: slechts 150 euro waard, plus 100 voor de pijp. Wanneer niemand zich meldt, blijft alleen de rommelmarkt over. De tuinkabouters, de hele set voor 20 euro. Het namaak Meissner-porselein 10 euro; de kopergravure, een hert tussen bomen, gaat weg voor 8 euro. Die leeslamp krijg je er gratis bij. Wat je voor design hield, is vaak maar Deco.
En nog altijd staat daar in de kelder de fondueset, de elektrische ventilatorkachel, de luchtbevochtiger. Het rapport met een voldoende voor wiskunde en kijk daar, het diploma van het sportfeest van 1986 – was dat niet, toen…?
Een pakhuis vol herinneringen, met voorwerpen waaraan verhalen zijn verbonden die je allang weer was vergeten. Gedoofde liefdes vlammen op als daar ineens de brieven weer zijn die je altijd hebt bewaard. Waarom eigenlijk? Voor een moment als dit?
Maar je weet ook: weggooien doe je ze niet. In de kelder ligt het heilige naast het profane, het dagboek naast de Römertopf. Waar elders klontert Zijn en Hebben zo samen als hier? En als cultuur betekent: ‘bewaren’, is de kelder dan niet de tempel van een diepere cultuur? Met de inhoud van al onze kelders zou je misschien het hele land kunnen meubileren, een B-versie van wonen en bezitten.
De verstandigste mens in een vertrek is het vertrek, heeft de Amerikaanse techniekfilosoof David Weinberger gezegd. En geen vertrek in huis weet zo veel over de bewoners als de kelder. Je kunt hem lezen als een boek. Wat een leven in karton, dozen en zakken! En tussen karton, dozen en zakken. De kelder is ook het schaduwrijk van suspecte medebewoners. Het hoeven geen ratten of muizen te zijn. Wanneer het licht aangaat glippen de zilvervisjes onder de opgestapelde waar. Ze zetten zich aan het textiel, het katoen of de lijm van boekbanden en laten er hun sporen achter: kleine vraatgaatjes.
De honger van deze insecten is niet zo groot dat ze alle opgeslagen waar wegknagen en verteren. Maar ze zullen zeker het kwaliteitsniveau ‘nog goed’ in ‘beschadigd’ veranderen.
Mythische diepgang
De wetenschap heeft nauwelijks belangstelling voor de kelder. We hebben op de kop af één doctoraalscriptie over het onderwerp kunnen vinden, voor de faculteit Filosofie van de Berlijnse Humboldt-universiteit. In 1998 heeft de cultuurwetenschapper Miriam G. Möllers 190 pagina’s ‘over de doorwerking van het natuurlijk gegroeide onderaardse in de kelder van de twintigste eeuw’ geschreven. De probleemstelling wijst op een mythische diepgang. We lezen over oprijzende schaduwen, ongelooflijke griezeligheden, de kelder als dodenrijk, over ‘drempel- en verticale ervaringen.’
Deze drempel- en verticale ervaringen bestaan uit het afdalen in de kelder. En volgens Möllers huist daar meer dan rommel en kruipbeestjes, namelijk een ‘beeldenwereld van buitengewone
verscheidenheid en ambivalentie’.
Enerzijds is de kelder het hol dat leven schenkt en beschermt, dat de mens sinds oertijden als woonplaats, toevluchtsoord, opslagplaats of cultusoord heeft gediend. Van daar naar de ongeopende verhuisdozen met duikbrillen, zwemvliezen en de lucifersdoosjesverzameling is voor de cultuurwetenschap een kleine stap. Anderzijds is het hol in diskrediet geraakt. Wie aan overgeleverde vormen van wonen vasthoudt, geldt sinds het neolithicum als een
zonderling.
Het hol werd het terrein van alles wat mysterieus en bedreigend is. Sindsdien huizen er reuzen, beesten en ongedierte, vreemd genoeg ook kabouters, misschien vanwege de hoogte, en verder geesten, goden en heksen. Hoewel er geen beren of wolven te verwachten vallen – die kunnen rustig van de lijst met verschrikkingen worden afgevoerd – is er ook zonder hen aan demonen geen gebrek.
De kelder kan ook als het onderbewuste van het huis worden opgevat. De psychoanalyticus C.G. Jung ontdekte dit in 1909 in zijn slaap: ‘Ik droomde dat ik “bij mij thuis” was, in een behaaglijke woonkamer, ingericht in achttiende-eeuwse stijl. (…) Ik ging (…) naar beneden de kelder in en zag daar een deur waardoor je bij een stenen trap kwam die naar een groot gewelf voerde. Op de vloer lagen grote steenplaten en de muren leken heel oud. (…) Ik raakte steeds opgewondener. In een hoek ontdekte ik aan een steenplaat een ijzeren ring. Ik tilde de plaat op en zag een tweede smalle stenen trap die naar een soort hol leidde, kennelijk een prehistorisch graf waarin twee schedels, verscheidene botten en aardewerkscherven lagen. Toen werd ik wakker.’
De Pools-Amerikaanse schrijver Mark Z. Danielewski pakt dit motief 91 jaar later weer op in zijn sciencefictionroman Het kaartenhuis: fotograaf Will Navidson wil met zijn gezin vakantie houden in een oud huis op het platteland. Met die vakantie is het gedaan wanneer hij constateert dat het huis van binnen een paar millimeter groter is dan van buiten. Achter de muur in de woonkamer ontdekt hij een gang die de bestemming wordt van urenlange expedities. Steeds weer nieuwe gangen doemen op. Uiteindelijk komt hij in een grote hal met een wenteltrap die omlaag loopt in het niets.
‘We hebben een paar fakkels naar beneden gegooid die we niet horen landen. Ik geloof dat je, wanneer het daarbinnen zo leeg, koud, stil enzovoort is, dat je dan echt elke speld moet kunnen horen vallen, maar de duisternis heeft de dingen gewoon opgeslokt.’ – ‘Het is zo diep joh, bijna als in een droom.’
In zekere zin is de kelder het ‘darknet’ van het huis
Doar in die doar!
Een nachtmerrie over een kelder waarin alles verdwijnt wat men er achterlaat: wat een omdraaiing van gewone ervaringen. Waar de eigen kelder sommigen met zijn onverbiddelijke behoud van massa en energie (plus vocht en minus mottenvraat) tot last is, raken anderen van hun evenwicht door een kelder die alles meteen maar opslokt. Wat in werkelijkheid zijn goede kanten heeft, het huis met de ingebouwde afvoer voor het grofvuil, wordt in fictie alleen horror.
Op de smalle richel tussen onderzoek en levenskunst balanceert het in Graz uitgegeven tijdschrift Kuckuck, dat zich richt op alledaagse cultuur. Een van de
nummers laat ons kennismaken met de Marburger etnoloog Alexander Edmund Rissmann en diens zeer onconventionele werk. Hij gaat op onderzoek in kelders waarover hij gehoord heeft. Uit die inspecties met de eigenaren komen fantastische woordverslagen voort, niet zelden in dialect.
Rissmann: Waar is nou de puinhoop?
Eerste vrouw: Doar in die, in die doar! Doarinne. Doar heb ik welles kiekt. Doarachter in het gaat. Hehe. Joa ien het gaat. Kiek, viend ik unne holtblok – vaan unne dieng. Unne holtblok viend ik zunder kop (hoest). Doar heb ik welles kiekt doarin.
Tweede vrouw: Da ies zo unne Lourdes-Madonna.
Eerste vrouw: Doar ies olles zo an vulles … kiek es. D’oude skoar, na, kiek es. Kiek es skoen. Hiahe.
Rissmann beschrijft een ‘atmosfeer onder het huis’, die maar moeilijk verandert, waar hopen ballast opgestapeld liggen waarmee een mens liever niet geconfronteerd wordt.
De kelder is niet alleen de spiegel van de gemoedstoestand en de bezinksels van het ik, maar ook de spiegel van maatschappelijke veranderingen.
Met de komst van de aardappel kwam de aardappelkelder, een update van de voorraadkelder. Met de verbreiding van de kachel trokken kolen (en de haardluis) erbinnen. Vervolgens kwamen de bommen die de mensen de schuilkelder in dreven. Na de oorlog werd de bestemming gewijzigd in die van partykelder. Non-stopdancing op muziek van James Last! Na het feesten kwam de hobbykelder. Voor de man. Later kwam de vrouw er ook bij, en namen ze samen plaats in de ingebouwde sauna. Volkomen anders, zweten in plaats van kleumen, maar nog altijd nat. En daarna, onder het laatkapitalisme, de wijnkelder.
Belangrijke voorwaarde voor deze evolutie was de komst van elektriciteit. De waskeuken had net zo goed stroom nodig als de hobbyspoorbaan.
Regisseur Ulrich Seidl heeft niet zo lang geleden
een documentaire gemaakt over de kelder in Oostenrijkse dorpen. Hij treft er nazi’s, wapens, sm. Dat kon je verwachten. Niet alleen vanwege de combinatie Oostenrijk en kelder, niet alleen vanwege Josef Fritzl en Natascha Kampusch, maar omdat zoiets gewoon voor de hand ligt: wat in de kelder gebeurt, gebeurt daar vermoedelijk niet zonder reden. Wie zich terugtrekt in de kelder, wil zich onttrekken aan de blik van anderen.
In tijden van groeiende transparantie, glazen wanden en plafonds, ramen tot aan de vloer en zogenaamde smart homes die data bijhouden over de gewoontes van de huisgenoten, is de kelder de laatste plek voor het heimelijke. In zekere zin is hij het ‘darknet’ van het huis.
In de kelder wordt het, metaforisch gesproken, steeds donkerder, terwijl het boven in huis steeds lichter wordt. Want ook de zolder verandert. Hij is niet langer een hogere opbergruimte, maar doelwit van huiselijke expansie. Hij is uitgebouwd, wordt juist uitgebouwd of zou binnenkort uitgebouwd kunnen worden. Als kamer voor de groter wordende kinderen of als atelier voor de ambities van de echtgenoten.
In de symboolleer van succes is de hoogste etage inmiddels zeer gewild. Dat het er schuin loopt nemen we op de koop toe. Kasten kunnen immers op maat gemaakt worden. Op naar het penthouse met daktuin en begaanbare buitentrap! En is het niet geweldig, dat uitzicht?
In oorsprong was de fascinatie voor de zolder een andere. In boeken vinden jongens er de tovermantel van een grootvader, geleerden de vergeten aantekeningen van een overleden genie. Of de werkster ontdoet een tot dan toe onbekende Rembrandt van het stof – iets kostbaars onder een witte doek die iemand daar ooit overheen heeft gehangen. Anders dan in de kelder is het op zolder immers droog, zolang het niet inregent tenminste.
Heeft de kelder nog toekomst? Verzamelt de moderne mens nog wel zo veel levensballast? De flexibele tijdgenoot, zoals afgebeeld in managementmagazines en inrichtingshandboeken, bezit steeds minder en wat hij bezit, kiest hij zorgvuldig. Simplify your life! Het werd al een imperatief in de jaren negentig. Sindsdien vertonen meubeltijdschriften spartaans aandoende interieurs waarin vrijwel enkel een tafel staat, een bed, alles wit, misschien nog een bloem in een vaas en verder: strakke lijnen, geen franje.
Voor het levensgevoel van deze na hard trainen verworven ascese is de kelder een onwelvoeglijke verleiding – zoals de sigarettenautomaat voor de deur van een ex-roker. De kelder is de deur die terugvoert naar de bewaarmaatschappij, naar het overwonnen gewaande materialisme.
In de cloud
Het bezit van morgen daarentegen vervluchtigt. Boeken die net nog in kasten stonden, staan nu op een harde schijf. Dossiers die net nog uit Leitz-ordners barsten, verdwijnen naar usb-sticks. De cd-verzameling zit op de smartphone of in de cloud, het digitale bovenkamertje dat de mensheid momenteel uitbouwt als virtuele zolder. Boven onze hoofden zweeft geestelijk eigendom, even alomtegenwoordig als ongrijpbaar, even onuitwisbaar als fragiel. Denkt u daar maar eens over na! Toch zijn er nog altijd dingen die zich niet laten dematerialiseren, noch in overvolle kelders passen, de analoge erfstukken van onze opa’s en oma’s bijvoorbeeld. Waarnaartoe met de nog goede cd-speler, de grote Winkler Prins, de messing pannen, de kristallen glazen, het dressoir?
Daarvoor hebben we sinds een paar jaar selfstoragecentra. Het zijn paradoxale doorgangsstadia op de route van bezit naar niet-bezit. In de grote steden, aan de uitvalwegen, rijzen steeds vaker zulke blokken op, als kelders die de lucht in groeien. Vanbuiten lijken ze reusachtige containers, inclusief veiligheidshekken en laadzone. Vanbinnen: smalle gangen, deuren met nummers, videocamera’s overal waar je gaat.
In een selfstoragecentrum kun je opslagruimte huren die niet meer naar oppervlakte, maar naar inhoud berekend wordt, wat direct in de papieren loopt. De kleinste eenheid, 1 m3 – dus 1 bij 1 bij 1 – kost in Hamburg bijvoorbeeld 39 euro per maand. Daarbij vergeleken is elke nog zo dure huurwoning een koopje. Merkwaardigerwijs presenteert deze eerste klas opslagruimte zich meer als magazijn dan als kelder. Geen donkere gaten, geen houten afschuttingen met draadgaas, geen vocht langs de muren, geen ongedierte, maar neonlicht en metaal zoals in de extra beveiligde afdeling van een gevangenis. Het selfstoragecentrum lijkt op een strafkamp voor zaken die lang moeten zitten.
Die indruk is in strijd met de korte verblijfsduur van veel goederen. Omdat de opslag zo duur is, heeft hij op de psyche van de bezitter de uitwerking van een duurbetaalde therapeut. Al na enkele maanden kan de huur hoger zijn dan de gevoelswaarde van de spullen. Geld neemt dan de plaats in van pijn en versnelt het afscheid van erfstukken die men immers toch niet kan gebruiken.
Menig selfstoragecentrum probeert de arbeidsintensieve wisseling van huurders te reduceren door zichzelf aan te prijzen voor goederen die gevoelig zijn voor tijd. Pickens in Hamburg, een pionier in deze jonge, opkomende branche, biedt externe wijnkelders aan. Geweldig voordeel: de lucht wordt bevochtigd, het muffe dus hydro-elektrisch nagedaan. Maar pissebedden worden er – in elk geval tot op heden – niet uitgezet.
In de notoir onderbetaalde kelder thuis blaast niet het geld maar het gebrek aan ruimte het uiteindelijk provisorische reservoir op. Er zijn zo veel spullen dat de eigenaar tijd tekortkomt om ervoor te zorgen. Het goede kan alleen uit daden blijken, staat in een deeltje uit het verzamelde werk van Kästner dat bovenop ligt.
Ook eBay verlangt een reeks handelingen. Foto, beschrijving, verpakking, naar de post brengen, geld innen. Er bieden zich al gedienstige geesten aan die onze spullen op eBay voor ons willen verkopen. Je kunt ze vinden in de kleine annonces van de advertentieblaadjes. Natuurlijk willen ze wel provisie.
Tegenover de lol van afdingen onder de vrije hemel staat het beginsel van de meestbiedende op het veilingplatform. Buiten het net prijzen de verkopers de excellentie van hun waar luid aan, op het net geldt dat ze verhaal willen voorkomen. Dat gaat het best door zuinigjes te doen over de kwaliteit. Spullen die nog goed zijn worden bewust onder de prijs verkocht, liefst zelfs als ‘kapot’, opdat niemand zich na afloop hoeft te beklagen.
Nadat alle mogelijkheden van potentieel en feitelijk hergebruik zijn uitgeput, slaat het uur voor het grofvuil. Opgehaald op aanvraag. Mannen in felgekleurde jasjes rijden voor, niet zelden al ’s ochtends om zeven uur. In Hamburg doen bijvoorbeeld Hüseyin Kücükkaya en Musa Pehlivan al meer dan twintig jaar dit werk. Meestal worden zij en hun team hartelijk begroet. De klanten waarderen de kundigheid van deze mannen die hen zonder veel omhaal bevrijden van hun in huis gehaalde ballast. Maar ze zijn ook bang voor hen. Hun verschijnen betekent dat afvoer nu onherroepelijk is geworden. Wat goed dat de mannen niet tot discussie neigen. Ze doen denken aan een masseur die over de manier van toetasten, het moment van aanpakken, geen tegenspraak wil. Tegelijkertijd beschikken ze over de nodige tact.
‘De bank is vijftig jaar oud, maar nog goed,’ citeert Kücükkaya een dagelijks gehoorde inschatting. In Duitsland is nu eenmaal alles voor de lange termijn, ook de woonkamer – wellicht een collectieve reflex op de tapijtbombardementen waaraan exact zeventig jaar geleden een einde kwam.
Het probleem met het ophopen van dingen is echter hun houdbaarheid. Als ze kapot waren of niet meer te repareren, zou het afscheid eenvoudiger vallen. Anders krijgt de bezitter last van een slecht geweten. De bank was een huisdier dat met weinig tevreden was. Nu is hij broos en zwak en moet hij naar de shredder. Hoe vreselijk ondankbaar is dat toch.
Kücükkaya en Pehlivan lossen het probleem op hun manier op. De bejaarde bank zetten ze in de goede vrachtwagen, de wagen die zijn lading later bij de gemeentelijke kringloop zal afleveren. Ze springen achter het stuur, zwaaien misschien de eigenaren van de bank vanuit het opengedraaide raampje nog even toe en gaan dan verder met hun inzamelingsrit door de stad.
Grofvuildag
Maar twee straten verderop stoppen de beide vrachtwagens van het team en de bank wordt vanuit de goede vrachtauto naar de vraatzuchtige wagen gesjouwd, waar een pers van het meubilair kleinhout maakt dat in de vuilverbrandingsoven belandt. In de vorm van elektriciteit of warmte keert het misschien nog eenmaal terug naar huis om het daar voor het laatst behaaglijk te maken. ‘Er zijn ook dingen die pas een jaar oud zijn,’ zegt Kücükkaya, ‘dan heeft de man een nieuwe vrouw die de kleur niet mooi vindt.’ In zo’n geval helpt ‘nog goed’ niet. Dan moet er snel gehandeld worden. Als je wat extra betaalt komen de vuilnismannen direct de volgende dag om het erotisch negatief beladen meubilair op te halen.
Vroeger werd datgene wat uit de kelder vloog langs de straat gezet. Grofvuildag heette dat toen en de hele wijk leek op een rommelmarkt, alleen was alles gratis. Inmiddels halen de mannen van de gemeente de spullen liever direct uit de kelder om de gieren van eBay voor te zijn en er wat bruikbaars uit te vissen voor de gemeentelijke winkel voor bijstandtrekkers.
In de kelder blijven de vuilophalers maar kort. Ze pakken de spullen die aangemeld waren en dan staan ze alweer buiten. Ze hebben geen gevoel voor de poëzie van het souterrain. Anders zouden ze in de bijkeuken van een meergezinshuis achter plakplastic het ‘wasplan’ kunnen zien, waar de bewoners hun gewenste ‘wastijden’ noteren om gehakketak rond de machines te voorkomen. En ook de oproep van de conciërge om een wasdag die wel gepland was, maar niet doorgaat, alstublieft duidelijk door te strepen, ‘zodat er geen vertraging optreedt in het aan de juiste persoon doorgeven van de bijkeukensleutel’. Je kunt vermoeden wat voor drama’s zich hier al tussen 30 en 60 graden afgespeeld hebben.
En wat staat al die kelderspullen die het huis uit weten te komen te wachten? Ze komen in een kringloopwinkel waar het ‘nog’ in goede staat bedrukkend voelbaar wordt. Zijn de spullen eenmaal aan de romantiserende blik van hun eigenaren ontsnapt, dan springen de gebreken vanzelf naar voren. Elke deuk, elke schram wordt een esthetisch manco. Wie iets zou willen kopen mag zich in elk geval geen aansteller tonen.
Niet duidelijk is wat de kopers met het verworvene doen. Misschien neemt het de plaats in van andere objecten die op hun beurt afdalen naar de kelder. Of het belandt regelrecht onder de oppervlakte, waar het later weer wordt afgedankt en opnieuw de markt op komt.
Voor zover die goederen telkens weer gekocht en verkocht worden, is er sprake van echte recycling, een eeuwige kringloop van waren. Dan kunnen we hoog opgeven van eindelijk bereikte duurzaamheid of flink vloeken: we raken die zooi gewoon nooit kwijt.
David Hugendick en Ulricht Stock

