Voor grootse visies op de toekomst van de mensheid moet je niet in Downing Street, Het Witte Huis of het Kremlin zijn, maar bij een kleine groep computerprofeten die een compleet nieuwe wereld dreigen te gaan bouwen. Moeten we dat zomaar laten gebeuren?
Keuze uit ons archief
‘Het ontbreekt de eenentwintigste-eeuwse politiek aan visie. Er is geen politieke partij die een alomvattend idee voor een nieuwe wereld heeft. Geen politieke partij die een volledig nieuwe samenleving, laat staan een nieuwe mens wil bouwen. Na de ideologische oorlogen van de vorige eeuw lijken de politieke debatten van nu pedante haarkloverij.’ Aldus Harari in 2014. Hoewel er op het wereldtoneel de afgelopen weken veel verandert, blijft zijn vaststelling dat we technologie vrij spel geven overeind. Vernieuwing betekent in het Westen vooruitgang. Waar heb je dan nog een visie voor nodig?
In de twintigste eeuw was de politiek een strijd tussen grootse toekomstvisies. Communisten, fascisten en liberalen: allemaal wilden ze de oude wereld afbreken om een nieuwe wereld te bouwen. Lenin, Stalin en Mao probeerden de maatschappelijke structuren te ontmantelen en te vervangen door een wetenschappelijk verantwoord alternatief. Mensen, families en hele gemeenschappen werden door hen als boetseerklei beschouwd: tientallen miljoenen werden de dood ingejaagd onder het motto dat je geen omelet kunt bakken zonder eieren te breken.
Wat je ook van Hitler kunt zeggen, niet dat hij kleinschalig dacht
Hitler en zijn trawanten gingen nog meedogenlozer te werk bij de uitvoering van hun nog ambitieuzere plannen. De nazi’s wilden niet alleen de maatschappij maar de mens zelf herscheppen naar hun ideaalbeeld. Ze wilden in de biologie ingrijpen, de evolutie versnellen en een zuiver ras van übermenschen, supermensen kweken. Wat je ook van types als Lenin of Hitler kunt zeggen, niet dat ze kleinschalig dachten. De ambities van de progressieven waren misschien wat gematigder, maar niet veel. Deze hoeders van de utopische idealen van de Verlichting hoopten het paradijs op aarde te bereiken middels technische vooruitgang en onderwijs voor de massa. Hiërarchieën van duizenden jaren oud werden overhoop gehaald door de emancipatie van vrouwen, minderheden en jongeren. En misschien nog ingrijpender: nadat het gezin en het gemeenschapsleven miljoenen jaren de hoeksteen van elke samenleving hadden gevormd, stelden de progressieven ineens het individu centraal. De individuele mens werd geëmancipeerd van ouders, buren en ouderen, er ontstond een nieuwe ‘maatschappij van het individu’. Waarmee de progressieven ons misschien wel veroordeelden tot ongekend hoge niveaus van vervreemding en eenzaamheid. De visie van de progressieven was goedaardiger dan die van de communisten en de fascisten, maar daarom niet minder radicaal. Dat hun ideeën zo vanzelfsprekend en zelfs afgezaagd lijken, komt doordat wij in hun maatschappij leven.
Al hadden communisten, fascisten en progressieven nog zulke verschillende toekomstvisies, ze waren eensgezind in de wijze waarop ze een kolossaal nieuw overheidsapparaat optuigden. In verbluffend korte tijd werden alomvattende stelsels voor onderwijs, gezondheidszorg en sociale voorzieningen uit de grond gestampt om de utopische visie van de heersende partij uit te voeren. En die stelsels groeiden uit tot de grootste banenmachines op de arbeidsmarkt en de belangrijkste instanties in het maatschappelijk verkeer. In dat opzicht zijn de grote politieke ideologieën van de vorige eeuw geslaagd in hun missie om een nieuwe wereld te creëren. De maatschappij van 1800 is volledig afgebroken, we leven nu in een volstrekt nieuwe werkelijkheid.
Bio-engineering
In 1900 of 1950 waren alle politici mannen van grote woorden en nog grotere daden. Onze huidige politici lijken over de middelen te beschikken om nog veel grootsere visies uit te voeren dan Lenin, Hitler of Mao. Die moesten een nieuwe maatschappij en een nieuwe mens creëren met schrijfmachines en stoommachines, terwijl de visionair van nu beschikt over biotechnologie en supercomputers. Nieuwe technologische doorbraken zullen onze maatschappij, ons lichaam en ons denken in de komende decennia waarschijnlijk diepgaander veranderen dan ooit tevoren. De nazi’s wilden supermensen creëren met een soort fokprogramma, maar wij beschikken over een groeiend arsenaal aan technieken op het gebied van bio-engineering. Daarmee kunnen de uiterlijke kenmerken, de vermogens en zelfs de verlangens van de mens worden aangepast aan een politiek ideaal.
Er is geen enkele reden om te denken dat homo sapiens het eindstation is
Bio-engineering berust op de gedachte dat we nog lang niet alles uit ons lichaam halen wat erin zit. Al vier miljoen jaar wordt er door de natuurlijke selectie aan ons gesleuteld, zodat we ons van amoebes hebben ontwikkeld tot reptielen, zoogdieren en uiteindelijk homo sapiens. Maar er is geen enkele reden om te denken dat homo sapiens het eindstation is. Enkele relatief kleine wijzigingen in ons genoom, ons zenuwstelsel en ons skelet volstonden om homo erectus, tot weinig meer in staat dan het fabriceren van een stenen hakbijl, te veranderen in Homo sapiens, die ruimteschepen en computers produceert. Wie weet wat verdere wijzigingen in ons genoom, ons zenuwstelsel en ons skelet nog meer kunnen opleveren. En de bio-ingenieurs gaan heus niet zitten wachten tot de natuurlijke selectie dat voor ons doet. Nee, ze gaan aan de slag om van dat goeie ouwe homo sapiens-lijf de genetische opmaak te herschrijven, de bedrading en de biochemische balans van de hersenen aan te passen en nieuwe lichaamsdelen te kweken. Bovendien ontwikkelen we de mogelijkheid om cyborgs te maken.
In Silicon Valley vind je de Lenins van deze tijd
Cyborgtechniek is het combineren van organische met anorganische elementen. Denk aan bionische handen, kunstogen of miljoenen nanorobots in je bloed om problemen op te sporen en schade te herstellen. Het klinkt misschien als sciencefiction, maar het bestaat al. Apen kunnen externe bionische handen en voeten aansturen via in de hersenen ingebrachte elektroden. Verlamde patiënten kunnen bionische ledematen of computers aansturen met hun gedachten. Als je wilt, kun je alle elektrische apparatuur in huis bedienen met een headset die ‘gedachten kan lezen’. Daar is geen implantaat voor nodig, de headset leest de elektrische signalen in je hoofdhuid. En wil je het licht in de keuken aandoen, dan zet je gewoon die headset op, denkt aan een voorgeprogrammeerde mentale handeling (bijvoorbeeld dat je je rechterhand beweegt) en het licht springt aan. Zulke headsets zijn online te koop voor tweehonderd pond. Toch is de cyborgsector nog relatief conservatief, omdat die ervan uit blijft gaan dat alles moet worden bestuurd door onze organische hersenen. Een radicalere benadering is het afzweren van organische onderdelen en het streven naar volledig anorganische wezens. In plaats van een zenuwstelsel krijg je dan intelligente software die vrijelijk in zowel de virtuele als de werkelijke wereld kan rondsurfen, niet gehinderd door de beperkingen van onze organische biochemische basis.
Gebrek aan visie
Wetenschappers definiëren leven tegenwoordig als het verwerken van data, en een levend wezen als een verzameling zichzelf replicerende biochemische algoritmen die heel langzaam beter worden als gevolg van natuurlijke selectie. Informatici en wiskundigen zijn steeds beter geworden in het schrijven en ontcijferen van algoritmen. En als organismen inderdaad algoritmen zijn (een vrij boude aanname, maar tegenwoordig toch de heersende opvatting), moet het mogelijk zijn om anorganisch leven te scheppen. Een algoritme is een algoritme, nietwaar? Als de wiskunde klopt, wat maakt het dan uit of dat algoritme zich manifesteert in koolstof, plastic of siliconen? Na vier miljard jaar te hebben rondgedobberd in de kleine vijver van organische samenstellingen, kan het leven nu ineens het veel grotere domein van anorganisch materiaal gaan bezielen, om daar onvoorstelbare nieuwe vormen aan te nemen. In sciencefiction grijpen hitleriaanse dictators zo’n nieuwe technologie altijd aan om er hun gevaarlijke politieke ideeën mee uit te voeren.
Maar daarin verschillen de werkelijke leiders van onze tijd, zelfs in autoritaire landen als China, Rusland, Iran en Noord-Korea, hemelsbreed van hun fictieve tegenhangers. Plannen voor een brave new world lijken ze niet te smeden. De stoutste dromen van Kim Jong-Un en Ali Khamenei reiken niet veel verder dan het bezit van langeafstandsraketten en een atoombom: zo ontzettend 1945. En Barack Obama en David Cameron hebben al moeite om de zorgverzekering en het onderwijs te hervormen, laat staan dat ze toekomen aan het bouwen van een nieuwe wereld of een nieuwe mens. De technologische mogelijkheden zijn tegenwoordig dus vrijwel onbeperkt, maar de politici van nu denken veel kleinschaliger dan hun voorgangers van een eeuw geleden.
Het ontbreekt de eenentwintigste-eeuwse politiek aan visie. Er is geen politieke partij die een alomvattend idee voor een nieuwe wereld heeft. Geen politieke partij die een volledig nieuwe samenleving, laat staan een nieuwe mens wil bouwen. Na de ideologische oorlogen van de vorige eeuw lijken de politieke debatten van nu pedante haarkloverij. Om de vergezichten van een Lenin of een Hitler te volgen had je een telescoop nodig; om het verschil tussen Republikeinen en Democraten of tussen Labour en de Conservatieven te ontwaren heb je een microscoop nodig. Ja, Miliband en Cameron verschillen een beetje van mening over de EU, het ziekenfonds en de belastingen. Maar die verschillen zijn niets vergeleken bij de verschillen tussen communisten en fascisten honderd jaar geleden. Er is geen partij meer die pleit voor een Brits wereldrijk, de afschaffing van alle privébezit of het vergassen van minderheden. Dat spreekt inmiddels zo vanzelf dat we er niet meer bij stilstaan. Maar dat is het punt juist: een eeuw geleden was dat helemaal niet zo vanzelfsprekend. Toen had je machtige politieke partijen met miljoenen aanhangers die openlijk pleitten voor imperialisme, genocide of de afschaffing van privébezit.
Eén goede reden waarom politici niet meer zo tuk zijn op weidse vergezichten, is de gruwelijke afloop van de ideologische oorlogen. Als grote visies resulteren in Auschwitz, Hiroshima en de Grote Sprong Voorwaarts, dan is de mensheid beter af in de handen van bekrompen bureaucraten. Een tweede reden is dat de twintigste-eeuwse verworvenheden zwaar op politici drukken. De zorg, het onderwijs en de verzorgingsstaat kosten enorm veel geld en aandacht. Bovendien zou elke poging een nieuwe visie te realiseren dit enorme apparaat doen wankelen. Daarom spelen politici liever op safe en doen ze vooral hun best het systeem draaiende te houden. Hier en daar passen ze wel een kleinigheid aan, maar voor structurele veranderingen deinzen ze terug.
Ten derde bleek, toen de rook van de ideologische oorlogen was opgetrokken, dat het neoliberalisme als overwinnaar uit de strijd kwam. En nu het neoliberalisme de economie en de samenleving naar eigen smaak heeft ingericht, predikt het passiviteit. Als zen-goeroes adviseren de hogepriesters van het neoliberalisme alle politici: doe niets. Laat iedereen zich op zijn eigen taak richten en zich niet om de lange termijn bekommeren. Bouwers moeten bouwen, zangers moeten zingen, ontwerpers moeten ontwerpen – en laat de rest maar aan de markt over. Die weet beter welke kant we op moeten dan een filosoof of staatsman. De meeste regeringen en politieke partijen volgen dat advies op. Ze richten zich vooral op het managen van het land en de dagelijkse crises en hebben weinig oog voor de langere termijn. Ze managen de staat en doen dat over het algemeen prima, maar voor toekomstplannen of een leidersrol moet je niet bij hen zijn.
Silicon Valley
Dat wil niet zeggen dat niemand de rol van profetisch leider opeist. Waar de politiek grote woorden mijdt, maakt het bedrijfsleven er des te gretiger gebruik van. Voor grootse visies op de toekomst van de mensheid moet je niet in Downing Street, het Witte Huis of het Kremlin zijn, maar je oor te luisteren leggen in Silicon Valley. Daar vind je de Lenins van onze tijd. Voor alle duidelijkheid: de computertovenaars van Silicon Valley zijn geen communisten en ze zijn ook lang niet zo meedogenloos als Lenin. De overeenkomst die ik zie, betreft alleen de durf en reikwijdte van hun visie, hun ambitie om de oude wereld af te breken en een compleet nieuwe wereld te bouwen. Wat durf en reikwijdte betreft kan Lenin zelfs niet aan de computerprofeten tippen. Lenin en zijn volgelingen werkten nog binnen de kaders van bestaande economische feiten en modellen. Maar de visionairs van nu dromen van een toekomst zonder schaarste, waarin de rol van de mens in de economie is vervangen door algoritmen, de vraag niet langer door de grenzen van het aanbod wordt beperkt en het leven niet langer om werk draait.
Centraal in deze visie staat de loskoppeling van intelligentie en bewustzijn. Tot nu toe ging intelligentie altijd gepaard met een hoogontwikkeld bewustzijn. Alleen wezens met een bewustzijn konden vroeger taken uitvoeren die een hoge mate van intelligentie vereisen, zoals schaken, autorijden, het stellen van medische diagnoses of het elimineren van terroristen. Maar technologiebedrijven zoals Google, Apple en IBM ontwikkelen op basis van machinaal leren en big data nieuwe vormen van intelligentie zonder bewustzijn, die bij deze en vele andere taken beter presteren dan mensen.
Dat werpt een nieuwe vraag op: welke van de twee is nu werkelijk van belang voor de economie: intelligentie of bewustzijn? Zolang die twee altijd met elkaar hand in hand gingen, was die vraag hooguit een tijdverdrijf voor filosofen. Maar in onze eeuw wordt het een prangend politiek en economisch vraagstuk. En het is ontnuchterend om te beseffen dat in ieder geval in de economie intelligentie een absolute voorwaarde is, en bewustzijn op zichzelf weinig waarde heeft.
Carl Benedikt Frey en Michael A. Osborne van Oxford University gaven in hun boek The Future of Employment in 2013 een overzicht van alle beroepen die volgens hen binnen twintig jaar door computeralgoritmes kunnen worden overgenomen. Volgens het algoritme waarop zij zich baseerden, liep 47 procent van alle banen in de VS groot risico binnen dat tijdsbestek te verdwijnen. Zo is er 99 procent kans dat telemarketeers en verzekeraars in 2033 zijn vervangen door algoritmen. En die kans is 98 procent voor scheidsrechters, 97 procent voor caissières en 96 procent voor restaurantkoks. Voor juridisch medewerkers, reisgidsen, bakkers, buschauffeurs, bouwvakkers, dierenartsassistenten, beveiligers, zeelui, kelners, barkeepers, archivarissen, timmerlui en strandwachten varieert de kans dat hun baan verdwijnt van 67 tot 94 procent.
Er zijn natuurlijk ook banen die veilig zijn. Voor archeologen is de kans dat hun werk in 2033 is vervangen door computeralgoritmes hooguit 0,7 procent, en voor ergotherapeuten slechts 0,3 procent. Maar ook als het banenverlies wordt gecompenseerd door het ontstaan van nieuwe functies, dan zullen die waarschijnlijk veel meer creativiteit en flexibiliteit vergen. Het is lang niet zeker dat een caissière of buschauffeur van vijftig in staat is om zich daaraan aan te passen. Zoals de industriële revolutie in de negentiende eeuw leidde tot een grote nieuwe arbeidersklasse in de steden, zou de technologische revolutie van de eenentwintigste eeuw dus weleens kunnen leiden tot een grote nieuwe klasse van economisch nuttelozen. Als dat inderdaad gebeurt, wordt dat een veel grotere uitdaging dan de industriële revolutie en zal het nieuwe sociale en politieke modellen vereisen die de ambities van Marx, Lenin of Mao verre overtreffen. De ideologie van socialisten en communisten beantwoordde aan de noden, de zorgen en de hoop van het industriële proletariaat. Zo zal ook de nieuwe klasse van economisch nuttelozen nieuwe verlangens, angsten en aspiraties ontwikkelen. Om daaraan tegemoet te komen, verzinnen de computerprofeten wonderlijke sociaal-economische modellen, toegesneden op een maatschappij in het post-schaarste-tijdperk, waarin mensen niets meer produceren en alleen nog consument zijn.
Oplossen van de dood
Daar blijft het voor de computerprofeten echter niet bij. Zij dromen niet alleen van een totaal nieuwe samenleving en economie, ze dromen ook van het tegenhouden van veroudering het overwinnen van de dood, van de ontwikkeling van supermensen en een internet of things, en van de samensmelting van de mensheid en dat internet of things in één groot kosmisch bewustzijn. Zo richtte Google onlangs Calico op, een dochterbedrijf met als mission statement – hou je vast – ‘het oplossen van de dood’. En het hoofd van Googles investeringsfonds is Bill Maris, iemand die echt in onsterfelijkheid gelooft.
Afgelopen maart verklaarde Maris in een interview: ‘Als je mij vraagt of het mogelijk is om vijfhonderd jaar te worden, dan zeg ik ja.’ En hij zet zijn woorden kracht bij met harde cash: van de twee miljard dollar die Google Ventures beheert, wordt 36 procent geïnvesteerd in start-ups in de levenswetenschappen, waaronder een paar ambitieuze projecten om onze levensduur te verlengen. Maris vergeleek het met een footballwedstrijd. In de strijd tegen de dood, zei hij, ‘gaan we niet voor een paar meter terreinwinst: we willen de wedstrijd winnen’.
Peter Thiel, mede-oprichter van PayPal, heeft gezegd dat hij eeuwig wil blijven leven. Veel mensen zullen dat afdoen als een puberale fantasie. Maar Thiel is iemand om serieus te nemen. Zijn privévermogen wordt geschat op 2,2 miljard dollar en hij is een van de succesvolste en invloedrijkste ondernemers in Silicon Valley.
Als historicus kan ik niet oordelen over de haalbaarheid van die ideeën. Maar als historicus weet ik wel dat de aspiraties van mensen vaak veel belangrijker zijn dan wat ze uiteindelijk bereiken. De twintigste eeuw is gevormd door het communistische streven om een eind te maken aan alle ongelijkheid, ook al is dat nooit verwezenlijkt. Zo kan onze eeuw gevormd worden door het streven de mens te upgraden en de dood te overwinnen, ook al berust dat misschien op ijdele hoop. De tijdgeest verandert. Gelijkheid is uit, onsterfelijkheid is in. Dat moet ons allemaal aan het hart gaan. De combinatie van almachtige technologieën met een megalomane politiek is weliswaar gevaarlijk, maar de combinatie van almachtige technologieën met een kortzichtige politiek is misschien nog veel gevaarlijker. Onze politiek beperkt zich tot besturen en richt de blik niet langer op de toekomst, juist in een tijd waarin de technologie ons in staat stelt die toekomst ingrijpender te veranderen dan we ooit durfden te dromen. De technologie stelt ons zelfs in staat die dromen te veranderen. Als politici geen zin hebben om over die toekomst te beslissen, geven ze anderen vrij spel. Zodat de gewichtigste beslissingen in de geschiedenis van het leven op aarde straks misschien wel genomen worden door een piepklein groepje programmeurs en zakenlui, terwijl de politici zitten te kibbelen over immigratiequota’s en de euro.
