Zangeres Nina Simone (1933-2003), over wie een controversiële film is gemaakt, was een boegbeeld van de burgerrechtenbeweging. Met bijtende protestsongs streed ze tegen de onrechtvaardigheid die haar Afro-Amerikaanse volk te verduren kregen. Een strijd die, getuige de recente gebeurtenissen in Ferguson, nog lang niet gestreden is.
‘My skin is black’, zo begint het verhaal van de eerste vrouw, ‘my arms are long’. En, op een langzaam en bonkend ritme, ‘my hair is woolly, my back is strong’. Zo begon Nina Simone in 1965 in een Nederlandse club een lied dat ze had geschreven over wat zij ‘Four Negro Women’ noemde, voor een jong, geheel blank en ademloos publiek. ‘And one of the women’s hair,’ ging ze verder, terwijl ze licht met haar hand over haar eigen woolly afrokapsel streek, ‘is like mine’. Alle vier de vrouwen in het lied hebben een naam. Aunt Sarah is oud, en haar sterke rug heeft haar alleen maar geholpen ‘to take the pain inflicted again and again’. De gele huid en het lange haar van Sephronia zijn het gevolg van het feit dat haar blanke vader haar moeder heeft verkracht – ‘Between two worlds I do belong’ – en Sweet Thing, die prostituee is, heeft een lichtbruine huid en een lach zo vol bravoure dat sommige van haar gretige Hollandse toehoorders zo dom waren om terug te lachen. En toen sloeg Simone toe met de laatste en meest strijdbare van de vier vrouwen, met de onwaarschijnlijke naam Peaches. ‘My skin is brown,’ gromde ze woest, ‘my manner is tough. I’ll kill the first mother I see. Cause my life has been rough.’ Het lied is het verhaal van zwarte vrouwen in Amerika, maar het is ook een verhaal over lang onderdrukte en uiteindelijk onbeheersbare woede.
Veel zwarte vrouwen hebben de laatste tijd hun woede geuit over een nieuwe film over het leven van Nina Simone, en dat terwijl die film nog niet eens in de bioscopen draait. De discussie draait om huidskleur, en wat het voor Simone betekende dat ze niet alleen Afro-Amerikaanse was, maar ook sterk Afrikaanse gelaatstrekken had en een heel donkere huid. Is het mogelijk om Simones fysieke kenmerken en de prijs die ze daarvoor in Amerika moest betalen, los te zien van de vrouw die ze uiteindelijk is geworden? Kan zij gespeeld worden door een actrice met minder typisch Afrikaanse trekken en een lichtere huid? Moet ze wel door zo’n actrice worden gespeeld? Deze vragen – die zelden als vragen worden gesteld – zijn opgekomen na een eerste, besloten voorstelling voor filmdistributeurs in Cannes, waar duidelijk werd dat actrice Zoe Saldana, een lichtgetinte schoonheid naar Europese maatstaven, met Dominicaanse roots, de rol van Nina Simone speelde. Sindsdien is de discussie de film Nina blijven achtervolgen, al hebben zelfs recensenten hem nog niet gezien. De regisseur, Cynthia Mort, heeft de keuze van Saldana voor deze rol tot nu toe ferm verdedigd. Ze wees erop dat acteertalent nu eenmaal belangrijk is, maar voerde ook aan dat Simones eigen Four Women gaat over vrouwen met verschillende tinten – een goed argument. Geen van de vrouwen in Simones meest persoonlijke en bijtende lied ontkomt aan schade en vernedering vanwege haar ras.
Ironisch genoeg werd Four Women aanvankelijk gezien als een belediging voor zwarte vrouwen; nadat de plaat in 1966 was verschenen, weigerden verschillende radiozenders in New York en Philadelphia hem te draaien. Daaraan kwam echter al snel een eind, toen die censuur meer woede bleek te wekken dan het lied zelf. Simones echtgenoot en manager, Andrew Stroud, vreesde dat de controverse schadelijk zou zijn voor haar carrière, al was dit niet bepaald iets nieuws. Simone zong al sinds 1963 luid en duidelijk over burgerrechten – en dat was later dan figuren als Harry Belafonte en Sammy Davis Jr. met hun heldhaftige stellingname, maar toch in een tijd dat veel zwarte artiesten zich nog gevangen voelden tussen de regels van het commerciële succes en de toenemende druk om zich in de rassenstrijd te mengen. Weliswaar produceerde Motown vroeg in de jaren zestig een hele stroom rasoverstijgende hits en waren de zwarte vertolkers daarvan razend populair, maar zij hadden niets te maken met de burgerrechtenbeweging.
Simone zelf had aanvankelijk geaarzeld. Ze stond bekend om haar uitstekende pianospel, haar imponerende allure en haar fluweelzachte uitvoering van I Loves You, Porgy (dat zij, net als Billie Holiday vóór haar, zong zonder de stigmatiserend ongrammaticale ‘s’ achter Love). Nadat ze eind 1958 in New York was aangekomen, vestigde ze haar reputatie niet in Harlem maar in de clubs van het hippe en betrekkelijk multiraciale Greenwich Village. Met haar repertoire van jazz, folk en musicalliedjes, waaraan ze vaak een klassieke draai gaf, was ze onmogelijk in een hokje te plaatsen. In die beginjaren bracht ze Afrikaanse maar ook Hebreeuwse liedjes en weefde ze een fuga van Bach door een razendsnelle versie van Love Me or Leave Me. Het jarendertigklaaglied My Baby Just Cares For Me bracht ze met luchtige zorgeloosheid, en ze maakte van het slaapliedje Brown Baby – in een nieuwe versie, geschreven door Oscar Brown Jr., over de hoop van een zwart gezin dat hun kind zal opgroeien in een wereld zonder rassenhaat – een hartverscheurende aanklacht. Bij het woord freedom barst ze uit in een huiveringwekkend gejammer, alsof ze daarmee de pijn uitschreeuwt van al die jaren dat mensen die vrijheid was ontzegd. Verder dan Brown Baby wilde Simone een tijdlang niet gaan. Ze vond dat genoeg als protestsong.
Wakker geschud
En toen schudde haar vriendin Lorraine Hansberry haar wakker. Het zegt veel over de intelligentie en rusteloze kracht van Simone dat zij als twintiger de fine fleur van de Afro-Amerikaanse intellectuele cultuur aantrok. Dichter Bob Langston Hughes en schrijver James Baldwin wierpen zich op als haar mentor en beschermer, en hadden hooggespannen verwachtingen van Simone, die net ten tonele verscheen op het moment dat Billie Holiday stierf. Maar met toneelschrijfster Hansberry had ze een heel bijzondere band. ‘We hadden het nooit over mannen of kleren,’ schreef Simone tientallen jaren later in haar memoires. ‘Het ging altijd over Marx, Lenin en de revolutie – wat je noemt meidenpraat.’
Een mijlpaal in de carrière van Simone was een soloconcert dat ze op 12 april 1963 gaf in Carnegie Hall – een mooie gelegenheid om te laten horen hoe goed ze piano speelde. Op dezelfde dag werd Martin Luther King Jr. samen met andere demonstranten in Birmingham, Alabama, gearresteerd en opgesloten in de plaatselijke gevangenis. Het was Hansberry die Simone die avond belde, niet om haar te complimenteren met haar succes, maar om haar te wijzen op het grote verschil tussen die twee gebeurtenissen.
Twee maanden later, begin augustus, gaf Simone een benefietoptreden voor de NAACP (National Association for the Advancement of Colored People). Ze zong Brown Baby voor een menigte die zich had verzameld in het footballstadion van een zwarte universiteit in de buurt van Birmingham – het eerste gemengde concert dat ooit in deze omgeving werd gehouden – terwijl bewakers met vuurwapens en honden over het terrein patrouilleerden. Ze was bezig met de voorbereidingen voor een optreden in een club toen op zondag 15 september het nieuws kwam over de bomaanslag op de Sixteenth Street Baptist Church in Birmingham; vier jonge Afro-Amerikaanse meisjes die net van bijbelles kwamen, werden gedood. Simones eerste reactie, vertelde ze later, was om naar haar garage te gaan en met het gereedschap daar zelf een pistool te maken. ‘Ik wilde iemand gaan vermoorden,’ schreef ze. ‘Wie wist ik nog niet, maar iemand van wie ik vond dat hij mijn volk dwars zat.’
Die drang om tot geweld over te gaan kwam niet uit de lucht vallen. Hij broeide in het hele land, hoe hard koelere hoofden en politieke pragmatici hem ook probeerden te onderdrukken. Bij de mars op Washington werd John Lewis, toen leider van de Student Nonviolent Coordinating Committee, gedwongen om het woord ‘revolutie’ uit zijn toespraak te schrappen en af te zien van de dreiging dat de marsdeelnemers, als er niet onmiddellijk verbetering kwam, door het Zuiden zouden trekken ‘net zoals Sherman’ [bevelhebber van de Noordelijke troepen tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog], en ‘Jim Crow tot de grond toe zouden afbranden’ [de Jim Crow-wetten legaliseerden de rassenscheiding in de VS na 1890]. James Baldwin zei na de bomaanslag in een discussie op tv dat in de hele geschiedenis van Amerika ‘geweldloosheid alleen maar wordt geprezen als de negers die beoefenen’. Maar de gematigden wonnen het. Simones echtgenoot, een slimme zakenman, zei tegen haar dat ze het pistool moest vergeten en haar woede in haar muziek moest leggen.
In een uur tijd schreef ze Mississippi Goddam, een ongeremde hartenkreet rond de plaatsnamen van de onderdrukking. Het nummer heeft een opgewekte melodie, die een ironisch contrast vormt met de tekst: ‘Alabama’s got me so upset, Tennessee made me loose my rest’ – verwijzingen naar gevallen van onrecht die zo bekend waren dat ze nauwelijks benoemd hoefden te worden. ‘And everybody knows about Mississippi, goddam!’ Toch benoemde Simone dat onrecht wel. Ze dreef de spot met stereotiepe beledigingen van zwarten (‘Too damn lazy!’), met loze overheidsbeloften (‘Desegregation/Mass participation’) en vooral met de voortdurende vermaningen van publieke leiders om rustig te blijven (‘Go slow!’). Het was geen We Shall Overcome of Blowin’ in the Wind: Simone voelde weinig voor de bijna bijbelse, verheven toon van de songs in die tijd. Het was een lied over een beweging waarvan het geduld bijna op was, van een vrouw die toch al weinig geduld had en weinig hoop voor de toekomst van Amerika: ‘Oh but this whole country is full of lies,’ zong ze. ‘You’re all gonna die and die like flies.’
Mississippi Goddam was het lied van het moment: brutaal, indringend, makkelijk te zingen
Een paar dagen later, tijdens een optreden in de Village Gate, zong ze het lied voor het eerst. En ze zong het ook op een heel ander concert in Carnegie Hall, in maart 1974, waar ze het overwegend blanke publiek schaamteloos trakteerde op ‘You’re all gonna die’ en op nieuwe protestsongs die ze inmiddels had geschreven, waaronder het uitdagende, jazzy Old Jim Crow. Ze bracht ook een rustig, maar angstaanjagend nummer dat Images heette, over het onvermogen van een zwarte vrouw om haar eigen schoonheid te zien. (‘She thinks her brown body has no glory’) – een melancholieke voorloper van Four Women, dat ze had gecomponeerd op een tekst van Waring Cuney, een van de dichters van de Harlem Renaissance. Zelf droeg Simone in die tijd haar haar nog in een meedogenloos gestraighte jarenvijftigbob – soms is het moeilijker om op te komen voor je eigen kleine persoonlijke vrijheden dan voor de grote politieke – en het was ook duidelijk nog niet de tijd om dit soort specifiek vrouwelijke kwetsuren hun plaats in het verhaal over rassendiscriminatie te laten innemen. Mississippi Goddam was het lied van het moment: brutaal, indringend en makkelijk te zingen. Het werd na Simones concert dan ook overgenomen door strijdbare demonstranten in die zo vervloekte staat, in de maanden die zij zelf het ‘Mississippi Summer Project’ of de ‘Freedom Summer’ noemden en die president Johnson, vrij naar Shakespeares Richard III, betitelde als ‘De zomer van ons ongenoegen’.
In maart 1965 was er geen weg terug meer, toen ze het lied zong vlakbij Montgomery, Alabama, voor zo’n drieduizend deelnemers aan de 80 kilometer lange ‘Selma-to-Montgomery March’, die demonstreerden voor het recht om te stemmen. Twee weken daarvoor waren deelnemers aan de eerste versie van deze mars met knuppels, zwepen en traangas door de staatspolitie uiteengedreven. Het overwinningsconcert op de vierde dag van de mars was georganiseerd door de onvermoeibare Belafonte, op verzoek van dominee King. Het geïmproviseerde podium rustte op stapels lege doodskisten die waren geleend bij plaatselijke uitvaartbedrijven, en het publiek was aangegroeid met nog eens 25.000 mensen, aangetrokken door ofwel het politieke doel, ofwel de line-up vol grote namen, variërend van Tony Bennett en Johnny Mathis tot Joan Baez. Simone, alleen begeleid door haar vaste gitarist Al Schackman, werd toegejuicht vanwege de voor de gelegenheid aangepaste regel ‘Selma made me lose my rest’. In de loop van die avond werd ze voorgesteld aan Martin Luther King en later vertelde gitarist Schackman dat ze haar hand uitstak en hem waarschuwde: ‘Ik ben niet geweldloos!’ Pas toen King vriendelijk antwoordde: ‘Geeft niets, sister’, kalmeerde ze.
Simone stond bekend om haar lichte ontvlambaarheid. Tijdens optredens had ze het meteen in de gaten als iemand zat te praten, en dan stopte ze met zingen om die persoon dreigend aan te kijken of uit te schelden. Soms verliet ze zelfs het podium. Toch waren haar concerten ook vertrouwelijk en intiem – ze had het contact met haar publiek nodig – en vaak meeslepend en vol improvisatie. Zelfs in haar beste jaren bereikte Simone niet vaak de hitlijsten, maar haar optredens werden altijd druk bezocht. In 1966 schreef de recensent van de Afro-Amerikaanse krant Philadelphia Tribune: ‘Nina Simone horen zingen is alsof je pijnlijk aan het zwarte hart wordt gedrukt en de kracht en schoonheid voelt waarmee dat eeuwenlang heeft geklopt.’ Ze werd uitgeroepen tot de stem van de beweging, niet door Martin Luther King, maar door Stokeley Carmichael en H. Rap Brown, die met hun Black Power-ideeën meer aansloten bij haar eigen ervaringen en keuzes. In de loop van de jaren zestig leek ze door de gevoelens die ze liet zien
– pijn, verscheurende woede, het verlangen om uit wraak hele steden plat te branden – nu eens geestelijk in de war en dan weer de eerlijkste zwarte vrouw van Amerika.
Muzikaal talent
Zelf heeft ze verteld dat ze op haar elfde voor het eerst woede voelde over racisme. Ze was geboren als Eunice Waymon, de zesde van acht kinderen van John en Kate Waymon, allebei afstammelingen van slaven, en ware steunpilaren binnen de kleine zwarte gemeenschap van Tyron, North Carolina. Haar moeder was dominee in de methodistische kerk, een streng religieuze vrouw die wat geld bijverdiende als schoonmaakster voor een blanke familie in Tyron. Haar vader, die was begonnen als entertainer, pakte elke klus aan die zich voordeed. Zelfs tijdens de crisis hadden de Waymons het niet slecht. De vroegste herinnering van Simone is aan haar moeder die psalmen zong; zowel hun huis als de kerk waren altijd zo vol muziek dat het niemand opviel hoe de kleine Eunice op het orgelbankje klom, tot ze als peuter van tweeënhalf de psalm God Be With You Till We Meet Again van begin tot eind kon spelen.
Even zeldzaam als het muzikale talent van het kleine meisje was voor die tijd en in dat milieu de manier waarop dat talent werd aangemoedigd. Ze speelde al orgel bij haar moeders preken toen haar voeten nog maar nauwelijks bij de pedalen konden, en begeleidde al snel ook het kerkkoor en de zondagsdiensten. Ze speelde vooral graag als er een evangelist in de kerk kwam prediken, want dan merkte ze hoe ze een publiek in vervoering kon brengen met muziek. Met het andere uiteinde van het muzikale spectrum maakte ze kennis dankzij de vrouw voor wie haar moeder schoonmaakte. Zij bood aan om voor de toen vijfjarige Eunice lessen te betalen bij een plaatselijke pianolerares, Muriel Mazzanovich. Deze uit Engeland afkomstige Miz Mazzy, zoals Eunice haar noemde – en later ook ‘my white momma’ – bracht haar liefde voor Bach bij en de ambitie om beroemd te worden als klassiek pianiste. Toen ze op haar elfde een recital gaf in de plaatselijke bibliotheek, zag Eunice hoe haar ouders van de eerste rij werden weggestuurd om plaats te maken voor een blank echtpaar. En al had Miz Mazzy haar geïnstrueerd om zich netjes te gedragen, toch stond ze op en kondigde ze aan dat, als mensen haar wilden horen spelen, ze haar ouders weer op de eerste rij moesten laten zitten. Er klonk wat gelach, maar haar ouders mochten hun plaatsen weer innemen. De volgende dag, vertelde ze zelf, voelde het ‘alsof ik was afgeranseld, en met elke zweepslag, echt of ingebeeld, mijn huid was opengereten. Maar die huid groeide weer dicht, wat dikker, wat minder onschuldig, en wat zwarter.’
Ze ging het gevoel van fysieke minderwaardigheid te lijf met haar talent
Haar huid was heel zwart, en dat werd haar maar al te duidelijk gemaakt, net als het feit dat haar neus te groot was. De opvatting over uiterlijke schoonheid van een ras – en de afkeer en zelfhaat van degenen die niet voldoen aan het gangbare schoonheidsideaal – is een van de meest ingrijpende aspecten van racisme, en toch wordt er maar zelden over gepraat. De esthetische normen zijn zowel door zwarten als door blanken bepaald. Zelfs Harry Belafonte schrijft in zijn memoires over het goedbedoelde advies van zijn moeder om ‘een vrouw te trouwen met goed haar’ en hij voegde er nogal overbodig aan toe dat ‘goed haar betekende: steil haar’. (En ja, lezer, hij trouwde met zo’n vrouw.) Maar Nina Simone, sterke, felle, trotse Nina Simone? ‘Ik kan niet blank zijn, ik ben zo’n gekleurd meisje dat eruitziet als alles wat blanke mensen verachten en geleerd hebben te verachten,’ schreef ze in een aantekening voor zichzelf, niet in haar puberteit, maar in de jaren dat ze al succesvol artiest was. ‘Als ik een jongen was, zou het niet zo erg zijn, maar ik ben een meisje en sta altijd voor het publiek, open en bloot, zodat zij me kunnen uitlachen en goedkeuren of afkeuren.’
In haar jeugd ging ze dat gevoel van fysieke minderwaardigheid te lijf met het talent dat haar, zo zei haar moeder, door God gegeven was. Muziek was haar redding, haar identiteit. Dankzij een fonds dat een paar blanke weldoeners in Tyron in het leven riepen, kon ze naar een particuliere kostschool – waar ze vijf uur per dag piano studeerde en als beste van haar jaar eindexamen deed – en daarna naar een zomercursus op Julliard. Ze had zich in haar hoofd gezet om te gaan studeren op het Curtis Institute of Music in Philadelphia, waar het verschrikkelijk moeilijk was om toegelaten te worden, maar waar de opleiding gratis was. Het leek zo zeker dat die ambitie werkelijkheid zou worden, dat haar ouders al naar Philadelphia verhuisden voordat ze haar toelatingsexamen had gedaan. Dat ze werd afgewezen, volgens haarzelf vanwege haar ras, is altijd een bron van verbittering gebleven. Het was ook een keerpunt. In de zomer van 1954 nam Eunice Waymon gedwongen door geldgebrek een baantje aan als barpianiste bij een nachtclub in Atlantic City – de eigenaar eiste dat ze er ook bij zong – en in de hoop dat haar moeder niets te weten zou komen over dit goddeloze dienstverband, ging ze zichzelf Nina Simone noemen. Ze vond dat ze alle recht van de wereld had op de woede die Nina Simone daarna voor altijd zou vertonen.
Bipolaire stoornis
Er waren periodes waarin het leek of ze haar gevoelens achter zich kon laten. In 1961, na een kort huwelijk met een blanke die haar had versierd in de club in Atlantic City, trouwde ze met Stroud, een geharde politieman uit Harlem. Ze beschreef hem in die tijd als ‘een man met een lichte huid’, ‘goed gebouwd’ en ‘heel zeker van zichzelf’. Het jaar daarna beviel ze van een dochter, Lisa Celeste, en Stroud nam ontslag om zich met Nina’s carrière te gaan bezighouden. Ze woonden in een groot huis in Westchester, een lommerrijke voorstad van Mount Vernon, met een tuinman en een huishoudster. Al beklaagde ze zich erover dat ze te hard werkte en te veel op tournee was – dat ze doodop was – toch was haar leven niet het clichématige treurige verhaal. Maar toen, vlak voor een concert begin 1967, trof Stroud haar in haar kleedkamer aan, terwijl ze make-up in haar haar smeerde. Ze wist niet wie hij was. Ze wist niet wie ze zelf was. Later herinnerde ze zich dat ze geprobeerd had haar haar dezelfde kleur te geven als haar huid: ‘Ik had visioenen van laserstralen en van de hemel, en huid, steeds maar huid – dat had er ook iets mee te maken.’
De medische feiten over Simones psychische ziekte werden pas openbaar na haar dood in 2003, dankzij Sylvia Hampton en David Nathan, Britse vrienden van Simone en de oprichters van haar fanclub. Zij schreven een boek over Simones carrière en noemden dat toepasselijk naar een van haar songs: Nina Simone: Break Down & Let it All Out (2004). Latere biografieën gaven nog meer bijzonderheden over depressie en geweld, en de lange zoektocht naar een diagnose die nooit echt werd gevonden. ‘Bipolaire stoornis’ lijkt de beste hedendaagse verklaring voor wat Simone had. Fragmenten van dagboeken en brieven van Simone uit de jaren zestig, die in 2010 in The Believer werden gepubliceerd door Joe Hagan (die ze van Andrew Stroud had gekregen), voegden daar het nieuws aan toe dat Simones persoonlijke hel nog werd verergerd doordat ze geregeld klappen kreeg van Stroud. In 1970 viel het huwelijk uiteen, maar het zou nog jaren duren voordat ze de juiste medicatie kreeg.

Des te opmerkelijker is het hoeveel kracht Simone in die jaren zestig liet zien. Naarmate het decennium vorderde, kreeg ze een voorkeur voor kleurige Afrikaanse gewaden en een gevlochten, hoog opgestoken Afrikaanse haardracht. Ze werd de ‘hogepriesteres van de soul’, en al was die titel vooral een pr-stunt van haar platenmaatschappij (Aretha Franklin zou al snel gekroond worden tot ‘koningin van de soul’), ze droeg hem met overtuiging.
Toch zou het niet juist zijn om de indruk te wekken dat de meeste van haar nummers over burgerrechten gingen. Stroud, die altijd de kassa in het oog hield, zorgde er wel voor dat ze niet te ver afdwaalde in die richting. Tijdens optredens zwakte ze zelfs Mississippi Goddam af, door te zingen ‘We’re all gonna die, and die like flies’, in plaats van ‘You’re all gonna die…’ Al nam ze in 1965 wel het klassieke antilynchinglied Strange Fruit op en kon ze van de meest onverwachte liedjes een rassenprotest maken (luister naar haar aangrijpende versie van het Brecht/Weill-lied Pirate Jenny), ze hield van heel veel verschillende, vaak verrassende soorten muziek. Tegen het eind van de jaren zestig was ze zo bang dat ze uit de mode zou raken, dat ze ook Bob Dylan en Leonard Bernstein in haar repertoire opnam en zelfs, voor de zekerheid, de Bee Gees. Een van haar grootste hits uit die tijd was het blije en onschuldige Ain’t Got No, I Got Life uit de musical Hair – dat in haar handen een klassiek vrijheidslied werd.
Maar in alles wat ze zong zat vrouwelijke kracht: in de peilloze diepten van haar stem – sommige mensen vinden dat Simone klinkt als een man – in haar intensiteit, haar dramatiek, haar vastberadenheid. Die kracht zit in het krankzinnige liefdeslied I Put a Spell on You, waarin ze de verlammende hunkering naar liefde (‘Because you’re mine!’) laat klinken als een onmiskenbaar bevel. Hij zit in de tien minuten durende gospelkrachttoer Sinnerman, wanneer ze als een zuidelijke prediker uitroept: ‘Power!’ en haar muzikanten terugroepen: ‘Power to the Lord!’ en vooral wanneer ze de afkeurende stem van de Heer zelf aanneemt: ‛Where were you, when you oughta been praying?’ Had je je de Heer nooit eerder voorgesteld als een zwarte vrouw, dan deed je dat nu wel. Toch noemde ze zelf haar songs over burgerrechten ‘the important ones’. En uit die beweging putte ze haar kracht. Daar ook kreeg haar particuliere woede publieke dimensies, in de jaren waarin het geduld opraakte en de woede in de zwarte gemeenschappen niet langer gesust kon worden.
En toen werd King doodgeschoten, op 4 april 1968. In delen van Washington, Chicago, Baltimore en meer dan honderd kleinere steden sloeg de vlam in de pan. Ondanks al haar retoriek was Simone diep geschokt, en haar kijk op wat er mogelijk was in haar land werd nog somberder. Tijdens een openluchtconcert in Harlem, de zomer daarop – te vinden op YouTube – ging ze tot het uiterste. Koninklijk Afrikaans uitgedost opende ze met Four Women, nu voor een publiek waarin een afrokapsel de norm was. Na een aantal andere prikkelende politiek getinte songs
– Revolution, Backlash Blues – eindigde ze met iets heel nieuws, dat ze nog niets eens had kunnen instuderen. Het was een gedicht van David Nelson, die toen lid was van de groep ‘Last Poets’ en nu wordt gezien als een van de voorlopers van de rap.
Ze las de tekst op van een vel papier, terwijl ze over het toneel heen en weer liep en het publiek aanvuurde om antwoord te geven: ‘Are you ready, black people? Are you ready to do what is necessary?’ De menigte beantwoordde deze tamelijk vage aanmaning met een zwak gejuich, als reactie op de bongo’s achter haar en de eis in haar stem. En toen: ‘Are you ready to kill, if necessary?’ Nu steeg er een luider gejuich op, maar dat leek toch wat misplaatst bij dit het lachende publiek, met veel kleine kinderen die vrolijk stonden mee te dansen op deze zonnige middag. Het was vijf jaar na de opstand in Harlem van 1964, de grootvader van alle jarenzestigrellen. De vernielingen van 1967 en 1968 waren New York grotendeels bespaard gebleven. ‘Are you ready to smash white things, to burn buildings, are you ready?’ schreeuwde ze. ‘Are you ready to build black things?’
Hoe ze ook haar best deed, Simone slaagde er niet in om op die dag in Harlem in 1969 een opstand te ontketenen. Het publiek ontving het gedicht zoals het haar songs had ontvangen: met luidruchtige waardering, maar voornamelijk als onderdeel van een act. De mensen klapten en gingen verder met hun leven. Daar zijn veel mogelijke redenen voor: gebrek aan een recent geweldsincident van het soort dat meestal rellen veroorzaakte, algemene actiemoeheid, de gedachte aan de ellende van mensen in andere, door rellen verwoeste, steden, misschien zelfs hoop.
De laatste 25 jaar van haar leven waren een aaneenschakeling van ellende
Tegen het eind van de jaren zestig bevonden zowel Simones carrière als haar huwelijk zich in zwaar weer. Poprock paste niet echt bij haar, en de markt voor jazz en folk was ingezakt; alleen het concertpodium bezorgde haar nog inkomen en status. En al was de mislukking van haar huwelijk in bepaalde opzichten een bevrijding, ze miste nu wel de persoon die altijd haar financiën en haar optredens had geregeld, die haar kalmeerde voor ze het podium op ging (onder andere door haar alcohol te verbieden) en haar snel van het podium afhaalde als die kalmte haar in de steek liet. Nu moest ze het zelf zien te redden in een wereld waarin plotseling geen regels meer bestonden en die – even beangstigend – zijn grotere, houvast biedende doel miste. ‘Andy was weg en de beweging had me ook laten zitten,’ schreef ze, ‘zodat ik verloren was, als een schoolmeisje dat zich had laten verleiden.’
Wie nu terugkijkt op de historische protesten en overwinningen van de burgerrechtenbeweging in de jaren zestig, kan gemakkelijk denken dat dit een onvermijdelijk, zij het soms moeizaam proces was. Maar aan het eind van dat decennium leek succes allesbehalve vanzelfsprekend. Toen James Baldwin in 1970 schreef over ‘leven en dood van wat wij de Burgerrechtenbeweging noemen’, was hij ervan overtuigd dat die totaal mislukt was. Wat de zwarte leiders betrof die Simone ‘hadden laten zitten’, zij lagen op het kerkhof (Malcolm X, Medgar Evers, King, Fred Hampton), zaten in de gevangenis (Huey Newton, Bobby Seale) of in Afrika (Stokeley Carmichael), of hadden ‘dekking gezocht’, zoals zij het noemde, in ‘maatschappelijk of wetenschappelijk werk’. Blanke progressieven hadden hun aandacht verlegd naar Vietnam; dit was de strijd die nu elke avond in elke huiskamer op televisie werd uitgevochten. Volgens Simone waren ‘de dagen dat de revolutie echt binnen bereik leek, voor altijd voorbij.’
Europa
In 1974 verliet ze het land. Ze ging met haar twaalfjarige dochter naar Liberia en bleef daar twee jaar, een periode waarin ze nauwelijks optrad. Van Liberia trok ze naar Zwitserland, om haar dochter daar naar school te laten gaan. Uiteindelijk ging ze, alleen, in Frankrijk wonen. Dat ze af en toe weer in de Verenigde Staten optrad, schijnt vooral te zijn ingegeven door terugkerend geldgebrek, al was ze erg vereerd met het eredoctoraat dat ze in 1977 kreeg op Amherst College. Sindsdien stond ze erop om ‘doctor Nina Simone’ genoemd te worden. Ondertussen werden haar concerten steeds somberder. Zoals ze nu zong in Mississippi Goddam: ‘The whole damn world made me lose my rest.’
De rest van haar leven, zo’n 25 jaar, is een aaneenschakeling van steeds groter wordende ellende. Op het dieptepunt werd ze aangetroffen terwijl ze naakt en zwaaiend met een mes door een hotelgang zwierf; ze stak haar huis in Frankrijk in brand en een keer, ook in Frankrijk, schoot ze op een tienerjongen in de achtertuin van haar buren, omdat hij te veel lawaai maakte – en omdat hij op haar klacht daarover reageerde met wat zij opvatte als discriminerende beledigingen. (Ze trof hem in zijn been, maar misschien alleen omdat ze geen beste schutter was.) Toch konden de hoogtepunten in haar leven bijna even groot zijn als de dieptepunten. In 1987, vlak nadat ze in een dwangbuis was afgevoerd naar een inrichting, werd haar meeslepend vrolijke opname uit 1959 van My Baby Just Cares For Me gekozen voor een internationale tv-reclamecampagne van Chanel. De plaat werd opnieuw uitgebracht en werd goud in Frankrijk en platina in Engeland. In 1991 trad ze bijna een week lang elke avond op voor een uitverkocht Olympia in Parijs.

Tijdens haar laatste jaren was ze veel op tournee. In de zomer van 2001 verwerkte ze bij een optreden in Seattle een tirade tegen George W. Bush in Mississippi Goddam en vuurde ze het publiek aan om ‘iets tegen die man te doen’. Ze had toen al borstkanker, maar dat was niet de ergste ziekte die ze in haar leven had doorgemaakt. Ze werd gezien als een relikwie uit het burgerrechtentijdperk en af en toe ging ze het publiek zelfs voor in een weemoedige samenzang van We Shall Overcome, al geloofde ze zelf niet dat haar land ook maar iets te boven was gekomen. Toen ze eenmaal te ziek was om nog op te treden, keerde ze niet meer terug naar wat zij noemde ‘The United Snakes of America’. Ze stierf in Frankrijk, in april 2003; haar as werd uitgestrooid in verscheidene Afrikaanse landen. Onvergetelijk is het beeld van haar, tegen het einde van haar leven, als gebogen oud vrouwtje dat de enthousiaste toejuichingen in ontvangst neemt, met haar vuist geheven in de Black Power-groet.
Vierendertig jaar nadat Simone Young, Gifted and Black uitbracht, gebruikte Jay-Z die titel voor een nummer over het lot van veel van die begaafde jongeren – ‘Hear all the screams from the ghetto the teens ducking metal’ – in het Amerika van de eenentwintigste eeuw. Het verband tussen Simone en rap is niet zo vreemd, aangezien rap nu de manier om uiting te geven aan de zwarte woede. Maar Simone had een hekel aan de rapnummers die ze kende, deels omdat er zoveel woede tegen vrouwen in voorkomt, of, zoals zij het zei, omdat ze ‘mensen laten geloven dat vrouwen tweederangs zijn en omdat ze vrouwen uitschelden voor hoer en dat soort dingen.’ In 1996 rapte Lauryn Hill nog: ‘So while you’re imitatin’ Al Capone/I’ll be Nina Simone/And defecatin’ on your microphone.’ Maar niemand heeft tot nu toe echt het voorbeeld van Simone durven volgen. Vorig jaar was er een relletje omdat Kanye West delen uit Simones opname van Strange Fruit had gebruikt in Blood on the Leaves (waarbij haar stem tot een onherkenbaar schril geluid werd versneld). Zo plaatste West het verhaal van Simone over gelynchte zwarte lichamen op één lijn met zijn eigen zorgen over ‘second string bitches’, cocaïne en de kosten van een baby mama, afgezet tegen die van een nieuwe Mercedes. Sommigen zagen daarin een maatschappelijk statement, maar onwillekeurig moet je toch denken aan de algemene reactie van Simone zelf op rap: ‘Hell, Martin en Malcolm zouden zich in hun graf omdraaien als ze die krankzinnige shit zouden horen.’
Huid en haar
Jaren eerder, in 1979, had Simone tijdens een concert in Philadelphia Four Women besloten met een tirade aan het adres van zwarte vrouwen, over hun verandering van stijl. ‘Vroeger wilden jullie natuurlijk zijn en natuurlijk haar dragen. Nu is jullie haar gestraight, hebben jullie make-up op je wangen en dragen jullie kleren uit Vogue.’ In 2009 maakte komiek Chris Rock een documentaire met de titel Good Hair, omdat, verklaarde hij, zijn dochter naar hem toe was gekomen met de vraag ‘Papa, waarom heb ik geen goed haar?’ Voor een Afro-Amerikaans kind was er niets veranderd sinds het advies van de moeder van Harry Belafonte, meer dan een halve eeuw eerder. (Volgens een tevreden zakenman in Chris Rocks documentaire kopen Afro-Amerikanen
– 12 procent van de bevolking – 80 procent van de haarverzorgingsproducten in de VS.) Cosmeticaproducenten hebben hun assortiment huidtinten steeds verder uitgebreid sinds Iman in 1994 een lijn met donkerdere huidcrèmes introduceerde, al klaagde in 2014 voormalig beauty-directeur van Essence, Aretha Busby, tegenover The Times dat ‘die bedrijven meestal ophouden bij Kerry Washington [een lichtgekleurde actrice]. Ik zou heel graag zien dat merken twee of drie tinten donkerder gingen.’
De kwestie rond huidtint en haardracht en wat die betekenen voor Afro-Amerikaanse vrouwen ontplofte op internet met de aankondiging dat Saldana was gecast voor de titelrol in de film over het leven van Simone. De eerste keer dat het idee voor zo’n film opkwam, vroeg in de jaren negentig, gaf Simone zelf haar goedkeuring aan Whoopi Goldberg als hoofdrolspeelster. In de huidige film zou aanvankelijk Mary J. Blige – de regerende koningin van de hiphop-soul – de titelrol spelen. Maar Blige werd vervangen door Saldana, wier huid zeker twee tinten lichter is dan die van Simone, en dat leidde tot een golf van protesten en oproepen om de film te boycotten vanwege vervalsing – belediging. Waarom niet Viola Davis voor die rol genomen? Of Jennifer Hudson? Setfoto’s waarop Saldana te zien is met een kunstmatig vergrote neus, een afropruik en, onvermijdelijk maar heel ongelukkig, donkere make-up die al te zeer doet denken aan blackface [zwarte schmink voor een blanke komiek] sloegen elke hoop op een rustige discussie de bodem in. Volgens sommige commentaren hadden de filmmakers net zo goed acteur Tyler Perry kunnen nemen, in zijn travestie-act Madea.
Rechtszaak
De dochter van Simone heeft zich ook tegen de film uitgesproken, omdat die draait om een verzonnen liefdesverhaal, en niet zozeer vanwege de rol van Saldana. Toch wijst zij er wel op hoe bepalend haar moeders uiterlijk is geweest voor haar leven. (Lisa vertelde in een interview dat haar moeder haar soms ‘traumatiseerde’ omdat ze zo’n lichte huid had – ‘dan herinnerde ik haar eraan dat zíj mijn vader had uitgekozen, ik niet.’) Het gevecht over de film liep uit op een rechtszaak van regisseuse Cynthia Mort tegen de Britse productiemaatschappij Ealing Studios Enterprises, aan de vooravond van de première in Cannes. Maar inmiddels is haar zaak afgewezen, dus wie weet is Nina binnenkort in de bioscoop te zien. En wie weet zet Saldana wel een mooie rol neer – misschien bewijst ze dat ze niet alleen een sciencefictionvrouw kan spelen die blauw is (zoals in Avatar), of groen (zoals in Guardians of the Galaxy), maar ook een echte vrouw die zwart is. Toch blijkt uit de keus voor juist deze actrice onweerlegbaar het soort vooroordeel waar Simone altijd tegen ageerde. ‘Ik heb nooit op de cover van Ebony of van Jet gestaan,’ zei Simone in 1980 tegen een interviewer. ‘Ze willen blank uitziende vrouwen zoals Diana Ross – licht en stralend.’ Of, zoals Mark Lamont Hill nu in Ebony schrijft: ‘Niets laat duidelijker zien hoe tragisch de situatie voor donkere vrouwen in Hollywood is dan het feit dat ze niet eens de rol van een donkere vrouw kunnen krijgen.’ Ver buiten Hollywood werken deze achterhaalde ideeën over uiterlijk door bij nieuwe generaties, en tasten ze ons allemaal aan.
Michael Jackson
In haar laatste jaren was Michael Jackson Simones favoriete artiest. Ze had altijd cassettes met zijn albums bij zich en vertelde vaak hoe ze hem eens had ontmoet in een vliegtuig, als kleine jongen nog, en toen tegen hem had gezegd: ‘Laat ze je niet veranderen. Je bent zwart en je bent prachtig.’ Ze vond het verschrikkelijk om te zien dat hij haar blijkbaar niet had geloofd: de operaties aan zijn gezicht, het raadselachtige verbleken van zijn huid, het noodlottige feit dat hij wel geloofde wat de cultuur hem vertelde en dat hij blank wilde zijn. Eén keer slechts verscheen Simone samen met hem op een podium, in de zomer van 1998, te midden van een groot aantal artiesten die optraden voor de tachtigste verjaardag van Nelson Mandela in Johannesburg. Ze was toen 65 jaar, en op foto’s van het evenement staat ze tussen Mandela en Jackson in, dik, maar glamourous, met gevlochten, opgestoken haar en een witte strapless blouse die een contrast vormt met de Afrikaanse kostuums van het achtergrondkoor. Maar ze was ook heel zwak. Op één foto houdt Jackson – in zijn vertrouwde glinsterende soldatenjasje, met hoed en zonnebril – haar linkerhand in zijn beide handen, als in een liefdevol gebaar. Maar op een andere foto heeft hij één arm om haar heen geslagen ter ondersteuning, en klampt zij zich aan zijn hand vast om overeind te blijven. Weinig mensen lijken zich bewust van wat er gebeurt. Het podium blijft een werveling van gelach en gezang, een uitbundig Afrikaans feest. En te midden daarvan staan deze twee Amerikanen die elkaars hand vasthouden – de ene hand opvallend donker, de andere opvallend licht – alsof ze proberen elkaar voort te helpen over een moeilijke en eindeloze weg.
Auteur: Claudia Roth Pierpont
Vertaler: Annemie de Vries
The New Yorker
Verenigde Staten, weekblad, oplage 1.043.000
Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

