Karl Ove Knausgård boekte een wereldsucces met een zesdelige autobiografische roman, Min kamp. Daarmee en daarna was het met zijn schrijverschap gedaan. Maar ook zijn bloed kruipt waar hij het niet wilde laten gaan. Knausgård werkt aan een nieuw boek met veel ‘bovenaardse elementen’.
Toen hij nog wel eens in eigen land voor publiek optrad, werd de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård geïnterviewd in het Huis van de Literatuur in Oslo, een statig gebouw tegenover het koninklijk paleis. Het was december 2009, een paar maanden na de publicatie van het eerste deel van zijn zesdelige autobiografische roman Min kamp (in het Nederlands verschenen als Mijn strijd). In dit werk vertelt Knausgård in 3600 pagina’s over een leven vol banaliteiten en vernederingen, over veel plezierige intieme momenten maar ook over zijn donkerste gedachten, van het soort dat de meeste mensen zichzelf niet eens in stilte durven toegeven.
De boeken veroorzaakten vrijwel meteen een sensatie. Er stond een rij tot ver om de hoek van het blok en het gesprek met Knausgård moest, om de massale toestroom te verwerken, via een videoverbinding in belendende zalen worden getoond. Twee uur lang werd Knausgård geïnterviewd door een andere schrijver, Tore Renberg, een vriend met wie hij in de jaren negentig nog studentenradio had gemaakt. Het tweetal sprak over Min kamp en de totstandkoming ervan.
Na afloop had niemand veel zin om naar huis te gaan. Een grote groep mensen dromde samen in het restaurant van het gebouw, een koude, helverlichte ruimte, waar de bezoekers nog twee, of soms wel zes biertjes bleven drinken. Zij vertelden hoezeer ze zich met Knausgård konden vereenzelvigen en begonnen zelf ook persoonlijke herinneringen op te halen. Cathrine Sandnes, de 42-jarige hoofdredacteur van het gerenommeerde Oslose tijdschrift Samtiden, dacht bij zichzelf: Wat gebeurt hier?
Later waren de reacties elders op de wereld precies dezelfde als op die avond in Oslo. Wanneer je met bewonderaars van Knausgård praat, komt één thema steeds weer naar voren: Knausgård schrijft weliswaar over zichzelf, maar het gaat evenzeer over jou. Bij het lezen van het boek, zeggen ze, is het alsof je het dagboek van iemand anders opslaat en er je eigen geheimen in terugvindt. In Noorwegen, waar één deel van de gebonden uitgave ruim veertig euro kost, hebben bijna een half miljoen mensen er ten minste één van gekocht, oftewel één op de negen volwassen Noren.
Hij is door de geluidsbarrière van de autobiografische roman gegaan
Nietsontziend zelfportret
Volgens Sandnes betekent Knausgård voor veel Noren net zoiets als Nirvana ooit betekende in hun tienertijd. ‘Je weet wel, zoiets waar je mee opstaat en waar je mee gaat slapen.’ Er zijn in maar liefst 22 talen vertalingen van het werk verschenen of aangekondigd. In 2012, toen Knausgård pas 43 jaar was, kon er bij de goksite Ladbrokes al worden gewed op zijn kansen op de Nobelprijs. De Noorse auteur telt in de Verenigde Staten, waar het derde deel deze maand verschijnt, Jeffrey Eugenides, Zadie Smith en Jonathan Lethem onder zijn bewonderaars. ‘Knausgård heeft iets gedaan wat nog niet eerder gedaan was’, zegt Eugenides, ‘hij is door de geluidsbarrière van de autobiografische roman gegaan.’
Voor de schrijver zelf is zijn compromisloze aanpak niet zonder consequenties. Alhoewel het werk het etiket ‘fictie’ kreeg, is het eerder een nietsontziend zelfportret, met Knausgård in de hoofdrol en zijn familie en dierbaren in de bijrollen. Bijna allemaal worden ze met naam en toenaam genoemd, en de enorme populariteit van het werk heeft ook hun leven niet onberoerd gelaten. Sommigen uit zijn omgeving hebben de auteur hier publiekelijk bittere verwijten over gemaakt, bijvoorbeeld dat hij hun privacy zou hebben geschonden en hun reputatie beschadigd.
Momenteel woont Knausgård met zijn gezin aan een achterafweggetje in een klein dorp in het uiterste zuiden van Zweden, waar hij in 2011 naartoe verhuisde. De wind blaast er hard over de omringende akkers. Opvliegende ganzen doorbreken de ochtendstilte. ‘Hier kan literatuur niemand iets schelen’, zegt hij, als ik hem in februari opzoek. Het bevalt hem prima. Hij probeert nu vooral zijn vrouw en vier kinderen te beschermen tegen de onophoudelijke storm van aandacht.
Zichzelf afschermen lukt al niet meer. Ondanks het reusachtige succes van Min kamp spreekt hij eerder met spijt dan met trots over de enorme uitwerking van het boek. Ik praat met hem in zijn rustieke studeervertrek achter op het erf van zijn huis. Hij slaat zijn ogen neer en zegt: ‘Elke keer als ik erover praat, word ik verdrietig.’
Zijn beste vriend, de schrijver Geir Angell Øygarden, zegt: ‘Karl Ove kan niet omgaan met het idee dat hij iets verkeerd heeft gedaan – of liever gezegd, dat iemand vindt dat hij iets verkeerd heeft gedaan. Absoluut niet. Dat trekt hij niet.’
De Scandinavische kranten stellen op hun voorpagina’s het boek overigens schunniger voor dan het is. Knausgård gaat zelfs bewust het risico niet uit de weg om de lezer te vervelen met zijn extreme realisme. Hij richt zijn blik op bezigheden en gedachten waar we normaal gesproken nauwelijks bij stilstaan. Een boodschap doen, jezelf googelen, op een bankje in het park zitten met een sigaret en een kop thee. Nu en dan maakt het alledaagse echter plaats voor diepgaandere beschouwingen – speculaties, zoals zijn redacteur Geir Gulliksen ze noemt – die het gebeurde in een breder perspectief plaatsen. ‘Zoals ’t het hart niet uitmaakt voor welk mensenleven het klopt, maakt het de stad helemaal niets uit wie er precies wát uitvoert. Wanneer alle passanten van nu dood zijn … zal hun komen en gaan nog net zo klinken en er nog net zo uitzien. Alleen hun gezichten zullen veranderd zijn.’ Dertig pagina’s later zit hij nog steeds op het bankje, met dezelfde sigaret.
De dramatische gebeurtenissen in Knausgårds relaas zijn als plotselinge golven op een verder kalme zee, net zoals in de meeste mensenlevens. Uiteindelijk krijg je, zegt Sandnes, ‘sterk het gevoel dat je er zelf bij was’. Ik spreek haar op het elegante redactieadres van haar tijdschrift. ‘Begrijp je? Alsof je met hem versmelt’, verduidelijkt ze en drukt ter illustratie haar handpalmen vóór haar gezicht tegen elkaar.

Deze levensechte nabijheid maakt Min kamp tegelijk ook zo controversieel. Knausgård werd op een schrijversconferentie verliefd op zijn huidige vrouw, de Zweedse schrijfster Linda Boström Knausgård, terwijl hij nog getrouwd was met de journaliste Tonje Aursland. Linda wees zijn avances toen nog af. De auteur beschrijft in het tweede deel haar kleding op de dag van hun ontmoeting, hoe ze gedachteloos met een grassprietje speelde en hoe hij, nadat ze hem had afgewezen, in een dronken bui zijn gezicht openhaalde. Aursland hoorde dat allemaal pas voor het eerst toen ze, tegelijk met de rest van Noorwegen, de bewuste passage onder ogen kreeg. Ze voelde zich enorm gekwetst, zou ze later in een emotioneel beladen radiodocumentaire – met als titel Tonjes versie – vertellen. Ook Knausgård zat in de uitzending (hoe kon hij ook weigeren) en Aursland confronteerde hem ermee. Hij bracht het er niet best van af.
Wie schrijft er nou zoiets over zijn eigen vrouw?
Voor Knausgårds familie was het pijnlijkste gedeelte een cruciale episode rond de dood van zijn vader. In het eerste deel reist Knausgård na het bericht van zijn vaders overlijden met zijn broer naar het mooie huis niet ver van de oceaan bij Kristiansand, waar de vader en hun geliefde grootmoeder samenwoonden. Het is een populaire vakantiebestemming in Noorwegen, aan de voet van een rotsachtig heuvellandschap. Bij aankomst treffen ze een onbeschrijflijke ravage aan, overal liggen lege flessen en rotzooi, de meubels en rondslingerende kleren zijn bedekt met uitwerpselen. De grootmoeder is incontinent, onmiskenbaar seniel en hunkert naar drank. Na dagen van huilen en opruimen zitten de twee broers in de keuken en drinken met haar een glas wodka. Daar leeft ze van op en ze begint honderduit te vertellen. Er wordt gelachen en gedronken. Een paar dagen eerder nog was de vader in de kamer ernaast aan de gevolgen van alcoholisme overleden.
Knausgårds vader was een alom gerespecteerd leraar en een lokaal politicus. Met veel moeite had de familie de schijn van keurigheid weten op te houden. De oom van de schrijver gaf in 2011 in een verklaring lucht aan zijn verontwaardiging over hoe zijn neef uit de school was geklapt. ‘Stel je voor dat het jouw familie was geweest, hoe denk je dat jij zou hebben gereageerd?’ In een andere brief, van veertien familieleden van de auteur aan de Oslose krant Klassekampen, werd Min kamp ‘judasliteratuur’ genoemd.
Redacteur Gulliksen spreekt al jaren niet meer met journalisten over Knausgård, uit frustratie omdat ze diens werk als een kwaadwillende daad bestempelen. ‘Soms schrijven auteurs inderdaad om wraak te nemen op de wereld of op hun familie’, zegt hij me, ‘maar bij Knausgård speelt dat geen rol.’ Volgens Gulliksen is het ‘niet het soort werk waarin de auteur zichzelf voordelig neerzet. Integendeel. Vooral hijzelf moet het ontgelden.’ Wat Knausgårds critici wreedheid noemen, ziet de redacteur eerder als een vorm van masochisme. In beide oordelen schuilt een kern van waarheid. In de roman stelt Knausgård werkelijk iedereen bloot aan het oordeel van de lezer, het is simpelweg het relaas van een leven, zonder ook maar een zweem van zelfrechtvaardiging.
Wanneer Knausgård eindelijk met Linda samen is, wordt zijn blinde vervoering – hij valt flauw tijdens de eerste kus – geheel niet getemperd door scrupules. Hij laat ons vooral zijn gekwelde passie meebeleven. Later maken we mee hoe hij getrouwd is en de twee elkaar alweer in de haren zitten. ‘Ik had haar het liefst verlaten’, schrijft hij, ‘want ze zat aldoor te zeuren, nooit was ze tevreden, ze zeurde maar en zeurde maar.’ Het is genadeloos een dergelijke opmerking over je vrouw te maken, maar Knausgård zelf komt er nog het slechtst van af. Wie schrijft er nou zoiets over zijn eigen vrouw?
‘Ik had nooit verwacht dat Karl Ove een boek als Min kamp zou schrijven’, zegt Hilde Engenes. ‘Ik was geschokt.’ We zitten in een klaslokaal van de middelbare school in Kristiansand waar zij en Knausgård vroeger samen naartoe gingen en waar ze goede vrienden werden. Later stuurden ze elkaar brieven die ze nog af en toe met genoegen herleest. Knausgård woonde toentertijd nog niet zo lang in de stad, zijn vroege jaren bracht hij door op een eiland niet ver daarvandaan. Samen met Engenes was hij een tijdlang hoofdredacteur van een satirisch krantje. Na hun eindexamen werkten ze samen in een psychiatrische kliniek, waar ze patiënten verzorgden en mee uit wandelen namen. In haar ogen, benadrukt ze, heeft hij niets verkeerds gedaan, alleen iets heel ongewoons. ‘Hij was juist altijd erg bang om mensen te kwetsen.’

Eigen gezin
In zijn kinderjaren moest Knausgård voortdurend op zijn hoede zijn om zijn vaders woede niet over zich af te roepen. In die tijd was Knausgård vrijwel altijd bang, of in tranen, een neiging waar zijn vader hem hardvochtig om bespotte. Bij zijn oudere broer ging het heel anders. Knausgårds haat voor zijn vader werd echter nooit zo sterk dat hij ophield om op diens goedkeuring te hopen, al kwam die nooit. Hij strafte eerder zichzelf voor elke misstap die hij maakte. Als tiener maakte de schrijver een imposante groeispurt door en werd bijna twee meter lang, maar zijn ‘spirituele groei’, zoals hij het noemt, bleef daarbij achter. ‘Ik heb de neiging om mijn hoofd te buigen, zodat ik korter lijk’, vertelt hij me, ‘misschien uit een onbewust verlangen mezelf klein te maken.’
Knausgård studeerde aan de universiteit van Bergen, Zuid-Zweden, had daarna allerlei baantjes, waaronder eentje als betongieter op een olieplatform, terwijl hij probeerde om schrijver te worden. Hij geloofde in zijn eigen talent, maar verging van afgunst voor vrienden die al iets hadden gepubliceerd. ‘Ik zag groen van jaloezie vanbinnen, wanneer ik met ze praatte.’ In plaats van harder te werken, leefde Knausgård naar het romantische beeld van de ongeremde kunstenaar, denkend dat hij rebelleerde tegen zijn burgerlijke afkomst. Hij dronk vaak te veel en ging dan zwaar over de schreef, waarna hij verteerd werd door spijt. Nadat hij op een feestje met een andere vrouw naar bed was gegaan, ging het met zijn huwelijk met Aursland (die ook hem ontrouw was) bergafwaarts. Toen het stel uit elkaar ging, bood Geir hem een slaapplaats aan in Stockholm. Daar nam hij weer contact op met Linda. Dit keer was de liefde wel wederzijds.
Onder aansporing van Gulliksen zette Knausgård zich toen eindelijk aan het schrijven van een roman. Met het boek, Ute av verden, werd hij op zijn dertigste de eerste debutant die de Prijs van de Noorse Kritiek won. Zijn tweede boek, uit 2004, En tid for alt [in de Nederlandse vertaling Engelen vallen langzaam] bracht hem nog meer prijzen en werd veel vertaald. Maar wat hij ook bereikte, herinnert Geir zich, ‘Karl Ove bleef ontevreden’. Knausgård zegde interviews toe en las voor uit eigen werk, omdat anderen dat nu eenmaal van hem verlangden, maar hij voelde zich meer en meer een charlatan. ‘Hoe kan je daar nou rustig zitten en applaus in ontvangst nemen, terwijl je weet dat wat je geschreven hebt niet deugt?’ zou hij later schrijven. Hij trouwde met Linda en ze kregen kort achtereen drie kinderen. Dat bracht weer nieuwe verwikkelingen met zich mee. De sleur van luiers, kinderwagens en ritjes naar Ikea zette het huwelijk onder druk. Het stel ruziede aan één stuk door en Knausgård hunkerde naar afzondering en naar meer tijd om te schrijven. ‘Eigenlijk wilde ik gewoon weg’, zegt hij, ‘maar dat kon niet.’ Hij schaamde zich voor zijn egoïstische verlangen naar ontsnapping, maar voelde tegelijkertijd paniek omdat hij zijn ambitie om een boek van blijvende waarde te schrijven niet kon verwezenlijken. Later schreef hij over deze periode: ‘De tijd ontglipt me, loopt als los zand door mijn vingers, terwijl ik… wat eigenlijk? Vloeren boen, kleren was, de afwas doe, boodschappen haal en met de kinderen speel. Het is een gevecht, en al is er niets heroïsch aan, toch sta ik tegenover een macht die sterker is dan ik.’
Onderwijl werkte Knausgård aan een roman waarin hij zijn relatie met zijn vader onderzocht, maar wist de juiste toon niet te treffen. Hij voelde dat hij iets niet aandurfde, en dat knaagde aan hem. Hij geloofde er niet in. Misschien geloofde hij wel helemaal niet in fictie. ‘Hij was wanhopig en verscheurd’, zegt Geir over die periode.
Begin 2008 gooide Knausgård het over een andere boeg. Hij besloot om het zorgvuldig gecomponeerde proza overboord te zetten en rechttoe rechtaan over zijn leven te gaan schrijven. Niet dat het iemand zou interesseren, dacht hij – en zijn Britse uitgever interesseerde het aanvankelijk inderdaad niet – maar het was een manier om de impasse te doorbreken. Eraan terugdenkend zegt hij: ‘Ik wilde de dingen gewoon zeggen zoals ze zijn.’
Minstens één keer per dag belde Knausgård met zijn vriend Geir om het geschrevene voor te lezen. Telkens dacht hij in stilte dat het vast vreselijk zou zijn. Hij voelde zich ‘enorm in de hoek gedrukt’, zegt Geir, en had er behoefte aan dat iemand die hij vertrouwde zou zeggen: ‘Dit is goed, ga door.’
Deze eerste aanzetten van wat Min kamp zou worden, schreef Knausgård vanuit een verregaande naïviteit, waarbij hij bewust negeerde wat de mensen uit zijn directe omgeving ervan zouden vinden. ‘Ik dacht niet na over de gevolgen.’ Hij stond er geen moment bij stil dat hetgeen hij schreef ooit in heel Scandinavië het gesprek van de dag zou kunnen worden. Pas toen hij de passage over zijn grootmoeder schreef, waarin hij haar jurk met vetvlekken beschreef en haar verstoorde denkwereld, begon hij de risico’s in te zien: ‘Kan ik dit zomaar opschrijven? Toen wist ik wel waar ik mee bezig was, ja.’

Ik had behoefte aan een cynicus
De dagelijkse telefoongesprekken met zijn vriend hielpen hem om door te zetten. In totaal luisterde Geir naar wel vijfduizend pagina’s. Hij heeft een vrolijker en meer ontspannen karakter dan Knausgård. De schrijver vertrouwt me toe dat het hem zonder Geir nooit gelukt zou zijn.
Ik antwoord: ‘Hij lijkt mij iemand die niet snel van zijn à propos te brengen is.’
‘Absoluut!’
‘En niet bang voor wat men ervan zou kunnen gaan denken.’
‘Nee. Een cynicus. Je kunt hem het beste beschrijven als een cynicus. Ik had behoefte aan een cynicus.’
Geir kwam met het idee voor de titel op de proppen. Hij vond die perfect bij het boek passen. Niemand anders met wie ik gesproken heb was dat met hem eens. Misschien hebben Engelstalige lezers niet onmiddellijk door dat Min kamp hetzelfde betekent als Mein Kamp, maar in het Noors is dat meteen duidelijk. Het zesde deel bevat een essay van 400 pagina’s over Mein Kampf en de jonge jaren van Hitler, maar voor sommige critici was dat niet afdoende. Toen Sandnes de titel van het boek zag, belde ze Gulliksen en zei: ‘Ben je gek geworden?’ Gulliksen verbood Knausgård in eerste instantie om de titel te gebruiken, maar draaide later bij. ‘Het gevoel dat dit belachelijk was, dat het te ver ging’, zegt hij, ‘hoorde bij het project.’
Voordat het eerste deel gepubliceerd werd, stuurde Knausgård het manuscript naar een tiental mensen die er een prominente rol in speelden. Hij bood ze aan om hun namen te veranderen, mochten ze dat wensen. Zijn oudere broer, Yngve, antwoordde met een e-mail waarvan de onderwerpsregel luidde: ‘Jouw kutstrijd’. Daar schrok Karl Ove even van, maar het bericht ging door met de regel: ‘Ik wilde je even bang maken’. Ook Knausgårds moeder gaf haar toestemming. Maar familieleden aan vaderskant daarentegen dreigden met een proces en probeerden publicatie te voorkomen. Later verklaarden ze: ‘Het is een boek vol insinuaties, onwaarheden, onjuiste karaktertekeningen en onthullingen.’ Knausgård stond voor een dilemma en beleefde een crisis. ‘Ik zag natuurlijk wel in dat dit zou gaan ontploffen en hoe gevaarlijk het was. En ik was erg bang’, zegt hij. De schrijver verbeterde een paar evidente fouten, veranderde hier en daar een naam en schrapte één persoon, op diens verzoek, geheel uit de tekst. Maar het leek er toch echt op dat het boek gepubliceerd ging worden, en niet alle eisen willigde hij in. De episode waarin hij zijn seniele alcoholische grootmoeder aantrof in het vuil, bleef erin.
Knausgård had pas twee delen van Min kamp voltooid toen het eerste deel uitkwam. Het plan was om ze alle zes binnen één jaar te publiceren. ‘Het was gekkenwerk’, herinnert Gulliksen zich. Maar Knausgård wilde graag ‘doorschrijven met een deadline op zijn hielen’, en Gulliksen zag in dat hem dat zou helpen. Hij was immers een auteur die ‘bijna altijd last had van een soort writer’s block’.
Maar ze hadden er geen rekening mee gehouden dat Knausgård zijn werk zou moeten voortzetten terwijl er een storm over hem heen raasde. Journalisten probeerden iedereen te spreken te krijgen die ooit door zijn leven was gegaan. Het bleek niet moeilijk te zijn om zijn familie te vinden: in heel Noorwegen bestaat maar één familie Knausgård. Maar journalisten wisten bijvoorbeeld ook zijn schoonmoeders ex-man op te sporen, een zeventiger die geheel alleen in een bos woonde. Knausgård zonderde zich af en vermeed verder kranten, radio en televisie.
Hij verbood zijn vrienden om hem ook maar iets te vertellen over wat er in de media over het boek verscheen, zelfs over de juichende kritieken. Hij stond om half vier, vier uur op en werkte tot zeven uur, bracht dan, wanneer het zijn beurt was, de kinderen naar school en schreef vervolgens door tot hij ze om vier uur weer op moest halen. In die tijdsspanne kon hij twintig pagina’s schrijven. Het kwam zelfs voor dat hij, meegesleept door de emotie, 24 uur achter elkaar opbleef en vijftig pagina’s aan één stuk schreef over zijn prille relatie met Linda. Het vijfde deel, van 550 pagina’s, schreef hij in acht weken. Voor hem werkte die snelheid bevrijdend: hij hoefde niet langer stil te staan bij wat hij deed.
Maatschappelijke dwang
Er bestaat een lange traditie van boeken waarmee een auteur zijn familie en vrienden van zich vervreemdt. In het nauw gedreven verzint zo’n schrijver daar dan een goed verhaal bij en verschuilt zich achter zijn artistieke vrijheid. In Humboldt’s Gift gebruikte Saul Bellow de nogal beschamende anekdote van een oude vriend die hem op het hart drukte zoiets nooit te doen. Bellow antwoordde de man: ‘Ik dacht dat het je raken zou als ik de behoefte voelde om een hand op je schouder te leggen en aan je te denken terwijl ik naar de maan reisde.’ Thomas Wolfe kreeg ooit, nadat hij met zijn roman Look Homeward, Angel een schandaal had ontketend in zijn geboorteplaats Asheville, een brief van een oude leraar, waarin deze schreef: ‘Je hebt je familie gekruisigd en de mijne kapot gemaakt.’ Bijna alle personages waren gemakkelijk te herkennen, maar Wolfe verschuilde zich, in tegenstelling tot Knausgård, achter het feit dat hij hun namen had veranderd. Iedereen die er aanstoot aan nam, noemde hij ‘zo bekrompen dat hij zelfs naar bekrompenheid ruikt’.
Knausgård reageert heel anders. In zijn studeervertrek gaat hij tegenover me in een versleten leunstoel zitten. De kamer heeft iets van een rokerige studentensoos – met propvolle boekenkasten, versleten meubels, een drumstel en een gitaar. Knausgård werd groot met de Talking Heads, Echo & the Bunnymen, R.E.M. Linda heeft twee weken geleden hun vierde kind ter wereld gebracht, en de afgelopen nacht was hij aan de beurt om op te staan als de baby huilde. Hij ziet er moe uit.
Knausgård gelooft dat een schrijver, wanneer hij tenminste literatuur van blijvende waarde wil scheppen, zich moet bevrijden van maatschappelijke dwang, van het idee dat hij rekening moet houden met anderen en daarom niet eerlijk mag zijn. Maar hoe belangrijk hij dat principe zelf ook vindt, toch pleit het hem in zijn verhouding tot deze anderen niet vrij. ‘Ik… ben… hier schuldig aan’, zegt hij aarzelend. ‘En ik heb geen goed excuus. Ik heb wel principiële redenen, maar in deze individuele gevallen doen die er niet toe.’
‘Ik zou nu niet meer de kracht of ook maar de mogelijkheid hebben om nog eens zoiets op papier te zetten’, zegt hij over Min Kamp. ‘Maar toen kon ik het wel, omdat ik er vreselijk aan toe was. Ik was wanhopig en het kon me allemaal niks schelen. Maar nu wel, snap je?’
Naderhand schuld bekennen, vervolgt Knausgård, is niet meer dan een laffe daad, want ‘het blijft een feit dat ik het gedaan heb’. Het is net zoiets als iemand doodmaken en dan sorry zeggen. Met steeds luider wordende stem maakt hij me duidelijk dat hij, toen zijn verwanten publicatie wilden voorkomen, nog terugkon. ‘Ik heb toen een keuze gemaakt, ervoor gekozen om te publiceren, wat er ook gebeurde.’ Knausgård tipt zijn as af in een koffiekopje. Zijn handpalmen richting plafond kerend zegt hij nadenkend: ‘Het probleem is dat ik eigenlijk heel graag een goed mens wil zijn. Dat wil ik het liefst van alles. Maar met deze boeken heb ik dat niet gedaan. Ze zijn in zekere zin immoreel.’
Knausgårds pogingen om de controverse, veroorzaakt door de eerste twee delen, tot bedaren te brengen, waren maar gedeeltelijk succesvol. Volgens de schrijver hebben het derde, vierde en vijfde deel daaronder geleden. Door het besef hoe hard zijn woorden bij de door hem geportretteerden aan zouden komen, durfde hij niet goed meer, of werd milder. Welk van de twee was het? Beide, waarschijnlijk.
Om ‘het project te redden’, vervolgt Knausgård, hernam hij in het laatste deel de genadeloze oprechtheid van de eerste twee delen. Hij vernietigde een vierhonderd pagina’s lange, vroege versie (‘Het was een soort pantomime’) en begon opnieuw. Deel zes liep een jaar vertraging op en is grotendeels gewijd aan de gevolgen van de publicatie van de eerdere delen.

Een van die gevolgen, zo vermoedt hij, was wat er in die tijd met Linda gebeurde. Ze had al in een radio-uitzending die ze jaren eerder maakte, aangegeven manisch-depressief te zijn. Tijdens het tumult over Min kamp maakte ze een crisis door, waar de schrijver in dit laatste deel uitgebreid bij stilstaat. Hoewel Linda soms diep gekwetst was door haar mans werk, had ze slechts om één kleine aanpassing gevraagd; een correctie van iets wat hij verkeerd had onthouden. In haar schaarse publieke uitlatingen had ze ferm aan zijn kant gestaan. ‘Een van de pijnlijkste dingen die ik in mijn leven heb gedaan’, vertelt Knausgård me, ‘was haar op deze meest kwetsbare momenten portretteren. Ik heb mijn gezin weggegeven, en iedereen kan ons zien.’ Min kamp eindigt met de verklaring: ‘Ik zal blij zijn, erg blij, geen schrijver meer te hoeven zijn.’
Tijdens mijn bezoek nodigt Knausgård me uit om de maaltijd met hem en zijn gezin te delen. Hij kookt zelf: boeuf bourguignon met aardappels. Ik vind, ondanks zijn misschien geringe spirituele lengte, nu ik hem hier zo rond zie lopen de blankhouten deurposten van de negentiende-eeuwse boerderij wel gevaarlijk laag voor hem.
Binnen bij de voordeur ligt een zee van kinderschoenen. Aan de eettafel zitten zijn drie oudste kinderen, elk in Min kamp nauwkeurig als apart personage geschilderd: Vanja, Heidi en John. Linda houdt haar baby, een meisje, in de armen. Vooralsnog heeft zij nog niets van alle opschudding gemerkt, maar op een dag zal ook zij over haar ouders, zussen en broer kunnen lezen. Knausgård maakt zich hier voor zijn kinderen zorgen over, maar is van plan om ze gedeelten te gaan voorlezen, om deze voor hen ongetwijfeld erg ingrijpende ervaring te vergemakkelijken. Tijdens het gesprek komt Ingmar Bergman ter sprake. Ik zeg dat ik me uit deel twee herinner hoe Knausgård en Linda tijdens een van hun eerste uitjes samen naar een voorstelling van Ibsens Spoken gingen. Het is een romantische scène, maar ik merk dat ik iets verkeerds gezegd heb. Mijn opmerking laat hen voelen dat hun persoonlijke herinneringen publiek bezit zijn geworden. Al snel trekken de kinderen gelukkig lachend de aandacht weer naar zich toe. Knausgård en zijn vrouw kijken naar hen zoals alle ouders dat plegen te doen.
Knausgård beschrijft zichzelf in zijn boeken als iemand die heen en weer wordt geslingerd tussen een banale alledaagse huiselijkheid en een enorm, bijna puberaal, verlangen om grote kunst te scheppen. Het personage Knausgård heeft de trekken van een herkenbaar type: de creatieveling die zijn gezin als een verplichting ziet, die hij het liefst zo veel mogelijk van zich afschuift om maar weer zo snel mogelijk achter zijn bureau te kunnen duiken. Waar het echt om draait in het leven, is immers werk. Maar de boeken zelf getuigen van een heel ander inzicht: waar het in het leven werkelijk om draait, is uiteindelijk het leven zelf. Het echte onderwerp van zijn boeken zijn de kindertijd, het huwelijk, het ouderschap, de opvouwbare kinderwagen die hem in de weg staat, de tijd die hij dacht te verspillen. Wat er in Min kamp het meeste toe doet, gebeurt juist niet achter het bureau. Het gebeurt hier, in het grote huis, bij zijn vrouw en kinderen.
Knausgård is jong voor iemand die een 3600 pagina’s lange levensbeschrijving heeft geproduceerd. In december wordt hij 45. ‘Hij is een van de weinige mensen die ik ken die alles in het leven bereikt hebben wat ze wilden.’ Toch is hij niet tevreden, voegt Geir eraan toe. ‘Wat is dat toch met die man, zo veel kracht, zo veel talent, en toch zo verschrikkelijk lijden?’ En wat staat iemand nog te doen, vraagt Geir, ‘wanneer al zijn wensen in vervulling zijn gegaan?’
Voordat ik vertrek, vertelt Knausgård me iets onverwachts. ‘Ik zou er eigenlijk niet over moeten beginnen’, zegt hij hoofdschuddend en met een besmuikte glimlach. In interviews benadrukt Knausgård steevast dat hij echt meent wat hij in de laatste regel van zijn grote werk schreef, dat hij genoeg heeft van het schrijven van romans. Maar nu vertelt hij me dat hij toch aan een nieuw boek werkt. Te midden van alle ophef over Min kamp kan hij zo tenminste even gaan zitten en heel ergens anders naartoe gaan, iets heel anders doen. Dat helpt hem om het vol te houden. Het nieuwe boek is beïnvloed door Borges en Calvino en zal fantastische, bovenaardse elementen bevatten.
Over zijn leven zal het in ieder geval niet gaan.
Auteur: Evan Hughes (met aanvullende verslaggeving van Morten Gilje)
Vertaler: Valentijn van Dijk
Evan Hughes is journalist en auteur en woont in Brooklyn, New York. Hij schrijft voor de grote Amerikaanse bladen, onder andere over schrijvers en het stadsleven.
Bij uitgeverij De Geus verscheen van Knausgård En tid for alt (2004), vertaald als Engelen vallen langzaam.
Van Min kamp (2009-2011), vertaald in het Nederlands als Mijn strijd, verschenen tot dusver vier van de zes delen: Vader, Liefde, Zoon en Nacht.
The New Republic
VS, tweemaandelijks, 65.000
Links-liberaal tijdschrift voor politiek en cultuur, met een grote focus op de VS zelf. Becommentarieert al vanaf de oprichting in 1914 de grote sociale en economische verschuivingen in de Amerikaanse samenleving en pleit voor een liberalisme met meer betrokkenheid van de overheid.

