sektarisme is een politiek instrument


Yassin al-Haj Saleh wordt vaak het geweten van de Syrische revolutie genoemd. Hij zat jarenlang gevangen en verblijft nu in Turkije. Hij laakt de mening in het Westen dat alle partijen in de Syrische oorlog één pot nat zijn, en dat de uitkomst ofwel een voortzetting zal zijn van de huidige dictatuur ofwel een vestiging van een jihadistisch regime.

Yassin al-Haj Saleh werd in 1961 in Raqqa geboren. In 1980, toen hij geneeskunde studeerde in Aleppo, werd hij gearresteerd en gevangengezet vanwege zijn lidmaatschap van een linkse organisatie. Hij bleef tot 1996 politiek gevangene en bracht de laatste paar jaar van die zestien jaar door achter de tralies van de beruchte gevangenis van Tadmur, in de woestijn.

Saleh is in de Syrische opstand, die drie jaar geleden begon, bekend geworden als een van de toonaangevende schrijvers en intellectuelen. Hij ontving in 2012 de door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken financieel ondersteunde Prins Claus Prijs, maar kon die prijs niet in ontvangst nemen omdat hij in Damascus was ondergedoken. Nu woont Saleh in ballingschap in Turkije en schrijft hij voor diverse internationale Arabischtalige publicaties. Samen met een groep Syriërs en Turken heeft hij onlangs in Istanboel een Syrisch Cultureel Huis opgericht, dat de naam Hamish (‘marge’ of ‘marginale groep’) draagt. Saleh heeft in het Arabisch een aantal boeken geschreven, waarvan Deliverance or Destruction? Syria at a Crossroads (2014) het meest recente is.

Yassin al-Haj Saleh
Yassin al-Haj Saleh

Voor veel mensen in het Westen is de situatie in Syrië verwarrend. Zo zei president Obama bijvoorbeeld in augustus 2013 dat ‘het onderliggende conflict in Syrië’ lag aan ‘eeuwenoude sektarische geschillen’. Er wordt vaak gezegd – zowel in officiële buitenlands beleidskringen als onder socialisten en pacifistische activisten – dat er in het Syrische conflict geen ‘goede kant’ is, dat alle kanten even slecht zijn en dat het daarom onmogelijk is partij te kiezen. Wat vindt u van deze houding?

Eigenlijk vind ik het nogal verwarrend dat veel mensen in het Westen de situatie in Syrië verwarrend vinden. Is het een kwestie van kennis en informatie? Ik ben geneigd te denken dat het een kwestie van politiek is. Verwarring zou een functie kunnen zijn van een zekere houding ten aanzien van onze strijd: inactiviteit, mijns inziens de ergste soort activiteit, niet alleen vanuit ons gezichtspunt als Syriërs, maar ook vanuit een regionaal en internationaal oogpunt, om maar niet te spreken van menselijkheid en menselijke solidariteit met de onderdrukten.

Sektarische geschillen? Wat een scherpzinnige analyse! Als een gewapende organisatie haar zogenaamd nationale leger, media en middelen gebruikt om haar eigen mensen te doden als ze zich verzetten tegen de tirannieke overheersing – dan is dat toch amper een sektarisch conflict te noemen. We hebben het hier niet zomaar over een organisatie – we hebben het over het wrede staatsapparaat van het regime van Assad. Daarom is het belachelijk om de Syrische strijd te verklaren in termen van sektarische conflicten. Voor zover ik weet zijn staten geen partijen, toch?

Ik wil helemaal niet suggereren dat er geen sektarische spanningen en conflicten zijn in de Syrische maatschappij. Er is door veel schrijvers, onder wie door mij, over sektarisme in Syrië geschreven. Mijn voornaamste conclusie is dat partijen door de politiek voortgebrachte entiteiten zijn en sektarisme een politiek instrument is om mensen in bedwang te houden, een strategie voor politieke overheersing. Het is zeker geen kwestie van sociale ‘geschillen’, maar veeleer een methode om sociale privileges te waarborgen en een strijd tegen tirannie en manipulatie om te vormen tot sektarisch getwist, een fitna. Het woord ‘fitna’ heeft religieuze sporen en het is dan ook opvallend dat de ‘seculiere’ Assad het woord zestien keer heeft gebruikt in zijn eerste toespraak na het begin van de revolutie, op 30 maart 2011.

Zelfs nu, na meer dan duizend dagen strijd in Syrië, is het nog steeds een enorme politieke en ethische fout om te zeggen dat er alleen maar slechteriken zijn. Het regime is in essentie crimineel en biedt geen enkele oplossing voor de vele problemen in Syrië. Volgens mij zijn de mensen die zeggen dat alle kanten in Syrië even fout zijn, dezelfden die geloven in dat verachtelijke motto van de realpolitik: beter een duivel die je kent dan eentje die je niet kent. Waarmee wordt bedoeld dat de duivel die je kent eigenlijk geen duivel is. Alleen de duivel die je niet kent is de slechterik. Dat is slechte politiek bedrijven, gespeend van enige kennis en menselijke waarden.

Evacuatie uit Homs - © Thaer Al Khalidiya/Reuters
Evacuatie uit Homs – © Thaer Al Khalidiya/Reuters

De Sloveense linkse filosoof Slavoj Žižek schreef een artikel voor The Guardian, waarin hij Syrië kenschetste als een ‘pseudostrijd’ zonder een radicale emancipatoire stem. Wat vindt u van die kritiek?

Ten eerste gaat hij voorbij aan het feit dat het islamitische geloof een bevrijdend instrument kan zijn. Dat is een tegenstrijdig fenomeen, dat geef ik toe, maar het is er een. Religie en religiositeit kunnen een emancipatoire mobilisatie voeden. Ten tweede zegt hij niets over de oorzaak van de situatie in dit land – en dan met name extreme politieke armoede (geen recht op samenkomen, zelfs niet in de privéomgeving, geen vrijheid van meningsuiting of persvrijheid). Ten derde, het belangrijkste, doet de opstelling van Žižek en andere gelijkgestemden de seculiere Syriërs die tegen het regime strijden geen goed. Sterker nog, wij worden door deze houding verzwakt, en het versterkt zowel het regime als de islamieten.

Wat ze eigenlijk zeggen, is dat mensen die geïnteresseerd zijn in de emancipatie van de massa niets te maken hebben met ‘pseudostrijd’ en maar het beste bij dat soort strijd uit de buurt kunnen blijven. Dit is onverantwoordelijk en ongevoelig ten aanzien van menselijk lijden. Hun aanbeveling – en ik denk dat dit het werkelijke criterium is voor de beoordeling van analyses van ‘linksen’ – is niet dat Syriërs als wij zich van de strijd distantiëren, maar erger: in feite kiezen ze nog meer de kant van het regime. Het regime is niet alleen verantwoordelijk voor het lijden van de Syriërs de afgelopen decennia, maar ook voor de dominantie van de jihadistische groepen waar Žižek over klaagt. Het probleem is niet dat dergelijke schrijvers iets belangrijks over Syrië negeren, maar dat ze bijna niets weten van dit erbarmelijke land.

Cultuur kan een strategisch gebied kan zijn in onze strijd voor vrijheid en tegen fascisme

Geeft u ons een idee van uw politieke biografie. U werd in 1961 in Raqqa geboren. Wat waren de politieke en intellectuele invloeden op u als jongeman? In 1980 werd u gearresteerd vanwege uw politiek activisme en zat u zestien jaar achter de tralies. Waar werd u precies voor gearresteerd? Wat deed uw groep in die periode? Hoe zag het Syrische politieke leven er in die tijd uit?

Toen ik aan de universiteit van Aleppo studeerde, was ik lid van een van de twee communistische partijen in Syrië: de Syrian Communist Party-Political Bureau. De partij was tegen het regime van Hafez Assad en streed voor democratie. Ik werd beïnvloed door denkers als de twee overleden Syriërs Yassin al Hafez en Elias Murqus, en de Marokkaanse historicus en politiek theoreticus Abdallah Laroui. Aan degenen onder ons die op zoek waren naar een beter begrip van onze sociale en historische toestand boden ze een niet-dogmatisch marxisme dat gericht was op onze samenleving en culturele problemen. Onder hun invloed besloot ik dat ik schrijver wilde worden. We waren enthousiast over het eurocommunisme van de jaren zeventig, en kritisch ten aanzien van de Sovjet-Unie. Maar onze politieke identiteit was voornamelijk gestoeld op onze ervaringen in de strijd tegen de tirannieke heerschappij van Assad, de vader. Het was een combinatie van traditionele linkse verwantschap en een vergaande betrokkenheid bij de bevolking en een vrijheidsideaal.

Vóór 1980 kon er amper gesproken worden van een politiek leven in Syrië. Er was een alliantie van zeven partijen, inclusief de traditionele communistische partij (die sterk leunde op de Sovjets). De alliantie, het National Progressive Front (NPF) stond onder leiding van de Baath-partij, en dit was zogenaamd het raamwerk voor het politieke leven in Syrië. In werkelijkheid was dit het raamwerk voor politieke dood. Andere groepen die standvastig tegenstand bleven bieden aan het regime werden gevangengezet. Gevangenissen en de NPF zijn nu dus al 41 jaar de politieke instituties in het land.

Op politiek niveau veroordeelden we het regime scherp en hielden we het verantwoordelijk voor de sociale en nationale crisis die tussen 1979 en 1982 in het land uitbrak. Destijds vertoonde het regime van Hafez Assad steeds meer fascistische neigingen – georganiseerd geweld tegen elke onafhankelijke sociale of politieke activiteit, het stichten van ‘volksorganisaties’ om de maatschappij onder controle te houden, van schoolkinderen tot universiteiten, vrouwen en vakbonden. Het kweekte ook een diepgeworteld, wijdverbreid nepotisme dat een schaamteloos sektarisch element bevatte, en creëerde een Assad-cultus via de media, het leger en opleidingsinstanties en in openbare ruimten (standbeelden, banieren, portretten, liederen, ‘spontane marsen’). In een paar jaar tijd leidde dit tot een grote politieke en sociale crisis en een gewelddadige strijd tussen het regime en de Moslimbroederschap. Tegen de tijd dat het regime de strijd met bloedige middelen won, wat op internationaal niveau volledig werd genegeerd, was het al op weg om alle overgebleven vormen van politiek en cultureel leven te vermorzelen.

De Syrian Communist Party-Political Bureau hekelde de fascistische uitbarstingen en sprak zich uit voor een democratische verandering om geweld in Syrië te voorkomen en het politieke systeem open te stellen voor organisaties en initiatieven van het volk. Wij namen in 1980 actief deel aan de protesten in veel Syrische steden. Daarna was ik gedwongen twee maanden onder te duiken, tot ik op 7 december 1980 werd gearresteerd. Ik was toen nog geen twintig en heb zestien jaar in de gevangenis doorgebracht. Riad al-Turk (de Syrische oppositieleider) heeft bijna achttien jaar in eenzame opsluiting gezeten.

Toen ik uit de gevangenis kwam, werd ik schrijver en nam ik deel aan veel activiteiten van de oppositie. Zestien jaar in de gevangenis is lang, maar voor mij was het een vormende ervaring als een publieke intellectueel en als ethische agent in de strijd voor verandering. Tegelijkertijd was het een emancipatoire ervaring: door lijden, leren en strijd ontsnapte ik uit een aantal van mijn interne gevangenissen: die van nauwe politieke verwantschap, die van rigide ideologie en die van het ego van de intellectueel. De op één na belangrijkste invloed op mijn politieke identiteit is waarschijnlijk de revolutie die in maart 2011 begon en de strijd met open einde en op de vele niveaus die nu in mijn land woedt. Ik heb twee jaar ondergedoken gezeten in Damascus en nog eens zes maanden in andere delen van het land. Ik had de rol van intellectueel en schrijver, niet van politicus of politiek activist. Ik ben van plan me de komende jaren te richten op de culturele dimensies van de Syrische revolutie, omdat ik denk dat cultuur een strategisch gebied kan zijn in onze strijd voor vrijheid en tegen fascisme – zowel de Assad – als de islamitische versie.

Onrecht voedt extremisme

Nu we het toch over strijd voor vrijheid en tegen fascisme hebben: in een stuk dat u eind september voor de The Irish Times schreef, omschreef u de jihadisten in Syrië als ‘vijanden van de revolutie’, en u stelde dat ze in werkelijkheid dunner en minder samenhangend zijn dan de indruk die ze uit de verte maken. Het is onjuist, volgens u, om te beweren dat wat goed is voor de jihadisten, slecht is voor het regime. U zegt: ‘Wat wel waar is, is dat wat goed is voor de revolutie, het Vrije Syrische Leger en de democratische activisten in binnen- en buitenland, slecht is voor het regime en de jihadisten.’

Kunt u hier voor de mensen die dat verwarrend vinden iets meer over zeggen? Tot op welke hoogte zijn democratische krachten in Syrië nu op twee fronten aan het strijden – het ene tegen het regime en het andere tegen de jihadisten? Als het regime van Assad de komende maanden ineen zou storten, zou er dan niet in de nasleep een tweede oorlog ontstaan tussen de democratische krachten binnen de revolutie en de jihadisten? In welke mate is die oorlog nu al gaande? Vraagt deze double bind waarin de Syrische democratische krachten zich bevinden niet juist om méér solidariteit van de internationalisten aan de zijlijn, in plaats van het de laatste tijd gangbaardere defaitistische wegkijken van het Syrische conflict?

Jihadistische groeperingen kwamen pas vele maanden na het begin van de revolutie in Syrië. Hoe erger de situatie voor de meeste mensen werd, hoe beter de omstandigheden voor de extreme jihadisten. Als de sociale omgeving wordt vernietigd, en er dagelijks in het hele land tientallen mensen worden gedood terwijl de wereld gewoon toekijkt, is dat de perfecte wereld voor nihilistische groeperingen. Hun doctrines zijn juist gestoeld op de aanname dat de wereld slecht is en tegen hen – Arabieren of moslims – samenspant. Trouwens, dit is een paranoïde wereldbeeld dat het regime van Assad en de jihadistische groeperingen gemeen hebben. Het moge zo langzamerhand duidelijk zijn dat het regime blij is met de komst van deze groeperingen, omdat het daardoor in staat wordt gesteld het verhaal van ‘oorlog tegen het terrorisme’ te verkopen aan eenieder in het Westen en elders die het maar geloven wil. Er zijn prominente figuren in westerse inlichtingendiensten en diplomatieke kringen die pleiten voor een gecoördineerd optreden, samen met Assad, tegen terrorisme. Als je zo’n goed verkoopbaar product hebt, de ‘oorlog tegen het terrorisme’, ben je in staat om afspraken te maken met invloedrijke internationale mogendheden, en dat is iets waar het regime voortdurend van afhankelijk is om de internationale rechtmatigheid en het mandaat het bewind te blijven voeren te hernieuwen. ‘Voor eeuwig’ aan de macht blijven is het hoogste doel voor de Assad-dynastie.

Dus het valt te verwachten dat het regime zijn best zal doen de productie van dit goed op grote schaal veilig te stellen. Speculatie of samenzweringstheorieën zijn eigenlijk onnodig om mogelijke geheime banden tussen het regime en een aantal van deze groeperingen te zien. Op 21 januari publiceerde The Telegraph op basis van westerse geheime inlichtingen een artikel over de geheime samenwerking tussen het regime en Al-Qaida, met name ten aanzien van de olie in het oostelijk deel van het land.

Ik was tot halverwege de herfst van 2013 in Raqqa, waar het officiële hoofdkwartier van de ISIS (Islamitische Staat van Irak en Syrië en de Levant, een splintergroepering van Al-Qaida) zetelde in het enorme gebouw van de lokale overheid. Hoewel de strijders van het regime besloten dat het van strategisch groot belang was om in de eerste dagen van oktober een school aan te vallen, waarbij twintig leerlingen omkwamen, en ze helikopters bommen op woonwijken gooiden, werd er nooit op het ISIS-gebouw gericht.

De beste manier om de jihadistische groeperingen te bestrijden is door radicale veranderingen door te voeren in Syrië en een einde te maken aan het regime dat al 44 jaar over het land heerst. Het verdwijnen van het regime, met alle daarbij behorende machinerieën van wreedheid en vernedering, zal nationale en democratische Syriërs en gematigde islamisten het mechanisme verschaffen om extremistische en expansionistische organisaties zoals de ISIS het hoofd te bieden. Dit zou dan een proces van tolerantie en verzoening in gang kunnen zetten tussen diverse Syrische partijen, en de roep om rede en vergeving te laten horen – dingen die nu onmogelijk klinken. Toen ik tussen april en juli 2013 in oostelijk Ghouta was, keek een lid van de Burgerbescherming, die tot taak had de doden te wassen en in een doodskist te leggen, me met een zwaar verminkt lichaam in zijn armen aan, en zei: ‘Istath (geleerde man), hoe kunnen we omgaan met degenen die een kind dit hebben aangedaan? Hoe kunnen we daarmee samenleven?’ Ik had op dat moment geen antwoord. Het is voor ‘istaths’ als wij onmogelijk iets nuttigs te doen zolang de grote moordenaar nog op zijn post zit en dagelijks voortgang boekt in zijn werk van martelen, uithongeren, bombarderen en moorden.

Het gaat er niet alleen om dat het regime garen spint bij de reactionaire fascistische groeperingen die openlijk hun vijandschap ten aanzien van de revolutie uiten. De machten die trouw zijn gebleven aan de revolutie zijn juist degenen die tegenover deze nihilistische groeperingen zijn komen te staan. U weet misschien dat er zich begin dit jaar veel gevechten met de ISIS hebben voorgedaan waaraan veel gematigde groeperingen deelnamen, en dat de uitkomst was dat de ISIS uit heel Idlib en veel districten van Aleppo is verdreven. Dit gebeurde ondanks de oorlog die het regime voert tegen deze zelfde districten. Daarmee wil ik zeggen dat als de Syriërs maar tegen één vijand hoefden te vechten, het veel gemakkelijker zou zijn tegen partijen als de ISIS te vechten.

De algemene sociale wet die de afgelopen drie jaar opgeld deed in Syrië, en overigens ook tijdens alle nachtmerrieachtige decennia onder de Assads, is dat extremisme extremisme voedt. Het is voor het land van essentieel belang dat de extremistische bron wordt uitgedroogd: het fascistische regime heeft een hele industrie van het doden van de arme bevolking, en de hele wereld weet dat nu na het lekken van 55.000 foto’s van 11.000 meedogenloos gemartelde lichamen. Deze hele moordenaarsbende naar de kerkers van de geschiedenis sturen zou een eerste stap zijn op weg naar het herstel van het land. Pas dan kan er een dynamiek ontstaan van gematigdheid en meetellen, die leidt tot het isoleren van de meest extremistische groeperingen. Gematigdheid is in Syrië onmogelijk zonder gerechtigheid voor het Syrische volk. Het verband tussen de concepten ‘gematigdheid’ en ‘gerechtigheid’ is in het Arabisch duidelijk: het woord i’tidal (gematigdheid) stamt af van adl (gerechtigheid). Dienovereenkomstig voedt onrecht extremisme.

Wat internationalistische partijen over de hele wereld moeten weten, is dat er niets progressiefs, anti-imperialistisch of seculiers is aan het regime. Het is een fascistisch regime, een zwaar sektarische en ernstig corrupte junta die tot elke misdaad bereid is om maar aan de macht te blijven. Op de dag dat de tweede ronde van besprekingen in Genève begon, stelde een televisiepresentator in een interview een vraag aan Assads adviseur Buthaina Shaaban over de 11.000 slachtoffers in de dodenfabrieken van het regime. Zij antwoordde: ‘En hoe zit het met het lot van de christenen? Vindt u dat niet belangrijk? Weet u dat er nog steeds elf nonnen ontvoerd zijn?’ Dat is representatief voor de denkrichting van het regime. In een commentaar op de chemische afslachting op 21 augustus in oostelijk Ghouta zei Shaaban dat de doden kinderen uit kustplaatsjes waren (alevieten dus), die waren ontvoerd, naar Ghouta waren gebracht en vergast! Zelfs het Franse kolonialisme dat Syrië tussen de wereldoorlogen beheerste was niet zo efficiënt in het verdeel-en-heersbeleid als dit regime.

Het is ook duidelijk dat de imperialistische machten hun best doen om ervoor te zorgen dat het regime niet valt of zelfs maar verzwakt raakt. Sterker nog, ze doen precies het tegenovergestelde: ze hebben noch het Vrije Syrische Leger (FSA) noch de Syrische Nationale Raad geholpen no-flyzones en veilige zones in te stellen, iets waar deze groepen al sinds het najaar 2011 om vragen. Er is door het FSA geen enkele Stinger-raket verkregen, terwijl het regime al meer dan achttien maanden gevechtsvliegtuigen inzet.

Een jongen voor een beschadigd legervoertuig in Homs - © Ahmed Jadallah/Reuters
Een jongen voor een beschadigd legervoertuig in Homs – © Ahmed Jadallah/Reuters

Bent u het eens met de stelling dat de situatie die u beschrijft herinneringen oproept aan de Spaanse Burgeroorlog, waarin de democratische krachten binnen de revolutie (de POUM, anarchosyndicalisten, onafhankelijke socialisten) op het ene front tegen Franco’s fascisten vochten, maar zich na verloop van tijd tegenover de stalinisten wisten, die evenveel – of zo mogelijk nog meer – tijd besteedden aan het bevechten van de democratische krachten van de revolutie als aan het bestrijden van Franco? Bevinden de democratische machten in Syrië zich heden ten dage in een soort parallelle situatie?

De zaken in Syrië zijn nu veel gecompliceerder dan ze driekwart eeuw geleden in Spanje waren. Niet alleen omdat de jihadisten, onze ‘stalinisten’, een last voor de revolutie zijn (ze zijn inderdaad vijanden van de revolutie), maar ook omdat een aantal van hen wordt verdacht van een geheime samenwerking met het regime, en dat het regime zijn best doet om de zaak van de zogenaamde vijanden te stimuleren. Daarnaast hebben alleen de ergste van onze ‘stalinisten’ en uiteraard het fascistische regime buitenlandse vrijwilligers. Wij hebben geen democratische of republikeinse vrijwilligers, zoals het geval was in Spanje.

Misschien is de militaire zwakte van de democratische machten in Syrië het grootste verschil. De democraten in het land namen niet hun toevlucht tot wapens om de bevolking te beschermen, ook al steunden velen van hen de strijd van het volk tegen de fascistische aanhangers van Assad. Dit is een reden – de belangrijkste reden zelfs – waarom diverse soorten islamisten leidinggevende posities in het gewapend verzet innemen. De andere reden is dat het regime degenen die de leiding hadden tijdens de opstanden heeft gearresteerd, gedood of verbannen. Hoewel dit goed is voor de islamisten, zegt het een hoop over het ‘seculiere’ regime en de zogenaamde oppositie tegen fundamentalisten. Het is net als Franco die de Spaanse Communistische Partij cultiveerde om de Europeanen en Amerikanen te chanteren tot betrokkenheid bij en medewerking aan zijn regime.

Uiteindelijk was Franco een dictator, en een heel wrede, maar met een visie voor Spanje en de grootsheid van het land, die was afgeleid uit de vocabulaire en idealen van Europees rechts uit die tijd. Vergeleken daarmee is Bashar op geen enkele betekenisvolle manier een nationalist. Hij is alleen maar een massamoordenaar, en hij en zijn bende hebben geen enkele visie of ideaal ten aanzien van Syrië of Syrisch nationalisme. Zijn enige heilige principe is macht – aan de macht blijven tot hij sterft, en zijn post niet aan zomaar een jonge Juan Carlos overdragen, maar aan zijn zoon, die niet geheel toevallig Hafez heet.

Er is wel een grote gelijkenis tussen het verloop van de Syrische revolutie en oorlog en die van Spanje, namelijk de rol van de democratische westerse grootmachten ten aanzien van de twee zaken: die is kortzichtig, besluiteloos, zonder visie en moed, contraproductief en zeer egoïstisch. Dat is schadelijk voor ons Syriërs, net zoals het destijds schadelijk was voor de Spanjaarden. En de tijd zal leren dat het schadelijk is voor de wereld als geheel.

Michael Ignatieff heeft betoogd dat een van de redenen waarom er geen interventie is gepleegd in Syrië, is dat de Syrische oppositie heeft gefaald. In een vergelijking tussen Bosnië en Syrië zegt hij: ‘Interventie zal niet gebeuren totdat tussenkomende partijen zich kunnen identificeren met een zaak waar democratische kiezers in het Westen zich achter kunnen scharen. In voormalig Joegoslavië begrepen de Bosnische inwoners van Sarajevo dit als geen ander en hielpen ze de westerse verontwaardiging aan te wakkeren, waardoor interventie uiteindelijk mogelijk werd. Zij hadden altijd gestaan voor een tolerante stad waarin meerdere geloven verenigd waren, en achteraf gezien hebben ze een grootse klus geklaard door te zorgen dat Europa achter de zaak ging staan. Er werd uiteindelijk in 1995 geïntervenieerd, tenminste tot op zekere hoogte, omdat de Bosniërs werden gezien als waardige slachtoffers die konden worden geholpen uit naam van de algemene verdediging van “Europese waarden”.’

De genocide van Srebrenica en het bombardement van de markt in Sarajevo gaven het startschot voor de interventie, maar de ideologische basis was in het Westen al gelegd door de slachtoffers van de belegering van Sarajevo. Tot nog toe zijn de Syriërs er niet in geslaagd een universele claim neer te leggen.

De beschadigde souk van Homs - © Yazan Homsy/Reuters
De beschadigde souk van Homs – © Yazan Homsy/Reuters

Kunt iets over dit betoog zeggen? Bent u het eens met de stelling dat de Syrische oppositie in dit opzicht heeft gefaald?

Wel, de Syrische oppositie is er niet in geslaagd om het verschrikkelijke lijden van Syrië een universele betekenis te geven. Ik heb dit zelf geconstateerd toen ik naar Turkije ging. De Syrische politici en activisten daar doen óf alleen zaken met officiële Turkse instanties, óf wonen in hun eigen geïsoleerde gemeenschappen. Ze organiseren demonstraties in Turkse steden, maar met spandoeken en slogans die alleen in het Arabisch geschreven zijn, en dus bereiken ze de Turkse gemeenschap niet met hun boodschap. Het lijkt erop dat dit ook geldt voor Frankrijk, waar al lang een Syrische gemeenschap met veel intellectuelen woont.

Ik denk dat een reden waarom er sprake is van een monoloog in plaats van een dialoog te maken heeft met de standaard interactiemodus van Syriërs: we leven eigenlijk al een halve eeuw in eenzaamheid. Zo’n 90 procent van de Syriërs heeft waarschijnlijk nooit een andere politieke formatie gekend dan het Baath-regime, en misschien wel meer dan 80 procent heeft alleen de monsterachtige Hafez en zijn verschrikkelijke zoon Bashar gekend. Verder is er in Syrië en de Arabische wereld als geheel een diepgewortelde haat ten aanzien van het Westen als gevolg van hedendaagse traumatische ervaringen met de grote westerse mogendheden. De Palestijnse kwestie is een belangrijk symbool voor de kloof tussen de twee werelden en een dynamische bron van Arabische vijandigheid ten aanzien van het Westen. Het is ook een bron van aarzeling voor het vragen om westerse hulp. Desalniettemin zijn de Syriërs realistisch genoeg om al vanaf de zomer van 2011 om hulp te vragen, zelfs voordat ze naar de wapens grepen om zichzelf te verdedigen en zelfs voordat ze hun toevlucht zochten tot God als de enige strategische kern van wie ze steun verlangen.

Ik zou daaraan willen toevoegen dat pas sinds kort, in de afgelopen maanden of zo, een toenemend aantal Syriërs is gaan beseffen dat hun zaak, de Syrische zaak, een mondiale zaak is die in dezelfde context moet worden beschouwd als de strijd om de vrijheid die de Oost-Europeanen en Zuid-Afrikanen hebben gevoerd. Volgens mij zijn er op dat niveau dingen aan het veranderen, en wellicht zullen we meer Syriërs gaan zien die hun zaak in de mondiale arena bevechten.

Maar om terug te komen op Ignatieffs constatering: ik denk dat de Syrische strijd niet alleen veel zegt over het falen van de Syrische oppositie, maar ook over het falen van een op het Westen geconcentreerde benadering. De op het Westen gerichte benadering verwacht dat de onderdrukten en zwakken de westerse mogendheden zien als het geweten van de wereld, of als de rechtvaardige wijze die je moet overtuigen van de rechtvaardigheid van je zaak – en als je geduldig genoeg bent, zul je hem uiteindelijk overtuigen en zal hij handelen volgens de principes van rechtvaardigheid en mensenrechten. Ik ben bang dat dat verhaal een fabeltje is. Palestina is wat dat betreft heel toepasselijk. De hele wereld kent de situatie heel goed en weet ook uitstekend wie de koloniale macht is die maar blijft knagen aan het Palestijnse land en de Palestijnse middelen, sterker nog, aan hun hele bestaan. Voor Palestina hebben we een ‘vredesproces’ dat al 23 jaar duurt, het belachelijkste uit de geschiedenis.

Welke keuze hebben we als een regime zijn eigen mensen met chemische wapens doodt en de grootste wereldmacht genoegen neemt met het innemen van slechts een deel van de wapens van de misdadiger, zonder enige vorm van straf? Welke conclusie zal de oorlogsmisdadiger trekken, anders dan dat hij gewoon door kan gaan met moorden, zij het met andere wapens? Kun je de Amerikaanse houding interpreteren als: ‘Het is in orde om een bepaald soort mensen te doden. Zij zijn niet de verkeerde mensen om te doden. Waarom zouden wij ons druk maken en voor hen interveniëren?

Overigens was militair ingrijpen niet onontkoombaar, en er waren maar weinig Syriërs die daarom vroegen. Waar Syriërs op hoopten, was enige vorm van militaire ondersteuning waarmee ze de taak dan zelf zouden hebben uitgevoerd. En ik denk dat dit nou precies is wat de invloedrijke mogendheden niet wilden dat er zou gebeuren. Het is ook belangrijk om te zeggen dat de Verenigde Staten niet alleen onwillig waren in te grijpen, maar dat zij ook andere landen onder druk zetten – Frankrijk, Turkije en een aantal Golfstaten – om geen efficiënte wapens te leveren aan de Syrische rebellen. De huidige impasse is niet een inherent kenmerk van conflicten in het Midden-Oosten, het is iets wat is bewerkstelligd door onze vermeende ‘vriend’ Amerika, de supermacht. Dat komt niet aan bod in de benadering van Ignatieff.

Wat ik samenvattend wil zeggen, is dat hoe ernstig de tekortkomingen van de Syrische oppositie ook zijn – en ze zijn ernstig – het voor ons onmogelijk is geweest de ‘internationale gemeenschap’ ervan te overtuigen dat wij ‘waardige slachtoffers’ zijn die kunnen worden geholpen uit naam van de algemene verdediging van ‘Europese waarden’. Ik ben bang dat de Europeanen, wanneer het het Midden-Oosten betreft, de eersten zijn die hun verkondigde waarden loslaten. Dit moet veranderen, want alleen nihilistische groeperingen als Al-Qaida gedijen in dergelijke omstandigheden.

Auteurs: Danny Postel en Nader Hashemi
Vertaling: Martinette Susijn

The Boston Review
VS, tweemaandelijks, oplage 10.000
In 1975 opgericht door een groepje studenten in Massachussets en dankzij een moedige, immer progressieve koers uitgegroeid tot toonaangevend blad waarin meer en minder beroemde schrijvers, politici en grote denkers als Noam Chomsky en Tom Paine hun ideeën uiteenzetten. Behalve essays en politieke geschriften is er ook ruimte voor poëzie.


Deel dit artikel


Recent verschenen