In 1979 verdwijnen vijf schilderijen uit kasteel Friedenstein in Thüringen, veertig jaar later duiken ze weer op. Het verhaal van de meest spectaculaire kunstroof in de DDR – die tot op de dag van vandaag onopgehelderd is gebleven.
De nacht dat de oude meesters verdwijnen, is regenachtig en koud. Maar in Schlossmuseum Friedenstein in Gotha blijft het weer buiten de deur. Ten behoeve van de kostbare, eeuwenoude schilderijen uit de hertogelijke verzameling houdt een klimaatregelaar de temperatuur en vochtigheid binnen nauwlettend in de gaten. Vandaag is deze getuige van een misdrijf.
Op 14 december 1979 registreert het apparaat dat het in de zaal met Hollandse meesters in de loop van de nacht koud en vochtig wordt. Iemand moet een raam hebben geopend. Het is het begin van de meest spectaculaire kunstroof in de geschiedenis van de DDR. Niemand wist later te vertellen hoe die nacht vijf belangrijke schilderijen uit de collectie hadden kunnen verdwijnen. Veertig jaar zijn ze weg geweest, tot ze afgelopen december verrassenderwijs weer opdoken.Toen de schilderijen in januari 2020 voor het eerst weer in het hertogelijk museum van Gotha te zien waren, zat er een beetje aanslag op, keukenluchtjes en sigarettenrook. Hier en daar zat nog een kloddertje muurverf en op sommige plaatsen een krasje.
Wie had ze gestolen? En waar waren ze al die jaren?
Het slot
Gerd Schlegel is als een van de eersten ter plaatse. Hij was destijds 38 en hoofd van Kommissariat III van de Volkspolizei. Ook nu nog kan hij zich alle details onmiddellijk herinneren, zonder de archieffoto’s van zijn collega’s van de technische recherche ook maar één keer te hoeven raadplegen. Hij kent elk hoekje en gaatje van het betoverende slot, zijn opa is bij de slotenmaker van het hof in de leer geweest en zijn oma was er dienstmeisje. Zoals voor veel mensen in Gotha is het vroegbarokke gebouw dat op een heuvel boven de stad uittorent ook voor Schlegel een plaats waar je je als kind in een sprookje waande.
Hij loopt naar de zaal met Hollandse meesters, waar de inbraak zou hebben plaatsgevonden. Over het houten parket, langs eeuwenoude ogen die hem uit hun gouden lijsten nakijken. Een agent noteert in het proces-verbaal: ‘Bij de ontvreemde schilderijen gaat het om kunstwerken van de eerste orde, die internationaal bekend zijn.’ Dan somt hij op: Jan Lievens, Portret van een oude man; Jan Brueghel de Oude, Landweg met boerenwagens en vee. Dit is Schlegels lievelingsschilderij. Hoe vaak heeft de rechercheur niet voor dit schilderij stilgestaan? Hij vond dat het iets echts had, alsof hij de herfstscene met de boeren en hun karren, de ossen ervoor en met de kippen langs de kant van de weg ooit zelf gezien heeft; Hans Holbein de Oude, De heilige Catharina; Anthony van Dyck, Zelfportret met zonnebloem; Frans Hals, Portret van een jonge man.
De directrice van de Ostberliner Gemäldegalerie schat de waarde van de verdwenen werken op 4,53 miljoen DDR-mark. Maar bij deze diefstal gaat het niet alleen om geld, maar ook om de trots van de stad: na de oorlog hebben de Russen de hertogelijke verzameling geplunderd en in 1958 weer grotendeels teruggegeven. Met de beroemde kunstcollectie is ook de luister uit de tijd van de hertogen weer terug; zo zien ze dat hier in de stad. En nog geen twintig jaar later staat rechercheur Gerd Schlegel op die decemberochtend voor het ingeslagen raam, herinnert hij zich.
Buiten het raam gaat het tien meter de diepte in, langs de gevel lopen een bliksemafleider en een regenpijp. Onder het raam liggen stukken lijst, kennelijk zijn de schilderijen gevallen. Aan de bliksemafleider hangt een klimijzer. Uit de analyse van de staallegering zal blijken dat het ‘onmiskenbaar om een product uit het NSW (nicht-sozialistischen Wirtschaftsgebiet) gaat’, uit het Westen dus, vermeldt het politierapport.
Speurhonden leiden de rechercheurs door het slotpark naar de overzijde van de Parkstraβe. Het eerste spoor loopt naar het oude slachthuis, een donker, neogotisch bakstenen gebouw. Het is de zetel van het Fleischkombinat van Gotha, dat levende runderen en schapen naar het Westen exporteert. Schlegel heeft het exportregister ingezien. Daarin staat dat op de avond van 13 december, de avond van het misdrijf dus, een vrachtauto uit Rosenheim is binnengekomen, volgeladen en nog dezelfde nacht weer is weggereden. Grensovergang Herleshausen ligt slechts vijftig kilometer bij Gotha vandaan. Zijn de oude meesters tussen de schommelende dierenlijven naar Beieren gegaan? Maar er tekent zich nog een tweede spoor af, en dat baart hem zorgen.
Het onderzoek
Het tweede spoor leidt van het raam in tegenovergestelde richting, het museum in. Het raam is op één plaats ingeslagen en tevoren met doorzichtig plakband afgeplakt, zodat er minder scherven op de vloer zouden vallen. Maar is het eigenlijk wel mogelijk om, als je buiten aan de bliksemafleider hangt, door het gat in het glas bij de hendel van het raam te komen? Schlegel is sceptisch. Destijds geloofde hij dat het kapotte glas een red herring was, een vals spoor om de aandacht van het echte spoor af te leiden. Hij vermoedde dat het raam van binnenuit was geopend.
Het is een ongehoorde verdachtmaking: moest het er alleen uitzien als een inbraak? Heeft het staatsapparaat misschien de beroemde kunstschatten van Gotha geplunderd om ze in het Westen voor deviezen te verkopen? Zo openlijk en zo brutaal? Pas vanwege het tweede spoor begrijp je waarom dit geval de gepensioneerde rechercheur tot op de dag van vandaag niet met rust laat, en niet alleen als politieagent: ‘Ook als mens,’ zegt Schlegel. En je begrijpt meteen waarom de kunstdiefstal van Gotha decennialang niet alleen de stadsbewoners, maar iedereen in de DDR bezighoudt.
Geruchten over allerlei vage figuren doen destijds snel de ronde. Tegelijkertijd moeten de mensen voorzichtig zijn met wat ze zeggen. Ook Schlegel moet uitkijken. Want ook hij is niet meer dan een radertje in een immens apparaat. De Stasi wordt ingeschakeld. In februari 1980 wordt in het kader van de staatsveiligheid het onderzoek ‘Oude meesters’ geopend. De Stasi doet undercover onderzoek in het Westen en in de DDR. In Gotha ontstaat een klimaat van wantrouwen.
Kunsthandelaars, museumbezoekers, ‘negativ-dekadente’ jongeren en ‘zigeuners’, zo staat in de dossiers van de Stasi, worden geobserveerd en ‘onder controle gehouden’. Het lijkt haast alsof de wankelende socialistische staat nog één keer uit alle macht wil demonstreren dat er in dit land niets is wat hem ontgaat. Maar de schilderijen blijven zoek. Na vijf jaar beëindigt de Stasi haar operatie dan ook, zonder resultaat.
Na de oorlog hebben de Russen de verzameling geplunderd en in 1958 weer teruggegeven
In december 1989 hoort rechercheur Schlegel in Aktuelle Kamera, de nieuwsuitzending van de DDR, een naam die hij nog niet eerder heeft gehoord: Alexander Schalck-Golodkowski. Deze staatssecretaris en Stasi-officier ressorteerde onder de afdeling Kommerzielle Koordinierung op het ministerie van Buitenlandse Zaken, afgekort Koko. Zijn taak: deviezen binnenhalen. In de eindtijd van de DDR dreef hij daartoe een levendige handel in de cultuurgoederen van het land: in zijn opdracht onteigende de Stasi onder voorwendsels particuliere verzamelaars en bediende de dienst zich vrijmoedig van collecties uit kloosters en museumdepots.
Gerd Schlegel is opeens wakker geschud. De zwart-witfoto’s van de gestolen schilderijen hebben tien jaar in zijn bureaula gelegen, ‘als een stille uitdaging’. Hij begint nu op eigen houtje naspeuringen te doen. Langzaam maar zeker ontdekt hij allerlei details: Schalck-Golodkowski heeft, samen met de Beierse minister-president Franz Josef Strauβ in 1983 een belangrijke rol gespeeld bij het regelen van een miljardenkrediet voor de DDR. Het contact is tot stand gekomen door bemiddeling van Josef März, een politieke vriend van Strauβ uit de CDU én vleeshandelaar in Rosenheim.
Een door de staat georganiseerde kunstdiefstal. Vee voor de export. ‘Bij mij gingen alle bellen rinkelen,’ zegt Schlegel. Het spoor bleek later vals, maar op dat moment vroeg hij zich af of de vleesleverantie die in die nacht in december 1979 van het oude slachthuis richting Rosenheim ging, misschien voor Josef März bestemd was. Ook toen deze verdenking ongegrond bleek, trok het geruchtencircuit in Gotha zijn eigen conclusies. Al met kerst 1979, vertellen ze tien jaar later, zouden de schilderijen boven de schoorsteen van Josef März hebben gehangen. Als onderdeel van een geheime deal die de DDR heeft gered van het faillissement.
En met een nieuwe staat doemt er in de tijd na de Wende een nieuwe verdenking op: misschien zaten de daders niet alleen in de Oost-Duitse politiek, misschien zijn ze nog steeds aan de macht.
De buit
Een van de velen in Gotha die de diefstal nooit los heeft kunnen laten, resideert nu in het stadhuis. In december 1979 woonde Knut Kreuch wel in de stad, maar was hij nog een kind. Sinds 2006 is hij voor de SPD burgemeester van Gotha. Het is een man die zijn zinnen het liefst eindigt met ‘beste man’, of met een grapje, en dan komt er al vlug weer een en nog een. En de eigenlijke sensatie is, zegt hij nu, dat hij erin geslaagd is zo lang zijn mond te houden over wat op een dag op zijn bureau terechtkwam. ‘Ik, de man die met iedereen praat.’ Zijn deel van het verhaal begint in 2009, het jaar dat het recht van de stad Gotha op teruggave van de gestolen eigendommen verjaart.
De onrechtmatige bezitters konden de stad Gotha nu benaderen zonder te hoeven vrezen dat de schilderijen hun worden afgenomen. Kreuch besloot een handje te helpen. Hij verzoekt de MDR (Mitteldeutscher Rundfunk) dringend de zaak nog eens ter sprake te brengen.
Het dertig minuten durende programma De nacht van Gotha wordt op 11 november 2009 uitgezonden. Hij legt daarin uit dat de juridische situatie is veranderd. Na de uitzending reageert er helemaal niemand. Weer verstrijken negen lange jaren, tot in de zomer van 2018 bij Knut Kreuch alsnog de telefoon overgaat. Het is een Zuid-Duitse advocaat die hem iets wil laten zien. Persoonlijk en vertrouwelijk graag. Op de werkkamer van de burgemeester legt hij een rijtje enveloppen op tafel. Er zitten foto’s in; kleurenfoto’s. Kreuch kan het bijna niet bevatten. Toen ze in 1979 verdwenen, waren er van de schilderijen uit Slot Friedenstein alleen zwart-witfoto’s.
In de maanden daarna hebben de burgemeester en de advocaat vaker van die vertrouwelijke gesprekken. Kreuch wil weten met wie hij te maken heeft, wie de opdrachtgevers zijn. Er is sprake van een anonieme onverdeelde erfenis uit West-Duitsland, en hij weet maar één ding van hen: ze willen geld zien. Kreuch gaat ermee akkoord de opdrachtgevers van de advocaat 5,25 miljoen euro te betalen als ze de schilderijen teruggeven.
Hij gaat ervan uit dat de overeenkomst later aangevochten kan worden, omdat de erfgenamen door de verjaring niet automatisch de rechtmatige eigenaren van de schilderijen zijn geworden. En dat ze dus iets willen verkopen wat hun niet toebehoort. Bovendien verklaart de Ernst von Siemens Kunststiftung zich bereid om in geval van nood het bedrag te betalen. Maar zover zal het niet komen.
De jagers
Het Rathgen-Forschungslabor in Berlijn noemt zich het oudste museale laboratorium ter wereld. Het is onderdeel van de Staatliche Museen zu Berlin en de Stiftung Preuβischer Kulturbesitz. Daar zullen op 30 september 2019 om 12 uur de schilderijen overgedragen en onderzocht worden.
Als het zover is, zijn door de spanning alle betrokkenen veel te vroeg aanwezig: Kreuch, de advocaat, de secretaris-generaal van de Ernst von Siemens Kunststiftung en de directeur van het laboratorium. Ook is er een rechercheur in burger met een microfoon onder zijn trui. Een collega houdt het gebouw van buitenaf in de gaten.
Als de overeenkomst over de 5,25 miljoen euro is ondertekend, rijdt even later een bestelbusje met een kenteken uit Jena voor. Samen met het hoofd van het laboratorium legt de chauffeur van het bestelbusje vijf dunne pakketjes in de goederenlift. Kreuch ziet wit van spanning als uit het bubbeltjesfolie de schilderijen tevoorschijn komen. Het hoofd van het laboratorium maakt een foto van dit moment: daarop ziet Kreuch eruit als een jager met zijn trofeeën.
De man uit het bestelbusje is midden vijftig en ziet er tamelijk verlegen uit, helemaal niet als een doorgewinterde misdadiger, daar zijn alle betrokkenen het later over eens. Na de overhandiging gaan ze samen uit eten, maar de man wil niet vertellen hoe hij aan de schilderijen is gekomen. Hij noemt alleen een zekere Hans in Australië, een naam die voor de opheldering van deze zaak nog van belang zal blijken te zijn. Als de man zijn truffeltortellini op heeft, laten ze hem gaan.
In het Rathgen-Forschungslabor begint nu het onderzoek van de schilderijen. Op röntgenfoto’s van het schilderij van Brueghel wordt de structuur van het onderliggende paneel herkend. De opname van het Portret van een oude man komt exact overeen met de structuur die een radioloog in 1966 heeft vastgelegd. De schilderijen zijn echt, het zijn de oude meesters.
De deelstaatrecherche ontdekt later via zijn kenteken wie de man is die de schilderijen heeft teruggebracht: een arts uit Ostfriesland. De officier van justitie in Berlijn klaagt hem en de advocaat aan op verdenking van poging tot afpersing.
De dokter blijkt een broer en twee zussen te hebben. Geen van hen heeft een inkomen waar je kunstwerken die miljoenen waard zijn van zou kunnen kopen. Eenvoudige burgers. Uiteindelijk noemen ze tijdens het verhoor een naam: Rudi. Van hem hebben hun ouders de schilderijen gekregen.
De rechercheurs laten het Stasi-dossier van Rudolf B. opzoeken. Het is een heel pakket: medeplichtigheid aan fraude met vervalste documenten, inbraken, een poging uit de voormalige DDR te vluchten. De Stasi schetst het beeld van een norse, zonderlinge querulant die tegen het DDR systeem blijft protesteren, tegen het meedogenloos neerslaan van de Praagse Lente, en zijn beklag doet dat je nergens in dit land aan fatsoenlijk bouwmateriaal kunt komen. Hij is opgeleid tot smid, werkte als machinist bij het spoor en heeft contacten in het Westen, schrijft de Stasi. Hij wordt beschreven als sportief en als een uiterst capabele handwerksman. Iemand die wellicht ook langs een bliksemafleider omhoog kan klimmen.
Een van de zussen van de arts, tegenwoordig onderwijzeres, woont in een klein bakstenen huisje. Het is een keurig gezin, waar je je schoenen moet uitdoen en de kinderen het bezoek beleefd moeten begroeten. Ze wil niet met haar naam in de krant, maar ze wil wel graag een paar dingen rechtzetten. Dus vertelt ze in de keuken bij een kopje koffie het verhaal van de man uit de DDR die in 1986 in het leven van haar familie terechtkwam. Het verhaal van Rudi, de machinist.
Ze is destijds nog een jonge studente, die bij haar ouders in Ingelheim, in de buurt van Mainz, woont. Die zijn niet thuis als er iemand voor de deur staat. Het is een grote, gespierde man met zwart haar, herinnert ze zich. Hij stelt zich voor als de jongere broer van Hans, de man met wie haar vader in de Amerikaanse bezettingszone op een ziekenauto heeft gereden. Hans woont inmiddels in Australië, maar is ondanks de afstand met de familie bevriend gebleven. En nu duikt opeens zijn jongere broer Rudi op, die zegt dat hij is vrijgekocht uit de DDR. Binnenkort komen zijn vrouw en zoon hem achterna.
Hoe is het mogelijk dat een onopvallend echtpaar vijf kostbare schilderijen uit de DDR bezit?
In het Westen moeten Rudi en zijn gezin van voren af aan beginnen. De vrienden van zijn broer bij wie hij heeft aangeklopt, helpen hem, met een stofzuiger, een koelkast, ze zien elkaar vaak en op enig moment zegt Rudi dat hij ‘daar aan de overkant’ nog iets waardevols heeft liggen.
Gevonden op de zolder van een oud vrouwtje, beweert hij, bij een woningontruiming. Haar ouders moeten met hem mee om het op te halen, vertelt de onderwijzeres. Veel wijst erop dat haar ouders het verzoek van Rudi hebben ingewilligd. Dat het waarschijnlijk de vijf schilderijen zijn, die ze uit de DDR naar het Westen hebben gesmokkeld. Ze zegt dat ze de schilderijen die eind jaren tachtig opeens bij haar thuis aan de muur hingen, altijd afschuwelijk heeft gevonden. Vooral de ‘man met de zonnebloem’. Het schilderij van Frans Hals, de man met de zwarte mantel en de zwarte hoed, loerde altijd uit zijn donkere hoekje de eetkamer in. Waar je ook was in die kamer, overal leek het of hij je aankeek.
In de loop der jaren verkleurt de olieverf, door damp uit de keuken en sigarettenrook. Het familiegeheim raakt verborgen onder een donker patina. De schilderijen krijgen nieuwe, goedkope lijsten, uit de bouwmarkt blijkbaar, later zullen de experts gruwen van zo veel onbenul. Vooral haar vader, laborant van beroep, hield veel van die afzichtelijke schilderijen. De werkster mocht er nooit aankomen, en bij de verhuizing mocht alleen hijzelf ze dragen.
Hoe is het mogelijk dat een volstrekt onopvallend echtpaar uit de West-Duitse burgerij vijf kostbare schilderijen uit de DDR bezit? De vader en de moeder hebben hun kinderen verschillende verklaringen gegeven. Ze wilden voorkomen dat de schilderijen naar het buitenland verdwenen, hebben ze ooit verteld. Een andere keer zeiden ze dat de schilderijen als onderpand voor een lening hadden gediend.
Dat verklaren de kinderen in elk geval tijdens het verhoor. Toen haar zus in 2009 voor een tv-avondje bij haar ouders was, zegt de onderwijzeres, zagen ze toevallig de uitzending over de kunstdiefstal die door de burgemeester van Gotha was aangezwengeld. Haar zus moet dus op zijn laatst toen, op de MDR, de zwart-witfoto’s van de schilderijen hebben gezien die ze in kleur uit het huis van haar ouders kende. Een paar jaar later zei haar zus een keer dat ze wat beter uit haar ogen moest kijken. Gewoon eens googelen naar ‘Gotha’, ‘kunstdiefstal’, ‘slot’. In ’s hemelsnaam, dacht de onderwijzeres toen ze de zoekresultaten zag.
Toen haar moeder in 2014 overleed en haar vader zorgbehoeftig werd, is hij in een huis bij haar in de buurt komen wonen, waar ze hem, omringd door zijn oude meesters, kon verzorgen. In die tijd heeft hij de wens uitgesproken dat de schilderijen teruggingen naar Gotha. Maar zolang hij leefde, wilde zij dat hij er plezier aan had. In 2018 overleed haar vader. En korte tijd later ging bij Kreuch, de burgemeester van Gotha, de telefoon.
Rudi, de man bij wie alles begon, is dan al twee jaar dood. Volgens de onderwijzeres is het contact met zijn familie in de loop der jaren verloren gegaan, vanwege zijn onbehouwen manieren en zijn radicale opvattingen. De hereniging met de gehate DDR heeft hij altijd als verraad van de Bondsrepubliek beschouwd.
Er is geen afdoend bewijs dat hij de inbraak in Slot Friedenstein heeft gepleegd, alleen of met medeplichtigen, wat wellicht het spoor dat het museum in leidde zou kunnen verklaren. Maar de politie gaat daar eigenlijk wel van uit. Ook omdat op de plaats delict in die decembernacht in 1979 een ongewoon model auto is gezien. Een AWZ P70 (een personenauto uit de Oost-Duitse Automobilwerk Zwickau). Dat was ook toen al een oldtimer, waar er maar weinig van geproduceerd waren. En Rudi’s vader had precies zo’n auto op zijn naam staan, ontdekt de recherche.
Een jaar na de diefstal getuigt iemand bij de Stasi dat hem oude ‘schilderijen van Rubens’ te koop zijn aangeboden. Door Rudi de machinist. De beschrijving van een van de werken past bij het Portret van een oude man. Waarom heeft de desbetreffende Stasi-agent toen het verband met Gotha niet gelegd? Waarom werd het proces-verbaal gewoon opgeborgen? Wellicht leidde de verzamelwoede van de Stasi tot haar eigen ondergang, omdat de berg materiaal, kort voor het systeem instortte, zo enorm was dat zelfs zulke belangrijke informatie teloorging.
Zijn cadeau
De rechercheur die in die decembernacht als eerste ter plaatse was, is nu 78. Gerd Schlegel woont alleen, in een klein rijtjeshuis in Bernau bij Berlijn. In zijn woonkamer hangen foto’s van het Slot in Gotha, historische en hedendaagse. Hij wilde de kleuren in het echt zien, dus is hij naar de persconferentie gegaan, op 20 januari 2020 in het hertogelijk museum in Gotha. Hij denkt met plezier terug aan die dag. Minister-president van Thüringen Bodo Ramelow was er, en natuurlijk ook burgemeester Kreuch, de held van Gotha.
Het hoofd van het Rathgen-Forschungslabor legde uit dat sommige toeschrijvingen uit het verleden tegenwoordig ter discussie staan: het landschap komt klaarblijkelijk uit het atelier van Brueghel en is niet van de hand van de meester zelf. Bij het zelfportret van Van Dyck gaat men tegenwoordig uit van een kopie door een onbekende hand. De Oude man wordt niet meer toegeschreven aan Jan Lievens, maar aan Ferdinand Bol, eveneens een leerling van Rembrandt. Het maakt Schlegel weinig uit. Ze zijn weer terug, dat is het voornaamste.
Hij gaat met de andere bezoekers naar boven, waar de schilderijen hangen. Als hij ze ziet is het ‘bijna of zijn benen onder hem worden weggeslagen’, zegt Schlegel met de zachte Thüringer-tongval. Hij was het geloof ‘deze schilderijen ooit nog concreet voor zich te zien’, bijna verloren. Op het moment dat hij het meest ontroerd is, gaat zijn Duits opeens over in de taal van een proces-verbaal.
Het eerste schilderij dat hij ziet, is het Portret van een jonge man. Vervolgens ziet hij dat de Oude man wat krasjes heeft opgelopen van het ruwe transport. En dat er op het landschap van Brueghel spatjes muurverf zitten. Hij ziet de sporen waar de kunst van getuigt, maar waar zijzelf zo veel mogelijk tegen moet worden beschermd: het echte leven, smerig en verwarrend.
Maar op dit moment kunnen die kleine mankementen hem niets schelen.
Auteur: Philipp Bovermann
Süddeutsche Zeitung
Duitsland | dagblad | oplage 372.000
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

