guillaume perigois 0NRkVddA2fw unsplash


Sinds het Europese corruptieschandaal van vorig jaar wil de Europese Commissie de richtlijnen voor parlementariërs én ngo’s aanscherpen. Niet alle ngo’s zijn blij met verscherpt toezicht, maar de enorme Brusselse ngo-sector moet transparantie zien als een kans om het vertrouwen van de burger te herstellen, schrijft journalist William Nattrass.

Na het Europese corruptieschandaal rond Qatar dat eind vorig jaar losbrak, gaat de discussie nu steeds meer over de mate waarin dit te wijten is aan de enorme Brusselse ngo-sector. Er gaan conservatieve stemmen op dat het nu hoog tijd is om strengere eisen aan ngo’s te stellen op het gebied van transparantie. Wie toch al sceptisch is over de bedoelingen van zulke organisaties, kan zich immers geen beter voorbeeld van hypocrisie wensen dan dat een organisatie met de naam Fight Impunity (‘Bestrijd straffeloosheid’) het middelpunt blijkt te zijn van een internationaal omkopingsnetwerk. Vanuit links wordt tegengeworpen dat een of twee rotte appels nu als excuus worden gebruikt om de hele mand verdacht te maken. Maar dat is niet alleen een zwak argument, het gaat ook voorbij aan de kansen die strengere voorschriften bieden.

In het licht van Qatargate probeert de Europese Commissie de eisen op het gebied van transparantie en verantwoording in deze sector nu te vergroten met nieuwe regelgeving over de inzage die ngo’s moeten geven in financiering afkomstig van buiten de EU. Maar de ngo’s komen meteen in het geweer tegen iedere poging nieuwe rapportageverplichtingen op te leggen. Daarbij wijzen ze erop dat de EU met twee maten meet. Nog maar enkele weken geleden spraken EU-politici immers hun zorgen uit over het Georgische wetsvoorstel dat organisaties en burgers die meer dan twintig procent van hun financiering uit het buitenland krijgen, zou verplichten om zich als ‘buitenlandse agent’ te laten registeren. En volgens verschillende organisaties zouden de plannen van de Commissie ook ngo’s in de EU kwetsbaar maken voor onderdrukking. Nick Aiossa, hoofd beleid en belangenbehartiging van Transparency International, zegt zich zorgen te maken dat strengere rapportage-eisen voor ngo’s ‘misbruikt zullen worden door extreemrechtse partijen, waarvan er al een paar aan de macht zijn. Orbán in Hongarije, Meloni in Italië, ik bedoel: dat zijn geen fans van ngo’s.’

Problematisch

Maar als argument tegen het EU-plan is dit problematisch. De bewering dat rechtse krachten misbruik zullen maken van deze nieuwe regelgeving, past in een verhaal waarin rechts wordt afgeschilderd als vijand van het maatschappelijk middenveld. En dat komt gevaarlijk dicht bij een partijpolitieke stellingname – iets waar elke niet-politieke organisatie die recht wil hebben op beïnvloeding van de beleidsvorming zich beter verre van kan houden. Daarbij is het nogal solipsistisch om te beweren dat strengere regelgeving voor ngo’s ondemocratisch is. De ngo’s maken een gevaarlijke denkfout als ze menen dat hun eigen vrijheid om zich aan toezicht te onttrekken de grondslag van democratie is. In een democratische samenleving zou het juist vanzelfsprekend moeten zijn dat er strenge transparantie-eisen gelden voor organisaties die invloed uitoefenen op het beleid.

Wel is het zo dat nieuwe regels niet zo’n grote druk op de organisaties mogen leggen dat het ngo’s met weinig financiering in hun functioneren belemmert. Uitgangspunt van strengere regelgeving zou het inzicht moeten zijn dat er een grote verscheidenheid aan ngo’s bestaat, en de erkenning dat die niet allemaal op dezelfde manier kunnen worden behandeld. De EU zou haar nieuwe transparantie-eisen dus moeten beperken tot dat kleine deel van de ngo’s dat over een mate van organisatorische steun beschikt die als politiek significant kan worden gezien. Het kan niet al te moeilijk zijn om de criteria daarvoor vast te stellen, aangezien de EU regelmatig ngo’s raadpleegt over beleidsvragen, rapportages over de stand van de rechtsstaat in de lidstaten en andere kwesties waarbij kritisch gekeken moet worden naar potentiële politieke voorkeuren of verborgen belangen van de adviseurs, of die nu afkomstig zijn van bronnen binnen of buiten de EU.

Bij organisaties die een actieve inbreng willen hebben in het beleid, doet het ertoe wat hun motieven zijn

De linkse fracties in de EU wijzen er graag op dat er in Brussel meer gelobbyd wordt door het bedrijfsleven dan door ngo’s – al hebben de ngo’s over het algemeen meer succes in het bereiken van hun beleidsdoelen. En ze verwijten de conservatieven dat zij ngo’s nu onevenredig zwaar onder vuur nemen om de aandacht af te leiden van de mate waarin het bedrijfsleven zijn stempel op het EU-beleid drukt. Maar als het om bescherming van de democratie gaat, slaat deze kritiek de plank mis. De doelstellingen van lobbyisten uit het bedrijfsleven zijn over het algemeen scherper omlijnd dan die van ngo’s, en het zijn geen doelen zoals de handhaving van democratische beginselen of bescherming van de mensenrechten, die vaak sterk gepolitiseerd raken. In sommige opzichten zijn commerciële belangen intrinsiek transparanter dan niet-commerciële. Niemand zal bijvoorbeeld denken dat lobbyisten van Meta of Google principieel belangeloos zijn in hun gesprekken met de EU – en dat wordt meegenomen in de beoordeling van hun beleidsadviezen.

Anderzijds is de gedachte dat het ontbreken van winstoogmerk een organisatie minder partijdig maakt juist een grondslag voor de invloed van de ngo-sector. Die gedachte gaat alleen voorbij aan de mogelijkheid dat bij gebrek aan commerciële belangen andere, minder doorzichtige motieven een rol kunnen gaan spelen – of het nu gaat om de ideologische prioriteiten van een rijke geldschieter, de gezamenlijke politieke opvattingen van de leden van een ngo, of simpelweg de verwerving en het behoud van politieke relevantie. Bij organisaties die een actieve inbreng willen hebben in het beleid, doet het ertoe wat hun motieven zijn. En al is het niet in het algemeen belang om hun rol aan banden te leggen, zeker na Qatargate moeten we er wel gerust op kunnen zijn dat die organisaties net zo open en transparant zijn in hun verantwoording als ze van de rest van de samenleving eisen.

Politiek getouwtrek

Dat is met name van cruciaal belang omdat ngo’s, of ze dat nu leuk vinden of niet, nu al onderwerp zijn geworden van politiek getouwtrek– zoals het verhitte debat tussen links en rechts over de consequenties van Qatargate wel laat zien. Populistische bewegingen schilderen ngo’s af als instrumenten van internationale partijen die nationale belangen dwarsbomen. Zij moedigen kiezers aan om ze te zien als partijdige actoren met een agenda die tegen de wensen van democratisch gekozen vertegenwoordigers indruist. Verzet tegen nieuwe transparantie-eisen zal sommigen alleen maar bevestigen in hun verdenking dat ngo’s vrij boven de Europese democratische instellingen willen zweven zonder verantwoording te hoeven afleggen.

Zo bezien biedt dit debat een kans: door strengere transparantieregels te omarmen kunnen ngo’s sceptische burgers misschien geruststellen, vooral in landen waar de argwaan groot is, zoals Hongarije en Italië. De ngo’s zouden de huidige voorstellen dus moeten zien als een gelegenheid om de kritiek van hun tegenstanders te ontkrachten. Maximale openheid, transparantie en verantwoording bieden ngo’s de kans om het vertrouwen onder burgers te herstellen, wat van vitaal belang is voor hun functioneren, en daarmee het functioneren van een gezonde democratische samenleving. Die kans moeten ze grijpen.

Lees ook:


Deel dit artikel


Recent verschenen