Patrick Chappatte is jarenlang vaste cartoonist geweest bij The New York Times. In dit essay betreurt hij de beslissing van de krant om te stoppen met spotprenten.
Mijn hele werkzame leven word ik gedreven door de overtuiging dat de unieke vrijheid om spotprenten te tekenen een grote verantwoordelijkheid met zich meebrengt. In de ruim twintig jaar waarin ik eerst twee keer per week een spotprent tekende voor de International Herald Tribune en daarna voor The New York Times (NYT), en nadat ik de OPC Award in die categorie had gewonnen, dacht ik dat het pleit ten gunste van politieke spotprenten was beslecht (in een krant die erom bekendstond daar vroeger niets van te moeten hebben gehad).
Maar toen gebeurde er iets. In april 2019 leidde een karikatuur van de Israëlische premier Netanyahu, afkomstig van een perssyndicaat en overgenomen in internationale edities van The New York Times, wereldwijd tot grote woede, tot excuses van de krant en tot de weigering om nog langer spotprenten van syndicaten af te nemen.
Vorige week liet mijn opdrachtgever weten met ingang van juli ook een einde te maken aan spotprenten uit eigen huis. Ik leg mijn pen met een zucht neer: dat zijn vele jaren werk die met één enkele spotprent ongedaan worden gemaakt, en dat door een prent die ik niet eens heb gemaakt en die nooit in de beste krant ter wereld had mogen verschijnen.
Ik ben bang dat het hier niet alleen gaat over spotprenten, maar over journalistiek en meningen in het algemeen. We leven in een wereld waarin zedenprekers en masse op social media van zich laten horen en vernietigend uithalen naar nieuwsredacties. Dat vraagt om een onmiddellijke reactie van uitgevers, waardoor er geen ruimte is voor contemplatie en betekenisvolle discussie. Twitter is het medium van de razernij, niet van het debat. De grootste heethoofden bepalen het gesprek, de woedende menigte loopt erachteraan.
Kracht van de spotprent
In de afgelopen jaren heb ik met de Cartooning for Peace Foundation, door tekenaars opgericht op initiatief van de Franse cartoonist Plantu en wijlen Kofi Annan – een fervent voorstander van spotprenten – en in het bestuur van de Association of American Editorial Cartoonists consequent gewaarschuwd voor de gevaren van zulk plotseling, meestal georganiseerd verzet dat alles op zijn pad vernietigt. Dat zulk verzet zich vooral tegen spotprenten richt, komt door de aard en de ruime verspreiding ervan: het zijn verpakte boodschappen, visuele sluipweggetjes die als geen ander de ziel raken. Dat is hun kracht maar ook hun zwakte. Ze kunnen bovendien iets diepers blootleggen. Vaak vormen de media waarin ze verschijnen het ware doel.
In 1995, toen ik ergens in de twintig was, verhuisde ik naar New York met een doldwaze droom: ik zou The New York Times ervan overtuigen politieke spotprenten te publiceren. Een artdirector zei: ‘Die hebben we nooit gehad en die zullen we nooit krijgen ook.’ Maar ik was koppig. Jarenlang maakte ik illustraties voor de opiniepagina en het Book Review-supplement van de NYT, waarna ik de in Parijs gevestigde International Herald Tribune (een joint venture van de NYT en The Washington Post) ertoe overhaalde een eigen cartoonist in dienst te nemen. In 2013, nadat de NYT de Herald Tribune had opgeslokt, was het zover: mijn werk verscheen op de website van de NYT, op haar social media en in de internationale edities.
In 2018 begonnen we ze te vertalen voor de Chinese en de Spaanse website van de krant. De papieren Amerikaanse editie was het laatste bastion dat werd veroverd. Ik was door de voordeur naar buiten gelopen, maar via het raam weer naar binnen geklauterd. En ik had bewezen dat die artdirector ongelijk had: The New York Times had wel degelijk zijn eigen politieke spotprent. Een bepaalde periode in de geschiedenis heeft de krant het in elk geval aangedurfd.
Samen met The Economist, met de uitmuntende KAL, vormde The New York Times een van de laatste podia voor internationale politieke spotprenten. Dat had zin, voor een Amerikaanse krant die zich wereldwijd wil laten gelden. Cartoons slechten grenzen. Wie laat keizer Erdogan anders zien dat hij geen kleren aanheeft als Turkse cartoonisten dat niet kunnen?
Een van hen, onze vriend Musa Kart, zit op dit moment in de gevangenis. Cartoonisten uit Venezuela, Nicaragua en Rusland zagen zich genoodzaakt in ballingschap te gaan. In de afgelopen jaren raakten een paar van de allerbeste cartoonisten in de VS, onder wie Nick Anderson en Rob Rogers, hun baan kwijt omdat hun redactie vond dat hun werk te kritisch was over president Trump.
Misschien moeten we ons zorgen beginnen te maken. En terugslaan. Politieke spotprenten werden tegelijk met de democratie geboren. En waar ze onder druk staan, staat de vrijheid onder druk.
Gek genoeg blijf ik optimistisch. Dit is het beeldtijdperk. In dit tijdsgewricht van de korte aandachtsspanne zijn spotprenten machtiger dan ooit. Er is een wereld vol mogelijkheden, niet alleen voor cartoons in kranten – bewegend of niet – maar ook op nieuwe terreinen, zoals geïllustreerde podiumpresentaties en lange striprapportages, waar ik me de afgelopen 25 jaar sterk voor heb gemaakt. (Ik ben trouwens blij dat ik met de serie Inside Death Row uit 2016 de deur bij de NYT voor dat genre heb opengezet. Het jaar daarna bezorgde een soortgelijke serie over Syrische vluchtelingen, van Jake Halpern en Michael Sloan, de krant een Pulitzerprijs.)
Het is ook een tijd waarin de media zichzelf opnieuw moeten uitvinden en een nieuw publiek moeten zien aan te boren. En waarin ze niet langer bang moeten zijn voor die woedende menigte. In de krankzinnige wereld waarin we leven is de kunst om visueel commentaar te leveren harder nodig dan ooit. Net als humor.
Auteur: Patrick Chappatte
Werd in 1967 in Pakistan geboren en maakt politieke tekeningen en reportages in stripvorm. Zijn werk verschijnt in Le Temps, de Neue Zürcher Zeitung, Der Spiegel en tot voor kort in The New York Times. Hij is de enige niet-Amerikaan die de prijs voor de politieke spotprent van de Overseas Press Club of America ontving, drie keer maar liefst (in 2011, 2015 en 2018). Samen met de Fransman Plantu richtte hij Cartooning for Peace op en maakt hij deel uit van het internationale netwerk met dezelfde naam, dat elke twee jaar een internationale prijs aan een tekenaar toekent om zijn of haar moed.
www.chappatte.com
Zwitserland | website
Patrick Chappatte maakt spotprenten voor het Duitse tijdschrift Der Spiegel, de Zwitserse kranten Le Temps en NZZ am Sonntag en het Franse weekblad Le Canard Enchaîné. Twintig jaar lang is hij cartoonist geweest voor de International Herald Tribune en The New York Times.

