Sommige investeerders beleggen nu al in antimalariamiddelen, anderen kopen landbouwgrond op waarvan de waarde zal pieken door de verwachte droogte en mondiale voedselcrisis. Bedrijven besteden eindelijk aandacht aan klimaatverandering – maar niet op de manier waarop we dat misschien zouden willen.
Later die ochtend stond een kapucijner-franciscaner monnik op om het woord te nemen. Michael Crosby behoorde tot een kleine kring religieuze leiders die aandelen in grote bedrijven kopen om er morele invloed op uit te kunnen oefenen. Tillerson, directeur van een van de grootste oliebedrijven ter wereld en een machtig man in de internationale geopolitiek, was gewend aan weerstand, maar Crosby bleek een tactischer opponent dan de meeste anderen. Hij diende een motie in met als doel een klimaatdeskundige een plek in de raad van bestuur van Exxon te geven, waarmee hij de aandacht enkele minuten lang op zich gericht wist. Daarna legde hij Tillerson het vuur na aan de schenen omdat die ‘met geen woord of zelfs maar lettergreep’ over klimaatverandering had gesproken. Crosby vroeg waarom Saoedi-Arabië in zonnepanelen investeerde, terwijl Exxon geen cent uitgaf. ‘U leeft in het verleden,’ voegde hij Tillerson toe.
Op de jaarvergadering van Exxon spreken de aanwezigen, net als bij de meeste andere meetings waar bedrijven belangrijke besluiten nemen, in eufemistisch bedrijfsjargon dat de werkelijkheid camoufleert. Vandaar dat het even duurde, in het auditorium dat plaats bood aan tweeduizend aanwezigen, voordat Crosby’s boodschap doordrong. Niks geen balanscijfers, hier ging het om het lot van de mensheid. De mondiale energieconsumptie neemt elk jaar met sprongen toe, volgens de Amerikaanse Energy Information Administration naar verwachting met opnieuw zo’n 28 procent in de komende generatie. Waterkracht, wind- en zonne-energie dragen ongeveer 22 procent bij aan het totaal, en het aandeel stijgt elk jaar. Maar de hoeveelheid energie die wordt opgewekt met koolwaterstoffen stijgt ook jaarlijks, en allemaal doordat de vraag toeneemt.
Mondiale producenten van koolwaterstoffen beschikken nog over enorme voorraden, zo veel dat zelfs wanneer de helft wordt verbrand de kans groot is dat we te maken krijgen met massale hongersnood, droogte, overstromingen en natuurbranden.
Vanaf zijn plaats onder het pijporgel keek Tillerson de broeder strak aan. ‘Of u het nu leuk vindt of niet,’ zei hij, de wereld zal ‘de komende decennia, tot halverwege de eeuw’, afhankelijk blijven van fossiele brandstoffen.
Dat was Tillersons standaardreactie wanneer mensen hem naar de toekomst van koolwaterstoffen vroegen: ze eraan herinneren hoe afhankelijk ze ervan waren en alternatieven afdoen als kinderlijke fantasieën. Tillerson zei dat de motie voor een klimaatexpert het niet zou halen. Toen hij over hernieuwbare brandstoffen begon, noemde hij die kansloos. ‘Om heel eerlijk te zijn, pater Crosby,’ zei hij, ‘gooien we ons geld liever niet expres over de balk.’ Het gehoor in het Symphony Center overlaadde hem met applaus.
Drie jaar later sprak Declan Flanagan, de Ierse directeur van Lincoln Clean Energy, een bedrijf voor hernieuwbare energie, in Kopenhagen zijn aandeelhouders toe en deed een cryptische aankondiging. Lincoln, zei hij, zou een zonnepark gaan bouwen in Permian Basin – het hart van het oliegebied in West-Texas – met geld van een ‘financieel degelijke partner, een bluechipbedrijf’. Terwijl Flanagan dat even tot de zaal liet doordringen, joeg hij er een uiteenzetting vol jargon over aangepaste wetgeving doorheen. Daarna keerde hij terug naar zijn hoofdboodschap. ‘Ik had het daarnet over dat bluechipbedrijf. Dat bedrijf is…’ zei hij met een zwaar Iers accent, ‘Exxon Mobil.’
In de tijd tussen de bijeenkomst van Exxon in Dallas en Flanagans aankondiging in Kopenhagen had de oliereus een nieuwe directeur aangesteld, nadat Tillerson als minister van Buitenlandse Zaken een uitstapje had gemaakt naar Washington. Exxon had zich echter niet bedacht, was niet radicaal anders gaan denken over koolwaterstoffen. Het was de directie net als ieder ander in de energiesector opgevallen dat de kosten van hernieuwbare energie maar bleven dalen in Texas, waar elektriciteit via een hoogspanningsnetwerk van de blik-kerende, winderige vlakten in het uiterste westen naar de behoeftige steden in het zuiden werd geleid. Exxon maakte zich allerminst zorgen, het rook juist een kans. Fracking is een energievretende methode om koolwaterstoffen te winnen. Door voor een deel van de bedrijfsvoering in Texas zonne-energie te gebruiken, kon Exxon de elektriciteitskosten drukken en hield het bedrijf meer geld over. Het kon winst maken door hernieuwbare energie te gebruiken om energie uit koolwaterstoffen te winnen, die nu juist moest worden vervangen.
Exxons werkwijze in Texas laat in het klein de verdeeldheid in de VS zien als het op de beste aanpak van klimaat-verandering aankomt. Afhankelijk van wie je ernaar vraagt bestaat klimaatverandering niet, is die een technische uitdaging, roept die op tot mondiale mobilisering of kan die eenvoudig worden opgelost door de vrije markt een duwtje in de juiste richting te geven. Bij gebrek aan een samenhangende strategie zien opportunisten hun kans schoon en profiteren ze sluw van het veranderende beeld. Gesubsidieerde hernieuwbare energie leidt tot sluiting van kolencentrales, maar draagt ook bij aan oliewinning. De technologie schrijdt voort, maar het onderliggende systeem niet. In het veranderlijke, chaotische klimaat doet het waar het goed in is: streven naar winst op korte termijn.
Winst maken
In tegenstelling tot bijna elke andere mogelijke toekomstige verandering zal het klimaat met 100 procent zekerheid veranderen. Verder weten we niets: niet wat dat precies gaat betekenen – en waar en wanneer – voor Facebook, Pfizer of Chinese schatkistpapieren.
Je weg vinden in dat complexe woud is iets waar Wall Street in uitblinkt; de financiële sector gaat er zelfs prat op dat hij een prijskaartje kan hangen aan de risico’s voor de economie als geheel door de waarde van bedrijven te bepalen op basis van de mate van waarschijnlijkheid waarmee ze inkomsten zullen genereren. Maar het salaris van beurshandelaren hangt af van hun kwartaal- of jaarprestaties, niet van hun (ver) vooruitziende blik. Er is lef voor nodig om bij je baas binnen te lopen en een verhaal te beginnen over de zeespiegelstijging in Mozambique in 2030 terwijl je collega van plan is komende week de Turkse lira te shortsellen. Bijna niemand in de financiële wereld wordt geprikkeld om zich op korte termijn druk te maken over het grootst denkbare risico.
Halverwege deze eeuw zal het zuidwesten van de Verenigde Staten waarschijnlijk een tropisch klimaat hebben, dat niet langer ideaal is voor perzikbomen, maar wel voor de ziekten overbrengende gelekoortsmug
De simpelste manier om op klimaatverandering te reageren is doorgaan met investeren in bedrijven die, zoals Exxon, blijven doen wat ze doen en zich zo nodig aanpassen. Een andere manier is niet op de korte termijn te denken en in te zetten op duurzaamheid. Zo doodt Al Gore de tijd met het bestieren van een klimaatinvesteringsfonds, Generation Investment Management. Op grotere schaal heb je de grote banken en beleggingsmaatschappijen, die conservatief investeren, maar aan ‘klimaatanalyse’ doen om te kijken waar zich in een portfolio een probleem zou kunnen voordoen, zoals een nutsbedrijf dat door een bosbrand failliet zou kunnen gaan.
Andere strategieën zijn een stuk slimmer. Voor de accu’s van elektrische voertuigen en groene elektriciteits-netwerken zijn kostbare mineralen en metalen nodig. De prijzen van nikkel en kobalt fluctueren op grondstoffenbeurzen met percentages in de dubbele cijfers, terwijl investeerders een oogje houden op de aandelen in lithiummijnen. Strategen van Merrill Lynch die anticiperen op toekomstige voedsel-crises, adviseren cliënten om aandelen in zogeheten vertical farms en ‘slimme hydrocultuur’ te kopen. Omdat ze ook anticiperen op watertekorten, raden ze aan om te investeren in Chinese bedrijven die afvalwater zuiveren.
Naarmate de aarde verder opwarmt, wordt de lucht ijler. In juni 2017 hielden luchtvaartmaatschappijen in Phoenix meerdere toestellen aan de grond omdat de vleugels bij een temperatuur van 47 graden niet genoeg draagvermogen konden genereren. Vanuit het idee dat er wel vaker een dag met zulke hoge temperaturen zal komen, bouwen vliegtuigmotorfabrikanten zoals MTU Aero Engines en Rolls-Royce lichtgewichtversies van hun machines.
In Australië wacht een agroconglomeraat af totdat familiebedrijven door de droogte hun deuren moeten sluiten om hun land vervolgens voor een prikje op te kopen. Onder zulke droge omstandigheden ‘zien we meer kansen dan anders’, zoals de directeur van het bedrijf vorig jaar zei tegen The Australian Financial Review. Een makelaar in Dallas vertelde aan een journalist van Bloomberg dat hij vlak voor orkaan Harvey hotels had opgekocht om te profiteren van de behoefte aan huisvesting op korte termijn en 25 tot 30 procent winst had gemaakt. Het financiële fonds van Harvard University heeft midden in een lange droge periode wijngaarden in Californië opgekocht, inclusief de waterrechten.
Halverwege deze eeuw zal het zuidwesten van de Verenigde Staten waarschijnlijk een tropisch klimaat hebben, dat niet langer ideaal is voor perzikbomen, maar wel voor de ziekten overbrengende gelekoortsmug . Sommige investeerders denken op de lange termijn en kopen nu al aandelen in bedrijven die onderzoek doen naar vaccins tegen dengue en het zikavirus. Eén vermogensbeheerder zei dat hij op de hoogte was van verschillende ‘zikastrategieën’. Farmaceutische bedrijven verwachten een aanhoudende vraag naar antimalariamiddelen, waarvan de afzetmarkt doorgaans alleen uit arme landen bestaat. Nu kunnen ze uitzien naar markten in rijke landen. In Miami, waar de gegoede buurten dicht bij het water liggen, waarschuwen onderzoekers voor een ‘algehele verhuisgolf’, zodat de vlucht vanaf de kust zal leiden tot ‘gentrificatie van hoger gelegen wijken’, zoals Little Haiti. Eén onderzoek waarschuwt al dat speculanten ‘rekening houden met een geleidelijke uittocht uit Zuid-Florida’ naar het midden en noorden van de staat. Op Groenland kopen mijnbouwbedrijven rechten op land op dat eerst nog waardeloos was, om mineralen te kunnen winnen die binnenkort dankzij het smeltende ijs aan de oppervlakte zullen komen. Behalve uranium en molybdeen – een zilverkleurig metaal dat wordt gebruikt in staallegeringen – verwachten de bedrijven ook rijke olievoorraden te zullen vinden.
Bijziend
De strijd om Groenland is beschreven door McKenzie Funk, wiens boek Windfall uit 2014 een beeld schetst van de eerste generatie klimaatwoekeraars. Daarin wemelt het van louche speculanten. Een Londens ‘klimaatveranderingsfonds’ investeert in Russische landbouwgrond, waarvan de waarde naar verwachting zal gaan pieken dankzij ‘de door droogte veroorzaakte mondiale voedselcrisis’. Een voormalige partner van verzekeringsmaatschappij AIG die op hetzelfde paard wedt, vliegt naar Soedan om met een generaal van de opstandelingen een deal te sluiten over het leasen van landbouwgrond. Een voormalige CIA-analist koopt ‘miljarden liters water’ in Australië en het zuidwesten van Amerika op. Een Israëlische zakenman investeert op de lange termijn in ontziltingscentrales (waarvan sommige op kolen draaien, merkt Funk op).
Het gekke van veel van die klimaatspeculaties, die gebaseerd zijn op ingewikkelde aannames over de toekomst, is dat ze zo bijziend zijn. Ze gaan ervan uit dat de wereld zal veranderen, behalve op één stabiel, vast punt. Het weer in Amerika wordt zo extreem dat Tennessee een broedplaats zal worden voor malaria, maar banken op Wall Street en octrooi-juristen doen alsof er niets aan de hand is. De stijgende zeespiegel zal aan de kust gelegen financiële centra onder enkele meters zeewater zetten, maar op de grondstoffenmarkt gaat Groenlands uranium voor grove bedragen van de hand. Afzonderlijk beschouwd klinken die aannames dubieus. Maar als geheel genomen weerspiegelen ze wat er op Wall Street gaande is. Elk jaar is de temperatuur weer hoger dan het vorige, maar op de aandelenmarkt wordt record na record gebroken.
Het verontrustende is dat sommigen van degenen op Wall Street die eerder de huizenbubbel voorspelden nu hinten op een heel andere bubbel. En als die uiteenspat, verbleekt de finan-ciële crisis van 2008 erbij. De beroemdste waarzegger is misschien wel Jeremy Grantham, oprichter van vermogensbeheerder GMO uit Boston. In 2005 schreef de door de Britse koningin onderscheiden Grantham brieven aan investeerders met de mededeling dat de huizenmarkt waarschijnlijk op enorme schulden dreef. In 2007 waarschuwde hij voor ‘de eerste echt wereldwijde bubbel’. Zijn meest recente voorspelling stelt de vorige in de schaduw. Volgens hem bevinden we ons in een historische periode van onderschatting. Omdat de wereldeconomie op koolwaterstoffen draait, houdt elk bezit op de wereld op de een of andere manier verband met olie en gas. Grantham denkt dat de prijs of de wetgeving koolwaterstoffen fataal zullen worden. Dat zou betekenen dat niet alleen de olievoorraad, maar wat er verder ook maar op de markt te koop is in feite zwaar inflatoir is.
De afgelopen twee jaar heeft Grantham op 2 procent na zijn hele privévermogen in projecten gestopt die ons zouden kunnen redden wanneer de aarde 2 graden zal zijn opgewarmd: energieopslag, pesticiden, lichtgewichtauto’s. In juni 2018 was hij de belangrijkste spreker op een investeringscongres in Chicago. De titels van de twee toespraken vóór de zijne stonden vol investeringsjargon voor de incrowd, de zijne luidde: ‘De race van ons leven’.
‘Je zou deze presentatie het verhaal over het verband tussen homo sapiens en kooldioxide kunnen noemen,’ zo begon hij. Daarna sprak hij bijna een uur lang over smeltende gletsjers, voedselschaarste en lithiumaccu’s. Hij legde uit dat tussen de efficiëntie van een windmolen en de lengte van de rotorbladen een exponentieel verband bestaat. Hij zei dat windparken voor de kust in de Noordzee misschien weleens de goedkoopste energie ter wereld zouden kunnen leveren. Zijn toespraak bereikte een techno-utopisch hoogtepunt toen hij kwam te spreken over de verantwoordelijkheid voor onze kleinkinderen, over fatsoenlijke winsten. Zelfs toen hij lucide over klimaatverandering sprak, was Grantham één grote paradox. Hij bevond zich aan de top van de markt, maar besefte tegelijkertijd scherp dat die markt niet in staat was zich te verhouden tot het probleem dat hem het meest bezighield. En toch bleef hij een bedrijf met een waarde van 70 miljard dollar adviseren, zijn voornaamste bron van inkomsten. Als er iemand worstelde met de tegenstellingen tussen markt en klimaat – tussen onze moderne markteconomie en de uiterste prijs die we daarvoor betalen – dan was het volgens mij Grantham wel.
‘Bullsh**’
Ongewisse wereld
Toen ik om kwart voor negen ’s ochtends in de chique wijk Beacon Hill in Boston op de deur van Granthams herenhuis klopte, zwaaide de deur open en verscheen hij op de trap, 80 jaar oud, schalks en met een donkerpaarse trui op een roze met groen gestreept overhemd. ‘Heb je lang moeten wachten?’ vroeg hij. Ik liep achter hem aan naar de woonkamer op de eerste verdieping, waar het winterse licht door het erkerraam op een handbeschilderde zeventiende-eeuwse Hollandse slee viel. Grantham nam mijn jas aan en liet me plaatsnemen op de bank. Af en toe siste er achter me ergens een verwarmingsbuis.
Toen Grantham in 1997 zijn klimaat-investeringsfonds oprichtte, de Grantham Foundation, beschouwden veel vermogensbeheerders op Wall Street zijn initiatief als een randverschijnsel. ‘Men dacht bij zichzelf: wát een bullsh**!’ zei Grantham. In de afgelopen twee jaar heeft een reeks orkanen, overstromingen, droogteperiodes en aardverschuivingen het echter onmogelijk gemaakt de klimaatverandering zo glashard te blijven ontkennen als gebruikelijk is in de kringen van het bedrijfsleven waar Wall Street zich op richt. Dat wil niet zeggen dat op het klimaat gerichte investeringsstrategieën populair zijn geworden. Integendeel: niemand was bereid zijn carrière voor het klimaat in de waagschaal te stellen, aldus Grantham.
‘Het is natuurlijk heel moeilijk om het goed te doen,’ zei Grantham over inzetten op klimaatverandering. ‘Het gaat allemaal ontzettend snel en is nog ongewisser dan de toch al ongewisse wereld. Ongewisser krijg je het niet.’
Granthams investeringsfonds zet op de lange termijn in op lithium en koper, die volgens hem het vaatstelsel vormen van het toekomstige, door schone energie gevoede elektriciteitsnetwerk. Hij weet dat zo zeker door zijn ietwat merkwaardige overtuiging dat er ‘vroeg of laat een koolstoftax komt’, waardoor een groot deel van de waarde van de grote olie- en gasbedrijven verdampt. ‘Er is één zekerheid,’ zei hij, ‘en dat is dat het zal gebeuren. Anders is onze samenleving ten dode opgeschreven.’
Het duurde even voordat tot me doordrong wat dat betekent. Grantham zei dat aan speculeren op een toekomstige koolstoftax geen risico verbonden was omdat zonder zo’n taks de beschaving ten onder zou gaan. Als hij gelijk had, kon hij miljarden verdienen. Als hij ernaast zat, zou het toch niet uitmaken, want dan zou de wereld in brand staan. ‘Geen speld tussen te krijgen,’ zei Grantham, terwijl de oude radiatoren borrelden.
De spanning tussen het individu en de soort raakt aan de kern van het kapitalisme
Als het allemaal zo logisch was, waarom zag niemand anders dat dan in? Op Wall Street wordt vaak beweerd dat de prijzen op de aandelenmarkt alle beschikbare informatie weerspiegelen, een idee dat bekendstaat als ‘de theorie van de efficiënte markt’. Dat idee domineert de financiële sector al een halve eeuw. Als echt onomstotelijk zou vaststaan dat de koolstofbubbel op barsten staat, dan zou dat volgens die theorie uit de prijzen moeten blijken. Met andere woorden: dan zou Grantham zich niet in de voorhoede bevinden en zou zijn bewering nergens op slaan.
‘Ze beweren dat alles in de prijs is verdisconteerd,’ probeerde ik voorzichtig.
‘Bullsh**,’ zei Grantham. Waarna hij aan een gedetailleerde uiteenzetting begon waaróm het flauwekul was. Daartoe vatte hij eerst de theorie van John Maynard Keynes over carrière-risico’s samen: ‘Voor je reputatie is het beter om conventioneel te mislukken dan onconventioneel te slagen.’ Daarna keerde hij terug naar het Wall Street van nu, waar vermogensbeheerders vanwege eigenbelang op korte termijn of regelrechte ontkenning bang zijn om hun nek uit te steken door in te zetten op klimaatthema’s. De theorie van de efficiënte markt hapert bij dergelijk irrationeel gedrag. ‘Het is bullsh** omdat mensen incompetent zijn,’ ging Grantham verder, ‘het is bullsh** omdat…’
Rond een uur of tien ging zijn mobiele telefoon en zei een vrouwenstem: ‘Jeremy, je moet naar je volgende afspraak.’
Heel even zag Grantham er bijna bedroefd uit. Hij hield mijn jas voor me op. Daarna stormde hij naar beneden en naar buiten, de sneeuw in.
1100 oliebronnen
De toekomstige locatie van het zonnepark dat Lincoln Clean Energy voor Exxon bouwt, Permian Basin, is heuvelachtig en semi-aride, met witte kalkwegen die naar boortorens lopen en met in het donker hier en daar een vlam van afgefakkeld gas. Soms, wanneer de wind aantrekt, ruikt het op de snelweg naar zwavel. In de afgelopen jaren is Permian Basin uitgegroeid tot het productiefste olie- en gasveld van de Verenigde Staten doordat compacte schalie dankzij ontwikkelingen op het gebied van horizontaal boren en frackingtechnologie beter kan worden vergruisd. Exxon, Chevron en vergelijkbare bedrijven hebben daardoor toegang tot aardgas en olie waar ze eerst niet bij konden, organisch materiaal dat zo’n 200 miljoen jaar geleden in de oceaan is neergeslagen. Als Permian Basin een land zou zijn, dan zou het tot de grootste oliestaten ter wereld behoren.
Elk cliché over olierijkdom is van toepassing op Permian Basin: achttienjarigen die als vrachtwagenchauffeur een salaris van zes cijfers verdienen, gepromoveerde petrochemici die in man-camps wonen, veel te dure scholen en artsen. De werkloosheid in Midland, waar de oliebedrijven van Permian hun hoofdkwartier hebben, schommelde afgelopen winter rond de 2,2 procent, het op drie na laagste cijfer in Amerikaanse grote steden. Maar wat er in het landschap het meeste uitspringt, is niet de boorinfrastructuur. Want fracken gebeurt onder de grond, in kilometerslange tunnels van een centimeter of twintig doorsnee, met maar één boorput. Daarentegen kun je je ogen niet afhouden van de windturbines, die in sommige gewesten in elk stuk boerenland op elkaar lijken te zijn geperst. Texas genereert meer windenergie dan welke andere Amerikaanse staat ook, vier keer zoveel als de nummer 2, Californië.
Het elektriciteitsnet van Texas boezemt ontzag in. Elke 5 minuten, 24 uur per dag, rekent de Electric Reliability Council of Texas (ercot) uit welke bron de goedkoopste stroom levert, waarna die met de weg van de minste weerstand naar de klant gaat. Vanuit het perspectief van ercot bezien maakt het niet uit of die stroom afkomstig is van een zonnepark of van kolen, noch of die geleverd wordt aan een kas dan wel een boorinstallatie.
Afgelopen april verbruikte Texas ongeveer 25,7 miljoen megawatt stroom. 62 procent daarvan was afkomstig van koolwaterstoffen en 27 procent van wind- en zonne-energie. De elektriciteit van al die energiebronnen stroomt naar het ercot-netwerk als de zijrivieren naar een hoofdrivier. Hoewel de deal van Exxon met Lincoln een van de duidelijkste voorbeelden is van een bedrijf in fossiele brandstoffen dat hernieuwbare energie gebruikt, doen alle grote olie- en gasbedrijven dat bewust of onbewust, want het hele elektriciteitsnetwerk is erop toegerust. In 2017 steeg de vraag naar elektriciteit in West-Texas met 8 procent, vergeleken met de 1 procent van de staat als geheel. Warren Lasher, hoofd systeemplanning bij ercot, zei dat het grootste deel van die stijging kan worden toegeschreven aan de olie- en gaswinning.
Frosty Gilliam, eigenaar van een onafhankelijk oliebedrijf in Permian Basin, verwelkomde me in de receptie van zijn kantoor langs een verlaten stuk snelweg in Odessa, Texas, en troonde me mee naar een vergaderzaal in wat hij ‘Toscaanse stijl’ noemde, met marmer, stucwerk en antieke lampen. Aan de overkant van de donkere, gewreven tafel zag Gilliam er met zijn glimmende ogen en korte witte haar klein en afstandelijk uit.
Gilliam groeide op in het westen van Texas en studeerde ten tijde van de oliehausse in de jaren tachtig aan Texas A&M University af als petrochemisch ingenieur. Hij vond al snel werk bij Amoco, het uit Standard Oil van John D. Rockefeller voortgekomen olieconglomeraat. Eind jaren tachtig begon hij, zoals zoveel kleine onder-nemers in de olie-en-gasindustrie in Texas, een bedrijf dat langzaamaan winningsrechten opkocht. Zijn bedrijf, Aghorn Energy, bezit nu 1100 oliebronnen in Permian Basin, waarmee hij een relatieve lichtgewicht is.
Het ging er hartelijk aan toe en ik aarzelde of ik de vraag zou stellen die de sfeer zou bederven, maar na een halfuur vroeg ik Gilliam hoe hij over klimaatverandering dacht. Veertien seconden lang keek hij me strak over de tafel aan, met het begin van een grijns op zijn gezicht.
‘Nu luis je me er zeker in en krijg ik straks een berg hatemail,’ antwoordde hij. Persoonlijk vond hij klimaatverandering niet zo belangrijk. Volgens hem waren de data die hij over de stijging van de zeespiegel en verzengende temperaturen had gezien om politieke redenen vervalst of gemanipuleerd. Gilliam wist dat veel grote gas- en oliebedrijven in hernieuwbare energie investeerden en bezag die strategie met scepsis. ‘De politiek correcte weg is: “We laten de productie van groene energie met 10 procent per jaar groeien.” Oké. Maar in werkelijkheid verkopen ze wél olie en gas, snap je?’
Collectief
Lange tijd sprak Gilliam in de eerste persoon en gaf hij zijn persoonlijke mening. Maar aan het einde van het gesprek schakelde hij over op een collectief ‘wij’ om de reactie te vertolken die iemand ten deel zou vallen die zich in West-Texas in een Tesla durfde te vertonen. ‘We zouden je niet met pek en veren wegdragen,’ zei hij. ‘We zouden alleen maar denken: oké, hij vindt dat nu eenmaal, maar wij denken dat er geen probleem is.’
De spanning tussen het individu en de soort, tussen Gilliam en de ‘wij’, raakt aan de kern van het kapitalisme, en dat is altijd al zo geweest. Een begrip uit de economie is de Lauderdale-paradox, die aan het begin van de negentiende eeuw werd geformuleerd door de Schotse politicus James Maitland. Volgens die theorie schat het kapitalisme natuurlijke hulpbronnen, zoals lucht, water en grond, structureel te laag in omdat er zoveel van is, en heeft het juist te veel waardering voor wat privaat en schaars is. Een vat olie kost zo’n 50 euro, maar de uitstoot die het veroorzaakt vind je op geen enkele balans terug.
In de tijd waarin de paradox werd geformuleerd, maakte de Engelse industrie de overstap van water naar kolen, een langdurig proces vol strijd. Dankzij de kolen konden fabriekseigenaren hun fabrieken in steden neerzetten, waar de lonen lager waren, en hun machines permanent laten draaien. In kranten en privégenootschappen voerden politici en journalisten een verhit debat over de voordelen van beide energiebronnen. Engeland balanceerde tientallen jaren op het randje tussen twee mogelijke toekomsten totdat de agressievere fabriekseigenaren in steden op koolwaterstoffen overstapten, aldus Andreas Malm in Fossil Capital, een geschiedenis van de vroege industrialisering. Op die manier tegen een probleem aankijken, als een economische uitkomst in plaats van een onverbiddelijk lot of het resultaat van een tekortkoming in de menselijke aard, is uiterst cru, maar heeft ook iets optimistisch. Het ene stelsel kan een tijdlang overheersen, waarna het wordt verdrongen door een ander, dat ongemerkt is komen aansluipen.
Op een hoek van Gilliams vergadertafel lag een landkaart uitgespreid met bruinleren gewichten op de hoeken: een overzicht van een plan voor exploitatie waar Gilliam een belang in had en dat mogelijk goed was voor een paar honderdduizend vaten olie. ‘Voorlopig & vertrouwelijk’ stond er in rode inkt onderin op gestempeld. De kaart vertoonde de gebruikelijke koolwaterstofinfrastructuur, zoals boorlocaties en grote opslagtanks, weergegeven in blauw-met-gele rechthoeken. Er was echter een schaakbordpatroon over dat alles heen gearceerd, dat de bijna vijftien vierkante kilometer in keurige, gelijkmatige vierkanten verdeelde. Ik vroeg Gilliam wat het was. ‘Een zonnepark,’ zei hij terloops.
Auteur: Jesse Barron

