In West-Papoea maakt het Indonesische leger jacht op rebellen die voor onafhankelijkheid strijden. Het gebied speelt een sleutelrol in de tweede ambtstermijn van president Joko Widodo.
Het district Yigi ligt er doods bij. Op deze 31ste maart is er geen enkel levensteken in deze noordelijke regio van het kanton Nduga in Papoea-Nieuw-Guinea. De honai [traditionele Papoeahutten) zijn verlaten, de velden uitgestorven. Geen bewoner te zien. Zelfs geen varken of kip. Yigi ligt aan de frontlinie tussen enerzijds de Indonesische strijdkrachten en politie en anderzijds de rebellen van het Nationale Bevrijdingsleger van West-Papoea (TPNPB) onder bevel van Egianus Kogeya. Op de heuvel vanwaar de toegang tot Yigi kan worden bewaakt zijn tientallen Indonesische militairen gelegerd in vier barakken die het eigendom zijn van PT Istaka Karya, het staatsbedrijf dat de Trans-Papoeaweg in Nduga aanlegt. Op de top wappert een rood-witte vlag, de kleuren van Indonesië. Vanaf deze hoogte kunnen ze vrijwel de hele regio Yigi overzien. ‘De bewoners hebben het district al lang geleden verlaten,’ zegt luitenant Deddy Santoso, die het bevel over de wachtpost voert.
Op 1 december 2018 hebben de gewapende onafhankelijkheidsstrijders van Egianus arbeiders van het bedrijf Istaka Karya ontvoerd vanaf de bouwplaats. De volgende dag hebben ze hen meegenomen naar de Tabotberg, op ongeveer drie kilometer van Yigi, waar ze zeventien van hen hebben afgeslacht. Het bloedbad zou zijn aangericht omdat de arbeiders niet aan een bevel van de rebellen hadden gehoorzaamd. Die hadden hen gesommeerd de regio te verlaten een week voordat het TPNPB op 1 december de onafhankelijkheid van Papoea-Nieuw-Guinea zou herdenken. TPNPB-strijders hebben eveneens vier arbeiders achtervolgd die hadden weten te ontkomen naar de post van het Indonesische leger in het district Mbua, op ongeveer twee kilometer van de Tabotberg. Op 3 december hebben de strijdende partijen elkaar van de ochtend tot de avond beschoten. De coördinator van het evangelische Papoea-kerkgenootschap Kingmi in de regio Nduga, dominee Nathaniel Tabuni, vertelt dat hij zich toen in allerijl naar het midden van het slagveld heeft begeven. Door met een vlag van de kerk te zwaaien hoopte hij de groep van Egianus en het nationale Indonesische leger ertoe te bewegen hun vijandelijkheden te staken. ‘Als reactie werd er een speer naar me geworpen,’ zegt hij.
Tijdens de schermutselingen is een Indonesische militair gesneuveld. De volgende dag zijn Indonesische soldaten en politiemensen Mbua binnengevallen om het lijk af te voeren en de mannen van Egianus net zolang te achtervolgen tot ze zich terugtrokken in de richting van Yigi. Op de weg die vanaf de Tabotberg omlaagloopt en het bos doorkruist, kun je nog enorme omgehakte boomstammen zien liggen die door de onafhankelijkheidsstrijders zijn gebruikt om de voertuigen van het Indonesische leger de weg te versperren.
En nu, eind maart 2019, is het district Yigi nog steeds niet onder controle van het Indonesische leger. ‘Afgelopen week zaten daar een stuk of vijf gewapende mannen,’ vertelt luitenant Deddy Santoso terwijl hij in de richting van een hut op twee kilometer van zijn post wijst. Niet ver van deze hut zie je het kamp van het bedrijf Istaka Karya liggen. Zware machines staan werkloos tussen het onkruid. IJzeren bewapening verroest, kabels rotten weg in containers. Langs de kant van de weg liggen betonblokken opgehoopt. Sinds het conflict in december 2018 is uitgebroken is de bouw van nieuwe infrastructuur in deze regio tot stilstand gekomen, met name de Trans-Papoeaweg, die het oosten van de provincie met het westen moet verbinden, een van de vlaggenschipprojecten van president Joko Widodo.
In feite maakt het leger al sinds eind juni 2018 jacht op de mannen van Egianus Kogeya. Ze worden er door de politie van beschuldigd begin oktober 2018 in Mapenduma verscheidene onderwijzers en gezondheidswerkers te hebben gegijzeld en een onderwijzeres te hebben verkracht.
Volgens een neef van Egianus is de verkrachter geen lid van de betreffende groep.
De commandant van het bataljon van Nduga, majoor Deri Indrawan, legt uit dat de Tabotberg het toevluchtsoord van Egianus en zijn mannen is geworden. Vandaar kunnen ze van de ene regio naar de andere trekken. De berg, die vaak door mist aan het oog wordt onttrokken, is 2800 meter hoog. Hij verbindt Yigi en Mbua. ‘We hebben de Tabot inmiddels veroverd, maar we hebben er nog geen post ingericht,’ licht majoor Indrawan toe.
Volgens kolonel Binsar, chef van het operationele commando, proberen leger en politie de bewegingsvrijheid van Egianus en zijn mannen te beperken, ook door hun de toegang tot de logistiek en de munitie vanuit de stad Wamena te beletten. In Napua, in de buurt van Wamena, controleert het leger alle voertuigen richting Mbua en Yigi. In de districten Mapenduma en Mugi zijn ordetroepen gestationeerd. Begin maart zijn drie commando’s gesneuveld tijdens een treffen met de mannen van Egianus. Sebby Sambom, woordvoerder van het TPNPB, bevestigt dat zijn manschappen vijf mannen van het Indonesische leger hebben gedood en vier geweren hebben buitgemaakt. En half maart is een soldaat van de mobiele brigade gedood op de luchthaven van Mugi terwijl hij toezicht hield op het uitladen van logistiek materieel.
Radio
Ondanks het conflict tussen de ordetroepen en de mannen van Egianus communiceren de twee kampen soms via de radio. Luitenant Deddy Santoso vertelt over een gesprek dat zich ontspon tussen de groep van Egianus en de soldaten. Volgens Deddy legde een van de rebellen aan een militair de redenen uit waarom ze wilden dat Papoea onafhankelijk werd. Daarna had de militair gezegd: ‘Nou, laat Egianus dan naar beneden komen, dan drinken we samen een kop koffie.’ Waarop de stem aan de andere kant van de radiogolf antwoordde: ‘Ach, daar heb ik de puf niet voor…’
Anders dan in het district Yigi begint in Mbua het leven weer normaal te worden. Tempo was getuige van de terugkeer van bewoners naar hun dorp, ook al leven sommigen nog als vluchteling in verschillende regio’s.
Op maandag 1 april liet een oma haar varkens grazen in de buurt van een landingsbaan. Diezelfde dag namen zes leerlingen van de protestantse school Firdaus deel aan de nationale examens. ‘Hier is de situatie weer veilig,’ bevestigt Ut Lokbere, de directeur van de school. Uts dochter Natalia, die naar Wamena was gevlucht, erkent dat ze nog getraumatiseerd is. Twee van de drie inwoners die zijn gedood tijdens de schermutselingen tussen het leger en het TPNPB waren leerlingen van haar school. Kolonel Binsar bevestigt dat er burgers zijn omgekomen bij de aanval op 4 december 2018. Volgens hem maakten ze deel uit van de groep die de legerpost aanviel. ‘Dorpelingen uit Mbua hebben deelgenomen aan de aanval. Als iemand een wapen draagt en tot de aanval overgaat, is het legitiem om op hem te schieten,’ licht de kolonel toe.
De militairen proberen op betere voet met de lokale bevolking te komen. Zo gaat kolonel Binsar vaak naar Mbua. Samen met dominee Nathaniel Tabuni heeft hij al twee keer een plechtigheid met ‘geroosterde stenen’ georganiseerd, de traditionele Papoease bereidingswijze van knolgewassen, kip en varken die onder gloeiend hete stenen worden begraven. Maar desondanks wil de dominee dat het leger zijn regio verlaat. Ook al is de situatie gekalmeerd, toch zijn veel bewoners volgens hem bang voor de aanwezigheid van het leger en de politie. De dominee verzekert dat de mannen van Egianus ook niet meer welkom zijn in Mbua. ‘Ik wil geen bloed meer zien vloeien in Nduga,’ zegt hij.
Auteur: Stefanus Pramono
Tempo
Indonesië | weekblad | oplage 100.000
Het blad is in 1971 gelanceerd door Grafiti Pers om het Indonesische publiek een nieuwe informatiebron te verschaffen die het nieuws op een ongedwongen manier analyseerde en uiteenlopende meningen respecteerde, iets wat onder de dictatuur verboden was. Het blad publiceert grote reportages en gedegen analyses van sociale en politieke kwesties. De site verschijnt inmiddels in drie talen: Indonesisch, Engels en Japans.

