Vanaf het moment dat Donald Trump tot president van de Verenigde Staten is verkozen, vrezen internationale commentatoren het eind van de ‘trans-Atlantische relatie’. Madeleine Schwartz toont in dit artikel aan dat het trans-Atlantisch bondgenootschap sowieso niet meer dan een handige mythe was.
Als je de krantenkoppen op hun woord zou geloven, zou je denken dat de westerse wereld in een vrije val is beland. Tientallen tijdschriftartikelen, opiniepagina’s en blogposts vertellen je dat de orde van na de Tweede Wereldoorlog – van D-day tot gisteren – is gebouwd door Amerikanen en Europeanen die de idealen van vrede, vrijheid en democratie deelden. Het systeem werkte goed totdat Donald Trump langskwam en het met de grond gelijk maakte alsof hij de fundamenten voor een nieuw casino legde.
Deze veronderstelde crisis is misschien het belangrijkste wat de pers in de Verenigde Staten en Europa bindt. ‘Is de trans-Atlantische relatie dood?’ vroeg The New York Times in januari 2018. Een paar weken later klonk de krant al veel beslister: ‘De orde van na de Tweede Wereldoorlog wordt belaagd door de mogendheden die haar hebben opgebouwd.’ In Duitsland, het hart van het Europees-Amerikaanse bondgenootschap, wordt over weinig anders gesproken als het om buitenlandbeleid gaat. Een cover van het Duitse weekblad Der Spiegel toonde [vorig jaar] een hand die de middelvinger opsteekt, waarbij de vinger een klein Trumpje is. Twee redacteuren van de Duitse krant Die Zeit betoogden dat politici moesten accepteren dat de relatie voorbij is. Te velen, schreven ze, ‘weigeren deze realiteit onder ogen te zien. In plaats daarvan zoeken ze hun toevlucht tot de meest acrobatische redeneerkunst.’
Atlanticus
Het idee dat de stabiliteit en voorspoed van de wereld in de eerste plaats worden bepaald door een partnerschap van Europeanen en Amerikanen wordt atlanticisme of transatlaticisme genoemd, en de mensen die zich daarom bekommeren zijn ervan overtuigd dat Trump erop uit is korte metten te maken met het bondgenootschap. Want in de ogen van de politici, hoogleraren, denktankbollebozen en journalisten voor wie ‘atlanticus’ een eretitel is, is de beëindiging van dit partnerschap niet alleen maar een geopolitieke kwestie, maar ook een bedreiging van het liberalisme en van iedere hoop op wereldwijde politieke beterschap. Democratie, vrijheid van meningsuiting, antitotalitarisme, grondwettelijkheid en vrijhandel waarvan alle deelnemers rijk worden – het zijn allemaal idealen die volgens de atlantici staan of vallen met de nauwe band tussen de VS en Europa. Zoals het de transatlantische relatie vergaat, zo vergaat het de mogelijkheid van westerse vooruitgang.
Kern van de transatlantische crisis is de nasleep van de Amerikaanse poging om Europa na de Tweede Wereldoorlog te herbouwen via drie instituties: Bretton Woods, het Marshallplan en de NAVO. Dit waren de fundamenten van de zogeheten ‘post-wereldorde’, een programma om Europa te stabiliseren en de opkomst van nieuwe vormen van totalitarisme te voorkomen. (‘Transatlanticisme’ klinkt beter dan ‘denazificering’.)
Voor de atlantici waren deze instituties niet alleen de manier om Europa na 1945 vorm te geven, maar ook een blijk van de mogelijkheden van een idealistische Amerikaanse mogendheid. Het hoogtepunt van de relatie was het einde van de Koude Oorlog, toen de kansen die het Westen hadden vormgegeven plotseling beschikbaar kwamen voor het Sovjetblok en daarmee de atlanticistische strategie onderschreven. Atlanticisme kon een manier zijn om het Westen uit te breiden, zoals sommige atlantici voorstelden in de roes na de val van de Berlijnse muur. Het atlanticisme was niet meer uitsluitend een reactie op crises, maar ook een manier om de wereld en de plaats van de VS daarin te concipiëren.
Zou het kunnen dat de paniek over de ineenstorting van het atlanticisme eigenlijk paniek is over wie de leiding heeft?
Maar heeft Trump de transatlantische relatie echt om zeep geholpen? Uit krantenkoppen blijkt dat die relatie al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, dus lang voor zijn aantreden, tanende is. The widening Atlantic en Atlantic Lost zijn al decennia lang titels van boeken en krantenartikelen. Zoals een huwelijk kan gedijen bij scheidingen en verzoeningen, dragen de crises alleen maar bij aan het veronderstelde belang van het atlanticisme. Al in 1965 schreef Henry Kissinger, wiens naam een prominente plaats inneemt in de geschiedenis van het transatlanticisme, een boek met de titel The Troubled Partnership: A Reappraisal of the Atlantic Alliance, waarin hij betoogde dat de relatie van de VS en Europa zwaar onder druk stond, toentertijd door toedoen van Charles de Gaulle. (Het boek was een flop. De enige plek waar het goed verkocht, grapte Kissinger later, was de boekwinkel die het per ongeluk op de plank met relatieboeken had gezet.)
Waarom is het idee van de trans-Atlantische relatie als spil van wereldwijde stabiliteit dan beklijfd? Sinds halverwege de jaren zestig zijn veel structuren die de basis van de oorspronkelijke ‘post-wereldorde’ vormden geërodeerd of verdwenen. De VS stort niet langer miljarden dollars aan hulp over Europa uit, zoals voor 1951; internationale valuta’s zijn niet langer gebonden aan een extern monetair beleid dat is ontwikkeld in New Hampshire, zoals voor 1971; landen die ooit tot de Sovjet-Unie behoorden zijn nu zelf NAVO-lid.
Maar ook al is het bondgenootschap tussen de VS en Europa verwaterd, het concept van een vrije wereld die op transatlantische pijlers is gebouwd leeft nog altijd voort als een invloedrijk politiek idee. Dat komt niet door het partnerschap zelf, dat vaag en veranderlijk is, en evenzeer een ideologische constructie als een institutie. Zou het kunnen dat de paniek over de ineenstorting van het atlanticisme eigenlijk paniek is over wie de leiding heeft? Onder de turbulente Atlantische wateren loert het heimwee naar Amerikaanse macht en het idee dat enkele goed opgeleide mannen de veiligheid van de wereld kunnen waarborgen.
Voordat ik afgelopen juli vanuit New York in Duitsland arriveerde, lag het woord ‘transatlantisch’ me niet voor in de mond. Maar in Berlijn is het transatlanticisme overal aanwezig. Iedereen die ik ontmoette in mijn nieuwe leven als journalist in het buitenland leek een ambassadeur van het Atlantische project. Na een diner in de Berlijnse wijk Schöneberg ontmoette ik een jonge vrouw die naar Berlijn was gekomen met een Bundeskanzler-Stipendium om deel te nemen aan een twaalf maanden durend programma dat als doel heeft ‘het transatlantische partnerschap te bevorderen’ en ‘potentiële leiders’ te identificeren. Een andere vriendin werd lid van de American Council on Germany, een in 1952 gestichte non-profitorganisatie ‘ter bevordering van de Amerikaans-Duitse betrekkingen’. Introducties tijdens feestjes klonken als het register van een boek over naoorlogse Europese geschiedenis: Marshall Memorial fellowship, Transatlantic Media fellowship, de McCloy. Zelf was ik ook via een van deze programma’s naar Duitsland gekomen: ik had een stipendium van de Robert Bosch Stiftung dat volgens eigen zeggen ‘een eminent transatlantisch initiatief’ is ‘om een selecte groep talentvolle Amerikanen de kans te geven een veelomvattend intercultureel professioneel programma in Duitsland te volgen’.
Ik ontving wekelijkse e-mails over verplichte transatlantische leeskost en uitnodigingen voor discussies over de huidige crisis (‘Bescherming van het transatlanticisme nu het isolationisme toeneemt’), netwerkevents (‘We nodigen Fullbright-alumni in de media uit voor een gezellige gedachtewisseling over huidige transatlantische ontwikkelingen’) of gesprekken (‘Transatlantische abnormaliteit onder Trump en de kloof met Turkije – wat we kunnen verwachten voor 2018’). In de glazen atriums van stichtingsburelen brachten deze evenementen denktankwerknemers en Amerikanen in pak bijeen onder het genot van canapés en flesjes sap. Heel wat tijd ging heen met het uitwisselen van visitekaartjes. Wat het onderwerp ook was, het woord ‘transatlanticisme’ voegde een gevoel van institutioneel belang toe; de discussie omvatte nu de stabiliteit van de wereld in haar geheel. ‘Iran en de transatlantische relatie: maakt het nucleaire akkoord een kans?’ luidde de onderwerpregel van een e-mail. Een andere beloofde: ‘Het nieuwe populisme en nationalisme: transatlantische perspectieven’.
Al deze initiatieven weerspiegelden dezelfde naargeestige realiteit. De transatlantische relatie verkeerde in een hachelijke staat. Met name de denktanks lieten niet na dit te benadrukken. Bij het Brookings Institution, een van de vele agressief centristische navelstaarfabrieken op het gebied van buitenlands beleid waar experts aan weerskanten van de Atlantische Oceaan werkzaam zijn, schreef een analist een groot stuk over ‘het einde van de normaliteit’ in de betrekkingen tussen de VS en de EU: ‘De transatlantische kloof is nog nooit zo onmiskenbaar geweest.’ Bij het German Marshall Fund, een Amerikaanse denktank die is opgericht tijdens de 25e verjaardag van het Marshallplan om de principes daarvan verder uit te dragen, is de toon van deze zelfde gesprekken inmiddels wanhopig geworden. Op de podcast van het fonds, Brussels Sprouts, beschreven analisten de stemming tijdens hun meest recente jaarlijkse bijeenkomst in Brussel als die tijdens ‘een dodenmars (…) Het is een ontnuchterend moment voor de transatlantische banden.’ De VS en Europa, aldus de podcast, waren als een echtpaar waarbij de relatietherapie was mislukt. ‘Er is op dit moment een vertrouwenstekort in de transatlantische relatie. We weten uit onze persoonlijke relaties dat het heel moeilijk is om vertrouwen op te bouwen en heel gemakkelijk om het te vernietigen,’ zei Karen Donfried, een voormalig beleidsadviseur van Obama die de organisatie nu leidt.
Asymmetrische relatie
Ik hoop dat ik niet te veel als een kortzichtige Amerikaan klink als ik zeg dat de nadruk op de ‘relatie’ met de VS enigszins als een verrassing kwam. Het was moeilijk voorstelbaar dat je tijdens een feestje in Washington iedereen over de finesses van het Duitse buitenlandbeleid zou horen praten. De relatie leek schrijnend asymmetrisch. ‘De communicatie moet meestal van jouw kant komen’, ‘hij of zij bewijst je nooit een wederdienst’ en ‘je bent continu gestrest’ zijn drie van de acht pijnlijke tekenen die erop kunnen duiden dat je in een eenzijdige relatie zit, aldus een blogpost die ik dat jaar las en die evenzeer de gevoelens in Berlijn leek te beschrijven als een tot mislukken gedoemde liefdesrelatie.
Deze gesprekken onthulden iets veelzeggenders: niemand kon de transatlantische relatie definiëren. Natuurlijk, er is de NAVO, een instituut met gebouwen en beleid en wapens. Maar als mensen naar transatlanticisme verwezen, leken ze iets groters te beschrijven – eerder een cultuur dan een organisatie. Maar wat dan? Trotz alledem: Amerika (‘Ondanks alles: Amerika’) schreef een groep Duitse denktankexperts afgelopen herfst, betogend dat hoewel Trump de eerste Amerikaanse president sinds de Tweede Wereldoorlog is die de liberale internationale orde fundamenteel ter discussie stelt, de Duitse relatie met de VS de hoeksteen van het Duitse buitenlandbeleid bleef. De denktank heeft een website gecreëerd met een grote foto van een kalme, eindeloze oceaan. Maar die kan niet voor de transatlantische relatie staan. ‘De liberale wereldorde met haar multilaterale grondvesten, haar wereldwijde normen en waarden, haar open samenlevingen en markten, is in gevaar,’ zei de denktank in een verklaring.
Maar als gedeelde normen en waarden de grondvesten van de liberale wereldorde zijn, wat behelzen die dan? De VS en Duitsland, om twee landen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan als voorbeeld te nemen, zijn beide representatieve democratieën, dat is waar. Maar je hoeft niet diep te graven om duidelijke verschillen in normen en waarden in hun politieke systeem te vinden: in Duitsland zijn de wapenwetten streng en in de VS niet; in de VS is haatdragende taal toegestaan en in Duitsland niet; Duitsland kent een sterk sociale-zekerheidssysteem en de VS niet; het naoorlogse Duitse politieke systeem is opgezet om machtsconcentratie te voorkomen terwijl het Amerikaanse een tamelijk snelle machtsovername mogelijk maakt. Duitsers tolereren openbare naaktheid, Amerikanen niet. en ga zo maar door. Ja, beide landen hebben ‘vrijheid’ en ‘democratie’ hoog in het vaandel, maar hun systemen lijken het meest op één lijn te zitten als ze in theorie worden bezien, of van de andere kant van een oceaan.
Wat was precies de gedeelde cultuur van het atlanticisme, en wie deelden die?
Atlanticisme heeft nooit een erg stabiele betekenis gehad. Om te beginnen hebben de VS en Europa elkaar niet altijd als natuurlijke politieke partners beschouwd. Gedurende het grootste deel van de Amerikaanse geschiedenis is er zelfs geen verenigd ‘Europa’ geweest om partner mee te zijn.
Het idee van een politiek bondgenootschap tussen de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk ontstond kort voor de Eerste Wereldoorlog, om de dreiging van het communisme en de toenemende Duitse macht te bezweren. Iemand die veel heeft gedaan om de Amerikaanse betrokkenheid bij Europa te bevorderen was Walter Lippmann, de stichter van New Republic, destijds een invloedrijk tijdschrift uit Washington dat nauwe banden met de Amerikaanse regering onderhield. In een artikel uit 1943, getiteld ‘US Foreign Policy: Shield of the Republic’, schreef Lippmann over het belang van een ‘Atlantische gemeenschap’ waarvan de grootste vijand Duitsland was. Groot-Brittannië, Spanje, Portugal, Nederland, Frankrijk, België, Denemarken en Noorwegen waren ‘wezenlijk betrokken bij het veiligheidssysteem waartoe wij behoren’ en derhalve de natuurlijke partners van de VS. Later breidde hij de lijst uit met Zweden, Griekenland, Italië en Zwitserland. De staten die recentelijk door de Duitsers van de Sovjets waren bevrijd sloot hij uit. Op hun betrokkenheid viel niet te rekenen. Andere denkers namen Lippmanns ideeën over. In de bestseller Union Now uit 1939 pleitte journaliste Clarence Streit voor een federatie van vijftien natiestaten die zich uitstrekte van de VS tot Nieuw-Zeeland.
De stichtingsdocumenten van het atlanticisme – het Atlantisch Handvest, een schets van de doelstellingen en het beleid van de geallieerden dat in 1941 werd getekend door Franklin D. Roosevelt en Winston Churchill, en het in 1949 ondertekende Noord-Atlantisch Verdrag, de basis van de NAVO – borduurden voort op het werk van Lippmann en Streit en voorzagen een veiligheidsverbond tussen bepaalde Europese landen en de VS. Toen Amerikaanse, Britse en Franse leiders bijeenkwamen om deze documenten op te stellen, creëerden ze ook een monetair systeem, Bretton Woods, dat bedoeld was om de monetaire relaties te regelen tussen de VS, Canada, West-Europa en Japan, en een instrument om Europa weer op te bouwen, het Marshallplan. Het is dit systeem dat de basis vormt van de ‘naoorlogse liberale wereldorde’.
Natuurlijk zijn instituties aantrekkelijker als ze een utopische blauwdruk lijken en niet alleen maar een manier om nieuwe vormen van despotisme de kop in te drukken. (Zelfs bureaucraten zien zichzelf liever als visionairs dan als regelgevers.) Het atlanticisme vormde de basis voor een veiligheidsmissie, de NAVO, maar het was ook bedoeld om een cultuur te beschrijven: de veronderstelde affiniteit tussen de VS en Europa. De VS en Europa zouden verbonden worden door hun gedeelde waarden en geschiedenis. ‘De partijen in dit verdrag (…) zijn vastbesloten de vrijheid, het gemeenschappelijk erfgoed en de beschaving van hun volkeren te waarborgen, gebaseerd op de principes van democratie, individuele vrijheid en de rechtsstaat,’ verklaarden de landen die de oorspronkelijke NAVO-overeenkomst ondertekenden.
Wat was precies de gedeelde cultuur van het atlanticisme, en wie deelden die? Het algehele doel van de NAVO was ‘het buiten de deur houden van de Russen, het binnenboord houden van de Amerikanen en het onder de duim houden van de Duitsers’, zo zou Hastings Ismay, Churchills belangrijkste assistent en de eerste secretaris-generaal van de organisatie, hebben gegrapt. Het Marshallplan, een hoeksteen van het atlanticisme, had een sterke ideologische component die bedoeld was om bepaalde waarden te bevorderen die juist niet werden gedeeld. Door middel van filmpjes, affiches en voorlichtingsbijeenkomsten werd het kapitalisme aangeprezen in plaats van de staatseconomie en werd de Amerikaanse waarde van hard werken gepropageerd als alternatief voor de Sovjetdreiging. In ruil kreeg Europa geld, bescherming en vrede.
De erfenis van deze instituties is belangrijk omdat het echte prestaties waren, kunsttukjes van Amerikaanse diplomatie, partnerschap en idealisme. Maar deze instituties waren niet statisch, en in verhalen over de naoorlogse internationale orde wordt veelvuldig de vergissing begaan ze als bastions van stabiliteit te omschrijven. Amerikaanse historici wijzen het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw aan als het hoogtepunt van het Atlantisch bondgenootschap. John F. Kennedy pleitte op 4 juli 1962 voor een ‘verklaring van wederzijdse afhankelijkheid’ met Europa. In de Independence Hall in Philadelphia, waar de eerste Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring was ondertekend, riep hij op tot een ‘concreet Atlantisch partnerschap’. Toen Kennedy het jaar daarna werd vermoord, ‘was de Atlantische gemeenschap op slag verdwenen’, schreef historicus Frank Costigliola.
Ondertussen, naarmate Europa sterker werd en de behoefte aan Amerikaanse hulp veranderde, veranderden de instituties die het middelpunt van het Atlantisch bondgenootschap vormden mee. De oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) in 1957, en later van de Europese Unie, verleende geloofwaardigheid aan argumenten dat het atlanticisme niet alleen Amerikaanse belangen kon dienen. Jean Monnet, een van de oprichters van de EEG, pleitte voor een versimpelde benadering van het transatlanticisme waarin Europese en Amerikaanse belangen in gelijk mate zouden meewegen. Hij had geen succes. De Gaulle trok Frankrijk in 1966 terug uit de militaire commandostructuur van de NAVO en pleitte voor Franse nucleaire onafhankelijkheid. Het Bretton Woods-systeem sneefde in de jaren zeventig, wat het einde betekende van een van de naoorlogse instituties die hadden geprobeerd de Atlantische orde over de hele wereld uit te rollen.
‘Jaar van Europa’-tour
Naarmate de pijlers van het atlanticisme meer begonnen te wankelen viel moeilijker te zeggen wat atlanticisme nu eigenlijk inhield. Een artikel van de denktank Carnegie Endowment for International Peace uit 1962 was daar niet zeker van: ‘De term wordt soms gebruikt om naar een uitbreiding van het NAVO-concept te verwijzen en aan het bestaande partnerschap economische, culturele en misschien politieke dimensies toe te voegen. Andere keren verwijst hij naar langetermijnaspiraties, vooralsnog niet officieel verwoord, om een hechtere economische en politieke gemeenschap te creëren, misschien met grondwettelijke implicaties, tussen de landen die aan de Atlantische Oceaan grenzen. De term wordt ook gebruikt in verband met pogingen om de relaties tussen de westerse bondgenoten te verstevigen door middel van kortetermijnprogramma’s, met name op het gebied van onderwijs en cultuur. Zelfs het geografische gebied van de Atlantische gemeenschap is niet vastomlijnd; volgens sommigen omvat het Latijns-Amerika, volgens anderen beperkt het zich tot West-Europa en Noord-Amerika.’
In 1973 lanceerde Henry Kissinger, zelf een transatlantische vluchteling [uit Duitsland], een ‘Jaar van Europa’-tour om te proberen de relatie in naam van expansiebeperking te redden en de verdere groei van de Sovjet-Unie te voorkomen. In de rol van Nixons nationale veiligheidsadviseur stelde hij de vraag of de Atlantische gemeenschap zou kunnen blijven gedijen als de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog begon weg te ebben. Naarmate ‘de starre scheidslijnen van de afgelopen twee decennia slinken, steken er nieuwe uitingen van nationale identiteit en nationale rivaliteit de kop op’. Hij betoogde dat de Amerikanen de Europese eenheid moesten blijven steunen. ‘Als we toestaan dat het Atlantisch partnerschap wegkwijnt (…) zullen we onze historische kans op een nog grootsere prestatie verspelen.’
De toespraak was geen succes. Europese leiders namen aanstoot aan een zin waarin sprake was van de ‘regionale rol’ van het continent en de ‘mondiale’ van Amerika. ‘Het was misschien niet verstandig om de werkelijkheid expliciet te maken, maar het Europese gezanik over de woordkeus was een mengeling van hypocrisie en spitsvondigheid,’ zei Kissinger later. Toen de Duitse kanselier Willy Brandt een paar maanden later op bezoek kwam, maakte Nixon een afwezige indruk en deed Brandt kleinzielig, klaagde Kissinger. Maar zelfs bij deze poging om de Atlantische gemeenschap nieuw leven in te blazen, viel moeilijk te bepalen waar deze gemeenschap nu eigenlijk op was gebaseerd: waarden? Zo ja, welke? Grondgebied? Zo ja, waar? Een van Kissingers doelen was het opnemen van Japan in de Atlantische gemeenschap.
Trumps eenzijdige gezichtspunten, zijn lompheid en zijn “snoeverij” zijn agressief en gevaarlijk, maar niet geheel nieuw
Als het atlanticisme één stabiel, consistent kenmerk heeft, dan is het wel dat het de afgelopen vijftig jaar aan de rand van de afgrond heeft gestaan. Verwijzingen naar de Atlantische relatie zijn in tal van boeken en artikelen steevast gepaard gegaan met paniek over de bedreiging en het verval ervan.
De relatie tussen de VS en Europa is heen en weer geslingerd tussen aarzelende liefde en haat. George H.W. Bush wekte de woede van Europese bondgenoten met de Golfoorlog. Clinton toonde zijn Atlantische betrokkenheid bij de NAVO met luchtaanvallen in Bosnië, terwijl George W. Bush Irak binnenviel en het bondgenootschap bijna uiteenrukte.
Voordat de laatste crisis uitbrak in de vorm van Donald Trump, was de oorlog in Irak het laatste moment waarop commentatoren zich haastten te verklaren dat het transatlanticisme op een ‘breekpunt’ verkeerde. Het Brookings Institution publiceerde een artikel waarin sprake was van ‘zeer ernstige problemen’ en een ‘kantelpunt’. ‘Soms eindigen zelfs de beste huwelijken in een scheiding,’ vervolgde het artikel. Beleidsexperts beaamden dat een deel van de schuld voor rekening kwam van een onbehouwen Amerikaanse president die op eigen houtje handelde. ‘De snoeverige, vechtlustige taal en de diepe religiositeit van zijn belangrijkste boodschap komen de Europeanen uitermate vreemd voor,’ aldus het artikel van Brookings.
Aan weerskanten van de Atlantische Oceaan waren Europeanen en Amerikanen bezorgd dat het partnerschap op uiteenvallen stond. (Zelfs in de VS werd de hinderlijke vraag wie deel uitmaakte van de Atlantische gemeenschap meestal niet gesteld. Reacties op de oorlog vielen per slot van rekening niet netjes binnen geografische lijnen. Waar de meeste Europese landen tegen de invasie in Irak waren, waren het VK en Polen belangrijke bondgenoten van de VS.)
De verkiezing van Barack Obama streek de zaak glad. Hij wist waar nodig Atlantische nostalgie te wekken. ‘Kijk naar Berlijn,’ zei hij in de eerste van de drie toespraken die hij bij de Brandenburger Tor zou houden. ‘De vastbeslotenheid van een volk kwam in aanraking met de generositeit van het Marshallplan en creëerde een Duits wonder; waar een zege op de tirannie de NAVO deed ontstaan, het grootste bondgenootschap dat ooit is gevormd om onze gemeenschappelijke veiligheid te verdedigen.’ Niet dat Obama’s beleid zelf bijzonder transatlantisch was. Een van zijn belangrijkste beleidsdoelen was ‘een sleutelrol voor Azië’.
In deze context is de Europese reactie op Trump geen uitzondering in de diplomatieke geschiedenis, maar het gebruikelijke antwoord op een bepaalde vorm van Amerikaans exceptionalisme. Trumps eenzijdige gezichtspunten, zijn lompheid en zijn ‘snoeverij’ zijn agressief en gevaarlijk, maar niet geheel nieuw.
Als het transatlanticisme een krachtige greep blijft houden op fantasieën over buitenlands beleid, dan is het niet vanwege presidenten die de handen van premiers schudden. De relatie gedijt in de vele netwerken die ijveren voor haar hachelijke bestaan. ‘In 1965 kon je zo tien grote particuliere groeperingen opnoemen die hadden gewerkt of nog steeds werkten aan het uitdragen van de Atlantische gedachte’, schreef historicus David Ellwood, inclusief de Atlantische Verdragsorganisatie, de Bilderberg Groep en het Atlantisch Instituut in Parijs. Sommige van deze organisaties hebben allang hun deuren gesloten, maar vele publiceren nog steeds artikelen en sponsoren onderzoek. Zoals Charles Maier, hoogleraar Geschiedenis aan Harvard, betoogde heeft het atlanticisme een ‘nieuwe Atlantische elite’ voortgebracht.
‘Transatlantische reisjes, gemeenschappelijke fora over buitenlands beleid en een netwerk van praatgroepen hebben in feite een transnationale bestuurslaag gecreëerd (…) De prominentste leden van de Atlantische elite hebben een semi-sacrale status verworven: Marshall, McCloy, Lovett, Spaak, Monnet en andere “wijze mannen” die opriepen tot gezamenlijke inspanning en samenwerking.’
Het is in dit soort netwerken dat het transatlantische partnerschap nog altijd bloeit: in uitwisselingsprogramma’s, ‘meet-and-greet-events’, leiderschapsprogramma’s, fellowships. Deze instituties, die zelfreflectief zijn en ten dele worden gedreven door zelfbehoud, propageren het idee van Europees-Amerikaanse betrekkingen als de centrale spil van de wereldmacht. In de taal van denktanks en fondsen staat ‘Atlantisch’ niet zozeer voor een werkelijke reeks waarden als wel voor een lege mal die kan worden gevuld met elke betekenis die de organisatoren maar wensen: liberale democratie, het diplomatieke partnerschap van de VS en Europa of de eenvoudige continuering van structuren die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgezet en sindsdien niet zijn geherdefinieerd.
Het is moeilijk om niet meer dan een ons (of een gram) nostalgie te onderkennen in de taal van deze instituties. Wij hebben het Marshallplan uitgevoerd. Vertrouw ons. Het is misschien om deze reden dat de Atlantische visie heeft standgehouden in een veranderende wereld. Beleid wordt niet langer gedicteerd door ‘Atlantische’ belangen alleen: mogendheden rond de Stille Oceaan zijn veel sterker geworden dan in de jaren veertig van de vorige eeuw. Welke belangrijke mondiale beleidsbeslissingen kunnen tegenwoordig worden genomen zonder rekening te houden met China of India? Toch blijft er een fixatie op de oude netwerken, want wat resteert als ideeën nooit worden gedefinieerd en posities niet opnieuw worden geëvalueerd, zijn alleen netwerken. De droom van het atlanticisme is deels dat ondanks de veranderende wereld de locatie van de macht dezelfde blijft. Amerikanen en Europeanen kunnen op de oude voet voortgaan. Diplomatie en leiderschap hoeven niet te veranderen omdat ze in het verleden zo goed hebben gewerkt.
Als je door Duitsland reist, waan je je in de laatste Amerikaanse kolonie
Tijdens een Duits-Amerikaanse conferentie in de lente van 2017, georganiseerd door de Atlantik Brücke en de American Council on Germany, hield de toenmalige Duitse minister van Buitenlandse Zaken Sigmar Gabriel een toespraak waarin hij de erfenis van het Marshallplan verdedigde. Gabriel hield de aanwezigen voor dat de toekomst van het atlanticisme in hun handen lag. ‘We moeten onze mouwen opstropen en aan het werk gaan, aan beide kanten van de Atlantische Oceaan,’ zei hij. Schijnbaar zonder ironie constateerde hij een toenemende ‘vervreemding’ binnen zowel de Europese als de Amerikaanse samenlevingen. ‘We moeten die delen van onze samenlevingen met elkaar in contact brengen die elkaar niet treffen in de frequent-flyerlounge van de luchthaven van Frankfurt of Washington D.C.’ (Hij vroeg zich niet af hoe het kwam dat hij zich tot een groep richtte die inderdaad meestal bijeenkwam te midden van rolkoffers en met een Harvard Business Review onder de arm.)
Wat behelsde Gabriels kijk op het atlanticisme? Waarden en normen natuurlijk. Hij citeerde het handig vage trio dat geliefd is bij atlantici: ‘Ware westerse waarden: mensenrechten, democratie en de rechtsstaat.’
De sporen van het Marshallplan zijn overal in Duitsland zichtbaar. Als je door het land reist, vooral door de westelijke helft, kun je je per abuis in de laatste Amerikaanse kolonie wanen: in elke stad een Kennedystrasse; in elke Kennedystrasse een ‘Deutsch-Amerikanisches Zentrum’. Het wemelt in West-Duitsland van de gelikte, praktische regeringsgebouwen en congrescentra die met geld van het Marshallplan en de VS zijn gebouwd. Waar Amerikaanse beleidsmakers ‘oorlogen’ tegen drugs, misdaad en armoede voorstellen, stellen Duitse beleidsmakers ‘Marshallplannen’ voor.
Decennia lang na de Tweede Wereldoorlog voorzagen deze bibliotheken en culturele centra Duitsland van Amerikaanse boeken en films en cultuur. Het waren stille handlangers van wat professor Joseph Nye van Harvard ‘soft power’ noemde, overreding via culturele invloed in plaats van via bruut geweld.
Deze instellingen dienen niet langer dat doel. Nu hoef je niet meer naar de American Memorial Library in Berlijn te gaan om te zien welke nieuwe boeken er in de VS verschijnen. Deze instellingen zijn nu een plek waar Duitsers uiting kunnen geven aan hun bezorgdheid over wat er in de VS gebeurt. Daar kunnen Europeanen vragen hoe het Amerika dat hun beloofd werd het Amerika heeft kunnen worden dat ze zien. In het Institut für Auslandsbeziehungen in Stuttgart zag ik vorig jaar een bezorgde menigte aan de Amerikaanse consul vragen of Trump hen echt haatte. Wilde de president echt af van Duitsland als bondgenoot? Kon hij Angela Merkel niet bellen, zoals Obama deed? Waarom had hij tegen andere Europese leiders gezegd dat de Duitsers ‘slecht, heel slecht’ waren en boos over het handelstekort getwitterd? Geen tweets lezen, raadde de consul aan.
Stilzwijgend advies
Hoe snel de wereld ook verandert, het atlanticisme kan voorbestaan, niet als weerspiegeling van de politiek als zodanig, maar als een stilzwijgend advies over wie de leiding zou moeten nemen. Trump zal de Europese bondgenoten van de VS beledigen, Duitse politici zullen om een ‘nieuwe wereldorde’ roepen en Merkel zal de situatie sussen. En als je naar het Deutsch-Amerikanisches Zentrum in Stuttgart gaat, een van de transatlantische instituten die de stad rijk is, kun je Transatlantic ArtConneXion bijwonen, een evenement voor ‘Amerikanen en Duitsers die actief zijn in de kunstwereld’, de Baltimore Beauties ontmoeten, deelnemen aan een ‘internationale, meertalige naai-, quilt-, brei- en haakgroep’ en aanwezig zijn bij een studiegroep die ‘maandelijks de mondiale belangen en lasten van de VS onderzoekt’.
Wat er ook gebeurt in de meest recente crisis, het atlanticisme zal altijd blijven bestaan als een vaag stel idealen dat teruggrijpt op het eind van de Tweede Wereldoorlog. Die vaagheid is maar al te nuttig: politiek opportunisme dat prestige ontleent aan het gewicht van de geschiedenis.
Auteur: Madeleine Schwartz
Vertaler: Peter Bergsma
Openingsbeeld: © Leon Neal / Getty Images
Madeleine Schwartz werkt als journalist vanuit Berlijn. Ze schreef o.a. voor The London Review of Books,__ The Guardian, Harper’s, Politico, en The New York Review of Books, waar ze ook enkele jaren als redacteur werkte. Ze schrijft momenteel over Europese politiek en cultuur.
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

