Journalist Bernd Dörries zakte in zeven dagen en zes nachten de Congo af aan boord van vrachtschip Natasha Belle. Het werd een reis door zijn ‘eigen gevoelshuishouding’. De enorme euforie bij zonsopkomst boven de nog mistige rivier. En die ongelooflijke verveling.
Nergens over vallen. Niet arrogant zijn. Niet aan andermans vrouwen komen. Dat zijn de drie gouden regels die je aan boord in acht moet nemen, zegt de bootsman van de Nathasha Belle. Intussen worden om hem heen motorfietsen, zakken mais, kippen en stukken rauw vlees aan boord gebracht. Hij brengt me naar een hut op het bovenste dek. U hebt geluk, zegt hij, we varen morgenochtend al af. De ‘hut’ is een rommelhok met een gammel bureautje. ‘We maken het piekfijn voor u in orde,’ zegt de bootsman. Een week nergens over vallen, niet arrogant zijn en me niet met de vrouwen van andere passagiers inlaten. Dat moet lukken.
Van Kisangani naar Bumba is ongeveer 450 kilometer, we zullen er een week over doen. Zeven dagen en zes nachten aan boord van de Natasha Belle, in een kamertje van twee vierkante meter dat zienderogen kleiner wordt, met steeds meer zakken mais en nóg een passagier, slapen kan alleen met opgetrokken benen. Het is een reis door mijn eigen gevoelshuishouding. De enorme euforie als ’s ochtends de zon opkomt boven de nog mistige rivier. Momenten dat je betwijfelt of het wel zo’n goed idee was, terwijl de kapitein zonder enige verlichting, stekeblind, door de nacht vaart. En de ongelooflijke verveling. Urenlang mens-erger-je-nieten met medereizigers als we weer eens stilliggen. Plaats om je terug te trekken, enige privéruimte, is er niet. Iedereen zit in hetzelfde schuitje.
De Natasha Belle bestaat deze reis uit de motorboot zelf die vier vrachtschuiten voortduwt, waarvan er twee in de lengte voor de boot zijn vastgemaakt en een schuit aan elke kant ernaast. Een schoonheid is de Natasha Belle niet. De boot met zijn vier schuiten ziet er van bovenaf uit als een langgerekt, drijvend kruis, zo’n tachtig meter lang en dertig meter breed, groter dan drie tennisbanen. Op de dekken staat een bonte verzameling auto’s en containers, daartussen kamperen de tweehonderd passagiers.
Continenten
Ieder onderdeel van de boot draagt de naam van een continent. ‘China’ heet zo omdat het boven op de containers overbevolkt is, de mensen zitten er boven op elkaar. In ‘Amerika’, de eerste verdieping van de motorboot, wil iedereen wel zitten, want op een veranda achter de brug is er tenminste een beetje rust en ruimte, in elk geval aan het begin van onze reis. Maar ook daar wordt langzaam maar zeker elke vierkante centimeter volgestapeld met vracht. ‘Europa’ ligt op het benedendek van de boot, waar de betere toiletten, die tegelijkertijd als douche functioneren, zich bevinden. Het zijn stalen cabines met een gat in de vloer, waar je een emmer rivierwater mee naartoe moet nemen.
De douchetoiletten zijn verrassend schoon. Je gaat op je hurken zitten en maakt de vloer schoon met water en een bezem, daarna douche je je. Ik heb nog nooit mensen gezien die zich zo lang en intensief douchen, wassen en vervolgens insmeren als hier. Iedereen laat een schone douchecabine achter. Het afvalwater loopt in een tank, en vanuit die tank in de rivier. Ten slotte ‘Afrika’, dat zijn de steegjes die overlangs en dwars over het schip lopen. Daar zijn de marktstalletjes en gaarkeukens, kappers en schoonheidsspecialisten. Het afval gooit iedereen in de spleten tussen het schip en de vrachtschuiten. Er is een soort bar met een ijskast en koud bier, waar je op goede dagen en als we een gunstige positie hebben, soms satelliet-tv kunt kijken. En er is een rosse buurt waar een paar vrouwen hun reisbiljet terugverdienen.‘Ik was erg bang voor deze reis,’ zegt Jean-Claude Mangila, een dominee die op YouTube een paar video’s van de overvolle boten op de rivier de Congo had bekeken. Nooit zou hij op een van die drijvende doodskisten stappen, veel te gevaarlijk. In de haven van Kisangani had hij de boten goed bekeken en de prijzen vergeleken. Nu zit hij er toch op.
Een dienstregeling is er niet. Wanneer er aan boord geen plaats meer is voor nog meer vracht of nog meer mensen, vertrekt de boot – en dat kan dagen of zelfs weken duren. Maar Mangila had geluk, hij hoefde maar een paar dagen te wachten voordat de Natasha Belle vertrok. Ze is vernoemd naar haar Congolese eigenares, die in de hoofdstad Kinshasa woont. De boot had een goede indruk op Mangila gemaakt, in elk geval vergeleken met wat er verder beschikbaar was. Hij had kool en bonen ingeslagen, maar geld voor water had hij niet meer. Daarom drinkt hij nu water uit de rivier, waarvan je flink ziek kunt worden.
Zijn reis zal hem tot het eindstation Kinshasa brengen, nog 1900 kilometer en vier weken varen. Mangila heeft een hele tijd als dominee in het oosten van het land gewerkt. ‘Ik werk in een erg instabiele regio, het leven daar is hard en ellendig,’ vertelt hij. ‘Ik wil naar Kinshasa om uit te rusten.’ Hij zit op een matrasje te midden van de wanorde van containers, auto’s, spelende kinderen, kippen, mensen en geïmproviseerde barbecues vol gloeiende kolen. ‘Ik heb eerst gekeken of ik met de bus kon gaan, maar die rijden niet meer,’ zegt hij. En zeker als je van het ene uiteinde van de Democratische Republiek Congo naar het andere wilt, moet je via de rivier, een tocht zo lang als door heel West-Europa. De reis over het halve continent voert hem door de nevels van het regenwoud en langs de sporen van het verleden, de geesten en verschrikkingen van de verovering van Afrika. Het is een avontuur dat niet gevaarlijk hoeft te zijn, maar het soms wel wordt. Opeens, uit het niets, kan een storm opsteken die de golven geselt en de plastic zeilen wegrukt die de passagiers tegen de brandende zon hebben opgehangen.
Om de paar maanden zinkt er op de Congo een overbeladen schip, met tientallen doden tot gevolg, die nooit het nieuws halen. Als de boot zinkt, ben je volledig op jezelf aangewezen, er is geen waterpolitie of iemand die je te hulp kunt roepen. In sommige stukken van de rivier zitten krokodillen, maar die eten volgens de mensen aan boord alleen degenen op die daartoe door hun zonden zijn voorbestemd. Zoals alles in het leven is voorbestemd. Je kunt er niets aan doen, zeggen ze, en dus moet je maar genieten van de reis.
Maar dat lukt hun zelf ook niet altijd, want veel slaap krijgen ze niet. ’s Nachts dreunt en ronkt de generator tot twee uur. Om half vijf begint een collega van Mangila, boven op een van de containers, met het gebed, zijn armen wijd gespreid in het eerste morgenrood. Sommige mensen bidden mee, anderen draaien zich vloekend om in hun bed.
Ik heb nog nooit mensen gezien die zich zo lang en intensief douchen en wassen als hier
Zo’n 50 dollar heeft Mangila voor de reis betaald – veel geld in een land waar 70 procent van de bevolking moet leven van minder dan 2 dollar per dag. Tot nu toe is hij tevreden over de reis; twee dagen is de Natasha Belle onderweg en hij heeft een plekje gevonden waar hij en zijn buren een tentzeil boven hebben gespannen tegen de zon. Bijna eerste klas. Overdag heeft hij een container om tegenaan te leunen, ’s nachts heeft hij zo veel ruimte dat hij zijn benen helemaal kan strekken.
‘We zijn hier veilig, er is geen fysiek geweld. Waar ik vandaan komt is dat wel anders,’ zegt de dominee. Waar hij veel meer moeite mee heeft, is de ‘geestelijke onveiligheid’. ’s Nachts heeft ook hij moeten horen hoe passagiers seks hebben – wellicht, speculeert hij, zelfs voor of buiten het huwelijk. Op zulke momenten werpt dominee Mangila snel een blik in de Bijbel of in een brochure die hij vaak ter hand neemt. Die telt ongeveer tachtig pagina’s. ‘Alles over de helden van onze onafhankelijkheid staat erin,’ zegt dominee Mangila. Op zijn plekje zie je hem constant zitten lezen in de biografieën van de helden van vroeger.
De Natasha Belle legt precies het stuk van de vaarroute af waarmee de ellende in Afrika pas echt begon. Het huidige Congo was eind negentiende eeuw een vrijwel onontdekt gebied. Lokale Bantoestammen hadden aan de oevers van de rivier een koninkrijk gesticht, later arriveerden Arabische slavenhandelaren en Portugese ontdekkingsreizigers. In 1877 stichtte de Engelse avonturier en expeditieleider Henry Morton Stanley, komend vanuit Tanzania, de huidige stad Kisangani en reisde hij stroomafwaarts naar waar nu Kinshasa ligt. Hij ontdekte de precieze loop van de Congo, die tot dan toe, ondanks zijn enorme lengte, onbekend was. De Belgische koning Leopold II huurde Stanley later in om land op te kopen.
De koning maakte van Congo zijn privékolonie. Langs de rivier liet hij rubberplantages aanleggen en handelsposten bouwen. Nadat er foto’s van de Belgische gruweldaden – van afgehakte ledematen en miljoenen vermoorde Congolezen – Europa hadden bereikt, werd de eerste internationale beweging voor de mensenrechten opgericht, die de koning in ieder geval zover wist te krijgen dat hij in 1908 zijn privékolonie aan de Belgische staat overdroeg.
Ooit hebben de Belgen in Kisangani een reusachtig monument voor Stanley de ontdekkingsreiziger opgericht. Jaren later, toen ze al lang onafhankelijk waren, lieten de Congolezen het slopen, maar de sokkel bleef staan – alsof ze niet precies wisten wat ze met hun eigen geschiedenis aan moesten. De Democratische Republiek Congo, met zijn 81 miljoen inwoners, is een van de weinige landen die zich achteruit lijkt te ontwikkelen, waar de onafhankelijkheid niet echt een vooruitgang was, maar de plaatselijke elites gewoon doorgingen met uitbuiten. Met een bruto binnenlands product van 478 dollar per hoofd hoort Congo tot de armste landen van de wereld.
Iedereen moet maar voor zichzelf zorgen, lijkt in dit land het belangrijkste uitgangspunt. Aan het begin van de tocht was er in de haven geen mens te zien. Er stond maar één soldaat bij de poort, die me verbood foto’s te maken; maar met een kleine vergoeding was dat wel te regelen. Voor schepen die de Congo opvaren, is een ligplaats in de haven te duur. Ze leggen hun boten langs de modderige oever, waar je niet een-twee-drie kunt zien waar de boot begint en waar hij ophoudt.
Ooit werden rubber, palmolie, lood, koper en diamanten met de trein naar de rivier gebracht en met kranen in de schepen geladen. Nu zijn de rails overwoekerd met gras en struiken en staan de kranen te roesten.
Een klein land
Toen België Congo onafhankelijkheid verleende, in 1960, moet het land ongeveer tweeduizend kilometer aan geasfalteerde wegen hebben gehad. Dat is niet méér geworden. Een kleine elite in Congo heeft geld om tickets te kopen voor de paar vluchten die er per dag zijn. Voor verreweg de meesten blijft de rivier de belangrijkste verkeersader. ‘Ik voel me hier veilig, er staat altijd iemand boven ons die op ons past,’ zegt dominee Mangila. Hij bedoelt God, maar ook de kapitein en zijn officieren op de brug recht boven hem. Altijd staat daar boven iemand naar beneden te kijken, naar de boten. Van bovenaf ziet het eruit als een klein dorp.
‘Het is een klein land,’ corrigeert Philip Yatshi. ‘Het is mijn land, en ik ben de president. Ik regeer mijn land beter dan die andere president daarginds. Op het vasteland heerst willekeur en chaos. Hier aan boord heerst orde.’ Yatshi (48) is de kapitein van de Natasha Belle. Meestal draagt hij een mouwloos rood met wit hemd. Hij manoeuvreert de boot langs zandbanken en let onderwijl continu op wat er aan boord gebeurt. Hij beslecht ruzies en zorgt ervoor dat zijn passagiers zich veiliger voelen dan aan wal. Soms moet hij iemand arresteren. Vlak voor hem zijn een paar instrumenten ingebouwd, apparaten die de temperatuur van de motor en van de olie zouden moeten aangeven, en daarnaast de gps, die net als de andere instrumenten niet functioneert. Boven Yatshi’s hoofd zitten vakken waar de navigatieapparatuur in hoort te zitten, maar die zijn leeg. Het enige wat werkt, zijn het roer en de snelheidsregelaar. Meer heeft de kapitein niet nodig. De laatste kaarten van de rivier zijn in de koloniale tijd gedrukt, daar heb je niets meer aan.
De Congo is een enorme rivier. Op het breedste deel bedraagt de afstand tussen beide oevers 21 kilometer, waardoor je snel je oriëntatie verliest. Hij lijkt nauwelijks te stromen. De oever ziet er altijd hetzelfde uit, bomen, bomen, bomen, een dicht regenwoud waarvan je alleen de eerste drie of vier rijen bomen kunt zien. Af en toe komen er op de waterkant markeringen tevoorschijn waaraan Yatshi ziet dat hij op de andere oever moet aansturen om niet op een zandbank te lopen. Ooit hadden de Belgen de vaargeul uitgediept, er waren verlichte boeien, verkeersborden voor de scheepvaart, kilometerpalen. Die zijn ondertussen bijna allemaal overwoekerd, vernield of gestolen. Net als in de rest van het land.
Niemand drinkt, omdat je van alcohol naar de wc moet, die een hele klauterpartij ver is
Maar omdat de Natasha Belle haar eigen land is en kapitein Yatshi de president, heeft men zichzelf maar geholpen. In de dorpen langs de rivier zijn een soort kleine ambassades opgericht, met medewerkers die de waterhoogte in de gaten houden en opdrachten aannemen voor het leveren of ophalen van goederen. Daar lopen de belangen van de president en die van zijn volk uiteen. De passagiers willen zo snel mogelijk op de plaats van bestemming komen, de president wil zoveel mogelijk lading meenemen, zodat er zoveel mogelijk geld in de kas vloeit. Iedereen wordt er stapelgek van.
Grof gezegd zijn er aan boord drie groepen mensen. Degenen die op de vlucht zijn voor de al jaren durende oorlog in het oosten van het land en in de hoofdstad een nieuw leven willen beginnen. Mensen zoals Alliance (25), die in Oeganda heeft gestudeerd maar geen werk kan vinden. ‘Ik hoop dat het in Kinshasa beter wordt.’ In een stad dus die een verschrikking kan zijn voor hen die niets hebben. Dan zijn er degenen die op de boot werken, die een keukentje hebben waar ze vis frituren of vleermuizen die door de dorpsbewoners in het oerwoud zijn gevangen.
En ten slotte zijn er de handelaren die op reis zijn met hun goederen, die ze goed bewaken. Zoals Jimmy Alexandre. Hij zit de hele dag voor zijn Toyota Land Cruiser, ’s nachts slaapt hij erin. Hij verliest de auto niet uit het oog, ook al lijkt het nog zo onwaarschijnlijk dat de terreinwagen van de boot wordt gestolen. Er staat 308.000 kilometer op de teller. De auto is tweedehands van Japan naar Tanzania verscheept, waar Alexandre hem voor 8000 dollar heeft gekocht. In Kinshasa wil hij hem voor 20.000 dollar verkopen.
Verloren dag
Het schip legt aan bij een verzameling hutten. Drie gestaltes in gescheurde broeken en restjes van plastic sandalen komen aangerend. Een van hen stelt zich voor als René en begint twee verhalen tegelijk te vertellen. Volgens het ene is hij de zoon van een Belg en een Congolese. Volgens het andere plaats-vervangend hoofd van politie. Allebei de verhalen eindigen met een verzoek om geld.
Achter hem klinkt opeens geschreeuw en verwarring. De zakken mais die opgehaald moeten worden, zijn er nog niet en de vissers uit het dorp willen ze niet aan boord brengen, ook niet voor een royale beloning. ‘Wij zijn vissers, dat doen we niet,’ zeggen ze, ofschoon de omgeving en hun schamele kleren niet de indruk geven dat ze veel te kiezen hebben. Een verkenningspatrouille gaat het binnenland in om onder de boeren naar sjouwers te zoeken. Pas tegen de avond worden de vijftig zakken aan boord gebracht. Een hele dag verloren, de passagiers zijn verontwaardigd.
‘Elke dag kost ons geld, elke dag schopt onze berekeningen in de war,’ zegt François (19), die onderweg is naar Kinshasa. Hij zit met een stuk of vijftig leeftijdsgenoten op een vrachtcontainer. Ze hebben matrassen en vellen plastic bij zich, waarvan ze een zonnescherm hebben gemaakt. Wie het zich kon permitteren, heeft in de haven nog gauw een plastic stoel gekocht.
Zo zitten ze dagen en weken op de containers mens-erger-je-niet te spelen. Meer is er niet te doen. Af en toe vaart de boot langs een dorp met een telefoonmast, en dat leidt ertoe dat iedereen dan op zijn schermpje zit te turen. Niemand van hen drinkt, niemand rookt – omdat het te duur is, omdat de boot door de sigaretten in brand kan vliegen en omdat je van alcohol de hele tijd naar de wc moet, die een hele klauterpartij van hun container verwijderd is. Eten doen ze meestal één keer per dag, rijst met bonen of een brij van mais met ‘Thompson-vis’. Die heet zo omdat hij vroeger door de firma Thompson uit Zuid-Afrika werd geïmporteerd: makreel die diepgevroren in Congo arriveert en toch nog goed-koper is dan de vis die hier in de rivier door de vissers wordt gevangen.
Als het om zes uur donker wordt, gaan de jongens op hun matrassen liggen, allemaal naast elkaar, als Thompson-vis in blik. Zo gaat het iedere dag, tot op de vierde dag de aanhouding van een dief voor enige afwisseling zorgt. Een jongeman die verlamd is aan zijn benen en zich alleen kruipend kan voortbewegen, heeft het mobieltje van een van de passagiers gestolen. De dief wordt naar de hut van de kapitein gebracht, waar een soort rechtszitting plaatsvindt. De verdachte ontkent, maar als hij de telefoon op zak blijkt te hebben, werkt dat niet in zijn voordeel.
De kapitein schrijft het vonnis uit dat de dief ondertekent. Hij wordt ‘in ballingschap’ gestuurd. Door zijn handtekening bevestigt hij dat hij vóór zijn verbanning is gehoord en dat alles er rechtmatig aan is toegegaan. Daarna wordt hij in een bootje aan wal gebracht en bij een of ander gehucht afgezet. De passagiers knikken tevreden. De kapitein zegt: ‘Er zijn criminelen die hier proberen te infiltreren. Die sporen we op en we veroordelen ze. Op deze boot is voor hen geen plaats.’
Netelige zaak
De volgende dag is de man weer aan boord. In de loop van de nacht heeft hij zich door een boomstamkano naar het schip laten brengen en hij is meteen opnieuw betrapt, dit keer bij een poging om suiker te stelen. Het wordt nu een netelige zaak, het volk is woedend en wil hem te lijf gaan. Een legerofficier, die als passagier aan boord is, geeft met niet mis te verstane gebaren aan dat de jongen gedood moet worden.
Er ontstaat een handgemeen. Dominee Mangila werpt zich er zo goed en zo kwaad als het gaat tussen, schreeuwend dat God niet duldt dat ze zich aan een ‘kreupele’ vergrijpen. De kapitein zegt dat hij in zijn staat geen eigenrichting toestaat en sluit de dief voor zijn eigen veiligheid op in zijn hut. De volgende dag moet hij weer van boord worden gezet. Maar dat loopt vertraging op, omdat de boot juist door een gebied vaart waar piraten actief zouden zijn, die aan boord kunnen komen om de passagiers te overvallen. Daarom besluit de kapitein snel door te varen.
Het is aan boord een voortdurend komen en gaan. Als ergens aan de oever een nederzetting opduikt, zie je meteen een flottielje boomstamkano’s op de grote boot afkomen, meestal met vriendelijke bedoelingen. Het zijn vrouwen en kinderen die gebraden vleermuizen of gefrituurd apenvlees verkopen. In andere dorpen hebben bewoners zich gespecialiseerd in tafels en stoelen van een soort bast. Weer anderen komen de fietsen en brommers afhalen die ze hebben besteld. Geluidloos komen de kleine bootjes aan en even geluidloos verdwijnen ze weer.
De regering is dit deel van het land vergeten. Straten en bruggen worden hier niet aangelegd, planten overwoekeren het beetje infrastructuur dat er nog te vinden is. Al decennialang zijn er plannen om een enorme stuwdam te bouwen die heel Afrika van stroom moet voorzien. En al decennialang gebeurt er niets.
Een paar jaar geleden had de regering het idee dat een beetje verandering de regio goed zou doen. Ze dacht dat op de Congo wellicht toerisme mogelijk zou zijn, in elk geval een andere manier van reizen dan de avontuurlijke sleepboten waarvan de meeste nog uit de koloniale tijd stamden. Voor ettelijke miljoenen liet de regering een groot schip moderniseren, met luxehutten en televisie aan boord. Het schip is drie keer de rivier opgevaren en alle drie de keren draaide het zoveel verlies dat het inmiddels weer uit de vaart is genomen. Bijna niemand kon zich de dure tickets permitteren.
De Natasha Belle daarentegen raakt bij iedere halte voller. Steeds meer goederen worden aan boord gebracht, de zakken mais staan inmiddels overal, er liggen stapels planken, op het laatst kan niemand zich meer bewegen. De stoelen worden gewoon overboord gegooid, de passagiers zitten nu op de zakken.
Alleen gedurende de avonduren is het een beetje stil en zitten de mensen bij elkaar. Estelle, de vrouw die een week lang bonen met rijst heeft gekookt, vertelt dat ze is gevlucht voor haar man, die haar sloeg en steeds opnieuw verkrachtte. Ze heeft zich op de boot in veiligheid gebracht en ze betaalt haar ticket door iedere dag voor een deel van de opvarenden te koken. Af en toe komt er ’s avonds een man bij haar matras die seks met haar wil. Maar tot nog toe heeft ze ze allemaal kunnen wegsturen, heeft steeds iemand haar geholpen – ze is hier veiliger dan aan wal.
Rugzak
Een andere vrouw vertelt hoe ze ooit haar spaargeld in een rugzak mee aan boord had genomen, een paar miljoen Congolese frank, omgerekend ruim 1000 euro. De rugzak was zo zwaar dat ze er achterover mee in het water was gevallen. Andere passagiers waren haar achterna gesprongen en hadden haar eruit gehaald, maar zonder rugzak. ‘Nu vaar ik voor het eerst weer mee. Je moet er meteen weer mee beginnen. Zonder de boot gaat het gewoon niet.’ Iedereen moet lachen. Ze hebben nog drie weken op de rivier voor de boeg, de vrouwen, de dominee, de verkoper van de Toyota Land Cruiser en de scheepspresident. Maar wie naar Bumba wil, beleeft nu zijn laatste avond aan boord.
Daarna moet je op het vliegveld vier dagen wachten op een vliegtuig, dat steeds weer vertraagd is. Tot er een oude Russische Antonov landt, zo een als er in Congo om de paar weken uit de lucht valt. En dan zou je maar wat graag weer op de boot zitten.
Auteur: Bernd Dörries
Süddeutsche Zeitung
Duitsland | dagblad | oplage 445.000
Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Samen met de FAZ een van de belangrijkste dagbladen van het land. De SZ staat bekend om de
drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.

