dossier kwestie van vertrouwen


Als het vertrouwen onder een bepaald niveau zakt, gaan veel mensen de politiek en alle publieke instituties als één grote poppenkast beschouwen, schrijft politiek analist William Davies. Dat komt dan niet alleen doordat het vertrouwen in het algemeen is gedaald, maar omdat belangrijke publieke figuren, mensen die de samenleving moeten vertegenwoordigen, onbetrouwbaar worden gevonden.   

Al eeuwenlang berusten moderne samenlevingen op iets wat zo wijdverbreid en doodgewoon is dat we er nauwelijks nog bij stilstaan: vertrouwen. Dat miljoenen mensen dezelfde opvatting kunnen hebben over de werkelijkheid, is een bijzondere verworvenheid – maar ook een die kwetsbaarder is dan vaak wordt beseft. Zolang openbare instituties als de media, de overheid en de wetenschap breed vertrouwen genieten, vragen we ons zelden af waaraan ze dat verdienen. Maar het succes van de liberale democratie berust niet zozeer op feiten als op een geloof, een sprong in het diepe: we vertrouwen erop dat overheidsfunctionarissen, verslaggevers, deskundigen en politici eerlijkheid betrachten als ze ons van informatie voorzien.

De idee dat publieke figuren en deskundigen in wezen betrouwbaar zijn is bepalend voor de gezondheid van de representatieve democratie. De kern van de liberale democratie is immers de gedachte dat een kleine groep mensen – politici – miljoenen anderen kunnen vertegenwoordigen. Zo’n stelsel kan alleen werken als er een zeker vertrouwen bestaat dat die kleine groep zich in ieder geval een deel van de tijd inzet voor de belangen van de veel grotere groep. Het afgelopen decennium heeft wel aangetoond dat niets bij kiezers zo’n afkeer van de liberale democratie wekt als de schijn van corruptie: het al dan niet terechte vermoeden dat politici macht nastreven uit eigenbelang.

En het gaat niet alleen om de politiek. Een groot deel van onze kennis over de wereld berust op vertrouwen: vertrouwen in de kranten, deskundigen, overheden en omroepen die ons informeren. Iedereen neemt weleens iets met eigen ogen waar, maar veel van wat wij als redelijke waarheden beschouwen krijgen we van anderen te horen. Als we accepteren dat de economie met één procent is gegroeid of horen over een medische doorbraak, is die nieuwe kennis een kwestie van vertrouwen: we vragen ons niet automatisch af of de betrokken wetenschappers of journalisten wel deugen.

Het hele bouwwerk dat wij ‘waarheid’ noemen, berust grotendeels op het vertrouwen dat wij erin hebben. Ga maar na hoe we aan onze kennis over klimaatverandering komen: wetenschappers verzamelen en analyseren gegevens, waarover ze een artikel schrijven dat anoniem wordt beoordeeld door andere wetenschappers, die ervan uitgaan dat de gepresenteerde data kloppen. Na publicatie worden de bevindingen met journalisten gedeeld in persberichten, opgesteld door de publiciteitsafdeling van de universiteit. Vervolgens verwachten we dat omroepen en kranten daar eerlijk en objectief verslag van doen. Ambtenaren schrijven toespraken voor hun bewindslieden waarin die op de feiten reageren en aangeven wat de regering op dit vlak al heeft bereikt.

Duizenden Brexiteers gingen op 9 december de straat op voor de Brexit Betrayal March. Een tegendemonstratie werd gehouden uit verzet tegen de controversiële populist Tommy Robinson, die de mars georganiseerd zou hebben. – © Getty Images
Duizenden Brexiteers gingen op 9 december de straat op voor de Brexit Betrayal March. Een tegendemonstratie werd gehouden uit verzet tegen de controversiële populist Tommy Robinson, die de mars georganiseerd zou hebben. – © Getty Images

Een moderne liberale samenleving is een complex web van vertrouwensrelaties, bijeengehouden door rapporten, boekhoudingen, verslagen en memoranda. Zo’n systeem staat altijd bloot aan politieke gevaren en bedreigingen. Het moderne model van deskundigheid is te herleiden tot de tweede helft van de zeventiende eeuw, toen handelaren en wetenschappers voor het eerst algemene technieken ontwikkelden voor het vastleggen en uitwisselen van feiten en cijfers.

Regeringen namen die technieken vrij snel over voor het innen van belastingen en het opstellen van elementaire overheidsbegrotingen. Maar van meet af aan moesten daarbij strikte gedragscodes in acht worden genomen om er zeker van te zijn dat overheidsfunctionarissen en deskundigen zich tot strikte eerlijkheid verplichtten en niet streefden naar eigen gewin of roem (door bijvoorbeeld het belang van hun wetenschappelijke ontdekking te overdrijven).

Maar hoe eerlijk die partijen ook met elkaar omgaan, de culturele homogeniteit en hechte sociale banden van die netwerken en clubjes van hoge heren is altijd een bron van wantrouwen geweest. Al sinds de zeventiende eeuw geven de belangrijkste kennisinstituten voorrang aan blanke hoogopgeleide mannen uit de grote steden en universiteitsstadjes. Dat doet niets af aan de kennis die er wordt geproduceerd – maar het wordt lastiger als die homogeniteit een politieke identiteit lijkt te worden, met een reeks gezamenlijke politieke doelen. Dat is wat het woord ‘elites’ impliceert: dat machtsdomeinen die los van elkaar zouden moeten staan – media, bedrijfsleven, politiek, rechterlijke macht en wetenschap – met één stem spreken.

Een andere bedreiging voor de liberale democratie schuilt in mensen die hun gezag misbruiken voor persoonlijk gewin. Systemen die op vertrouwen berusten, zijn altijd kwetsbaar voor wie er misbruik van wil maken. Alle moderne overheden toetsen feiten aan de hand van schriftelijke documenten – maar er zullen altijd mogelijkheden zijn om documenten te manipuleren, achterover te drukken of te vervalsen. Dat kun je nooit helemaal uitsluiten. En ook dit is van toepassing op meerdere terreinen: onze bereidheid om te geloven dat een krant eerlijk verslag doet van wat een politieagent zegt te hebben gehoord van een betrouwbare getuige, berust uiteindelijk op blind vertrouwen.

Onderzoek wijst uit dat er in het Westen al tientallen jaren sprake is van een dalende trend in vertrouwen

Onderzoek wijst uit dat er in het Westen al vele jaren, tientallen jaren zelfs, sprake is van een dalende trend in vertrouwen. In de jaren negentig en het begin van deze eeuw stond vertrouwen, en het gebrek daaraan, hoog op de agenda van beleidsmakers en de top van het zakenleven. Men was bang dat het dalende vertrouwen zou leiden tot hogere misdaadcijfers en lagere sociale cohesie, en daarmee tot hogere overheidskosten.

Maar wat niemand voorzag, was dat als het vertrouwen onder een bepaald niveau zakt, veel mensen de hele politiek en alle openbare instituties als één grote poppenkast gaan beschouwen. Dat komt dan niet alleen doordat het vertrouwen in het algemeen is gedaald, maar omdat belangrijke publieke figuren, met name politici en journalisten, onbetrouwbaar worden gevonden. Juist de mensen die de samenleving moeten vertegenwoordigen, als gekozen volksvertegenwoordiger of professionele verslaggever, hebben hun geloofwaardigheid dan verspeeld.

Om te begrijpen in welke crisis de liberale democratie tegenwoordig verkeert – of we dat nu aanduiden als ‘populisme’ of het ‘post-truth-tijdperk’ – volstaat het niet om simpelweg te klagen over het groeiend cynisme bij de burger. We moeten ook naar enkele oorzaken van dat geslonken vertrouwen kijken. De infrastructuur van de waarheid is ten dele ondermijnd door een combinatie van technologie en de krachten van de markt – maar we moeten ook serieus oog hebben voor de kern van waarheid in de kritiek van populisten op de gevestigde orde. Al te vaak wordt de opkomst van protestpartijen en demagogen louter gezien als oorzaak van de problemen waarin de liberale democratie verkeert, in plaats van als een symptoom van die problemen. Door ons te richten op vertrouwen en het onvermogen van de liberale instituties om dat vertrouwen te behouden, krijgen we scherper in beeld waarom die problemen zich juist nu voordoen.

Niet langer vanzelfsprekend

Het probleem is dat de beweringen van populisten op een aantal belangrijke terreinen van het openbare leven herhaaldelijk zijn bewaarheid. Een van de belangrijkste factoren die daaraan bijdragen, is de groei van de digitale technologie, die resulteert in enorme hoeveelheden data met het latente vermogen om publieke waarheden tegen te spreken en zelfs complete instituties te ondermijnen. Het is onmogelijk om voor eens en altijd te bewijzen dat een politicus zuiver op de graat is, of dat een nieuwsbericht objectief waar is, en vaak veel makkelijker om het tegendeel aan te tonen. Schandalen, gelekte informatie, klokkenluiders en ontmaskerde fraudeurs, allemaal bevestigen ze onze ergste vermoedens. Vertrouwen is uiteindelijk in wezen altijd een sprong in het duister, terwijl wantrouwen wordt gestut door gestaag groeiende stapels bewijsmateriaal. En in Groot-Brittannië is die stapel veel sneller gegroeid dan velen willen erkennen.

De opkomst van populistische partijen en politici en de resulterende crisis van de liberale democratie wordt door sommige commentatoren louter in economische termen geduid, als een opstand van mensen die zich door de groeiende ongelijkheid en globalisering in de steek gelaten voelen. Een ander kamp ziet het vooral als een uiting van culturele angst rond thema’s van identiteit en immigratie. In beide zienswijzen schuilt natuurlijk enige waarheid, maar beide komen niet tot de kern van de vertrouwenscrisis die door populisten zo genadeloos wordt uitgebuit. Een cruciale reden waarom de liberale democratie momenteel in gevaar verkeert, is dat de fundamentele eerlijkheid van reguliere politici, journalisten en hoge ambtenaren voor velen niet langer vanzelfsprekend is.

Er worden volop verklaringen bedacht voor fenomenen als Trump en brexit, maar er wordt te weinig aandacht besteed aan wat de populisten nou eigenlijk zeggen: dat zij onophoudelijk hameren op de gedachte van zakkenvullende ‘elites’ die alleen maar bezig zijn met het handhaven van een status quo waar ze vooral zelf beter van worden. Op rechts heeft Nigel Farage ambtenaren ervan beschuldigd de brexit te saboteren voor hun eigen gewin. Op links hoor je Jeremy Corbyn geregeld praten over het ‘oneerlijke economische systeem’. De belofte om een eind te maken aan de corruptie en de zakenlobby is een belangrijk onderdeel van het verhaal van figuren als Donald Trump, Jair Bolsonaro en Viktor Orbán.

Een van de grote politieke raadsels van de laatste jaren is dat het groeiende wantrouwen jegens ‘elites’ vaak wordt aangewakkerd en uitgebuit door figuren die zelf van veel dubieuzer allooi zijn – en bovendien vaak veel rijker – dan de technocraten en politici tegen wie ze het opnemen. Het lijkt op het eerste gezicht vreemd dat zulke zwendelaars en blaaskaken als Donald Trump of Arron Banks kunnen profiteren van verontwaardiging over een corrupte ‘elite’. Dat komt doordat het gezag van deze figuren niet berust op hun deugdzaamheid, maar op hun schijnbare bereidheid korte metten te maken met de corrupte ‘kliek’ die de overheid en de media domineert.

Een illustratie uit Punch, het Britse satirische weekblad dat in de 18e en 19e eeuw bekendstond om de maatschappijkritische cartoons. Deze cartoon stamt uit 1865, net na de zomerstop van het Britse parlement. Het opschrift luidt: ‘Our Play Box. Mr Punch
Een illustratie uit Punch, het Britse satirische weekblad dat in de 18e en 19e eeuw bekendstond om de maatschappijkritische cartoons. Deze cartoon stamt uit 1865, net na de zomerstop van het Britse parlement. Het opschrift luidt: ‘Our Play Box. Mr Punch

Zij die nog in de liberale democratie geloven – of die er ‘elitaire’ posities in bekleden – zullen zich troosten met de gedachte dat die beschuldigingen ongegrond of overdreven zijn, of dat de populisten geen oplossingen bieden voor de problemen die ze signaleren. Trump heeft het ‘moeras’ van de politieke lobby in Washington immers helemaal niet drooggelegd. Maar wie daarmee genoegen neemt, gaat voorbij aan hoe die politieke retoriek werkt: door gestaag in te hakken op het centrale geloof dat de grondslag vormt van de liberale rechtsstaat, het vertrouwen dat macht wordt aangewend voor de publieke zaak en dat de feiten die de media ons voorschotelen de werkelijkheid weergeven.

Populisten richten hun pijlen op verschillende machtscentra, zoals grote politieke partijen, reguliere media, grote bedrijven en staatsinstellingen, waaronder de rechterlijke macht. De ijzingwekkende term ‘volksvijanden’ werd onlangs door Donald Trump gebruikt als omschrijving voor de tv-zenders en kranten waaraan hij een hekel heeft (zoals CNN en The New York Times), en door de Daily Mail voor de opperrechters die in 2016 besloten dat een brexit de goedkeuring van het Britse parlement vereiste. Maar of de aanvallen nu gericht zijn op de rechterlijke macht, de media of de onafhankelijke ambtenarij, op een dieper niveau speelt een beschuldiging die belangrijker is: dat het hele openbare leven één grote schijnvertoning is geworden.

Hoe gaat dat precies in zijn werk? Eén manier om die suggestie te wekken, is door te betwisten dat het überhaupt mogelijk is dat een rechter, verslaggever of wetenschapper zich belangeloos en objectief kan opstellen. Waar het gezag van functies berust op het vermogen van functionarissen om hun publieke taak van hun persoonlijke overtuigingen te scheiden, is het publiceren van details over hun persoonlijk leven en hun privémening in feite een aanval op hun geloofwaardigheid. En een andere manier is om het onderscheid tussen verschillende soorten deskundigheid en gezag te vervagen en zo te impliceren dat politici, journalisten, rechters, toezichthouders en ambtenaren in feite allemaal onder één hoedje spelen.

Door journalisten, rechters, wetenschappers en politici op één hoop te vegen en weg te zetten als ‘linkse elite’, kun je doen alsof ze niets dan onbegrijpelijk jargon, politiek correcte kletspraat en, uiteindelijk, leugens spuien

Nu kunnen de mensen in die verschillende vakgebieden gemakkelijk zeggen dat ze weinig met elkaar gemeen hebben en zelfs vaak tegenover elkaar staan. Zo op het oog houden die verschillende centra van macht en deskundigheid elkaar in toom, in een pluralistisch systeem van machtsevenwicht door tegenspraak. Twintigste-eeuwse pleitbezorgers van de liberale democratie, zoals de Amerikaanse politicoloog Robert Dahl, zeiden vaak dat het niet uitmaakt over hoeveel macht afzonderlijke autoriteiten beschikken, zolang niet één enkele politieke instantie een monopolie op de macht krijgt. De befaamde liberale gedachte van de scheiding der machten (de uitvoerende, de wetgevende en de rechterlijke macht), die zo vormend is geweest voor de Amerikaanse grondwet, was houdbaar zolang verschillende segmenten van de samenleving elkaar kritisch bleven bejegenen.

Maar één ding dat deze verschillende beroepen en gezagsdragers wel gemeen hebben, is dat hun werk vooral draait om woorden en symbolen. Door journalisten, rechters, wetenschappers en politici op één hoop te vegen en weg te zetten als ‘linkse elite’, kun je doen alsof ze niets dan onbegrijpelijk jargon, politiek correcte kletspraat en, uiteindelijk, leugens spuien. Als er eenmaal twijfel is gezaaid over hun veronderstelde eerlijkheid, blijft er van hun status als dienaar van de publieke zaak niets meer over. Dat doet men onder meer door hun persoonlijke smaak en meningen naar buiten te brengen, wat dankzij sociale media en e-mail een stuk makkelijker is geworden. In het Twittertijdperk is het veel makkelijker om erachter te komen of er een zekere spanning of zelfs tegenspraak bestaat tussen, bijvoorbeeld, het publieke imago en de persoonlijke opvattingen van een BBC-verslaggever.

Mensen in de media, de politiek en de universitaire wereld zijn kwetsbaar op een manier waarop een figuur als Trump dat niet is, omdat hun gezag berust op de claim dat ze de waarheid spreken. In hun recente artikel The Authentic Appeal of the Lying Demagogue [De authentieke aantrekkingskracht van de liegende demagoog] maken de Amerikaanse sociologen Oliver Hahl, Minjae Kim en Ezra Zuckerman Sivan onderscheid tussen twee soorten leugens. Het eerste type, de special access lies, zou je misschien beter ‘insiderleugens’ kunnen noemen. Dat zijn de leugens van mensen die een positie bekleden waarin ze vertrouwen genieten, en die dat vertrouwen beschamen door iets te zeggen waarvan ze zelf weten dat het niet waar is. (Als voorbeeld noemen de auteurs Bill Clintons beruchte bewering dat hij ‘geen seksuele betrekkingen met die vrouw’ had gehad.)

Het tweede type leugen, door hen common knowledge lies genoemd [leugens over algemeen bekende feiten], is het soort flagrante leugen dat Donald Trump debiteert over de grootte van zijn verkiezingsoverwinning of van de menigte bij zijn inauguratie, of de leugen van de brexitcampagne dat Groot-Brittannië ‘350 miljoen per week’ aan de EU afdraagt. Dat zijn leugens die niet eens pretenderen de waarheid te verkondigen, leugens waarvan de luisteraar zelf mag bepalen wat hij ervan vindt.

Vreemd soort eerlijkheid

Het artikel laat zien dat naarmate politiek meer wordt beschouwd als het domein van insiderleugenaars, het andere type leugenaar steeds meer een imago krijgt van aantrekkelijke authenticiteit en zelfs een vreemd soort eerlijkheid. De opkomst van uiterst behendige beroepspolitici als Tony Blair en Bill Clinton heeft het gevoel versterkt dat politiek vooral een kwestie is van het strategisch verzwijgen van de waarheid, wat nadrukkelijk bevestigd leek te worden door de Irakoorlog. Trump en Farage mogen dan de naam hebben dat ze dingen uit hun duim zuigen, ze hebben (terecht of onterecht) niet de naam dat ze zaken verhullen. En dat verleent ze een soort geloofwaardigheid die voor technocraten en beroepspolitici niet is weggelegd.

Tegelijkertijd zie je iets wat nog kwalijker is. Als gekozen volksvertegenwoordigers het imago krijgen van insiderleugenaars, is dat ook schadelijk voor het vertrouwen in andere beroepsgroepen waarin men geacht wordt de waarheid te vertellen: journalisten, wetenschappers, ambtenaren. In de ogen van de mensen die alle geloof in het establishment al hebben verloren, zijn al deze kennismakelaars in feite één pot nat. En in dat alomvattende wantrouwen liggen kansen voor met name rechtse populisten. Onder kiezers die in 2016 op Trump hebben gestemd was de kans dat ze de media wantrouwden tweemaal zo hoog als onder Clinton-kiezers, stelt de Edelman Trust Barometer, die ook de vier landen opsomt waar momenteel sprake is van de meest ‘extreme daling van het vertrouwen’: Italië, Brazilië, Zuid-Afrika en de VS.

Maar als je de mening van kiezers hebt gepeild, weet je nog niet waar hun opvattingen uit voortkomen. Vervreemding en ontgoocheling zijn sentimenten die zich langzaam ontwikkelen en altijd meer dan één oorzaak hebben. Economische stagnatie en de gigantische ongelijkheid spelen ongetwijfeld een rol – maar wat we ook niet mogen uitvlakken, is het groeiende belang van schandalen die de eerlijkheid en objectiviteit van de ‘elites’ lijken te ondermijnen. Wangedrag van elites heeft de brexit niet ‘veroorzaakt’, maar het is achteraf gezien wel opvallend hoe weinig aandacht er was voor de opeenstapeling van schandalen en de impact daarvan op het algemene vertrouwen in het establishment.

In het jaarlijkse rapport ‘British Social Attitudes’ [van het Britse sociaal-cultureel planbureau, red.] werd in 2010 een onheilspellende ontwikkeling gesignaleerd. Het toch al lage vertrouwen in politici was verder gedaald en de meerderheid van de mensen was van mening dat politici nooit de waarheid spreken. Tegelijkertijd vertoonde de belangstelling voor politiek een raadselachtige stijging.

Zedenbederf

Bij wie zouden deze nieuwe geëngageerde kiezers hun heil zoeken, als ze alle vertrouwen in ‘politici’ hadden verloren? Eén antwoord was natuurlijk Ukip, dat in de jaren daarna zijn grootste verkiezingswinsten boekte, tot het in 2014 de meeste zetels haalde bij de Europese verkiezingen. De opkomst van Ukip, die aanvankelijk vooral de Conservatieven leek te bedreigen, was een doorslaggevende factor in David Camerons besluit om een referendum over het EU-lidmaatschap te houden. En een van de beslissende (en onvoorziene) factoren bij dat referendum was het hoge aantal kiezers dat voor het eerst naar de stembus ging, vooral om voor uittreding te stemmen.

Wat kan de aanleiding zijn geweest voor dat mengsel van boze ontgoocheling en groeiende politieke belangstelling die dat rapport in 2010 signaleerde? Het dateerde duidelijk van voor de jaren van de grootste bezuinigingen. Maar er was ook duidelijk één gebeurtenis die het vertrouwen in politici meer dan wat dan ook had ondermijnd: het schandaal rond de onkostendeclaraties van parlementariërs, dat uitbrak toen The Daily Telegraph er in mei 2009 dagelijks onthullingen over begon te publiceren.

Omdat dit plaatsvond in het kielzog van een catastrofe met mondiale impact – de financiële crisis – is de impact van deze bonnetjesaffaire misschien weer een beetje weggezakt uit het geheugen. Maar de gevolgen waren immens. Zo reikte het schandaal tot in de hoogste regionen: de voorzitter van het Lagerhuis, de minister van Binnenlandse Zaken, de staatssecretaris van Volkshuisvesting en een staatssecretaris van Financiën moesten allemaal aftreden. En niet alleen dat, maar het zedenbederf leek alle partijen evenzeer te hebben aangetast en bevestigde zo het gevoel dat politici meer gemeen hadden met elkaar (ongeacht van welke partij ze waren) dan met normale, hardwerkende Britten.

Een andere reden waarom het declaratieschandaal belangrijk was, is dat het de toon zette voor een heel decennium vol schandalen rond de elite

Veel problemen waarover de ‘elites’ zich buigen, betreffen complexe kwesties van wet- en regelgeving en economische processen. We zien bijvoorbeeld allemaal wel de gevolgen van de financiële crisis, maar de precieze oorzaken ervan zijn betwistbaar en moeilijk te doorgronden. Een onkostendeclaratie daarentegen is iets wat iedereen begrijpt, en iedereen weet ook dat liegen en overdrijven moreel verwerpelijk zijn. Zelfs een kind weet dat het niet mag. Het zal geen recht doen aan de honderden parlementariërs die eerlijk zijn, en de tientallen van wie het gerommel ergens in het grijze gebied tussen de letter en de ‘geest’ van de wet valt. Maar het gevoel dat hier massaal werd gesjoemeld had, heel begrijpelijk, diep postgevat.

Een andere reden waarom het declaratieschandaal belangrijk was, is dat het de toon zette voor een heel decennium vol schandalen rond de elite, waarbij het ook meestal ging om leugens, gelekte informatie en valse ontkenningen. Een jaar later werd er weer een enorme hoeveelheid overheidsgegevens gelekt, toen WikiLeaks honderdduizenden Amerikaanse oorlogsverslagen uit Irak en Afghanistan publiceerde. Via samenwerkende kranten als The New York Times, Der Spiegel, The Guardian en Le Monde kwamen gruwelijke details naar buiten over wangedrag van Amerikaanse strijdkrachten, en bleek het Pentagon te hebben gelogen dat het daarvan niet op de hoogte was geweest. Sommige politici uitten hun afschuw over de onthullingen, maar de Amerikaanse en Britse regeringen verweten WikiLeaks dat het hun strijdkrachten in gevaar bracht, en Chelsea Manning, de bron van het lek, werd veroordeeld voor spionage.

In 2011 belandde de pers zelf in het beklaagdenbankje als gevolg van een afluisterschandaal. Leidinggevenden van de persgroep News International en van de Londense politie bleken al lang op de hoogte te zijn van het afluisteren van telefoons en voicemail door journalisten, en hadden daarover gelogen. Een van de beschuldigden was de oud-hoofdredacteur van de krant News of the World Andy Coulson, inmiddels hoofd persvoorlichting voor de premier. Hij moest opstappen als Camerons persvoorlichter en belandde uiteindelijk in de cel. Eind 2011 werd News of the World opgedoekt, was het parlementaire Leveson-onderzoek van start gegaan en schudde het imperium van Rupert Murdoch op zijn grondvesten.

154 dossier populisme

Het grootste schandaal van 2012 betrof weer iets totaal anders: hier ging het om onbekende mannen die een cijfer hadden gemanipuleerd waarvan maar heel weinig mensen hadden gehoord. Dat was de zogenaamde Libor-rente, de gemiddelde rente waartegen banken van elkaar geld lenen. Het surrealistische element in dit verhaal is dat dit getal, in een tijd van complexe derivaten en geautomatiseerde handelsalgoritmen, nog berekend werd op basis van schattingen die iedere bank dagelijks aanleverde en die louter op basis van vertrouwen werden geaccepteerd. De onthulling over een handjevol bankmedewerkers die de Libor-rente bewust hadden gemanipuleerd voor eigen gewin (en ten koste van onder meer zo’n 250.000 Britse hypotheekhouders) was misschien niet voor iedereen volledig te volgen, maar schiep allicht het beeld van een bankensector die zich op criminele wijze verrijkt ten koste van de gewone man. Bob Diamond, hoofd van Barclays, de bank die de spil in de samenzwering was, stapte in juli 2012 op.

Tegen het eind van dat jaar waren de media in de greep van een nieuwe langslepende crisis, ditmaal bij de BBC. De ITV-documentaire The Other Side of Jimmy Savile had in oktober 2012 veel afschuw gewekt. Hoeveel mensen waren van zijn seksueel misbruik op de hoogte geweest, en hoelang al? Waarom had de politie eerdere onderzoeken naar Savile gestaakt? En waarom had BBC Newsnight zijn eigen documentaire over Savile, die het kort na zijn overlijden in 2011 had zullen uitzenden, uiteindelijk teruggetrokken? De politie stelde snel een onderzoek in naar historische gevallen van seksueel misbruik, Operation Yewtree, en de BBC liet onafhankelijke commissies onderzoeken wat er was misgegaan. Maar het gevoel bleef hangen dat de BBC en de politie eigenlijk veertig jaar lang bewust de ogen hadden gesloten.

Het duurde niet lang voordat ook het bedrijfsleven aan de beurt was. In september 2014 onthulde een klokkenluider dat supermarktketen Tesco zijn halfjaarlijkse winstcijfers kunstmatig had opgehoogd met meer dan 30 procent, ofwel 250 miljoen pond. Boekhoudfraude op die schaal moest met medeweten van de top hebben plaatsgevonden. En inderdaad, vier directeuren werden diezelfde maand nog geschorst en drie zijn er twee jaar later aangeklaagd wegens fraude. Een jaar later bleek Volkswagen doelbewust en systematisch met de uitstoot van uitlaatgassen te hebben gesjoemeld, zodat hun auto’s de test van de toezichthouder doorstonden en daarna op de weg vrijuit konden vervuilen. Topman Winterkorn stapte op.

‘WikiLeaks vertelt ons niet echt iets wat we niet al zelf dachten te weten,’ schreef de filosoof Slavoj Zizek in 2014. ‘Maar ergens een algemeen idee over hebben is nog wat anders dan de concrete feiten zien.’ De aard van al deze schandalen lijkt te wijzen op de opkomst van een nieuw soort ‘feiten’, in de vorm van gelekte gegevensbestanden. Cruciaal daarbij is dat wij de informatie niet meer uit de tweede hand vernemen van een journalist of functionaris. Deze onthullingen zijn zo krachtig en zo invloedrijk doordat ze een directe bevestiging vormen van onze ergste angsten en vermoedens. Rancune jegens de ‘linkse elite’ zou ongetwijfeld ook zonder de steun van feitelijk bewijs blijven broeien. Maar duiken er eenmaal zulke bewijzen op, dan wordt de woede nog veel groter, zelfs wanneer de gegevens – zoals bij de e-mails van Hillary Clinton – in feite helemaal niet zo schokkend zijn.

Het Londense hoofdkantoor van Barclays betrokken bij manipulatie van de Libor-rente; demonstranten betuigen steun aan Chelsea Manning. – © Getty Images
Het Londense hoofdkantoor van Barclays betrokken bij manipulatie van de Libor-rente; demonstranten betuigen steun aan Chelsea Manning. – © Getty Images

Dit was bij lange na geen volledige lijst van alle schandalen van de afgelopen tien jaar, en ze zijn ook niet allemaal even belangrijk geweest. Maar door ze zo op een rijtje te zetten, krijg je een betere indruk van waar de populisten op inspelen. Of we nu in politici, journalisten en ambtenaren blijven geloven of niet, we zijn steeds meer gewend geraakt aan dit scenario, waarbij het doek theatraal wordt opengerukt om te onthullen door wie de burger nu weer is voorgelogen of bedrogen.

En er komt nog een ander patroon uit naar voren. Het zijn niet alleen individuele mensen die worden ontmaskerd als corrupte zakkenvullers (een verschijnsel dat zo oud is als de politiek zelf), maar de hele gevestigde orde, die leugenachtig en onbetrouwbaar begint te lijken. De opvallendste schandalen van deze eeuw bevatten een combinatie van elementaire en tijdloze morele misstappen (hebzucht en misleiding) met een technologie die het mogelijk maakt om misstanden op ongekende schaal te onthullen, met veel dramatischer resultaat dan vroeger.

Het belangrijkste kenmerk van al deze onthullingen was misschien dat het absoluut om schandalen ging en niet gewoon om fouten: het waren doelbewuste pogingen om te misleiden of frauderen. In enkele gevallen betrof het langdurige doofpotaffaires, pogingen om zo lang mogelijk te voorkomen dat de waarheid aan het licht kwam.

Bij een aantal van die schandalen zijn prominente figuren achter de tralies verdwenen. Zo’n celstraf kan tot op zekere hoogte voldoen aan de behoefte om de ‘elites’ voor hun misleiding te laten boeten, maar kan het beschadigde vertrouwen niet herstellen. Integendeel, het gevaar bestaat dat het de roep om wraak alleen maar aanwakkert en burgers steeds meer straf doet eisen. Bij kiezersbijeenkomsten van Trump wordt nog steeds ‘lock her up’ gescandeerd.

Dubbelzinnige rol

Naast de boze opzet die deze schandalen aan het licht brachten, valt ook de dubbelzinnige rol op die de media erin speelden. De reputatie van de media heeft de afgelopen tien jaar veel deuken opgelopen, mede onder invloed van de kritiek van populisten en complotdenkers, die de ‘reguliere media’ graag betichten van nauwe banden met de politiek en hun boodschap nu zelf via sociale media kunnen verspreiden.

Het moreel gezag van kranten is misschien nooit heel hoog geweest, maar de misselijkmakende onthulling dat journalisten de telefoon van de vermoorde scholiere Milly Dowler hadden gehackt is wel een nieuw dieptepunt. Het onderzoek van de commissie-Leveson, kort daarna gevolgd door de onthullingen over het seksueel misbruik van Jimmy Savile en Operation Yewtree, wekten het beeld van een mediaklasse die heel goed misstanden van anderen aan de kaak kan stellen, maar ondertussen ook heel bedreven de waarheid over eigen wangedrag weet te verdoezelen.

Anderzijds is het aan kranten en tv-zenders te danken dat dit allemaal überhaupt aan het licht kwam. De volle omvang van het afluisterschandaal is uiteindelijk onthuld door The Guardian, de bonnetjesaffaire door The Daily Telegraph, Jimmy Saviles misbruik door ITV, en de oorlogsverslagen van WikiLeaks zijn wereldwijd naar buiten gebracht door een aantal samenwerkende kranten.

BBC-directeur George Entwistle nadat hij is ondervraagd over de van seksueel misbruik beschuldigde presentator Jimmy Savile. – © Getty Images
BBC-directeur George Entwistle nadat hij is ondervraagd over de van seksueel misbruik beschuldigde presentator Jimmy Savile. – © Getty Images

Maar de media speelden hierin een heel andere rol dan de rol die journalisten en kranten traditioneel altijd hebben gehad, en dat heeft nieuwe implicaties voor de status van de waarheid in de samenleving. In deze gevallen had zich steeds in het geheim een massa gegevens en aantijgingen opgehoopt, waarover uiteindelijk aan de bel werd getrokken. Er was een data-archief waarvan de autoriteiten het bestaan bleven ontkennen tot dat niet langer vol te houden viel. Journalisten en klokkenluiders waren degenen die de kraan opendraaiden, maar vanaf dat moment bleef de waarheid met onvoorspelbare gevolgen naar buiten stromen. En als er zo’n stortvloed aan gegevens naar buiten komt, weet je nooit hoe ver die zal reiken en hoelang het zal duren.

Het tijdperk van big data is ook het tijdperk van het lek. Vroeger kon er af en toe eens een minister worden betrapt op een misstap die hem tot aftreden dwong. De beeldbepalende schandalen van de voorbije tien jaar zijn veelal van zo’n omvang dat het de verantwoordelijkheid van individuele personen overstijgt. De onthullingen van Edward Snowden in 2013, de Panama Papers in 2015 en het schandaal rond grootschalige belastingontduiking bij de bank HSBC: steeds was er sprake van tienduizenden of zelfs miljoenen vrijgekomen documenten. In het papieren tijdperk werd geen bureaucratie ooit met zulke grootschalige aanvallen op zijn legitimiteit geconfronteerd.

Het vermogen van onderzoekscommissies om zelfs zo’n grote hoeveelheid data te kunnen analyseren moet niet worden onderschat, net zomin als de integriteit van de journalisten en klokkenluiders die misstanden aan het licht hebben gebracht. Bij het declaratieschandaal van Britse parlementariërs riepen sommige kranten zelfs de hulp van hun lezers in om die enorme archieven door te spitten op belastende feiten, als een soort menselijke algoritmes. Maar je kunt je moeilijk voorstellen dat al die onthullingen bij elkaar het vertrouwen in openbare instanties hebben versterkt. Integendeel, de ontdekking dat ‘elites’ de toegang tot een schat aan belastende informatie hebben versperd is krachtvoer voor complotdenkers. In 2010 noemde Tony Blair in zijn memoires de onder hem tot stand gekomen wet op de openbaarheid van bestuur als een van de zaken waar hij het meeste spijt van had – een fraai inkijkje in hoe er in het centrum van de macht over transparantie wordt gedacht.

Als de waarheid voortaan moet komen van klokkenluiders en gelekte gegevens, ondermijnt dat het gezag van de beroepen die waarheidsvinding tot taak hebben

Na de onthulling van geheime oorlogsverslagen door WikiLeaks werd de juistheid van de gegevens door hoge functionarissen niet betwist (het ging immers om data van de overheid zelf, niet om een journalistieke weergave daarvan). Ook probeerden ze de onthulde misstanden niet moreel te rechtvaardigen. De ministeries van Defensie kwamen met het zwakst mogelijke verweer: dat het voor iedereen beter was als niet iedereen wist hoe de oorlog werd gevoerd. Het is goed mogelijk dat het declaratieschandaal geen recht doet aan het Lagerhuis als geheel, dat de meeste beurshandelaren in de City eerlijk zijn en dat het gesjoemel van Volkswagen binnen de auto-industrie een uitzondering is. Maar bij schandalen gaat het niet om een evenwichtig of representatief beeld van de wereld: daarbij gaat het om leugens en verborgen waarheden die aan het licht worden gebracht. Als de waarheid voortaan moet komen van klokkenluiders en gelekte gegevens, ondermijnt dat het gezag van de beroepen die waarheidsvinding tot taak hebben: journalisten, wetenschappers en andere deskundigen.

Landen als het Hongarije van Orbán of het Turkije van Erdogan worden tegenwoordig vaak aangeduid met de term ‘illiberale democratie’. Anders dan in een liberale democratie liggen de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en die van de media bij die autoritaire populisten onder vuur, zogenaamd in naam van ‘het volk’.

De brexit is deels door wantrouwen jegens ‘de elite’ veroorzaakt, maar de angst bestaat dat ook het afglijden naar zo’n soort ‘antiliberale’ democratie erdoor zal worden versneld. Zeker onder overtuigde remainers heerst het gevoel dat de BBC op eieren loopt wat betreft de brexitcampagne en de brexit zelf, uit angst om van partijdigheid te worden beschuldigd.

Verontrustender was de ontdekking door openDemocracy in oktober dat de politie het onderzoek naar vermeende schendingen van de kieswet door brexiteers heeft opgeschort wegens, zoals een politiewoordvoerder het noemde, ‘politieke gevoeligheden’. Het gevaar bestaat nu dat belangrijke maatschappelijke instellingen zich van kritisch toezicht en strikte naleving van de regels zullen onthouden om hun tegenstanders niet tegen zich in het harnas te jagen.

Demonstreren met Jeremy Corbyn en Tim Farron in papier-mâché voor het hoofdkantoor van de BBC, omdat het instituut weigerde het snoeiharde protestlied Liar Liar uit te zenden. 
© Getty Images
Demonstreren met Jeremy Corbyn en Tim Farron in papier-mâché voor het hoofdkantoor van de BBC, omdat het instituut weigerde het snoeiharde protestlied Liar Liar uit te zenden. 
© Getty Images

Groot-Brittannië is geen ‘illiberale’ democratie, maar de geloofwaardigheid van onze elites wordt nog steeds bedreigd, en tegemoetkomingen aan hun populistische tegenstanders gooien misschien alleen maar olie op het vuur. Aan het ene uiterste van het spectrum heb je de extreem-rechtse activist Stephen Yaxley-Lennon, ook bekend onder zijn pseudoniem Tommy Robinson, die zijn bekendheid en zijn bereik op sociale media benut om zowel de rechterlijke macht als de BBC zwart te maken. Yaxley-Lennon doet zich voor als een vrijheidsstrijder die de strenge regels over het verslaan van strafzaken moedwillig overtreedt om ‘de waarheid’ te onthullen over moslims die worden berecht voor het groomen van minderjarige meisjes. Yaxley-Lennon is daarvoor veroordeeld en in de cel gezet (en daarna weer vrijgelaten in afwachting van hoger beroep). Maar dat maakt hem alleen maar een held voor iedereen die denkt dat de gevestigde orde iets in de doofpot wil steken waarvan de gewone man de dupe is.

De politieke angst is nu dat dit soort wantrouwen – de gedachte dat de waarheid opzettelijk wordt verdoezeld door samenspannende ‘elites’ – niet langer is voorbehouden aan complotdenkers, dat het steeds wijder verbreid wordt. Onze huidige crisis heeft te veel oorzaken om hier allemaal op te noemen, en voor die collectieve vertrouwenscrisis valt niet één schuldige aan te wijzen. Die is net zozeer een symptoom van de technologische veranderingen in de media als van moreel feilen bij elites.

Maar wat zich nu aftekent, is wat de filosoof Michel Foucault een nieuw ‘waarheidsregime’ zou hebben genoemd: een nieuwe manier om kennis en vertrouwen in een samenleving te organiseren. De komst van deskundigen en overheidsfunctionarissen schiep in de zeventiende eeuw het kader voor een onmiskenbaar liberale oplossing voor dit probleem, die berustte op de veronderstelling dat kennis zijn beslag zou krijgen in openbare verslaglegging, kranten, overheidsdocumenten en annalen. Maar zodra er aan de integriteit van die mensen en die middelen wordt getwijfeld, kan een nieuwe klasse politieke figuren en technologieën de kans krijgen om dat vertrouwen te winnen.

Het project van drie eeuwen geleden, toen het volk werd gevraagd erop te vertrouwen dat de leden van een elite namens hen de waarheid konden kennen, beschrijven en beoordelen, is op de lange termijn misschien niet houdbaar, althans niet in zijn huidige vorm. Het is verleidelijk om toe te geven aan de fantasie dat we de krachten die dat project hebben ondermijnd kunnen terugdraaien, of kunnen verjagen met een nog groter arsenaal aan feiten. Maar dan sluiten we de ogen voor de fundamentele veranderingen die zich voltrekken in de manier waarop vertrouwen tegenwoordig werkt.

Verborgen data

Het hoofdkenmerk van het nieuwe regime is dat de waarheid nu niet meer geacht wordt in publiekelijk beschikbare feiten te schuilen, maar in verborgen verzamelingen data. Dat is het beeld dat wordt bevestigd door schandalen zoals de bonnetjesaffaire van Britse parlementariërs en de gelekte oorlogsverslagen uit Irak – en recenter door de #MeToo-beweging, die ook bestond uit een plotse en omvangrijke reeks onthullingen die uitmondden in een vertrouwenscrisis. De feiten bestonden al, ze bevonden zich alleen nog niet in het publieke domein. In het tijdperk van e-mail, sociale media en telefoons met camera’s is het logisch om ervan uit te gaan dat alle sociale activiteiten ruwe data genereren, en dat die zich ergens bevinden. De waarheid wordt zoiets als de lava onder de aardkorst, die af en toe uitbarst als een vulkaan.

Welke rol blijft er dan over voor de traditionele, analoge brenger van feiten en cijfers? Wat betekent het nog om aan ‘verslaggeving’ te doen in een tijdperk waarin ongeloof de eerste reflex is? Kranten worstelen al enige tijd met die vraag. Sommige hebben de stap gezet om alleen nog een doorgeefluik te zijn voor ruwe data, curators van andermans content. Maar het spreekt voor burgers niet langer vanzelf om een journalist op zijn woord te geloven, als ze de feiten ook zelf in digitale vorm kunnen bekijken. Er zijn misschien goede antwoorden op deze vragen te bedenken, maar ze liggen niet voor het oprapen.

In plaats daarvan is er tegelijk met deze trends een nieuw type heroïsche waarheidsvinder opgekomen. Dat is het individu dat dapper genoeg is om te roepen dat de rest van het establishment uit zijn nek lult – of het nou gaat om de overheid, kranten, het bedrijfsleven, politieke partijen of wie dan ook. Sommige van deze figuren zijn klokkenluiders, andere zijn politieke leiders, en weer andere zijn complotdenkers of internet-trollen. Het probleem is dat iedereen een andere held heeft die de waarheid verkondigt, omdat iedereen weer andere vormen van lulkoek heeft waaraan hij zich ergert. Chelsea Manning en Nigel Farage staan politiek niet op één lijn. Het enige wat hen verenigt is de bereidheid om de gevestigde orde te trotseren en tegen de consensus in te gaan.

Een wereld waarin ieder mens zijn eigen waarheidsvinder heeft, lijkt misschien gevaarlijk veel op doorgeslagen relativisme, en dat is het ook. Maar de oorsprong van dit nieuwe en vaak verontrustende ‘waarheidsregime’ ligt niet alleen in de opkomst van het populisme of van big data. Onze elites hebben meestal onvoldoende ingezien dat het bij deze crisis niet gaat om feiten maar om vertrouwen. En wellicht hebben ze daardoor geen oog gehad voor de razendsnelle afbrokkeling van hun geloofwaardigheid.

Als de instituties van de liberale democratie en hun pleitbezorgers zich geen rekenschap geven van hun eigen onvermogen om het vertrouwen van de burger te winnen, zullen ze de gebeurtenissen van de voorbije tien jaar nooit begrijpen. En als die instituties geen manier vinden om bepaalde aspecten van de oorspronkelijke liberale drijfveer nieuw leven in te blazen – zoals een werkelijke scheiding der machten en het streven naar kennis in plaats van gewin – zullen de huidige trends alleen maar verder doorzetten en zal geen hoeveelheid feiten groot genoeg zijn om daar weerstand aan te bieden. Dan krijgen we een gestage accumulatie van macht en autoriteit bij een combinatie van steeds minder liberale staten en digitale platforms – af en toe onderbroken door verontwaardigd geschreeuw wanneer ergens een klok wordt geluid en een schandaal wordt onthuld.

Auteur: William Davies

The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.


Deel dit artikel


Recent verschenen