als ik een man was


Literaire superster Rebecca Solnit grapt in dit verontrustende maar ijzersterke essay dat zij de volmaakte zoon voor haar moeder was geweest. Hoe anders zou haar leven eruit hebben gezien?

Op een avond, ik was nog heel jong, gaven gay vrienden een feestje waar de mannen als vrouwen moesten komen en omgekeerd. Mijn toenmalige vriendje deed dit met hulp van zijn moeder zo goed, dat veel heteromannen er zenuwachtig van werden: even vroegen ze zich angstig af wat de begeerlijke, giechelende sirene in dat strakke jurkje betekende voor hun heteroseksualiteit. Ik was lang niet zo overtuigend als Rod Stewart-achtige man met driedagenbaard van houtskool en ik was zelf een beetje verbaasd dat een man nadoen voor mij kennelijk inhield dat ik wijdbeens op de sofa ging zitten boeren en in mijn kruis krabben, terwijl ik woedend om me heen keek en vloekte. Het was best een leuk gevoel om eens niet mijn best te hoeven doen iemand te plezieren of aardig gevonden te worden, maar het was niet per se hoe ik wilde zijn.

Ik ben oud genoeg om nog tot halverwege mijn basisschooltijd meegemaakt te hebben dat meisjes niet 
in een broek op school mochten komen; om nog te weten hoe een columnist in de plaatselijke krant chagrijnig en panisch betoogde dat als vrouwen broeken droegen het verschil tussen de seksen zou verdwijnen, wat hij beangstigend vond. Ik heb het grootste deel van mijn leven rondgelopen in spijkerbroeken en op schoenen die geschikt zijn voor ruw terrein, maar ook met lipstick en lang haar, en omdat ik een vrouw was kon ik de dunne lijn bewandelen tussen wat vroeger werd gezien als mannelijk en als vrouwelijk. Maar ik heb me weleens afgevraagd hoe het leven zou zijn als ik een man was. Waarmee ik niet wil beweren dat ik last heb of zou willen hebben van de genderdysforie en diepgaande vragen rond lichaam, seksualiteit en zelfgevoel waar transmensen mee worstelen.

Succesobjecten

In veel opzichten vind ik het prettig om vrouw te zijn, maar soms kan het vrouw-zijn op een bepaalde manier een gevangenis vormen, en af en toe dagdroom ik erover om die gevangenis uit te zijn. 
Ik weet dat man-zijn ook een gevangenis kan betekenen, op een andere manier. Ik ken en mag veel mannen, hetero en homo, en zie hoe zij zijn opgezadeld met lasten die ik niet graag zou willen dragen. Al die dingen die mannen niet geacht worden te doen of te zeggen of te voelen; het feit dat er voortdurend op jongens wordt gelet om te voorkomen of te bestraffen dat ze iets doen wat niet past in het conventionele beeld van de heteroseksuele mannelijkheid – die opgroeiende jongens voor wie flikker 
of mietje, dus dat je niet hetero of mannelijk bent, nog steeds vaak de ergste scheldwoorden zijn.

In de jaren zeventig, toen sommige mannen nog 
probeerden uit te zoeken hoe hun eigen bevrijding gelijk op kon gaan met die van de vrouwen, was er een keer een demonstratie waarin mannen een spandoek ophielden met de tekst ‘Mannen zijn meer dan succesobjecten’. Misschien werd ik als meisje wel bevrijd van de verwachting dat ik in de een of andere vorm een mislukking zou worden. Ik kon rebelleren door te slagen, terwijl veel blanke middenklassemannen van mijn tijd leken te rebelleren door te mislukken, omdat er zulke hoge verwachtingen aan hen werden gesteld. Dat had soms het voordeel dat ze meer steun kregen in hun ambities, maar het nadeel was meer druk en hogere verwachtingen. 
Ze moesten later president worden, of hun moeders grote trots, of de enige steunpilaar van het gezin, of elke dag een held zijn – opmerkelijke dingen doen. Gewoon, fatsoenlijk en een harde werker zijn vond men vaak niet genoeg. Maar voor hen was succes wel beschikbaar, dat was een voordeel – en dat is het nog. Wat dat betreft zitten we nog steeds met wanverhoudingen: The New York Times meldde in 2015 dat ‘minder grote bedrijven worden geleid door vrouwen dan door mannen die John heten’. Bij de grootste bedrijven in de VS ‘zijn er voor elke vrouw vier mannen die John, Robert, William of James heten’.

Toen mijn moeder nog leefde, zei ik wel eens voor 
de grap dat mijn probleem was dat ik de volmaakte zoon was. Mijn moeder verwachtte van mij, voor zover ik wist, iets heel anders dan van haar drie zoons. Ik grapte vaak dat zij haar dak moesten repareren en ik haar geest. Ze wilde iets onmogelijks van me, ik moest een combinatie zijn van beste vriendin en vertrouwelinge, verzorgster en persoon die ze op elk moment met alles kon lastigvallen – een persoon die het altijd met haar eens was en nooit wegging. Haar huis lag zo’n dertig kilometer ten noorden van 
San Francisco, waar ik al sinds mijn achttiende woonde, en ik was bereid om geregeld naar haar toe te komen – en niet alleen op feestdagen, Moederdag en haar verjaardag –, cadeautjes mee te brengen, te luisteren en praktische hulp te bieden, terwijl ik ondertussen mijn eigen leven leidde (ik was al sinds mijn zeventiende uit huis en financieel onafhankelijk).

In feite was ze jaloers op de kansen die ik kreeg en waarvan zij vond dat ze die niet had gekregen, te beginnen met mogelijkheid om naar de universiteit te gaan, die haar niet was geboden, en haar broer wel. Ik denk dat deze afgunst veel voorkomt tussen haar generatie en de mijne; in zekere zin zag ze mijn carrière als sta-in-de-weg voor mijn eigenlijke rol als haar verzorger, of als verzorger in het algemeen. Ik wist dat de acceptabele manier om te ontkomen aan het toegewijd zijn aan haar, was door mijn leven te wijden aan andere mensen – een man te nemen, kinderen te krijgen –, liever dan niet beschikbaar 
te zijn omdat ik werkte en mijn eigen leven leidde. Toen ik nog jong was, zei ze vaak het rijmpje op: 
A son is a son till he takes him a wife, a daughter is a daughter all of her life. Haar verwachtingen hadden de ondertoon ‘Ik heb mijn leven voor anderen opgeofferd; nu moet jij jouw leven voor mij opofferen.’

‘Vind je dat dit boek mijn hersens dik maakt?’

Ik heb mezelf niet opgeofferd, maar mijn werk was ook voor anderen een bron van conflict. Ik ben jong naar de universiteit gegaan, jong afgestudeerd, ging daarna naar de Graduate School of Journalism op Berkeley, waar ik voor mijn drieëntwintigste mijn graad haalde, werkte voor een tijdschrift, vertrok bij het tijdschrift en was plotseling freelancepublicist, en zo heb ik de afgelopen drie decennia grotendeels mijn brood verdiend. Op mijn dertigste heb ik een boek gepubliceerd en daarna nog een, en nog een, de teller staat nu op twintig. In het begin van mijn vriendschap met een oudere feministische schrijf-
ster die veel invloedrijke boeken heeft geschreven, lachten we vaak samen om de mannen die we leerden kennen en die ervan schrokken dat wij zo veel hadden gepubliceerd. Kennelijk hadden ze het idee dat zij succesvoller moesten zijn dan degene tot wie ze zich aangetrokken voelden; dat ons creatieve werk op de een of andere manier een uiting van agressie of concurrentiestrijd was. Ik geloof niet dat vrouwen zo ook tegenover mannen staan.

We grapten ‘Als ik had geweten dat ik jou zou tegenkomen, had ik die manuscripten verbrand.’ Of, zoals ik later lachend zou vragen: ‘Vind je dat dit boek mijn hersens dik maakt?’ Jongens kunnen gestigmatiseerd worden als nerd of geek, maar ze kunnen niet echt te intelligent zijn. Meisjes wel, en veel meisjes leren om hun intelligentie te verbergen, of die gewoon niet 
te gebruiken of minder waard te vinden of te betwijfelen. Uitgesproken meningen en duidelijke ideeën gaan niet samen met vleiende eerbied.

Almachtige god

Wat zelfvertrouwen is in een man wordt maar al te vaak beschouwd als ellenbogenwerk bij een vrouw; wat leiderschap is in een man is bazigheid in een vrouw; zelfs het woord bazig wordt, net als slet of zeur, zelden gebruikt voor een man. Een paar decennia geleden kende ik een vrouw die wereldkampioen martial arts was. De familie van haar man vond het verontrustend dat hij haar geen pak slaag kon geven. Ze namen niet aan dat hij dat wilde, maar dachten dat hij op de een of andere manier ontmand was doordat hij het niet kon, door het feit dat zij hem niet de kans bood zich op die afschuwelijke manier machtig te voelen. Het spreekt voor hem dat hij daar zelf kennelijk totaal niet mee zat.

Als meisje zou ik het prettig hebben gevonden als mijn intelligentie en intellectuele inspanningen zonder voorbehoud waren gewaardeerd en gezien als een bron van trots, in plaats van als iets waar ik omzichtig mee om moest gaan om anderen niet van streek te maken of te beledigen. Succes kan impliciet mislukken betekenen voor heterovrouwen, die geacht worden als vrouw te slagen door de man zich een almachtige god te laten voelen. Zoals Virginia Woolf schreef: ‘Vrouwen hebben al deze eeuwen lang gediend als spiegels met het magische en verrukkelijke vermogen om de man twee keer zo groot te weerspiegelen als hij is.’

Ik heb veel briljante mannen ontmoet met een echtgenote die hun carrière dient en in hun schaduw leeft, en nog steeds wordt een huwelijk met een succesvol man in veel kringen beschouwd als het hoogste dat een vrouw kan bereiken. Sommige vrouwen voeren daar wel bij, maar niet weinig leken door hun rol als helpster en dienstmaagd juist minder waard te zijn geworden en als ze gingen scheiden, dan scheidden ze ook van de identiteit die ze hadden helpen opbouwen en onderhouden. Er zijn zo veel vrouwen geweest die thuisbleven en de kinderen opvoedden, terwijl mannen op avontuur uit gingen en prestaties leverden. Nog steeds. Deze heteromannen met hun glanzende carrières en geweldige gezinnen – niemand vraagt hun hoe ze het klaarspelen om dat allebei te hebben, want we weten het wel: door haar.

In het eerste nummer van Ms. Magazine in 1972 stond een baanbrekend essay: ‘Why I Want a Wife’. Het is een afgrijselijke opsomming van wat een vrouw kan doen voor haar man en kinderen, van een vrouw als een soort zelfleidende bediende. Onlangs nog vertelde een van mijn beste vrienden me dat hij nogal verbaasd was over de vele glimlachjes en complimenten die hij krijgt als hij met zijn pasgeboren zoontje naar buiten gaat, alsof het feit dat hij voor zijn kind zorgt een optionele extra verdienste van hem is. Het lijkt wel of alles wat vaders doen, afgezien van de financiële kant, extra is; wat moeders doen is nooit genoeg. Dit is een van de redenen waarom een vrouw misschien een man zou willen zijn (en waarom de keus om kinderen te krijgen voor een vrouw iets heel anders kan betekenen 
dan voor een man, tenzij ze dat nog steeds zeldzame fenomeen bezit: een partner die écht een gelijk aandeel in de verzorging heeft). Was ik een man, of had ik een vrouw als partner, dan had ik misschien heel andere keuzes gemaakt over huwelijk en kinderen.

Je hoort vaak beweringen die erop neerkomen dat het grootmoedig is van een man als hij weet om 
te gaan met de intelligentie of het succes van een vrouw, al begint dit steeds meer heteroparen te lukken nu vrouwen steeds vaker hoofdkostwinner zijn of meer verdienen dan hun man (en Leonard Woolf was een voorbeeld met zijn steun voor het werk van zijn vrouw, dat het zijne overschaduwde). Maar toen ik opgroeide wist ik dat ik later het publiek zou moeten zijn en niet een deelnemer of het middelpunt van de aandacht.

© David Butow / Hollandse Hoogte
© David Butow / Hollandse Hoogte

Mansplaining
Ik heb al eerder geschreven over mannen die dingen willen uitleggen – over het verschijnsel van de man die denkt dat hij iets weet, terwijl dat niet zo is, en dat de vrouw met wie hij praat het niet weet, terwijl dat wel zo is. Het essay dat ik hierover in 2008 schreef circuleert nog steeds, kennelijk omdat het bij zo veel vrouwen en misschien ook bij enkele mannen aansloeg. Volgens een artikel van dit jaar bestaat het woord mansplaining inmiddels in meer dan dertig talen [maar niet in het Nederlands, waarin we het gemakshalve gewoon niet vertalen] en ik realiseer me dat in dat begrip het idee zit ingebouwd dat vrouwen eeuwig het publiek zijn. Niets wijst erop dan mansplaining op zijn retour is.
Zoals de meeste vrouwen heb ik, zelfs na de leeftijd waarop onbekenden eisten dat ik tegen ze lachte, totale vreemden op me af gekregen om lange theorieën of verhalen over me uit te storten, zonder dat er sprake was van wederkerigheid in het gesprek, als gesprek het woord is voor deze vorm van eenrichtingverkeer. We weten dat dit zo gaat, van de onderzoeken waaruit blijkt dat jongens op school meer aan het woord komen en als volwassene meer praten op vergaderingen en vaker vrouwen dan mannen in de rede vallen.
In de jaren negentig van de vorige eeuw gaf kunstenaar Ann Hamilton haar studenten een lichte multiplex plaat van 1.20 bij 2.40 meter, die ze een week lang overal met zich mee moesten dragen. Door deze oefening werden ze zich bewust van wat manoeuvreerruimte is; ze bewogen zich onhandig, konden elk moment tegen mensen en dingen opbotsen en zullen heel wat excuses hebben gemaakt. Succes lijkt soms iets dergelijks voor vrouwen: een onhandig groot ding dat andere mensen wel in de weg zal zitten en waarvoor je je geregeld moet verontschuldigen. De zinnen die soms worden gebruikt voor mannen met een succesvolle vrouw als partner – dat ze het accepteren, zich er niet door laten ontmoedigen, er goed mee om kunnen gaan, ertegen kunnen – herinneren ons eraan dat vrouwelijk succes kan worden gezien als ongewenst of ongepast gedrag.
Hoe zou het zijn om succes te hebben die geen mislukking inhoudt, die niet in de weg zit, of reden is om je te verontschuldigen, waarover je niet bescheiden hoeft te doen? Hoe zou het zijn om macht te hebben die je mooier maakt en niet de aandacht afleidt van je aantrekkelijkheid? (Alleen al het idee dat machteloosheid aantrekkelijk kan zijn, is vreselijk – en waar.) Ann Hamilton heeft een geweldige carrière gehad en dat kwam deels door de pure omvang en ambitie die haar werk van het begin af aan heeft gehad en die uitzonderlijk waren aan het eind van de jaren tachtig, toen zij haar entree in de kunstwereld maakte. Ik weet nog dat alle vrouwelijke kunststudenten die ik in die tijd kende, kleine, bijna heimelijke dingen maakten die iets over hun situatie onthulden, zoals het gebrek aan ruimte dat ze naar hun gevoel mochten innemen. 
Hoe kun je groot denken als je geacht wordt niemand in de weg te lopen, niet te veel applaus te verwachten, niet te overschaduwen of te intimideren? Ann schreef me toen ik haar naar die multiplexopdracht lang geleden vroeg: ‘Ik probeer nog steeds van de gewoonte af te komen om me te verontschuldigen – voor mijn projecten vraag ik gemakkelijk genoeg om hulp, maar als ik iets voor mezelf vraag, komt dat oude “sorry, sorry…” weer om de hoek kijken.’
We hebben nare verhalen te vertellen en zijn nog steeds niet onder de schaduw vandaan. Hooggerechtshofrechter Ruth Bader Ginsburg vertelt over haar aankomst op de rechtenfaculteit in de jaren vijftig: ‘De rector vroeg aan de vrouwelijke studenten, stuk voor stuk, om te zeggen wat we bij Rechten deden, waar we een stoel innamen die door een man bezet had kunnen worden.’ Hillary Clinton heeft een paar jaar geleden aan een journalist verteld hoe ze in de jaren zestig een vergelijkbare vijandigheid ondervond van de jonge mannen die tegelijk met haar de toelatingstest deden voor Harvard. Een van hen beschuldigde haar er zelfs van dat haar ambitie moordzuchtig was: ‘Als jij mijn plaats inneemt, moet ik in dienst, en dan word ik naar Vietnam gestuurd en ga ik dood.’ Hij kon zich niet voorstellen dat zij het recht had om mee te dingen; of dat hij niet meer recht had dan zij op de plek die ze nog geen van beiden bemachtigd hadden. Niet alleen aan de top is het lastig: vrouwelijke loodgieters, elektriciens en mecaniciens hebben me verteld dat ze op hun vakgebied worden behandeld als onbekwaam of bemoeizuchtig, of allebei.
Het is niet moeilijk om ook in deze tijd horrorverhalen te vinden van vrouwen die er op vergaderingen geen woord tussen kunnen krijgen, die anderen met hun ideeën op de loop zien gaan, die niet de promotie krijgen die ze wel hadden gekregen als ze een man waren, die geïntimideerd en betast worden of, in 
de witte-boordenwereld, niet uitgenodigd voor de teambuildingssessies van het management. Dit jaar zijn er uit Silicon Valley allerlei verhalen naar buiten gekomen over seksuele intimidatie en discriminatie, en de kern van veel verhalen is dat de tech-bedrijven toleranter staan tegenover seksuele intimidatie dan tegenover degenen die daar melding van doen. Deze maand nog beweerde een medewerker van Google in een inmiddels berucht schrijfsel dat het uiterst onevenwichtig samengestelde landschap van de witte-boordenbanen in Silicon Valley aan niets meer of minder te danken is dan aan het superieure vermogen van de man.
We hebben nog een lange weg te gaan. Een jonge vrouw die op een college voor vrouwen studeerde, vertelde me afgelopen zomer hoe blij ze was dat ze zich nu in een intellectuele omgeving bevond waar de gesprekken in de klas niet werden overheerst door zelfverzekerde jonge mannen, zoals op haar middelbare school; dat ze om drie uur ’s nachts over de campus naar huis kon lopen zonder zich zorgen te maken over haar veiligheid, was ook heerlijk. (Er zijn ook vrouwen die aanrandingen plegen, maar dat aantal is vele malen kleiner dan dat bij mannen.) Ook in de onlinewereld zijn vrouwen doelwit; voor een experimentje op Twitter leende journalist Summer Brenner vorig jaar de profielfoto van haar broer en gebruikte ze in plaats van haar voornaam alleen de initiaal – de intimidatie die ze online had ervaren nam vrijwel helemaal af. Een vrouw kan een man willen zijn alleen al om niet langer door mannen achtervolgd te worden.

Als ik een man was… Ik wilde niet zozeer iemand anders zijn, maar wel af en toe behandeld worden als iemand anders, of met rust gelaten, zoals zou gebeuren als ik iets anders was. Vooral heb ik vaak gewenst dat ik in mijn eentje kon rondlopen, in steden, door 
de bergen, zonder lastiggevallen te worden. Je kunt niet zomaar rondzwerven, zo alleen als een wolk, als je voortdurend over je schouder kijkt of je niet gevolgd wordt, of jezelf schrap zet voor het geval de persoon die eraan komt je grijpt. Ik ben in mijn leven beledigd, bedreigd, bespuugd, aangevallen, betast, lastiggevallen, gevolgd; ik ken vrouwen die zo heftig werden gestalkt dat ze moesten onderduiken, soms jarenlang; andere vrouwen die ik ken zijn ontvoerd, verkracht, gemarteld, gestoken, met stenen geslagen, voor dood achtergelaten. Dat heeft invloed op je gevoel van vrijheid, om het zacht uit te drukken.

Een klein deel van mijn bewustzijn wordt continu in beslag genomen door deze overlevingskwesties wanneer ik in mijn eentje de natuur in ga, al ben ik wel op enkele plekken geweest – IJsland, Japan, extreem afgelegen wildernissen met beren als enige bedreiging – waar ik geloofde dat ik er niet aan hoefde te denken. Veel schrijvers – Wordsworth, Rousseau, Thoreau, Gary Snyder – deden een groot deel van hun denk- en componeerwerk terwijl ze in hun eentje wandelden; ik ook, maar bij mij werd dat telkens onderbroken, zowel van buitenaf als door die innerlijke waakzaamheid, omdat ik altijd aan mijn veiligheid moest denken. Ik weet dat het feit dat ik blank ben in dit opzicht de balans de andere kant op doet doorslaan; daardoor kan ik naar plekken gaan waar een zwart persoon niet kan komen, en het korte antwoord op de vraag hoe mijn leven zou zijn als ik zwart geboren was, zou zijn: anders, in bijna elk denkbaar opzicht.

Crossdressing

Er zijn veel verhalen over mensen die aan crossdressing doen, niet bij wijze van zelfexpressie, maar uit praktische overwegingen, net zoals er gekleurde mensen zijn die zich voordoen als blank. Deborah Samson en Anna Maria Lane zijn twee van de vrouwen die gekleed als man meevochten in de revolutionaire oorlog tegen de Britten, en meer vrouwen deden hetzelfde in het leger van de unionisten tijdens de burgeroorlog. Romanschrijfster George Sand gebruikte een mannennaam om door te dringen in het literaire wereldje van het negentiende-eeuwse Frankrijk en mannenkleren om Parijs te doorkruisen. Zo voorkwam ze niet alleen dat ze werd lastiggevallen, maar was ze ook af van de wankele schoenen en meters stof waarmee het moeilijk was om door een stad te lopen die ongelijk geplaveid en smerig was. Ze verruilde de niemendalletjes voor stevige laarzen en stoere kleren waarmee ze zelfverzekerd in weer en wind en op alle tijden van de dag en nacht kon rondbanjeren, en ze vond het heerlijk. Sylvia Plath, die een eeuw later werd geboren, schreef op haar negentiende in haar dagboek: ‘Als vrouw geboren zijn is mijn afschuwelijke tragedie. Ja, God, ik wil met iedereen praten met wie ik maar kan praten, en zo diepgaand als maar mogelijk is. Ik wil in het open veld kunnen slapen, naar het westen reizen, vrijelijk ’s nachts kunnen rondlopen.’
Heel wat kledingstukken die vrouwen droegen, en nog steeds dragen, vormen een belemmering en beperking. Sommige vrouwen die op 11 september het World Trade Center ontvluchtten moesten dat blootsvoets doen, zodat ze hun voeten openhaalden, omdat hun schoenen hun beweeglijkheid in de weg zaten. Hoe is het om een groot deel van je leven door te brengen op schoenen waarmee je minder stabiel en minder snel bent dan de mensen om je heen? Sommige vrouwen dragen strakke kleren die hun bewegingsvrijheid hinderen, kwetsbare kleding, kleren waarover je kunt struikelen. Zulke kledingstukken kunnen mooi en glamoureus zijn, maar als dagelijks uniform zijn ze vaak invaliderend.
Transmensen hebben zelf kunnen meemaken hoe anders de wereld hen behandelt na hun transitie. Ik heb veel verhalen gelezen, van een vrouw die erachter komt dat ze niet langer ruim baan krijgt, maar mensen op straat tegen haar opbotsen; van een man die merkt dat hij niet langer in de rede wordt gevallen. Gender vormt de ruimtes – sociaal, in gesprekken, professioneel, en ook letterlijk – die we dagelijks innemen. Wie we zijn, besefte ik, toen ik meewerkte aan een atlas van New York City, is zelfs ingebouwd in het landschap, waarin veel dingen naar mannen zijn genoemd en weinig naar vrouwen, van straten en gebouwen (Lafayette Street, Madison Avenue, Lincoln Center, Rockefeller Center) tot steden (het nabijgelegen Paterson, Levittown, Morristown). De naamgeving van de stad moedigde mannen kennelijk aan om hun grootsheid te bewijzen als generaal, industrieel, president, senator. Mijn collega’s en ik maakten een kaart waarop alle stations van de ondergrondse een nieuwe naam kregen, de namen van de grote vrouwen van de stad. Vorig jaar had ik het hierover met studenten op Columbia University (die natuurlijk naar Christoffel Columbus is genoemd) en een jonge, gekleurde vrouw merkte op dat zij haar hele leven met gebogen hoofd had rondgelopen; dat ze in een stad waar de dingen naar mensen zoals zij waren genoemd, misschien wel rechtop had gelopen.

Een andere vrouw vroeg zich af of ze seksueel geïntimideerd zou worden op boulevards die naar een vrouw vernoemd waren. De wereld is een ongelijk terrein, met veel om over te struikelen en veel ruimte om opnieuw uit te vinden.

Ik vind het prettig om een vrouw te zijn. Ik hou ervan om te kijken naar en misschien te lachen tegen of te praten met kinderen die ik in het park tegenkom; ik weet zeker dat niemand mij ooit voor een engerd of een ontvoerder zal aanzien en ik weet dat dat lastiger zou liggen als ik een man was. En er zijn subtielere voordelen, zoals de vele verschillende manieren waarop ik me mag uitdrukken in mijn persoonlijke relaties, ook in mijn intieme, ondersteunende, emotioneel expressieve vriendschappen met andere vrouwen – en, al zolang ik volwassen ben, mijn vriendschappen met homomannen die vaak brutaalweg, vrolijk, briljant de regels van de mannelijkheid aan hun laars lapten en mij hielpen te lachen om de discrepantie tussen wie we zijn en wie we geacht worden te zijn. Bevrijding is besmettelijk en volwassen worden tussen mensen die gender eerst afbraken en vervolgens opnieuw opbouwden, heeft zelfs een heterovrouw als ik helpen bevrijden. Dus ik wou niet dat ik een man was. Ik wou alleen dat we allemaal vrij waren.

Auteur: Rebecca Solnit

Solnit wordt op 4 november geïnterviewd op Crossing Border. De vertaling van The Mother of all Questions verschijnt bij Podium.


Deel dit artikel


Recent verschenen