Arme blanken worden al heel lang bespot en rechteloos gemaakt in hun eigen land – evenals de arme zwarten. Dus waarom slaan ze de handen niet ineen?
Het is bijna twee eeuwen geleden dat de term ‘white trash’ [blank uitschot] voor het eerst in druk verscheen. Het scheldwoord is altijd in zwang gebleven en deel gaan uitmaken van een rijke woordenschat die teruggaat tot Amerika’s eerste kolonie in Jamestown. In die tijd stonden de contractarbeiders, zwervers en allerlei soorten veroordeelden die door Engeland in de Nieuwe Wereld waren gedumpt, bekend als ‘schorriemorrie’.
In vierhonderd jaar is er, behalve de omvang van het vocabulaire, verrassend weinig veranderd. Arme blanken werden afwisselend aangeduid als ‘geteisem’, ‘uitvaagsel’, ‘armoedzaaiers’, ‘hillbillies’, ‘kleivreters’, ‘tuig van de richel’, ‘schorem’, ‘rednecks’, ‘blanke negers’ en ‘asocialen’. Tegenwoordig zou ‘Trump-kiezer’ wellicht ook volstaan. Voor een land dat klassenidentiteit verafschuwt, is Amerika’s blanke proletariaat opmerkelijk goed geclassificeerd.
Het echte verhaal, zoals beschreven door historica Nancy Isenberg, auteur van White Trash, is dat Amerika zich zeer bewust was van klassenverschillen toen de grondvesten van het land werden gelegd. Afrikaanse slaven vormden niet de enige groep die geen rechten had. In veel staten mochten burgers die geen bezittingen hadden nog tot twee of drie generaties na de revolutie niet stemmen. Benjamin Franklin, de ultieme selfmade Amerikaan, omschreef de achttiende-eeuwse woudbewoners in Pennsylvania als ‘het afval van Amerika’.
George Washington en Thomas Jefferson waren het erover eens dat de ‘lagere klassen’ alleen geschikt waren als grondtroepen in de Onafhankelijkheidsoorlog. Zoals de Engelsen ongewenste personen over de Atlantische Oceaan verscheepten, spoorden Amerika’s vroegste presidenten hen aan om westwaarts te trekken. Zij die naar het zuiden gingen, werden crackers genoemd – een woord dat wellicht afkomstig was van het slang-woord voor scheten laten, of van hun ‘luidruchtige, blufferige’ manier van grappen maken (crack jokes). Hoe dan ook, ze waren niet welkom.
Veel mensen menen zelfs dat de term “po’ white trash” [arm blank uitschot] afkomstig was van slaven. “Redneck” was zeker door slaven gemunt
Pas toen Andrew Jackson op het toneel verscheen, begonnen ze hun gewicht in de schaal te leggen in het stemhokje. Velen menen dat de Amerikaanse democratie pas echt werd geboren in 1828, toen die slaveneigenaar en vroegere oorlogsheld tot president werd verkozen. Jacksons tegenstander, John Quincy Adams, de aan Harvard verbonden zoon van Amerika’s tweede president, lachte hem uit om zijn semigeletterde tirades. Jackson boog die kritiek in zijn electorale voordeel om door zichzelf te beschrijven als ‘autodidact’ en ‘van eigen teelt’. De echo’s van de huidige strijd tussen Ivy Leaguers en anti-establishmentpopulisten zijn amper te missen.
Het was niet alleen de General Society of Mayflower Descendants die neerkeek op onbehouwen blanken. Ook Afrikanen deden dat. Veel mensen menen zelfs dat de term ‘po’ white trash’ [arm blank uitschot] afkomstig was van slaven. ‘Redneck’ was zeker door slaven gemunt, zoals wordt aangetoond door het lied dat Isenberg citeert: ‘I’d druther be a Nigger, an’ plow ole Beck, Dan a white Hill Billy wid his long red neck.’
Tijdens de Burgeroorlog wijdde Jefferson Davis, de president van de Confederatie, evenveel hoogdravende woorden aan de aanval op de hoge komaf van zijn Yankee-tegenstanders als aan de verdediging van de slavernij. De zuidelijke plantage-eigenaren beschouwden zichzelf als de afstammelingen van Engelands royalistische Cavaliers. Het leger van de Union bestond echter uit ‘zwervers’, ‘proletariërs’ en ‘schoenpoetsers’. Slechts 5 procent van de blanken in het zuiden bezat slaven. De rest – bijna 400.000 – offerde zijn leven op voor de verdediging van het systeem.
White Rage
Het zou moeilijk zijn om Amerika’s geschiedenis te lezen – of de presidentsverkiezingen van 2016 te doorgronden – zonder te verwijzen naar de strijd tussen arme blanken en de afstammelingen van voormalige slaven. Lyndon Baines Johnson, die een eeuw na de Burgeroorlog president werd, gaf een levendige beschrijving van de politieke gevolgen. ‘Als je de eenvoudigste blanke ervan kunt overtuigen dat hij beter is dan de beste kleurling, merkt hij niet dat je zijn zakken rolt,’ zei LBJ. ‘Sterker, geef hem iemand om op neer te kijken, en hij haalt zelf zijn zakken voor je leeg.’ In het jaar na de verkiezing van Barack Obama steeg de hoeveelheid doodsbedreigingen tegen de president met 400 procent. Zonder te refereren aan het inzicht van LBJ is de reden moeilijk te begrijpen.
Carol Anderson, professor in de Afro-Amerikaanse Studies, begon aan haar boek White Rage nadat Michael Brown, een jonge zwarte man, in 2014 door de politie in Ferguson, Missouri was neergeschoten. Ze was gevraagd om uitleg te geven over de zwarte woede tijdens de rellen die volgden op Browns dood. Maar zo moest je het niet bekijken, meende zij. De brandende kruisen en witte lakens mochten dan verdwenen zijn, maar de geest van de Ku Klux Klan leefde in andere vormen voort. ‘Er werd heel veel aandacht geschonken aan de vlammen, maar iedereen had de blokken hout, de vonken, genegeerd,’ schrijft ze. ‘Verbetering van de positie van zwarten lokt altijd blanke woede uit.’
Haar verhaal begint met het verzet uit het Zuiden, dat meteen na het einde van de Burgeroorlog in 1865 begon. Ze ‘blaast grafiet op de verborgen vingerafdruk’ van blanke woede die meer dan honderdvijftig jaar teruggaat. Wat bevrijde slaven op papier hadden gewonnen, werd hun bijna een eeuw lang in de praktijk ontzegd. Opeenvolgende Hooggerechtshoven ontdeden het dertiende, veertiende en vijftiende amendement van de grondwet (waarin de slavernij werd afgeschaft en vrijgemaakte slaven normale burgerrechten kregen) van wezenlijke inhoud.
Dit bereikte een hoogtepunt met het beruchte Plessey versus Ferguson-vonnis, waarin een zwarte man het wettelijke recht werd ontzegd om de Jim Crow-wetten, die rassenscheiding legaliseerden, aan te vechten. Het hof kwam tot de ‘apart maar gelijk’-interpretatie die tot aan de jaren vijftig van de vorige eeuw gold. Zwarten wisselden stalen ketenen in voor beperkingen van hun burgerrechten. Wie ook maar in de buurt durfde komen van een stemhokje werd afgetuigd of gelyncht. Decennia lang mocht amper 1 procent van de Afro-Amerikanen in de vroegere Confederatie deelnemen aan verkiezingen. ‘De slavenwet van het Zuiden mag dood zijn geweest,’ zei een Afro-Amerikaanse schrijver, ‘maar hij regeerde nog over ons vanuit het graf.’
Aanhangers van de zuidelijke zienswijze beriepen zich stelselmatig op het recht van staten om zich te verdedigen tegen federale inmenging. Die filosofie houdt nog stand. Sinds Obama president werd, is er een opleving in staatswetgeving geweest om verkiezingsfraude tegen te gaan – een probleem dat bepaald niet op grote schaal bestaat. In de afgelopen paar jaar hebben negen van de twaalf voormalige confederale staten twee of meer ID-eisen aangenomen of voorgesteld die het moeilijker maken om te stemmen. Sommige staten hebben vroeg stemmen op de zondag voor de verkiezingen afgeschaft – een gewild tijdstip na de wekelijkse kerkgang waarop veel zwarten hun stem uitbrengen. De verkiezing van Obama lijkt een katalysator te zijn geweest voor pogingen om ‘stembusintegriteit’ aan te scherpen.
Toekomst
Of de geschiedenis van Amerika nu verteld wordt door de ogen van arme blanken of Afro-Amerikanen, het resultaat is opvallend gelijk. Het is onmogelijk om wat er vandaag gebeurt te begrijpen zonder het verleden erbij te betrekken. In haar oorspronkelijke boek toont Isenberg aan dat Amerika’s zoektocht naar een perfecter verbond voornamelijk een hernieuwd debat is over de strijd uit het verleden. Amerika heeft beslist een indrukwekkende vooruitgang doorgemaakt. Maar de verloren zaak van het glorieuze Zuiden is nooit helemaal opgegeven. Andrew Jacksons in wasbeerbont gehulde, cider zuipende herrieschoppers voelen zich nog steeds niet thuis bij stedelijke normen en waarden. En de afschuw van de hoogopgeleide klasse van hoe de andere helft leeft, wordt alleen geëvenaard door hun schuldgevoel over de erfzonde van de slavernij.
De beroemde voorstandster van de afschaffing van de slavernij Harriet Beecher Stowe, schrijfster van De negerhut van oom Tom, schreef een minder bekend werk over arme blanken, Dred: A Tale of the Great Dismal Swamp. Stowe had compassie met slaven, maar schilderde blanken af als een gedegenereerde klasse, geneigd tot misdaden, zedeloosheid en onwetendheid. Diezelfde fascinatie zien we tegenwoordig nog in de populaire cultuur. Reality-tv-shows als H_ere Comes Honey Boo Boo,_ Redneck Island, Hillbilly Handfishin’ en Moonshiners halen hoge kijkcijfers. Dat soort programma’s zijn al heel lang een vast onderdeel van de tv-hits.
The Beverley Hillbillies uit de jaren zestig ging over een familie uit de Appalachen die olie vond. Maar de miljoenen die ze verdienden, droegen niet bij aan de verfijning van hun gewoonten. Amerika lachte om hun onbeschaafde manieren. Het lacht nog steeds. Maar het onderwerp van de hoon, de ‘po’ white trash’, weet wraak te nemen.
Het idee dat arme blanken een economische coalitie zullen smeden met arme zwarten om de Amerikaanse politiek op haar kop te zetten, is nog steeds ver verwijderd van de realiteit. Te veel blanken willen hun land terug – wat dat ook mag betekenen. Dat is niet het doel van Afro-Amerikanen of andere minderheden.
De protestbeweging Black Lives Matter richt zich op de toekomst. In de onwaarschijnlijke gedaante van Donald Trump leeft Amerika’s Jacksoniaanse rebellie voort. Maar uiteindelijk is ze gedoemd te mislukken. Want zoals Lindsey Graham, de Republikeinse senator van South Carolina, het stelt: ‘We produceren niet genoeg boze blanke kerels om het op de lange termijn vol te houden.’
Auteur: Edward Luce
Financial Times
Verenigd Koninkrijk, dagblad, oplage 448.000
Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

