Ik zit in de woonkamer op de bank, het is een beetje koud in huis. Door de ramen zie ik de grijze lucht. Twee bomen staan heel dichtbij, er zitten geen bladeren meer aan. Ik ben geen liefhebber van dit weer; ik functioneer nauwelijks wanneer het buiten zo is, wanneer duisternis niet alleen een overgang is tussen dag en nacht, maar steeds aanwezig. Wanneer duisternis niet langer tot boeken en verhalen behoort, maar tot het dagelijks bestaan van mensen; waarin menselijk leven wordt behandeld alsof het geen waarde heeft.
Op zulke momenten komt de twijfel op, aan de rol van schrijven, aan de betekenis en de impact ervan.
Maar ik, Palestijn, heb mijn hele leven uit boeken en verhalen geleerd dat we ons aan hoop moeten vasthouden om door te kunnen gaan. Dat is misschien een van de redenen waarom ik schrijver en journalist ben geworden. Door je eigen verhalen te vertellen of de stemmen van anderen te delen, wordt hoop iets praktisch. Het is een voortzetting van andermans onvoltooide wegen, zoals journalist Samira (p. 34) zei. In haar geval was het haar zus, ook journalist, die in Afghani stan werd gedood; later werd ze radiopresentator en daagde ze de wetten van de taliban uit.
Hoop wordt praktisch als we vasthouden aan dagelijkse gewoonten, zoals schrijver Fedaa Zeyad blijft doen (p. 33): elke ochtend naar Fai ruz luisteren, terwijl Israël Gaza, waar zij woont, blijft bombarderen. Naar Fairuz luisteren te midden van genocide is voor Fidaa een aan kondiging van liefde: liefde voor de kleine details van het leven, liefde voor wat ondanks de verwoesting blijft.
Hoop wordt praktisch wanneer we getuige zijn van de terugkeer van journalist Zeina Kanwati naar huis, naar Damascus, en na veertien jaar gedwongen ontheemding koffiedrinken met haar moeder in haar keuken niet langer een illusie is (p. 35).
De bron van hoop, wil die praktisch worden, ligt misschien in ons ver mogen als mens – maar vooral in ons werk als schrijvers en journalis ten – om historische en actuele pijn en woede om te vormen tot een weg naar een andere wereld, een betere, die we allemaal verdienen. Een wereld waar niemand van ons te lang op hoeft te wachten. Buiten mijn raam is de lucht nog steeds grijs. Maar ik houd me vast aan de gedachte dat mijn dochters zo thuiskomen van de opvang. Als ze binnen zijn, kruipen ze naast me op de bank, lachend en knuffe lend. De lucht wordt er niet lichter van, de werkelijkheid niet minder hard, maar het brengt liefde en schoonheid naar het twijfelende zelf, voert het teder verder in het verzet tegen onrecht, opdat menselijk leven weer met waarde wordt behandeld.
Rasha Hilwi

