Te laat op je werk komen geldt in Japan als een doodzonde. En dus zitten de treinen tijdens het spitsuur overvol. Pogingen om het werkverkeer te spreiden liepen tot nu toe op niets uit. Een Japanse journalist ging op zoek naar de oorsprong van de Japanse pünktlichkeit.
De tijd van de stampvolle treinen is weer aangebroken. Het is bepaald geen lolletje om in klamme wagons tegen andere passagiers aangeplakt te staan van wie het zweet afdruipt en maar nauwelijks je evenwicht te kunnen bewaren in de menselijke springvloed die je dreigt te overspoelen. Maar even vervelend is de ergernis die zich in deze verstikkende atmosfeer van de mensen meester maakt. Her en der nemen de shitauchi (het klakken met de tong om je ergernis te laten blijken) en de vermoeide zuchten toe. Waar sommigen tekeergaan tegen een buur die op hun tenen is gaan staan of hen een duw in de rug heeft gegeven, wachten anderen op de volgende halte om de schuldige bij het uitstappen een vernietigende blik te kunnen toewerpen. De ongewenste intimiteiten, die voortdurend onderwerp van gesprek zijn (zie kader), zijn ook voor mannen een probleem; wanneer ze ingeklemd staan tussen vrouwelijke passagiers, moeten ze te allen tijde hun handen omhooghouden om anderen te laten zien dat ze zich weten te gedragen.
Deze zomer is er een project gelanceerd om de hel van het openbaar vervoer, die zwaar op het moreel van de beroepsbevolking drukt, het hoofd te bieden. De vrouwelijke gouverneur van Tokio, Yuriko Koike, heeft beloofd een einde te maken aan de overvolle treinen en is daartoe een campagne gestart onder de naam ‘Jisa biz’ (waarbij ‘jisa’ voor ‘variabele werktijden’ staat en ‘biz’ voor ‘business’ – zie kader), die zich richt op bedrijven en particulieren. Behalve voor variabele werktijden pleit ze ook voor thuiswerken om de spitsdrukte te laten afnemen. De campagne is van 11 tot 25 juli gevoerd, met medewerking van spoorwegondernemingen en andere particuliere bedrijven.
De gouverneur heeft hiervoor waarschijnlijk moed geput uit het succes van een andere bewustwordingscampagne, ‘Cool biz’ getiteld, die ze lanceerde in 2005 toen ze minister van Milieu was. Daarbij werd mannen afgeraden ’s zomers een jasje en das naar het werk te dragen, zodat de airco op een lager pitje kon om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Als de variabele werktijden net zo aanslaan als de luchtiger kleding in de zomer, zal het reizen per openbaar vervoer misschien inderdaad draaglijker worden. Alleen zijn er sinds 1945 al veel van dit soort oproepen gedaan, die in ruim zeventig jaar tijd vrijwel zonder resultaat zijn gebleven.
Maar al is het openbaar vervoer in Japan drukker dan in de rest van de wereld, vroeger was het nog veel erger. Vlak na de Tweede Wereldoorlog raakte een baby verpletterd in het gedrang en overleed een passagier aan inwendige verwondingen nadat andere passagiers over hem heen waren gevallen toen de trein plotseling moest remmen. In die tijd was de OV-hel geen metafoor, maar pure realiteit. Op 7 juni 1946 meldde het dagblad Asahi Shimbun dat het bureau Openbaar Vervoer van Tokio en de nationale spoorwegmaatschappij ondernemingen hadden opgeroepen om ‘twee afwisselende ploegendiensten per dag in te voeren en één dag thuiswerken per week’. Maar dit idee heeft nooit postgevat.
In 1961 werd in Tokio een begin gemaakt met variabele werk- en schooltijden. In 1964, tijdens een bezoek aan het Shinjuku-station, het grootste station ter wereld wat passagiersaantallen betreft, was de toenmalige premier Eisaku Sato met stomheid geslagen bij het zien van de shiri-oshi (letterlijk ‘billenduwers’) die door de spoorwegbedrijven waren ingehuurd om passagiers in de stampvolle treinstellen te proppen. ‘Ik heb het altijd wel gezegd! We moeten de vervoersstromen beter reguleren!’ riep hij uit.
Zo kwam het dat men de OV-hel eindelijk als een reëel probleem ging beschouwen en dat het Japanse Instituut voor Spoorwegtechniek in 1965 met een studie kwam over ‘het spitsuur en de mate van vermoeidheid’. Daaruit bleek dat in een overvolle trein de hartslag van passagiers sterk toenam ondanks hun onbeweeglijkheid en dat het dus raadzaam was, wilde men de mensen oud laten worden, variabele vervoerstijden in te voeren. Maar hoe schokkend de openbaringen van deze studie ook waren, ze hadden praktisch geen effect op de bestaande situatie; die werd in de jaren daarna alleen maar erger.
Modelwerknemers
Aan het eind van de jaren zestig en in de jaren zeventig van de vorige eeuw kampten zowel de openbare als de particuliere spoorwegen met een golf van stakingen, maar ondanks het gebrek aan treinen slaagden de mensen erin op tijd op hun werk te komen. Deze punctualiteit werd het visitekaartje van de Japanse ‘salaryman’, en dan in het bijzonder van het hogere kader van grote bedrijven als Toyota en Sony. In deze periode publiceerde Asahi Shimbun artikelen over de trucs die de werknemers daarvoor gebruikten, onder het motto ‘Echte mannen houden hun mond en stappen evengoed in overvolle treinen om naar hun werk te gaan’. In een rubriek getiteld ‘Soredemo iku Kanrishoku’ (‘Ze gaan evengoed, het hogere kader!’) schreef het dagblad niet alleen over deze modelwerknemers van multinationals die altijd op tijd kwamen, maar ook over de manier waarop degenen werden behandeld die niet kwamen opdagen.
Deze ‘salarymen die altijd op tijd komen, zelfs in tijden van stakingen’ trokken de aandacht, en je kunt je makkelijk voorstellen dat de talrijke artikelen die aan hun eerlijkheid werden gewijd, oftewel aan hun toewijding, in de trant van ‘ik offer me op voor het algemeen belang’, het beeld van de ideale werknemer hebben gevormd die zelfs na een aardbeving of tyfoon gewoon naar zijn werk gaat. In de jaren tachtig en negentig van de overige eeuw bleef men aandringen op variabele werktijden, maar de pogingen daartoe zijn jammerlijk gestrand. Zo werd in 1991 geprobeerd de spitsdrukte te beperken tot het dubbele van het normale passagiersaanbod, maar de huidige situatie laat wel zien dat dat een hersenschim was.
Ruim zeventig jaar lang zijn er schuchtere pogingen gedaan om variabele werktijden in te voeren, zonder enig resultaat. De vraag is waarom. Er wordt vaak gezegd dat de punctualiteit van de Japanners zich laat verklaren uit hun neiging om hun gedrag aan dat van anderen aan te passen – iets wat ook geldt voor hun aarzeling om vakantie op te nemen uit consideratie met hun collega’s of klanten. Met andere woorden, Japanners zijn consciëntieus.
Ik kan me voorstellen dat mijn lezers die overlopen van patriottisme deze houding zullen goedkeuren en zullen verzekeren dat Japanners het ijverigste volk ter wereld zijn, maar persoonlijk geloof ik daar niets van. Veel historici benadrukken dat de Japanners zich tot het Meiji-tijdperk (1868-1912) allerminst onderscheidden door hun werklust. Natuurlijk waren er ook serieuze Japanners, maar volgens aantekeningen van buitenlanders die Japan in die tijd bezochten bestond een groot deel van de bevolking uit luiaards die zich overgaven aan losbandigheid en drank. Daar kwam verandering in toen het Meiji-bewind het roer omgooide en zich begon in te zetten voor ‘een rijk land met een sterk leger’.
Om de westerse mogendheden in te halen en de archipel te moderniseren had het land behoefte aan dociele krachten die onafgebroken konden werken zonder zich te beklagen. Dus leerde men de Japanners dat ijver een wezenlijke waarde was die ze zich eigen dienden te maken. Toch bleven in de decennia daarna velen in hun natuurlijke patroon hangen: niet alleen waren ze niet geneigd zich onder alle omstandigheden naar het werk te begeven, ze kwamen ook vaak andere verplichtingen niet na.
‘De werkplek moet net zo worden georganiseerd als het leger: zeer ontwikkelde en begrijpende superieuren en competente ondergeschikten die hun bevelen nauwgezet opvolgen’
Men zal me hier vermoedelijk een gebrek aan vaderlandslievendheid verwijten, maar zelfs de psycholoog Kan-ichi Tanaka, die veel heeft geschreven over het feit dat ‘Japanners superieur zijn aan andere volkeren’, moest in zijn werk Nihon minzoku no chikara (‘De macht van het Japanse volk’) uit 1942 het volgende erkennen: ‘Een zwak punt van de Japanners is hun moeite zich aan hun beloften te houden en hun plicht te vervullen. In dit opzicht doen ze, hoewel ze misschien consciëntieuzer zijn dan sommige andere volkeren, lichtelijk onder voor de Chinezen.’ In die tijd – en nogmaals mijn excuses aan degenen die er vast van overtuigd zijn dat Japanners altijd harde werkers zijn geweest – konden de leidinggevenden hoog of laag springen, talrijke Japanners kwamen nog altijd te laat op hun werk en verzonnen allerlei smoezen om zich te rechtvaardigen. Maar in de loop van de tijd is hun mentaliteit erop vooruitgegaan.
In 1938 stelde de regering, om werkgevers en werknemers voor het ‘oorlogsregime’ te winnen, de vakbonden onder toezicht en slaagde erin de jonge arbeiders in de munitiefabrieken militaire discipline bij te brengen. In 1943 organiseerde het conservatieve dagblad Yomiuri Shimbun, de grootste krant van Japan, in samenwerking met de Federatie van Industrieën in Dienst van de Staat tweedaagse stages in het leger voor het jonge hogere kader van de betrokken bedrijfstakken. Doel van de operatie was ‘een militaire wind te doen waaien op de werkplek’. Het drillen van het jonge kader volgens de organisatiemethodes van het Japanse leger had onmiddellijk effect. De productiviteit ging duidelijk omhoog, het aantal jonge ontevredenen dat het van de ene dag op de andere voor gezien hield nam af en de aanwezigheid op het werk nam zienderogen toe. Een jongere van 27 jaar die bij Koito Manufacturing werkte, een producent van automobielverlichting, zei er in 1943 het volgende over in een artikel van Yomiuri: ‘Deze maand is ons presentiecijfer gestegen en zijn de gebruikelijke laatkomers punctueler geworden. (…) De Japanse arbeiders kunnen niet meer alleen aan hun eigenbelang blijven denken, oftewel hun salaris.’
Twintig jaar later, toen dergelijke jongeren inmiddels tot het hogere kader behoorden, hadden de salarymen zo’n arbeidsethos ontwikkeld dat ze zelfs op tijd kwamen als het openbaar vervoer staakte. Hoe meer men steeg in de hiërarchie, des te hoger was het presentiecijfer, waaruit blijkt hoezeer de militaire geest vaardig was geworden over de oorlogsgeneratie. Ter illustratie de woorden van een jonge ‘industriële frontsoldaat’ van 25 jaar in Yomiuri Shimbun: ‘Ook al had ik er wel een idee van, ik was onder de indruk van het volledig ontbreken van individualisme in het leger. Ik denk dat absolute gehoorzaamheid het fundament van de overwinning is. De werkplek moet net zo worden georganiseerd als het leger: zeer ontwikkelde en begrijpende superieuren en competente ondergeschikten die hun bevelen nauwgezet opvolgen.’
Ruim zeventig jaar later is deze ideale organisatievorm, gebaseerd op de competentie en de absolute gehoorzaamheid van de ondergeschikten, ontaard in wat tegenwoordig ‘black companies’ worden genoemd, bedrijven die hun personeel uitbuiten en op de nek zitten, lage salarissen betalen en overuren niet vergoeden. Het idee dat absolute gehoorzaamheid tot de overwinning leidt draagt bij aan het veelvuldige machtsmisbruik dat kenmerkend is voor de Japanse werkvloer.
Als je deze legermentaliteit in zijn context beziet, begrijp je waarom Japanners zo weinig zin hebben in variabele werktijden. Dat komt omdat ze zich nog niet hebben ontworsteld aan de betovering van de ‘industriële frontsoldaten’ van zeventig jaar geleden. Dat komt omdat de werknemers, net als in het leger, absolute gehoorzaamheid verschuldigd zijn aan hun superieuren zodat ze niet uit eigen beweging een beslissing kunnen nemen over hun werktijden. De manier van werken wordt niet door de werknemers zelf bepaald, maar door de ondernemingen en de leiding. Als men echt variabele werktijden wil invoeren, moet allereerst gebroken worden met dit ‘idee-fixe’ dat werknemers van hun autonomie berooft.
Ernstige ziekte
In het kader van haar campagne voor variabele werktijden profileert de gouverneur van Tokio zich steeds sterker in de media. Ik stel haar voor zich te laten inspireren door de strijd tegen de tabak en de volgende oproep te doen: ‘Als u zich elke ochtend op een vaste tijd naar uw werk begeeft, ook al zijn smartphones en laptops inmiddels gemeengoed geworden en kunt u tegenwoordig vergaderen en onderhandelen via internet, bestaat de mogelijkheid dat u aan een zeer ernstige ziekte lijdt.’ Het feit dat je op tijd op je werk komt betekent niet per se dat je ook werkt. Zolang dat idee niet heeft postgevat kun je hervormen wat je wilt, maar zul je nooit een eind kunnen maken aan de hel van het openbaar vervoer.
CONTEXT: Een olympische uitdaging
Van 24 juli tot 9 augustus 2020 zullen in Tokio de Olympische Spelen plaatsvinden. Hoe kan ervoor worden gezorgd dat buitenlandse bezoekers zich op een acceptabele manier kunnen verplaatsen? Dat is de uitdaging die deze zomer tot het project ‘Jisa biz’ heeft geleid, waaraan meer dan 260 bedrijven hebben meegedaan. Op bepaalde lijnen is het aantal treinen opgevoerd, terwijl particuliere spoorwegbedrijven smartphone-apps hebben ontwikkeld waarmee op elk moment de drukte kan worden gecheckt. Passagiers buiten de spits kunnen tegoedbonnen krijgen voor cadeaus, terwijl bedrijven als Shisheido hun werknemers een gratis ontbijt aanbieden wanneer ze voortijdig op hun werk komen. Tot aan 2020 zal ‘Jisa biz’ elke zomer worden herhaald.
Recorddrukte
Volgens het Japanse ministerie van Vervoer stijgt op 11 van de 89 lijnen die Groot-Tokio doorkruisen de drukte tijdens de spitsuren met meer dan 180 procent. ‘Met 180 procent is het moeilijk om een krant in tabloidformaat te lezen, met 200 procent is het lezen van een weekblad een beproeving’, schrijft het dagblad Tokyo Shimbun. Maar volgens ITmedia Business Online zijn deze druktecijfers veel te laag. Tijdens spitsuren zou het aantal passagiers eerder met 250 procent toenemen.
Een eind aan de handtastelijkheden
Er bestaat een categorie passagiers die blij is met stampvolle treinen: degenen die zich te buiten gaan aan chikan, waarmee praktijken worden aangeduid als handtastelijkheden, het oprijden tegen het lichaam van vrouwelijke passagiers of zelfs het maken van foto’s onder hun rokken. Twee derde van de Japanse vrouwen zou daar minstens eenmaal het slachtoffer van zijn geweest. Er zijn in het verleden preventieve maatregelen genomen. Zo hebben sommige particuliere lijnen in 2000 tijdens spitsuren speciale vrouwenwagons in het leven geroepen. Slachtoffers en getuigen zijn door middel van affiches opgeroepen deze vergrijpen te melden. Het bedrijf Japan Rail East wil in 2018 camera’s plaatsen. Als de schuldigen worden aangehouden, riskeren ze een gevangenisstraf van maximaal zes maanden en 500.000 yen boete (3840 euro). Veel mannen zijn bang om van chikan beschuldigd te worden, want dat kan leiden tot ontslag, zelfs als er sprake is van een persoonsverwisseling. ‘Sinds begin dit jaar zijn vijftien mannen die van chikan werden verdacht op de rails gesprongen om te vluchten, met soms de dood tot gevolg’, aldus Mainichi Shimbun.
Auteur: Masaki Kubota
De foto’s zijn fkomstig uit de serie ‘Tokyo Compression’ die Michael Wolf in de metro van de Japanse hoofdstad heeft gemaakt.
[Kader]
De fotograaf
De foto’s zijn afkomstig uit de serie ‘Tokyo Compression’ die Michael Wolf in de metro van de Japanse hoofdstad heeft gemaakt. Deze Duitser, geboren in 1954 en woonachtig in Hongkong, is gefascineerd door de complexiteit van het stadsleven. De expositie ‘Het leven in de steden’, die een overzicht geeft van zijn werk, was tot 27 augustus jongsleden te zien op het fotofestival van de Zuid-Franse stad Arles. Het boek Tokyo Compression Final Cut is uitgegeven door Peperoni Books.

