breek de studie economie open


Sinds de financiële crisis van 2008 strijden steeds meer studenten economie voor een hervorming van de lesprogramma’s, en meer aandacht voor alternatieve benaderingen. Maar het verzet van de gevestigde neoklassieke orde is hevig. Wie heeft er gelijk?

Voor een groep die heeft bijgedragen aan een verandering in het lesprogramma van de studie economie aan universiteiten overal in Engeland, had de Post-Crash Economics Society een allesbehalve gedenkwaardige start.

In november 2012 kwamen zeven studenten bijeen in een benauwd kamertje op de bovenste verdieping van de studentenvereniging van de Universiteit van Manchester. Ze zaten in een halve cirkel en luisterden naar de twee oprichters, die een korte powerpointpresentatie hielden waarin ze uitlegden wat er volgens hen mis was met de studie economie. Daarna werd er beleefd gediscussieerd tot iedereen de deur uit slenterde om aan de kerstvakantie te beginnen. Het was niet echt Parijs 1968.

De studenten hadden gereageerd op een e-mail met in de onderwerpregel: ‘Oproep aan alle econosceptici.’ ‘Midden in de grootste mondiale recessie in tachtig jaar,’ aldus de mail, ‘zetten overal ter wereld studenten vraagtekens bij de fundamenten van onze discipline.’

Verder vroegen de opstellers zich af of de economie zoals ze die gedoceerd kregen – vol wiskundige formules en abstracte modellen – wel toepasbaar was op de echte wereld. ‘In hoeverre kan economie een echte wetenschap worden genoemd?’ luidde een prikkelende vraag, verwijzend naar de neiging van academische economen om hun vergelijkingen en wiskundige identiteiten als ijzeren wetten te presenteren in plaats van als onvolmaakte pogingen om een model te maken van onvoorspelbare menselijke interacties. Lijkt economie eigenlijk niet meer op politicologie dan op natuurkunde, vroegen ze zich af.

Onder druk

De Post-Crash Economics Society stond niet alleen in deze opvatting. Ha-Joon Chang, een ontwikkelingseconoom die doceert aan de universiteit van Cambridge, herinnert zich dat studenten op zijn deur bonsden en riepen: ‘We zitten midden in de grootste financiële crisis sinds 1929 en onze hoogleraren geven college alsof er niets is gebeurd.’

In 2011 richtten studenten aan de universiteit de Cambridge Society for Economic Pluralism op, nadat ze aanwezig waren geweest op een feestje van de Marshall Society, de officiële economievereniging van Cambridge. Het feestje had als thema ‘casino’, was zwaar gesponsord door het bedrijfsleven, en de gasten nipten er champagne en spraken over een baan in de City. Volgens een medeoprichter van de Society for Economic Pluralism, doctoraalstudent Rafe Martyn, is het initiatief gericht op degenen ‘die economie studeren om de wereld te verbeteren in plaats van alleen maar hun inzetbaarheid op de arbeidsmarkt te vergroten’. Vergelijkbare verenigingen als de Post-Crash Economics werden ook op andere campussen opgericht.

Het is nauwelijks verrassend dat na de ernstigste economische crisis sinds de beurskrach in 1929 en een zelfs nog langduriger gevoelde malaise, die overal in Europa en de VS tot politieke beroering heeft geleid, het beroep van econoom zwaar onder druk is komen te staan.

De economische ‘deskundigen’ die ons hadden verteld dat we voor eens en altijd de problemen met onze conjunctuurschommelingen hadden opgelost en die de toenemende ongelijkheid in de meeste ontwikkelde landen negeerden of zelfs roemden, bleken tekort te schieten in hun voorspellende en oplossende macht. Nog opvallender is de vastberadenheid van velen binnen de economische elite om hun positie te verdedigen.

Leden van de Post-Crash Economics Society aan Manchester University.
Leden van de Post-Crash Economics Society aan Manchester University.

Toch hebben de studentenprotesten tegen de verwachting in effect gehad en de aanzet tot veranderingen gegeven. Sinds dit jaar bieden verscheidene universiteiten in Engeland programma’s aan die economie benaderen vanuit een breder perspectief. Tweedejaarsstudenten in Cambridge kunnen bijvoorbeeld een lesprogramma van dertig colleges volgen over de Geschiedenis en Filosofie van de Economie. Volgens cursuscoördinator Chang is dit het eerste programma met een dergelijke inhoud aan een Engelstalige universiteit in twintig jaar. In Londen bieden het Goldsmiths College en de University of Greenwich lesprogramma’s aan met een pluralistische inslag. Het University College London neemt deel aan het opensource- en interactieve programma Core (Curriculum Open-access Resources in Economics), waarin wordt geprobeerd de studie economie beter toepasbaar te maken op de echte wereld. Ook in Manchester worden breder georiënteerde modules geïntroduceerd, te laat en nog te beperkt voor de studenten die in 2012 aandrongen op veranderingen, maar desalniettemin wel een doorbraak. Post-Crash Economics heeft zich ontwikkeld tot Rethinking Economics, een officieel netwerk dat meer dan veertig studentengroepen verbindt die op campussen van Italië tot Canada en van China tot Brazilië aandringen op veranderingen in het lesprogramma.

‘Er is van alles gaande,’ vertelt Diane Coyle, hoogleraar Economie aan de Universiteit van Manchester. ‘Bijna iedereen die economie doceert, accepteert dat na de crash het lesprogramma aan hervormingen toe was, hoewel ik begrijp dat het voor de studenten nog veel te langzaam gaat.’

De opstand tegen het lesprogramma heeft implicaties die verder reiken dan de academische wereld. De studenten van tegenwoordig zijn tenslotte de opgeleide economen van morgen, die onze economie runnen vanachter hun bureau bij de overheid, banken, multilaterale instellingen en denktanks. Wat studenten leren over hoe de economie werkt en hoe overheden het resultaat kunnen beïnvloeden zal een grote impact hebben op het toekomstige beleid over zoveel zaken, van belastingen en staatsuitgaven tot rentetarieven, minimumlonen, uitstoot van broeikasgassen en de handel.

Toch klagen de studenten op dit moment dat ze nog steeds worden geïndoctrineerd in de methodologie van een pseudowetenschap die gestoeld is op zogenaamde neoklassieke beginselen. The Econocracy [Manchester University Press] een boek dat in november uitkomt en waar onder anderen Joe Earle aan heeft meegewerkt, een van de oprichters van Post-Crash Economics, schetst een beeld van de reguliere economen als ware gelovigen in een grotendeels in diskrediet geraakte reeks aannames, die een parallel universum hebben uitgevonden met ‘goed gedefinieerde mechanische relaties tussen verschillende bewegende delen, verbonden door metaforische buizen, remmen en hefbomen: rentetarieven omhoog, meer bankleningen; belastingen omlaag, investeringen omhoog.’

De financiële crisis van 2008 werd volgens en student in 2011 tijdens zijn eerste jaar aan de Universiteit van Manchester niet één keer genoemd

De economen hebben volgens de studenten het ernstigst gefaald bij het verklaren, laat staan voorzien, van de financiële crisis van 2008. Die crisis, aldus Earle, werd in 2011 tijdens zijn eerste jaar aan de Universiteit van Manchester niet één keer genoemd. Zijn docenten bleken liever te geloven in een rationeel economisch systeem dat grotendeels zichzelf corrigeerde, een systeem dat automatisch zou terugkeren naar een staat van evenwicht.

Earle is zelfverzekerd, maar uiterst beleefd. Ik had met hem afgesproken in een café in Kentish Town, vlak bij waar hij is opgegroeid, en na afloop stuurde hij me een e-mail waarin hij zich ervoor verontschuldigde dat hij was vergeten om mij te bedanken voor de koffie met gebak. Hij lijkt me niet echt het type van de luis in de pels van het establishment. Tegen de tijd dat hij begon aan zijn studie filosofie, politicologie en economie, had hij er twee jaar opzitten bij The Big Issue [de Britse daklozenkrant], een baan waar hij in contact was gekomen met daklozen in heel Engeland. Hij begon op twintigjarige leeftijd met een veel breder perspectief aan de Universiteit van Manchester. De economie die hij daar leerde kennen leek niet echt bezig met de problemen van de echte wereld, zoals ongelijkheid en financiële stabiliteit. Die werd gedomineerd door elegante modellen waarin een rationele en representatieve beleidsvormer probeerde zijn nutsfunctie te maximaliseren binnen bepaalde restricties.

In The Econocracy staat een typische tentamenvraag voor de studie economie: ‘Laat je gedachten gaan over een twee-periode economie waarin een representatieve consument zijn/haar levensduur-nutsfunctie maximaliseert U (C1, C2) = u(C1) + ßu(C2), gegeven de levensduur-budgetrestrictie (1 + t)C1 + C2/R = W, waar 0 < ß < 1, W is de contante waarde van het levensinkomen na belasting, t is het btw-tarief en R = 1 + r, waar r de rentevoet is.’

Earles bezwaar tegen het herhaalde gebruik van zulke formulaire modellen is dat het een ‘gesloten systeem’ oplevert, immuun voor iedere kritische benadering. ‘Je krijgt een vernauwde manier van denken over economie gedoceerd als een bepaald stelsel van regels en wetten dat niet ter discussie gesteld en niet onderuit gehaald mag worden,’ zegt hij. Hij zou graag willen dat ‘politicologie en filosofie en ook ethiek’ weer werden ingevoerd in de studie economie door het te onderwijzen als een ‘beproefd’ multidisciplinair vak waarin verschillende benaderingen worden getest op scenario’s uit de echte wereld. Vroegere auteurs op het gebied van de economie, zoals Jeremy Bentham en John Stuart Mill, stelden ethiek centraal in de discussie.

Spontaan gedrag

Naast de neoklassieke school zou een pluralistisch curriculum ook denkrichtingen kunnen bevatten die het accent leggen op klassenverhoudingen of de psychologie van de mens. In plaats van het extrapoleren van één rationeel, optimaliserend instrument, zoals neoklassieke economen doen, zouden complexere modellen ‘spontaan gedrag’ kunnen onderzoeken, gebruikmakend van methoden uit de chaostheorie en de meteorologie.

In de praktijk voelen veel economen zich bedreigd door het binnendringen van hybride benaderingen in de omsloten schoonheid van hun wiskundig perfecte tuin. Pontus Rendahl doceert macro-economische theorie in Cambridge. Hij vindt het prima dat studenten worden geconfronteerd met economische geschiedenis en met ideeën die het neoklassieke denken in twijfel trekken. (Hij geeft de voorkeur aan de omschrijving ‘regulier’, omdat neoklassiek, net als neoliberaal, bijna een scheldwoord is geworden.) Hij waarschuwt echter voor de overstap naar een pluralistisch curriculum waarin verschillende denkrichtingen evenveel gewicht krijgen.

‘Pluralisme is een mooi gevonden woord,’ zegt hij. ‘Maar dezelfde redenering gebruiken de creationisten in de VS die zeggen dat natuurlijke selectie maar een theorie is.’ Omdat de reguliere economie ‘onwrikbare wetten’ heeft, zo betoogt hij, zou het verkeerd zijn om heterodoxe theorieën te onderwijzen alsof ze gelijk gewicht hebben. ‘Om dezelfde redenen vind ik ook dat er geen heterodoxe techniek of alternatieve geneeskunde zou moeten worden gedoceerd.’

Volgens Rendahl is de reguliere economie flexibeler dan de critici willen doen geloven. ‘Net zoals de economie in staat is geweest om de ideeën van John Maynard Keynes op te nemen, die het opvoeren van de overheidsuitgaven propageerde om de chronische onbalans tussen vraag en aanbod te corrigeren, zo kan de economie ook andere ideeën opnemen, zoals de gedragseconomie die zegt dat slecht beleid suboptimale nutsfunctie met zich meebrengt.

De macro-economie is “kapot”. Maar de micro-economie is nog solide en vaak verifieerbaar met behulp van data uit de echte wereld

Ook andere academische economen vinden dat studenten de problemen overdrijven. Angus Deaton, een winnaar van de Nobelprijs voor Economie die doceert aan de Universiteit van Princeton, vindt dat economie een vrijzinnige kerk is, maar wel een die kort gehouden moet worden. Hij geeft als voorbeeld Daron Acemoglu, een jonge superstar aan het Massachusetts Institute of Technology, die onder meer onderzoekt hoe instituties groei stimuleren of afremmen. ‘Hij is een heel goed voorbeeld van hoe dingen zouden moeten gaan: je houdt je bezig met geschiedenis, maar je weet genoeg van wiskunde om er ook een model van te maken. Het verbannen van de wiskunde is niet de oplossing,’ zegt hij. ‘Een model is de kruiscontrole of je eigenlijk wel weet waar je het over hebt.’

In Manchester verdedigt ook Diane Coyle de basismethodologie van de economie. Volgens haar halen de critici micro-economie, de studie van het gedrag van mensen en bedrijven, en macro-economie, de studie van economie als geheel, door elkaar. De macro-economie, zo geeft ze toe, is ‘kapot’. Maar de micro-economie is nog solide en vaak verifieerbaar met behulp van data uit de echte wereld.

Soms ontaardt de botsing der ideeën. Een wetenschapper die ik ontmoette op University College London sprak alleen op fluistertoon met me voor het geval dat collega’s haar kritiek op het curriculum zouden horen, ondanks de recente openstelling voor pluralistische ideeën. In Cambridge zegt Chang, die nooit een volledig professoraat heeft gekregen, vaak voor de grap dat zijn collega’s juist respect voor hem zouden moeten hebben als econoom omdat de markt hem gelijk heeft gegeven: zijn boeken verkopen veel beter dan die van hen. Ze reageren arrogant. Rendahl citeert een concurrent: ‘Wie zegt dat Chang over economie schrijft? Volgens die rekenmethode moet J.K. Rowling [de auteur van de Harry Potter -boeken] als de beste econoom ter wereld worden beschouwd.’

De cursus die Chang geeft over de geschiedenis en de filosofie van de economie laat studenten kennismaken met non-neoklassieke denkers en stimuleert ze om de methodologie van reguliere economen kritisch te benaderen vanuit het perspectief van andere academische disciplines. Het is een begin, maar volgens Chang is het lesprogramma nog niet genoeg veranderd. ‘Er zitten nog veel intellectuele fossielen, die zeggen dat er niets mis is,’ zegt hij.

De ideeën van de studenten slaan ook steeds meer aan in de buitenwereld. Robert Skidelsky, de biograaf van Keynes, is een aanhanger. Net als Andrew Haldane, de belangrijkste econoom bij de Bank of England. Ook hij denkt dat dingen langzaam aan het veranderen zijn. ‘Naar mijn gevoel varen we nu een iets andere koers. En in de loop van de tijd zal dat, heel geleidelijk, tot verbeteringen leiden.’

Earle van de Post-Crash Society zegt dat de studentenbeweging aan invloed wint, ook al is die verandering bescheidener dan hij zou willen. Het overkoepelende doel is volgens hem om de economie af te laten stappen van het idee dat die ‘de enige ware weg’ heeft gevonden. Ware neoklassieke gelovigen, die kritische heterodoxe economen handig wegzetten als charlatans, gedragen zich als ‘astronomen voor de tijd van Galileo’. Uiteindelijk moet de studie economie ‘pluralistischer, kritischer, liberaler’ worden, vindt hij, meer een verkenning van ideeën en minder een opleiding in het economische priesterschap.

Auteur: David Pilling

Financial Times
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 448.000

Gezaghebbende krant voor de Londense City en de rest van de zakenwereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld. Het in 1888 opgerichte dagblad wordt inmiddels in 23 landen gedrukt en heeft naast de Britse ook drie Europese, een Amerikaanse en een Aziatische editie.


Deel dit artikel


Recent verschenen