Hoe voelt het om gedwongen je land te moeten verlaten, zoals de honderdduizenden vluchtelingen die nu naar Europa trekken? Hoe ga je om met de ontworteling, de heimwee, het missen van je dierbaren, de onvermijdelijke identiteitscrisis? 360 verzamelde een aantal brieven van en over ballingen die onlangs verschenen in de internationale pers.
‘Op een dag zal de wind ons terugbrengen naar Damascus’ (Mohamed Attar)
k ben geboren en getogen in Damascus en tot mijn vijftiende ben ik nooit de stad uit geweest. Ik heb de stad aan alle kanten doorkruist en soms weinig bekende wegen genomen die naar de graftombes
van metgezellen van de Profeet leidden, naar gekkengestichten of naar vergeten publieke baden. Maar mijn pogingen om me mijn geboortestad eigen te maken bleken vergeefs. En hoe meer ik van Damascus ontdekte, des te meer voelde ik me er een vreemdeling.
Omdat ik tot de middenklasse behoorde, die steeds verder van het centrum van de hoofdstad af kwam te wonen, bereikte ik de jaren des onderscheids in een buitenwijk. Ik besefte dat het idee van een vaderland echt moeilijk te begrijpen was. Wat betekende het? Deze vragen werden concreet in het begin van de jaren negentig, toen ik op de middelbare school voor het eerst in contact kwam met zonen van officiers van het regime. Ik keek naar hun auto’s met getinte ramen en speciale nummerborden. Ik hoorde de gefluisterde gesprekken over vrienden wier ouders waren gearresteerd.
Daarna begreep ik hoe de generatie van mijn vader het onderspit had moeten delven. Ik herinner me hem nog goed, deze intellectueel en alumnus van de Universiteit van Caïro die me tot bloedens toe sloeg toen ik in het bijzijn van onze buurman, die een van hun agenten heette te zijn, sprak over de manier waarop de Moekhabarat (de geheime Syrische inlichtingendienst) ons leven beheerste. Die dag heb ik mijn tranen met de trots van een dertienjarige ingeslikt, omdat ik begreep hoe de angst mijn vader in zijn greep had.
De hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, is een immens ballingsoord voor de Syriërs geworden
Ik slenterde door Damascus en naarmate ik de stad beter leerde kennen en me realiseerde hoe kwetsbaar ik was, net als andere mensen zoals ik, vormden deze omzwervingen de inleiding tot een steeds moeilijker wordende ballingschap.
Kwetsbaarheid wordt gewoonlijk eerder in verband gebracht met een ballingsoord dan met het vaderland. Leven in angst en onzekerheid zonder te weten wat de dag van morgen zal brengen en met het voortdurende gevoel dat je een pion bent in een spel van onderwerping en bedrog. Weten dat je leefomgeving steeds kleiner wordt, dat je alleen je toevlucht kunt zoeken tot mensen die op je lijken van wie het merendeel op een kans wacht om te vertrekken. Zien dat de stad onophoudelijk zijn deuren voor je sluit en dat zijn centrum zich steeds verder verwijdert van zijn steeds marginaler wordende periferie. Zo verandert het vaderland in een ballingsoord.
De bevrijding kwam toen er parallelle vaderlanden werden gecreëerd, vrijplaatsen die een intieme relatie met een gewenst vaderland mogelijk maakten. Op die manier werden de vrienden uit de buurt of van de universiteit een vaderland. Je trof elkaar in een afgelegen café dat gefrequenteerd werd door mannen in de herfst van hun leven die hun eenzaamheid verdreven met de waterpijp. De bijnaam van dit café was ‘Verstop me!’ Het zijn deze gestolen vrijplaatsen die me vandaag de dag heimwee naar Damascus bezorgen en niet de jasmijnstruiken of de hypocriete gesprekken, om nog maar te zwijgen van het door beton verstikte centrum.
Maar met de Syrische revolutie van 2011 is de situatie veranderd. Alles ging om dit nieuwe Syrië draaien, waar ik me voor het eerst werkelijk gesteund voelde, omdat mijn lot verbonden was met dat van anderen. Het gevoel een balling te zijn werd minder naarmate de trekken van een nieuw vaderland zich duidelijker aftekenden. De steun kwam van talrijke Syriërs die tot verschillende geloofsrichtingen behoorden, maar allemaal een vaderland zochten na hun ballingschap.
Voor het eerst had ik het onbeschrijflijke gevoel niet meer alleen te zijn en werkelijk ergens thuis te horen. Ook al stonden we machteloos tegenover de handlangers van het regime en de kogels van de veiligheidsdiensten, we waren voor het eerst van ons leven erg geïnspireerd.
Desondanks verslechterde de situatie zodanig dat ik gedwongen was korte tijd naar Beiroet uit te wijken. Nu besef ik dat ik door Damascus te verlaten een vaderland heb herontdekt dat ik lange tijd als verloren beschouwde. Ik kon toen nog niet weten dat er heel wat andere verliezen zouden volgen, zoals een grote liefde en fantastische vriendschappen. Als je ver van je stad bent, ook al voelde je je daar een vreemdeling, zijn ook je laatste wortels doorgesneden. Degenen die blijven nemen je kwalijk dat je bent weggegaan, ook al zeggen ze je dat niet recht in je gezicht, en zelf vind je het ook verwijtbaar. Wanneer sommigen sterven of verdwijnen in de kerkers van het regime, voel je je ontzettend schuldig dat je zo ver van hen vandaan was.
In Beiroet bleef ik het gevoel hebben dat ik vlak bij Syrië was, omdat
de dingen die aan de andere kant van de grens gebeurden ook daar
hun weerslag hadden. Bovendien was ik in Libanon omringd door tienduizenden vluchtelingen uit alle lagen van de bevolking en alle vier de hoeken van Syrië. Een stuk van het land was simpelweg verplaatst. Het was een bittere troost je op maar twee uur autorijden van Damascus te bevinden. Alle Syriërs hoopten op een spoedige terugkeer: ‘We zijn vlakbij.’ ‘Morgen keert het tij en dan gaan we terug!’ Deze ballingschap leek aanvankelijk een wachtkamer totdat we tot de ontdekking kwamen dat het alleen maar een tussenstation was naar tal van andere bestemmingen overal op de wereld.
Beiroet was een stad waarvan ik hield, maar die me er onophoudelijk aan herinnerde dat ik er ongewenst was. Op een dag ontmoette ik er Abou Saleh, een sympathieke dronkenlap die uit Aleppo was gevlucht. Hij was nergens meer thuis. Als hij terugging naar Aleppo, zou hij herinnerd worden aan zijn drie kinderen die daar waren omgekomen. Twee van hen werden samen met hun vrouwen en kinderen gedood tijdens een aanslag op hun wijk door het regime-Assad. Abou Saleh was vooral getroffen door de dood van zijn jongste kind van negentien jaar, dat door een scherpschutter was vermoord. Hij was een geboren verteller en diste allerlei verhalen op die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, om vervolgens te zwijgen en me geld voor een nieuwe borrel te vragen. Daarna liet ik hem verder dommelen op zijn stoel. Hij bracht me op de trieste gedachte dat de hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, een immens ballingsoord voor de Syriërs is geworden. Ze kunnen niet meer terug naar hun vernielde huizen en weten evenmin waar ze dan wel heen moeten. Hun wereld is klein geworden, de zee slokt hen op en sommigen zoals Abou Saleh willen niet meer verkassen. Ik denk aan de Syrische vader die het lijk van zijn dochtertje in zee moest gooien vanaf een boot die op weg was naar Italië. Hij maakte de reis voor haar, op zoek naar een ander vaderland, maar het suikerzieke meisje stierf nadat de mensensmokkelaars de tas met insuline overboord hadden gegooid. Vervolgens dwongen de andere passagiers de vader zich van het lijk van zijn dochtertje te ontdoen. Nadat hij alleen in Italië was aangekomen zag hij zich in de rol van asielzieker gedrukt, waar hij ook heen ging.
Op de luchthaven van Beiroet deelde een officier van de binnenlandse veiligheidsdienst me met een brede glimlach mee dat het me definitief verboden was naar Libanon terug te keren. Twee jonge collega’s van hem begonnen zonder aanwijsbare reden te lachen, zodat ik maar meelachte. Zo is onze situatie één grote komedie geworden.
Vaarwel Beiroet, gegroet Berlijn. Het is een voordeel om in de zomer in de Duitse hoofdstad te arriveren want de winter is er deprimerend. Ik had het geluk in een vliegtuig te kunnen stappen terwijl heel wat andere Syriërs een hachelijke zeereis moesten ondernemen of wekenlang door bossen moesten lopen en in de openlucht moeten slapen voordat ze Duitsland bereikten. Ik ben nu bijna een maand in Berlijn. Ik doe er meestal het zwijgen toe terwijl ik mijn plaats in dit nieuwe ballingsoord probeer te vinden, ook al omdat ik de taal niet spreek. Ik weet niet wanneer ik Duits zal leren. Het Arabisch was mijn vaderland omdat ik niet in een andere taal kan schrijven of denken. Het bood me voldoende zekerheid om elk ander vaderland af te wijzen. De schuldgevoelens die ik toch al heb omdat ik een veilig bestaan leid terwijl mijn familie en vrienden tot een ellendige ballingschap zijn veroordeeld in een vaderland dat in brand staat, worden nog verergerd als ik naar de speeltuin in de buurt van mijn logies kijk. Hier leven de mensen in vrede. De ongerechtigheid in deze wereld is een bron van oneindig veel leed en leidt tot ballingschap. Een vriend zegt me dat hij zich van het dwingende idee van een vaderland heeft bevrijd. Hij wil liever rondzwerven over de wereld dan zich blind staren op een vaderland dat er toch nooit komt. Ik heb andere Syriërs in Berlijn min of meer hetzelfde horen zeggen. Ongetwijfeld een moedige houding, maar iedereen die over de bevrijding van het vaderlandsidee en de illusies van ballingschap spreekt, ontwijkt op de een of andere manier mijn blik. Onder de dunne sluier van zelfverzekerdheid gaat een enorme zwakte schuil, een mengeling van nostalgie en de wanhoop het gedroomde vaderland ooit te zullen terugvinden. Net als ik zijn mijn vrienden dode bladeren die niet weten waar ze terecht zullen komen. We weten dat we door de wind worden meegevoerd en dromen dat die ons op een dag naar een toekomstig Syrië terug zal brengen. Maar in afwachting van dat moment, en zonder dat we weten of de dag ooit komen zal, zijn we overgeleverd aan de windrichting en dragen we diep in ons hart ons vaderland mee als ons ballingsoord, waar we ook zijn.
Mohamed Attar
Bron: Al-Jumhuriya, Istanboel
De Syrische schrijver Mohamed Attar ontvluchtte zijn land nadat de kortstondige euforie over de opstand tegen president Assad was gedoofd. Hij woonde eerst in Beiroet, en tegenwoordig in Berlijn.
‘In Syrië heb ik me nooit een vluchteling gevoeld’ (Fatima Bhutto )
Syrië was mijn thuis.
Ik heb er als kind in ballingschap gewoond. Mijn ouders noemden het ‘ballingschap’, omdat we niet in ons eigen land, Pakistan, konden zijn. Omdat Pakistan te gevaarlijk was, te gewelddadig, omdat daar geen gerechtigheid was. Mijn vader kwam uit Pakistan, mijn moeder uit Libanon. En ik van ergens daartussenin. Syrië beschermde ons en heette ons welkom. Ik vraag me af waarom mijn ouders ons nooit ‘vluchtelingen’ hebben genoemd?
Als kind in Damascus heb ik me nooit een buitenstaander gevoeld.
Al was ik geen Syrische en was Arabisch niet mijn moedertaal, toch voelde ik me er thuis. Ik woonde in de oudste bewoonde stad van de wereld. Ik voelde me veilig. ’s Avonds rook het er naar jasmijn.
Op school, in de stad, of als we de berg Qasioun op reden om naar Damascus bij avond te gaan kijken, met zijn schitterende lichtjes in
het donker, noemde niemand ons vluchtelingen. Niemand gaf ons
het gevoel dat die stad daar beneden – de oudste, de mooiste, met zijn witte, gouden en groene lichten in de verte – niet ook onze stad was.
Een tijdlang was het dat ook.
Zelfs nu nog doet mijn hart pijn als ik het Syrische volkslied hoor.
Uiteindelijk gingen we naar huis. Maar Syrië heeft nooit zijn deuren voor ons gesloten. Ook Pakistan (dat nooit rechtvaardiger of minder gewelddadig is geworden) en vele andere landen in Azië hebben lang hun grenzen opengehouden. Pakistan heeft tientallen jaren onderdak geboden aan de grootste Afghaanse vluchtelingenpopulatie ter wereld.
Syrië heeft altijd vluchtelingen opgenomen. Libanese, Armeense, Palestijnse. Mijn moeder en haar familie kwamen in 1982 naar Damascus, na de Israëlische invasie in Libanon. Rond 2007, op het hoogtepunt van de oorlog in Irak, verwelkomde Syrië wel tweeduizend Iraakse vluchtelingen per dag.
Iedereen.
Sjiieten, soennieten, christenen, atheïsten. Mannen, vrouwen, vervolgden en verslagenen. Syrië was ooit voor de hele wereld een thuis.
Dat was altijd het mooie van het feit dat je bij deze landen hoorde, bij Azië: er was altijd plaats voor de statenlozen en bezitslozen. Er was geen zelfgenoegzaamheid, geen hysterie, geen koehandel met mensenlevens. Als ik de bureaucratische onverschilligheid van Europese leiders tegenover menselijk lijden zie, kan ik alleen maar terugdenken aan Syrië en aan wat dat land voor vluchtelingen deed – gul en zonder ophef. Hoe kan iemand in een verbonden wereld zijn deuren sluiten?
Fatima Bhutto
Bron: Granta, Londen
Fatima Bhutto (Kaboel, 1982) is journaliste en schrijfster. Ze publiceerde vier boeken, waaronder de roman The Shadow of the Crescent Moon. Toen ze drie jaar oud was, vluchtte haar vader om politieke redenen van Afghanistan naar Syrië. Bhutto is de nicht van de voormalige Pakistaanse premier Benazir Bhutto. Ze woont in Karachi, Pakistan.
‘Hoe kun je Canadees zijn?’ (Ramin Jahanbegloo)
Wat ik het moeilijkst vond toen ik naar Toronto kwam, was dat veel mensen aan de universiteit me kennelijk zagen als
iemand die in het paradijs was beland na te zijn gered van een eiland omringd door haaien. Ik weet nog dat ik een Iraans-Canadees parlementslid op een gala in een centrum van de Iraanse gemeenschap gedachteloos hoorde verklaren: ‘Canada is het beste land er wereld.’ Dit geldt misschien voor sommige mensen, vooral voor Canadese parlementsleden die niet veel hebben gereisd, maar het gold zeker niet voor mij.
Ik had het gevaar en het geweld van Iraanse gevangenissen verruild voor het geweld en de hypocrisie van een laat-kapitalistische samenleving. Het was niet zo dat ik nu deel uitmaakte van een samenleving met schone handen, ik zag helemaal geen handen, en zeker geen handen die het grote aantal daklozen hielpen dat ik elke dag in Toronto tegenkwam.
Onderweg van mijn nieuwe onderkomen naar kantoor bedacht ik bij mezelf dat een stad als Toronto en een land als Canada er niet in slaagden om enig gebaar van liefde en medeleven te maken. Misschien komt dat doordat het kapitalisme alleen met zijn hersens denkt en niet met zijn hart, en medeleven is een taal van het hart. Het schokte me diep dat bij de meeste collega’s, journalisten en jongere Canadezen die ik ontmoette, het gezicht van de liefde verborgen ging achter een sluier van kille logica.
Na de eerste paar maanden in Toronto begon ik te rebelleren tegen het conformisme dat ik elke dag zag. Ik was bezorgd en verbaasd dat er onder mijn jonge studenten niet één opstandige geest leek te zijn. En dat zij middelmatigheid heel vaak als een vorm van normaliteit beschouwden.
Medeleven is een taal van het hart
Ik was vanuit een samenleving die werd gedomineerd door een geestelijke nomenklatoera terechtgekomen in een enclave van tweederangs snobs die intellectueel verlamd waren door hun betekenisloze bestaan in goed bewaakte clubs. Ik ergerde me vooral aan een blanke vrouw die de ingang van het Massey College bewaakte. Zij was kennelijk allergisch voor mijn donkerharige Iraanse collega’s en hield die elke keer als ze met mij kwamen lunchen, bij de deur tegen. Dan realiseerde ik me weer dat wat vaak in theorie over multiculturalisme en gelijkheid in Canada werd gezegd, in de praktijk niet altijd klopte. Het is tijd, dacht ik, voor een diepgaander verkenning van de Canadese psyche en een helderder definitie van wat het betekent om Canadees te zijn.
Naarmate de maanden verstreken en ik werd opgeslokt in het cyclische drama van mijn nieuwe leven, daalde de depressie als een wolk over me neer. Ik moest ’s zomers naar Spanje ontsnappen om me weer uitgerust en verkwikt te kunnen voelen. Maar zodra we terugkeerden naar Toronto, kwam het gevoel terug dat ik me in een spirituele leegte bevond.
Met het verstrijken van de tijd kreeg ik steeds meer te kampen met wat ik de verleiding van de vrijheid noem. Vreemd genoeg zag ik meer belangstelling voor het idee van vrijheid onder mijn Iraanse studenten in Canada, die zich bezighielden met een niet-vrij land als Iran, dan onder mijn Canadese collega’s, die in een vrij land als Canada woonden. Dit gold ook voor het begrip recht. Terwijl mijn Iraanse studenten het recht omarmden als iets wat emancipatie versterkt, beschouwden mijn Canadese collega’s en studenten het recht als een verzameling op chic papier geschreven principes. Meestal dreunden zij de wet op en leunden dan tevreden achterover, alsof het recht daarmee automatisch zijn loop zou krijgen. Maar het recht kreeg zijn loop niet. Dit was een van de onderwerpen waar ik me niet aan kon onttrekken toen ik in Canada woonde. Ik had het verschrikkelijke gevoel dat elke stap die ik zette, beïnvloed werd door het alledaagse rechtssysteem, waarvan de waardeoordelen hun uitwerking hadden op mijn leven en lot.
De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit
Niemand blijft onaangetast door de ervaring van
ballingschap. Sommigen verliezen hun identiteit, uit angst of om in de smaak te vallen. Heel weinigen vinden soelaas in de kunst van het vragen stellen. Ik koos voor een derde manier, door bot en direct te worden. Maar ik moest alle problemen van het balling zijn het hoofd bieden. Ik moest het riskante avontuur van een nieuw leven aangaan. In jezelf geloven was de prijs van overleven. Maar ik kwam problemen tegen die in mijn ogen absurd waren.
Net als de meeste immigranten in Canada was ik ervan overtuigd dat streven naar het geluk en een prettig leven voor mijn kind de beste manier was om vooruit te komen. Het bleek lastig om kinderopvang voor haar te vinden en we hoorden dat mensen hun kinderen zelfs al voor hun geboorte inschrijven bij een kinderdagverblijf. Ik neem aan dat je je kind dus ook al bij de universiteit moet inschrijven voordat het
heeft leren lezen en schrijven. Zulke verschijnselen lijken me een prima manier om je geloof in de geestelijke gezondheid van de westerse maatschappij kwijt te raken.
Ik werd me er steeds sterker van bewust dat ik een Canadese identiteit miste. Ik begon over Canada te lezen en luisterde naar iedereen die me kon laten zien hoe ik een identiteit aan dit land zou kunnen ontlenen. Het kostte me moeite om me voor te stellen wat voor Canadese identiteit me ertoe zou hebben gebracht om 125 dagen gevangenschap te verdragen. Ik vond een citaat van Northrop Frye, waarschijnlijk de meest gevierde cultureel theoreticus van Canada: ‘Historisch gezien is een Canadees een Amerikaan die de Revolutie verwerpt.’ Deze opvatting heeft verschillende kanten. Voor veel Engelssprekende conservatieve Canadezen blijft het iets om trots op te zijn. Denk aan wat Winston Churchill over dit land heeft gezegd: ‘Canada is de verbindende schakel in de Engelstalige wereld. Canada, met aan de ene kant zijn vriendschappelijke, intieme banden met Amerika en aan de andere kant zijn niet-aflatende trouw aan het Britse Commonwealth en het Moederland, is de schakel die deze twee grote loten aan de menselijke stam met elkaar verbindt.’
Maar ik vraag me af of nieuwe Canadezen nog steeds aan Engeland denken als ‘het Moederland’, een gevoel dat meer bij een blank en Engelstalig Canada hoort. Als je de wetten en regels en het twintigdollarbiljet even buiten beschouwing laat, zijn niet alle Canadezen zich werkelijk bewust van het Britse koninklijk huis, al zijn prins William en Kate Middleton bij meer Canadezen geliefd dan Nobelprijswinnares Alice Munro.
Het is moeilijk te zeggen hoe je Canadees wordt of bent. De meeste volken van vandaag hebben een sterk identiteitsgevoel, maar Canadezen zijn nog steeds op zoek naar een gezamenlijke identiteit die hun leven wortels en spirituele betekenis kan geven. De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit. Mijn islamitische studenten zien de islam als een harde waarde, die voor hen op de eerste plaats staat, Canadees zijn is voor hen een zachte waarde en die komt altijd op de tweede plaats. Voor Iraanse Canadezen of Arabische Canadezen die in Canada zijn opgegroeid is het Iraans of Arabisch zijn veel belangrijker dan Canadees zijn. Je moet een hoop verbeeldingskracht hebben om te zien hoe je trots kunt zijn op het feit dat je Canadees bent – al zijn de meeste Canadezen dat wel –, wanneer je bedenkt dat de oorspronkelijke volken hier de aanspraak op hun land kwijtraakten, werden behandeld als obstakels bij het winnen van de grondstoffen en zodoende werden verdreven, zoals dat in alle Amerika’s is gegaan. Nieuwkomers in dit land van hoop leren weinig over de mensen die hier vroeger hebben geleefd, al hebben de media daar de afgelopen jaren wel meer aandacht aan besteed. Maar discussies over de oorspronkelijke volkeren bieden weinig gelegenheid om afwijkende meningen naar voren te brengen. De Canadezen, die zo-
wel de historische ervaring als de arrogantie van
de Amerikanen missen, vertonen geen Canadees chauvinisme, maar tegelijkertijd is er ook geen gevoel van ‘Canadeesheid’ in Canada.
Ik had nooit geloofd dat je om deel uit te maken van Canada, een blanke Canadees moet zijn. En toch heeft mijn eigen ervaring als Iraans filosoof in Canada me geleerd dat Canada grotendeels wordt beheerst door blanke Canadezen. Het zat mij zeer dwars dat meer dan 90 procent van mijn collega’s
in de faculteit Politieke Wetenschappen aan de University of Toronto blank was. Het is waar dat
ik het moeilijk vond om Canada mijn thuis te noemen, omdat ‘thuis’ voor mij een persoonlijk gevoel is. Maar ik vond het ook moeilijk dat mijn intellectuele werk onderschat werd omdat ik geen blanke Canadees was of geen lid van een bekende familie in dit land. Ik kwam tot het bittere besef dat onderwijs in Canada niets te maken had met kennis maar dat, ondanks alles wat er gezegd wordt, geld het spel bepaalt.
Ramin Jahanbegloo
Bron: Toronto Star, Toronto
Ramin Jahanbegloo (1956) is een Iraans filosoof. Na zijn studie in Frankrijk verbleef hij tussen 1997 en 2001 in Canada, om vervolgens naar Iran terug te keren. Daar werd hij in 2006 gearresteerd en vier maanden lang gevangengezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar Canada. Hij is de auteur van verschillende boeken, waaronder Time Will Say Nothing: A Philosopher Survives an Iranian Prison.
‘Geit noch schaap’ (Tenzin Nyingjey)
En nu, hoe nu verder? Die vraag komt bij me op als ik denk aan de strijd om de vrijheid van Tibet. Demonstraties: gebeurd. Oorlog: gevoerd. Onderzoeken: lopen. Vredesonderhandelingen: gevoerd. Oproepen aan buitenlandse democratieën voor steun aan de Tibetaanse zaak: gedaan. Levens: verloren in grote aantallen.
Alles wat er maar te bedenken valt, is gedaan. Maar de situatie in Tibet wordt alleen maar slechter. Het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Zowel in Tibet als in ballingschap blijft het aantal mensen die geit-noch-schaap zijn [mensen met een verwaterde identiteit] groeien. In ballingschap is mijn passie verdwenen. In Dharamsala [in het noorden van India], hoofdstad der ballingen, is mijn passie verdwenen. Zelfs in het Amerikaanse paradijs is mijn passie verdwenen. Ik heb geen zin om naar het Tibet te gaan dat is ondergesneeuwd door het Chinese imperialisme van de communisten. En ik kan er hoe dan ook niet naar terug.
Mijn geboorteland is India. Mijn ouders zijn daar vanuit Tibet naartoe gegaan. Het land waar ik nu woon: de Verenigde Staten. Waar ik morgen ben: geen idee. Als ik er goed over nadenk – wat ik soms doe –, dan voel ik me verstoken van levenskracht. Ja, precies: de kern van het verbannen zijn is je zwak voelen. Je machteloos voelen. Ik ben er trots op dat ik heb gesproken met wetenschappers uit de hele wereld, en met ware dan wel vermeende leiders. Maar als zomaar iemand op straat me vraagt ‘waar kom je vandaan?’, dan heb ik daarop geen antwoord. Door die vraag zijn de trots en kracht die ik haal uit het jarenlang bestuderen van de Tibetaanse geschiedenis en cultuur op slag verdwenen.
‘Voor de Tibetanen is de hoop een vloek. Voor de Chinezen is het wantrouwen een vloek.’ Als je in ballingschap leeft, kun je niet anders dan je hoop voeden, ook al kan het niet anders of die wordt de bodem ingeslagen. Ik hoop dat de Verenigde Staten gaan werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat India gaat werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat China uiteen zal vallen. Ik hoop dat China gaat democratiseren.
In ieder geval kunnen de Tibetaanse leiders niet op dezelfde manier reizen als leiders overal elders ter wereld. Tibetaanse schrijvers, Tibetaanse zakenmensen, de Miss Tibets kunnen niet op voet van gelijkheid opereren met hun collega’s overal elders ter wereld. De Tibetaanse vlag kan niet net zo gehesen worden als de vlaggen overal elders ter wereld. Een willekeurige Tibetaan kan zich niet meten met een willekeurige burger uit een normaal land.
Ik doe net alsof ik trots en sterk ben, maar soms schaam ik me. Andere keren voel ik me trots als ik bedenk dat wij van de vluchtelingen de sterksten op aarde zijn. Soms schaam ik me dat ik een ontheemde vluchteling ben.
Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben, omdat ik als vluchteling in deze of gene cultuur ben geïntegreerd. Maar als iemand die geen Tibetaan is me vraagt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan lijkt dat allemaal opeens onzinnig.
En verder troost ik me af en toe met de gedachte dat ik deel uitmaak van het volk van de vleeseters met rood gemaakte gezichten [vaste uitdrukking waarmee de Tibetanen zichzelf omschrijven], dat afstamt van Tibetaanse vorsten. Op andere momenten troost ik me met de gedachte dat ik een coole Tibetaan ben die vredelievend is en afkomstig uit het paradijs voor religie, Tibet. Als me wordt gevraagd of ik haat of wrok koester tegen de Chinese Communistische Partij, dan antwoord ik grootmoedig: ‘Nee, niet echt. Ook dat zijn maar mensen, ze zijn slachtoffer van de drie vergiften [verlangen, afkeer, onwetendheid] van hun negatieve emoties. Die arme mensen, ik heb met ze te doen.’ Maar de Communistische Partij is wel Tibet binnengedrongen en heeft het land geannexeerd, de Partij heeft mensen vermoord en doet dat nog steeds, door de Partij ben ik gedwongen tot omzwervingen in ballingschap. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dus schaam ik me er tegelijkertijd voor dat ik haat noch wrok voel of doe alsof ik die niet voel.
Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben
Kan ik nog iets bijzonders doen? Ik lees boeken, ik kijk wat films, ik reciteer een paar mani’s [Tibetaanse mantra’s], ik bid, ik loop rondes
om de tempel [kora, een boeddhistisch ritueel]. Ik heb het aan de stok met de voorstanders van de gulden middenweg [pleitbezorgers van echte autonomie voor Tibet, zoals de dalai lama die voorstaat] en met de voorvechters van onafhankelijkheid. Ik doe mijn best om het zo
gewilde Amerika te bereiken. Ik ga een beetje demonstreren, een beetje in hongerstaking. Ik drink wat biertjes. Ik probeer wat meisjes te versieren. Ik geef wat feestjes. Ik dans als een westerling. Ik drijf wat handel. Ik schrijf wat korte teksten en gedichten. Ik neem deel aan
discussies. Ik dobbel. Kortom, ik vermaak me. Zo gaat een alledaags leven voorbij.
Maar het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Ik heb geld, eten, drinken en kleren zo veel ik wil. Ik spreek Tibetaans, Engels, Hindi, Chinees, Duits en nog meer talen. Maar ik ben vlees noch vis. Geit noch schaap. Tibetaan noch Chinees. Ik ben noch boven noch beneden. Noch hier noch daar. Ik ben in een soort eeuwig bardo [in het Tibetaans boeddhisme een tussenstaat] beland.
Tenzin Nyingjey
Bron: Tibet Times, Dharamsala
Tenzin Nyingjey woont in ballingschap in de Indiase stad Dharamsala. Hij werd geboren in 1978, vlak voordat Deng Xiaoping de beroemde woorden sprak: ‘Alles is bespreekbaar in Tibet, behalve onafhankelijkheid.’ Het was na deze uitspraak, zegt hij, ‘dat wij onze strijd voor de vrijheid begonnen op te geven en het gevoel kregen dat we tot een verloren generatie behoorden’.
Vergeef ons, Simonne (Abdou Semmar )
Marie-Simonne,
Je ontvluchtte je land, Kameroen, in de hoop in Algerije veiligheid, vrede, een toevluchtsoord en het einde van al je misère te vinden. Simonne, je koos ervoor om in mijn land te gaan wonen, omdat je ongetwijfeld had gehoord dat de bewoners zo gul zijn, dat de bevolking heldhaftig is en zich talloze opofferingen heeft getroost om zich van het koloniale juk te bevrijden. Je had al lang bewondering voor dit land dat leiders van alle Afrikaanse onafhankelijkheidsbewegingen van de jaren zestig en zeventig met open armen ontving.
Simonne, ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is, dat bekendstaat om zijn olie, maar ook om zijn waarden. Een islamitische samenleving die gastvrijheid tot hoogste waarde heeft verheven. Een eeuwenoude samenleving vol verscheidenheid die openstaat voor vreemdelingen.
Maar toen je eenmaal in Algerije was, ontdekte je dat het land absoluut niets te maken had met het land waarover je had gehoord en gelezen. In Oran, waar je was gaan wonen om er samen met je man een nieuw leven op te bouwen, bleken de mensen racistisch, vol vreemdelingenhaat en allergisch voor buitenlanders, vooral voor zwarte mensen, zoals je hebt ervaren.
Vanaf het begin dat je in ons land was ben je beledigd, lastiggevallen en veracht, tot op die donderdag
1 oktober om elf uur ’s avonds, toen zeven seksueel gefrustreerde mannen, ten prooi aan hun lage driften, je achter het parkeerterrein in een populaire wijk van Oran hebben ontvoerd, afgerost en om beurten verkracht. Geen van die ‘heldhaftige’ Algerijnen, zoals ze in de geschiedenisboeken worden omschreven, nam de moeite om je uit de klauwen van die vuile beesten te redden.
In het ziekenhuis weigerden ze je te behandelen. Op het politiebureau hadden ze geen zin om in je aangifte op te nemen. Waarom? Omdat je zwart bent, en christen. Dit is niet het Algerije waar jij van droomde. Het zijn niet deze racistische, gewelddadige, criminele Algerijen over wie je zo veel had gehoord.
Ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is
Ik schrijf je om te vragen of je ons wilt vergeven. Vergeef ons, Simonne. Vergeef ons omdat wij Algerijnen, de mannen en vrouwen die geloven in de broederschap tussen alle volkeren ter wereld, die geloven in tolerantie, in wederzijds respect en in het opkomen voor de rechten van buitenlanders, boos zijn en geschokt, geschrokken en diep getroffen door al het vreselijks dat een deel van onze samenleving jou heeft aangedaan.
Vergeef ons dat we er die avond niet waren om je
te redden. Vergeef ons dat we er niet waren om de gendarme terecht te wijzen die jouw aangifte weigerde omdat je geen moslima was. Vergeef ons de onverschilligheid, intolerantie en het racisme, die helemaal niets te maken hebben met ons karakter. Ons ware karakter. Niet dat wat je ziet bij die gestoorde jongeren die over onze straten zwerven, overgeleverd aan hun frustraties en slachtoffer van die collectieve neurose veroorzaakt door het totale failliet van ons sociale en politieke systeem.
Vergeef ons dat we niets wisten van jouw hoop. Van jouw verwachtingen en dromen. Vergeef ons dat alles, Simonne. We beloven je dat we alles zullen doen om te zorgen dat er nooit meer een nieuwe ‘Simonne’ zal komen die verkracht, geslagen en gemarteld wordt, enkel en alleen om dat ze een vrouw, een zwart iemand en een christen is.
Abdou Semmar
Bron: Algérie-Focus, Algiers
Abdou Semmar is hoofdredacteur van de website Algérie-Focus, een van de belangrijkste nieuwsmedia in Algerije. Hij zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting in zijn land, en schrijft over maatschappelijke kwesties die zijn landgenoten bezighouden.

