Na de verkiezing van Donald Trump kondigden veel Amerikanen aan naar Canada te willen verhuizen. Op het ontvolkte eiland Cape Breton waren ze van harte welkom. Maar de praktijk bleek weerbarstiger dan gedacht.
De eerste tekenen van wat Rob Calabrese is gaan zien als een op drift geraakt Amerika, dienden zich vorig jaar aan, vlak nadat Donald Trump de eerste primary had gewonnen en Calabrese een website van 28 dollar opzette, die hij in een halfuur had ontworpen. ‘Hallo Amerikanen!’ begon hij, en wat volgde was een verkooppraatje voor een eiland waar moslims in alle vrijheid konden ‘ronddwalen’, en waar de enige muren ‘de daken stutten’ van de ‘zeer betaalbare’ huizen.
‘Zegt het voort!’ schreef Calabrese, bij een foto van een verlaten strand aan de Atlantische Oceaan. ‘Verhuis naar Cape Breton als Donald Trump wint!’
Het was bedoeld als grap, maar zeven uur nadat Calabrese de site had gelinkt aan de Facebookpagina van het radiostation waar hij als dj werkt, kwam er een e-mail binnen uit Amerika. ‘Ik weet niet zeker hoe serieus dit is, maar ik zeg ja.’ En even later: ‘Ik moet er niet aan denken om te vertrekken, maar dit land stevent op de afgrond af.’ Binnen vierentwintig uur had hij tachtig berichten ontvangen. Binnen een week waren dat er tweeduizend, en in veel van die berichten keerden dezelfde woorden terug: ‘gespannen’ en ‘bang’ en ‘help’.
De mails stroomden binnen en al snel nam de toeristeninformatie op het eiland vier tijdelijke medewerkers in de arm om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie, afkomstig uit vrijwel alle Amerikaanse staten en honderden verschillende steden. Calabrese kreeg de indruk dat Amerika vooral werd bevolkt door mensen die er weg wilden. ‘Moet je dit lezen,’ zegt hij, terwijl hij door een spreadsheet scrolt met alle aanvragen. Hij stopt bij nummer 2121. ‘Ik ben een ex-marinier en ik ben twee keer uitgezonden naar Irak. En ik wil hier weg.’
Jimmy en Cathleen
Er zijn mails van een moleculair bioloog, een professor aan de universiteit van Oregon, een granietwerker, iemand die voor het Center for Disease Control and Prevention werkt, een vrouw die als woonplaats had ingevuld: ‘Alabama, helaas’. Er zijn inkomensverklaringen, er worden financiële gegevens verstrekt, en gegevens over seksuele voorkeur en toekomstverwachtingen voor de kinderen. Soms is er een cv bijgesloten. ‘Ik kan het niet aanzien, wat er met mijn fantastische land gebeurt,’ begint een van de mails.
‘Ik wil niets liever dan met mijn dochters vertrekken naar het veilige en verstandige Canada’, staat te lezen in mail nummer 3248.
Ergens rond mail nummer 4230 wordt Trump gekozen tot president van de Verenigde Staten, en net voor zijn inauguratie komt mail nummer 4635 binnen. ‘Wil graag emigreren van Colorado naar Cape Breton,’ begint de mail. ‘Ik ben gediplomeerd juridisch assistent en mijn vrouw is advocaat.’
Calabrese leest de mail, probeert zich een beeld te vormen van degene die hem heeft geschreven, en wacht dan op de mails die zullen volgen.
Deze mail is geschreven door Jimmy Gantenbein en Cathleen McEwen, op hun bank in de woonkamer van hun huis in Loveland, een plaats zo’n vijfenzeventig kilometer ten noorden van Denver. Een maand later staan de meubels uit de woonkamer opgeslagen in de garage. Ze hebben contact opgenomen met een makelaar. Ze hopen binnenkort hun huis te koop te zetten.
‘Geef me even een spijker, wil je?’ zegt Cathleen (61), die bezig is de slaapkamer op te knappen.
‘Hier, Cat,’ zegt Jimmy van 54.
Ze hebben dit huis gekocht toen ze net getrouwd waren – Jimmy’s tweede huwelijk, Cathleens derde huwelijk – en zeventien jaar later kennen ze het huis bijna net zo goed als ze elkaar kennen. Vanuit hun slaapkamer hebben ze uitzicht op de Rocky Mountains. Het late middaglicht verwarmt het kleedje waar hun oude poedel altijd zo graag mocht liggen. Twee keer rechts afslaan en een keer naar links en ze zijn bij de supermarkt. Hun huis ligt aan een doodlopende straat, met nog twee andere huizen, en Cathleen heeft een paar jaar in de gemeenteraad gezeten. Ze hebben Democraten en Republikeinen onder hun vrienden. Toen Cathleens zoon, een reservist, in 2005 terugkeerde uit Irak, kwamen er honderdvijftig mensen naar de feestelijke barbecue.
Toen deed Donald Trump zijn intrede in hun bestaan. Hij was op tv. Hij was in hun stad, hield een bijeenkomst op vijftien kilometer van hun huis, waar drommen mensen op afkwamen. Hij was zelfs in hun buurt: in verschillende tuinen doken bordjes op met zijn naam. Tijdens de voorverkiezingen was het net alsof hij ook hun eigen tuin was binnengedrongen, toen een buurman kwam vertellen dat hij achter Trump stond. Wij stemmen op Bernie, hadden Jimmy en Cathleen gezegd, en hoewel het gesprek kort en vriendelijk was, hebben ze de buurman daarna niet meer gesproken.
‘We voelen ons hier buitenstaanders,’ zegt Cathleen. Ze hebben het gevoel dat Amerika het spoor bijster is, iedereen is zo ‘boos’ en ‘bekrompen’ en ‘reactionair’ dat er weinig anders op zit dan een drastische stap. ‘Ik herken het land waar ik ben geboren niet meer,’ zegt Cathleen. ‘Ik ben geboren in een bekrompen, anti-intellectueel land. Ik heb er éénenzestig jaar en één verkiezing voor nodig gehad om dat in te zien.’
Dus nu hebben zij ook een mapje ‘Emigreren’ op hun computer, vol informatie over Panama en Belize en Costa Rica en Canada. Ze hebben de website van Cape Breton gebookmarkt en webalerts ingesteld voor onroerendgoedaanbiedingen op het eiland. Ze hebben met een immigratiejurist in Canada gepraat.
Er moeten zoveel knopen worden doorgehakt. Moeten ze hun spullen verkopen? Moeten ze afstand doen van hun staatsburgerschap? Zullen ze de band met hun kinderen en kleinkinderen weer kunnen herstellen? En als ze naar Cape Breton gaan, zullen ze dan spijt krijgen? Ze weten dat het er koud is. Ze weten dat de huizen goedkoop zijn. Maar ze zijn er nog nooit geweest.
‘Het is een risico om te blijven en het is een risico om te gaan,’ zegt Cathleen.
‘We weten het gewoon niet,’ zegt ze.
‘Het is een dilemma,’ zegt hij.
Niet lang daarna belt hun makelaar. De huizen gaan snel van de hand in Loveland. Nog acht weken en er staat een bordje ‘Te koop’ in hun tuin.
Cape Breton dan misschien maar.
Cape Breton dan misschien maar, en misschien ook maar het huis waar Valarie Sampson, een makelaar die door een handvol Amerikanen in de arm is genomen, nu voor staat. Aan zee. Een gerenoveerde boerderij. Zo’n zeshonderd vierkante meter land. 220 duizend Canadese dollars. Staat al meer dan drie jaar te koop.
‘Het is een schitterend huis voor wie overal aan wil ontsnappen,’ zegt Sampson, die in haar SUV stapt en over het eiland rijdt waar niemand meer naartoe komt, waar de mensen juist wegtrekken. Het eiland heeft ooit goed verdiend aan de kolen, maar die inkomstenbron is opgedroogd en er is nog niets anders voor in de plaats gekomen. Jaarlijks overlijden er zo’n duizend mensen, of ze trekken naar grote steden als Toronto of Halifax. Alle budgetten worden teruggeschroefd. Alleen al het afgelopen jaar zijn er tien scholen gesloten. De werkeloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Het bevolkingsaantal is teruggelopen tot 130 duizend, en op Cape Breton zie je dan ook honderden verlaten huizen, klaar voor de sloop, en nog honderden andere die te koop staan.
Sampson weet dat de zomers er hier heel anders uitzien. Dan komen de toeristen. De kreeft- en pizzarestaurants gaan weer open. Op het meer krioelt het van de zeilbootjes. ‘De ligging is onovertroffen,’ zegt ze. ‘Welke kant je ook op gaat, een uur rijden en je bent op het strand.’
Maar vier of vijf maanden per jaar is dit een plek met korte dagen, ijzige temperaturen en gladde stoepen, waar aan ijshockey wordt gedaan en waar de mensen elkaar opzoeken in kroegjes en donutshops. Als Sampson terugrijdt naar haar kantoor lijkt er helemaal niets te gebeuren in Sydney, de grootste stad van het eiland. Er is alleen een vergadering van vrijwilligersorganisaties, over wat er gedaan kan worden om het eiland te redden.
‘Als er geen mensen komen, zijn we ten dode opgeschreven,’ zegt Rankin MacSween, hoofd van een buurtcomité.
‘We hebben al niet zo’n grote bevolking, en hij blijft maar slinken, in hoog tempo,’ zegt een jurist. ‘Je hoeft geen wiskundig genie te zijn om uit te begrijpen dat de tijd dringt.’
Er wordt een vijf pagina dik rapport doorgenomen, waarin staat dat het eiland jaarlijks tweeduizend mensen moet zien te trekken om levensvatbaar te blijven. Al tientallen jaren slaagt men er niet in aan de wederopbouw te werken.
Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen
Maar nu heeft het eiland iets nieuws – Calabreses website. Cape Breton is bekender dan ooit. ‘We krijgen duizenden mails,’ zegt iemand op de bijeenkomst. Maar dat is nog wel iets anders dan duizenden mensen die zich ook echt op het eiland vestigen. Canada heeft strenge migratiewetten. Je kunt er niet gewoon gaan wonen omdat je dat wilt. Aanvragen worden beoordeeld op criteria als leeftijd en vakkennis en de bijdrage die je kunt leveren aan de economie. Wie een mail stuurt naar Cape Breton krijgt te horen dat hij een aanvraag moet indienen bij de Canadese immigratiedienst. Hij of zij krijgt een link om een procedure in gang die zetten die zomaar een jaar kan gaan duren.
Dus misschien dat er ooit Amerikanen zullen komen, maar nu is het nog niet zover. Naarmate Calabrese meer reacties kreeg, heeft hij de tekst op de site aangepast, zodat het allemaal iets minder politiek is – en niet langer vooral gericht op Amerikanen.
‘Om eerlijk te zijn,’ heeft Calabrese geschreven, ‘is iedereen welkom, ongeacht zijn of haar ideologie. Kom hierheen!’
‘We moeten hier goed over nadenken,’ zegt de jurist terwijl de bijeenkomst op z’n einde loopt. ‘Wat voor soort mensen willen zich hier vestigen?’
Een antwoord op die vraag kan even verderop worden gevonden, in een huis dat helemaal kaal is gehaald en dat een jaar leeg heeft gestaan, totdat er een gezin met zeven kinderen is komen wonen, afkomstig uit Syrië. De kinderen zijn net uit school. De televisie staat aan. De kinderen zitten bij elkaar gekropen op de bank. ‘Wat ben je aan het tekenen?’ vraagt de vader, Ahmad Hamadi, van vijfendertig, aan Mohamad, zijn tienjarige zoon. ‘Een Pokemon,’ zegt Mohamad.
Dit zijn de mensen die naar Cape Breton zijn gekomen: Syrische vluchtelingen die hun land niet alleen hebben achtergelaten, maar het zelfs hebben moeten ontvluchten. Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen, en Ahmad en zijn gezin behoren tot de laatste groep die is gearriveerd. Nadat ze uit Syrië waren gevlucht en een paar jaar in Libanon hadden gezeten, waren ze hier terecht gekomen dankzij de steun van een kerkelijke groepering op een eiland waar ze nog nooit van hadden gehoord. Ze zijn achtenveertig uur onderweg geweest: van Beiroet naar Caïro en dan door naar Toronto en vervolgens naar Cape Breton. Ze landden om halftwee ’s nachts. Ze werden in een busje gezet en toen de zon opkwam stond Ahman ineens in een huis vol meubels en eten en speelgoed. Het was allemaal van hem, terwijl niets hem vertrouwd voorkwam.
Vergeleken met waar hij vandaan kwam was het buiten stil. Er was stroom. De kinderen gingen naar school. Ahmad hing een Canadees vlaggetje op de voordeur en elke dag dat hij de deur uit ging, was een nieuwe kans om te wennen aan een nieuw thuis.
Hij solliciteerde op vacatures bij Value Village en een bouwmaterialenonderneming, waar een tolk hem terzijde stond bij de sollicitatiegesprekken, maar vergeefs. Hij informeerde naar werk bij een Libanees restaurant, maar de eigenaar wilde geen onervaren iemand in dienst nemen. Zo gingen er maanden voorbij. Hij haalde zijn rijbewijs. Hij ging gewichtheffen in de sportschool, tegen de stress. Hij overwoog zich aan te melden voor de late dienst bij McDonald’s, maar een van de mensen van het kerkcomité dat hem sponsorde, zei dat hij moest zorgen dat zijn Engels beter werd, zodat hij makkelijker aan werk zou kunnen komen.
Voor de oorlog had Ahmad een winkeltje gehad, in een plaats niet ver van Damascus. Hij woonde in dezelfde straat als zijn ouders en zijn drie broers en zussen. ’s Avonds laat ging hij met zijn vrienden ergens shoarma of kip eten. Hij is vier jaar geleden gevlucht en zijn familie is uitgewaaierd over drie continenten. Van zijn vijf beste vrienden zijn er vier om het leven gekomen, denkt hij.
‘De ene dag had ik een auto, een huis, een leven,’ zegt Ahmad. ‘De volgende dag was ik het allemaal kwijt.’
Het lot is Ahmad gunstiger gezind geweest dan vrijwel iedereen die hij kent, maar door de noodlottige ontwikkelingen in het land waarvan hij van houdt, is hij hier beland, kijkt hij nu uit over een tuin met dikke lagen sneeuw en een Canadese zon die al vroeg aan de einder verdwijnt.
Huis in de verkoop
‘Cat, zag je dat!’
Cathleen en Jimmy rijden tegen de schemering terug van een autoruitreparatiebedrijf wanneer een grote, witte uil vlak langs hun voorruit scheert. Niet lang daarna zitten ze thuis en praten over de uil die vroeger in hun voortuin huisde, over de eland die achter het huis rondscharrelde, en over deze tijd van het jaar, waar ze altijd zo dol op zijn geweest.
Elk voorjaar zetten ze de ramen wijd open in hun doodlopende straat, horen de vogels in de sparren, zien de krokussen en de hyacinten uit de verse muls rond het huis schieten. De zon gaat steeds later onder. Ze kunnen weer barbecueën. Ze zullen de buren weer vaker zien. En soms maken ze een uitstapje in hun SUV: in oostelijke richting, over de vlakten richting de Ozarks, of misschien naar het westen, door de bergen tot voorbij de Continental Divide, op zoek naar meren om te vissen, stalletjes om wat vers fruit te kopen en een motelletje om de nacht door te brengen.
‘We hadden geen plan,’ zegt Cathleen. ‘We gingen gewoon op de bonnefooi.’
‘Weet je nog, de Black Canyons?’ zegt Jimmy.
‘Weet je die kliffen nog?’ zegt Cathleen.
Er wordt op de deur geklopt.
De huizeninspectie. Over twee weken zal hun huis in de verkoop gaan, en zodra het is verkocht, vertrekken ze. Eerst naar hun kinderen, en daarna zien ze wel weer.
Misschien dat een tocht door Amerika hen in herinnering kan brengen wat ze zijn vergeten.
De inspecteur schudt hen de hand en loopt naar binnen.
‘En,’ zegt hij, ‘waar gaan jullie heen?’
Ondertussen komen in Cape Breton nog altijd mails binnen, elke dag wel een paar. ‘Ik kan hier niet langer blijven, ik kan niet meer slapen met zo’n slecht mens als onze leider’, schrijft iemand.
‘De geschiedenis herhaalt zich en ik zie weer een Derde Rijk opdoemen’, schrijft iemand anders.
‘Ik vind het hartverscheurend hoe ons land kapot wordt gemaakt… door één man, een miljardair die buiten de werkelijkheid staat’, schrijft weer iemand anders.
‘Help me alstublieft’, staat in een andere mail te lezen.
Calabrese leest alle mails, woord voor woord, en terwijl hij wacht op de komst van de Amerikanen, en op de komst van mail nummer 4780, realiseert hij zich hoe gelukkig hij zich mag prijzen dat hij woont op de plek waar hij wil zijn.
Auteur: Chico Harlan
Vertaler: Annemie de Vries
Openingsbeeld: Huizen, zoals hier bij Capstick, zijn er genoeg op Cape Breton. – © Wikimedia
The Washington Post
Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

