Een voorpublicatie van het boek van Colson Whitehead
In alle jaren dat Ray Carney aan heling had gedaan – hij had het gedaan met tegenzin maar zonder scrupules, had zichzelf nu eens in gevaar gebracht met domme keuzes en dan weer uitgeblonken in crimineel vernuft – was er maar één keer geweest dat hij zelf aan de inbraak meedeed, en dat was in de zomer van 1981 toen Uncle Rich weer in de stad was. Die ellendige tijd.
Dat jaar toonde de stad zijn ware karakter, van een in de loop der eeuwen mismaakt monster, een gedrocht dat draaide op aangeboren ellende, aangedreven door louter wilskracht en bij elkaar gehouden door lef, betonstaal en woede. De stad had op de rand van het bankroet gestaan en klom nu klauw voor modderige klauw uit de krater van schulden. Elke dag kwam de misdaad weer met nieuwe vindingrijke methoden om iedere burger tot slachtoffer dan wel getuige te maken. En elk uur kwamen er nieuwkomers bij, alsof er ruimte voor was, ze voegden nieuwe tinten toe aan het stedelijke scala van verdriet en volharding, en hun aantal overtrof dat van hen die naar de voorsteden waren uitgeweken of de vernederingen van de stad voorgoed waren ontvlucht. Vies was de stad, en ziek, en onverbloemd in zijn dreigementen. ‘How am I doin’?’ vroeg burgemeester Koch als hij zich onder zijn burgers begaf, hij blafte ze de vraag toe als een van die mottige zeehonden in de aftandse en verwaarloosde Central Park Zoo (een enorme gribus). Het was zijn handelsmerk. Iedereen heeft een gimmick nodig. ‘Hoe vind je dat het gaat?’ Met jou? Net zoals met iedereen: afgepeigerd en afgeragd, en toch maar verder strompelen.
En Ray Carney, dat was een zoon van deze stad, een man die er zijn portie tegenslagen te verstouwen kreeg maar af en toe ook zelf een slag wist te slaan. De dag waarop die hele teringzooi met Uncle Rich tot uitbarsting kwam, dinsdag 16 juni, was sowieso al geen gewone dag omdat Carney toen een bijzondere afspraak had: voor een interview door Sterling Quality, het maandblad van meubelfabrikant Sterling Furniture. Al zolang Carney zijn winkel had, verkocht hij daar de meubels van Sterling aan prijsbewuste inwoners van Harlem met een bijdetijdse smaak, aan montere jonge stellen die zich dapper weerden om de maandelijkse afbetaling te voldoen, aan ouwe kerels die in hun woonkamer wilden wegzweven op een nieuwe relaxfauteuil. En nu was hij door het bedrijf uitverkoren tot Dealer van de Maand (augustus) voor de Noordoostkust. Van schrik had Carney bijna zijn koffie omgegooid toen hij daarover werd gebeld. Elk mens koestert in zijn leven een paar stille wensen die hij voor de wereld verzwijgt, dromen zo ijl dat ze buiten de veilige omheining van het eigen hoofd meteen vervliegen. Zijn naam gedrukt zien staan in de deftige letter van het huisblad van Sterling Furniture, dat was al decennialang een heimelijke droom van hem. Elizabeth en hij hadden het nieuws gevierd met een etentje in een Frans tentje bij Lexington Avenue waar veel te kleine porties je vanaf veel te grote borden in schaamteloze triomf aanstaarden.
Sterling zette elke maand vijf dealers in het zonnetje, voor de regio’s Noordoost, Zuidoost, Midwest, Noordwest en Zuidwest, op grond van het aantal verkochte meubels, het aantal jaren dat ze erkend dealer waren en de mate waarin ze voldeden aan de andere, niet nader gespecificeerde aspecten van die ‘topkwaliteit’ waarnaar de titel van het blad verwees. Sterling Quality bevatte elke maand een portret van een van die vijf, en de Dealer van het Jaar werd vervolgens uit een van de twaalf gekozen. Carney maakte zich geen illusies dat hij dat ook nog zou worden, maar hij was er wel vrij zeker van dat hij de eerste Afro-Amerikaanse Dealer van de Maand was, afgezien misschien van Lou Edminson (maart 1973), hoogstwaarschijnlijk een zwarte man die zich als wit voordeed, want dat golvende haar van hem, allemachtig… Carney wist hoe het was om een façade op te houden en had begrip voor de dilemma’s. In het voorgesprek met de schrijver van het artikel bleek het inderdaad baanbrekend te zijn. ‘Ik geloof niet dat we ooit eerder iemand met uw achtergrond hebben gekozen,’ zei Andrew Fisher. ‘Dat leek me belangrijk.’ En hij vertelde over zijn jeugd in Bloomington, Indiana, over het zwarte gezin dat daar in de straat was komen wonen, en dat hij toen het enige kind was geweest dat met hun zoon had gespeeld. ‘Langer dan een jaar hebben ze het niet uitgehouden, maar het is een vriendschap waar ik warme herinneringen aan koester.’
Op de dag van het interview zelf kwam Carney in pak naar het werk om in de sfeer te komen, al werd het interview telefonisch afgenomen. Hetzelfde pak droeg hij toen ze drie weken later foto’s kwamen maken. Op de gepubliceerde foto zagen de lezers van Sterling Quality een slanke man van begin vijftig met de rustige, nuchtere uitstraling die je verwacht van iemand die meubels verkoopt. Zijn haar was al grijzend, maar zijn gezicht had nog die jeugdige onbevangenheid die ten onrechte door sommigen voor naïviteit en door anderen voor welwillendheid werd versleten. Klopte allebei niet. Hij was tevreden met wat hij had bereikt, deed zich tegenwoordig tegoed aan de geneugten van het welgestelde burgerleven en had de laatste tijd een buikje gekregen, dat net buiten beeld viel. Een van de niet-gebruikte foto’s vertoonde een recente uitbreiding in zijn repertoire aan gezichtsuitdrukkingen: een indringende blik, met toegeknepen ogen als van een boekhouder die twijfelt over zijn berekening, of iemand in een doolhof die probeert te bedenken waar hij een verkeerde afslag heeft genomen. Een teken van ongemak, onderhuids ongenoegen. De fotograaf vond die samengeknepen ogen iets verwilderds hebben, in tegenspraak met de ‘nuchterheid’ die het handelsmerk van de Dealer van de Maand hoorde te zijn. Op een avond had hij in een dronken bui de negatieven verbrand om ervan af te zijn.
Andrew Fisher belde Carney’s Furniture vanuit het hoofdkantoor van Sterling in Waltham, Massachusetts, waar de oprichter Atherton James meer dan honderd jaar geleden zijn eerste fabriek had geopend (‘Meubels voor het leven’). Carney deed de deur van zijn kantoortje op slot om niet gestoord te worden, net als wanneer hij daar vroeger een of ander louche type met een tas vol gestolen horloges ontving. Sinds de heropening van zijn zaak kreeg Carney er zelden nog boeven op bezoek. Oké, hij kreeg er wel bezoek van advocaten, verzekeringslui en andere vertegenwoordigers van de minder frisse kanten van de bovenwereld, maar geen criminele criminelen. Carney wilde zijn nieuwe kantoor liever niet met hun aanwezigheid bezoedelen. Hij noemde het nog steeds nieuw, al was de brand toch alweer vijf jaar geleden. Ook zijn archief met twintig jaar aan exemplaren van Sterling Quality was daarbij in rook opgegaan, maar hij was ze blijven verzamelen en merkte tot zijn opluchting dat Fisher in zijn interview niet van het vertrouwde stramien afweek. Carney had zich ingelezen. Het werd een gemoedelijk gesprek. Hij leunde achterover in zijn stoel en legde zijn voeten op zijn bureau.
‘Als kleine ondernemer heeft u vast zo uw moeilijke momenten gehad,’ zei Fisher. ‘Lastige keuzes moeten maken. Kunt u onze lezers vertellen over een moment waarop u op de proef bent gesteld?’ De eerste antwoorden die in hem opkwamen sloegen allemaal op zijn andere werk, niet de meubelhandel, hij zocht naar iets wat geschikt was voor het blad. Hij negeerde de beelden die hem voor de geest kwamen: een verwoest gezicht omkaderd door een verbrijzelde autoruit, bloed dat uit de strot van die smeerlap spoot waar het scheermes erin was gezet, die laatste verbijsterde blik toen de kogel zich in het oog van Alexander Oakes boorde. Carney schraapte zijn keel. ‘Een zaak beginnen in die tijd, ja, dat was natuurlijk al gedurfd. Maar dan na de brand weer opnieuw beginnen: gaat me dit lukken? Dat is een waagstuk. Je grijpt te hoog. Maar je doet het omdat je niet anders kan. Als je het niet probeert, kun je net zo goed dood zijn.’
‘Tuurlijk, tuurlijk.’
Alsof die witte knul wist waar Carney het over had. Fisher had laten vallen dat hij bij Sterling nu even stage liep tijdens de zomervakantie van zijn studie aan Harvard. Een oom van hem was een grote pief bij marketing. ‘Ik leer hier ontzettend veel. Over zakendoen, maar ook over het leven.’
Een moment waarop u op de proef bent gesteld. Hij was een zwarte man in Amerika. Wanneer werd hij níét op de proef gesteld? Godsamme. Hij moest denken aan de laatste afwijzing van Elizabeths aanvraag voor een lening, bij een of ander boerenknollenbankje ergens in Virginia. Het systeem wist zich geen raad met Carney en al helemaal niet met zijn vrouw. Hij stelde zich de bankemployees voor die haar aanvragen voor een lening nu al anderhalf jaar ondermijnden: een lange reeks identieke witharige mummies in pak. Die in de kantlijn van haar aanvraag een code krabbelden, bankiersgraffiti om de directeur erop te attenderen dat het hier een bedrijf betrof van een zwarte eigenaar: njet.
‘Momentje,’ zei Fisher. Hij bladerde in zijn aantekeningen. Mike verscheen voor het raam, hij troonde een latinovrouw van middelbare leeftijd mee naar de nieuwe Egons. Sinds de renovatie keek zijn kantoortje uit op de bovenverdieping van de showroom, pal boven de plek waar zijn kantoor vroeger had gezeten. Het nieuwe interieur was zo veel mogelijk een kopie van het oude. Van de gesigneerde zwart-witfoto van Lena Horne uit de tijd van Cabin in the Sky had hij geen ander exemplaar kunnen bemachtigen, maar van de nieuwe, een uitbundige kleurenfoto van een optreden in Vegas begin jaren zeventig, kikkerde hij op sombere dagen ook altijd op. Op de oude foto stond het jonge, gretige talent, de nieuwe toonde een onverzettelijke persoonlijkheid. Iemand die stormen had doorstaan.
De latina sjokte tussen de poefs. Glazige blik, de hangende schouders van de afgematte huisvrouw. Mike gebaarde en ze zette haar supermarkttassen op een zijtafeltje van Lucite. In een opwelling binnengewipt tijdens het boodschappen doen. Door de plots opgekomen gedachte aan de tot op de draad versleten armleuningen van haar bank met zijn tien jaar oude frisdrankvlek, of in het voorbijgaan aangetrokken door die nieuwe slaapbank van DeMarco in de etalage? Het was Rusty’s idee geweest om de Slumber King daar te zetten. Carney nam zich voor hem daarmee te complimenteren. Monterde hem misschien een beetje op, nu hij in scheiding lag en zo.
Mike maakte een gebaar alsof hij tussen zijn handen iets in elkaar drukte, om de zachtheid van schuimrubber uit te beelden. Hij wist hoe hij ze moest inpakken. Een natuurtalent was het, hij vertelde over microvezels en afbetalingsregelingen als een casanova die een vrouw hemelse geneugten voorspiegelt. De klant knikte. Hoelang zou Mike blijven? Deze nieuwe generatie verkopers raakte snel op het werk uitgekeken. Vroeger was een baantje bij een nette winkel als die van Carney nog een carrière. Vastigheid en een goed salaris, voor deze buurt. ‘Positieve werkomgeving’, afgezien van een brandbommetje op zijn tijd.
De interviewer bracht Carney weer bij de les. ‘Wat vindt u het fijnste van uw werk?’
Carney floot even tussen zijn tanden. ‘Zoveel dingen.’
Zoals de deur opentrekken van zijn Hermann Bros.-safe, model 1977, om een stapel geld op de stapel van vorige week te leggen, de ene met een keurig papieren buikbandje van de bank, de andere een groezelige stapel verkreukelde biljetten in een elastiek. Of de dag nadat er een kink in de kabel was opgetreden, als hij de hele film in zijn hoofd nog eens afdraaide en besefte dat het hem zijn leven had kunnen kosten – maar dat hij de dans ontsprongen was. De ogen van Elizabeth als zij een cadeautje uitpakt waarvan het hem niet kan schelen of dat betaald is met crimineel of met schoon geld, zolang zij er maar blij mee is, en wat maakt het ook uit? Hij zei: ‘Die glimlach op het gezicht van een klant die voor het eerst op een nieuwe bank zit en niet denkt aan hoeveel het kost, of aan de huur, of aan de beugel die dochterlief nodig heeft, maar alleen aan hoe lekker dat zit. Dat, en alleen maar dat.’ Het interview was bijna afgelopen. Ze hadden het gehad over zijn opleiding bedrijfskunde aan Queens College (‘Daar werden me echt de ogen geopend voor de onderliggende mechanismen’), zijn zevenentwintig jaar ervaring in de meubelbranche, de koude oorlog tussen Sterling en Collins-Hathaway in de jaren vijftig, en de fusies en de slinkende keuzemogelijkheden voor de consument die daarop volgden. De brand en de heropening van zijn zaak. ‘Zijn ze er nooit achter gekomen wie het gedaan heeft?’ vroeg Fisher.
New York,’ zei Carney. De stad was vraag en antwoord tegelijk. Oorzaak en gevolg en alles wat er verder maar bestond. Een mens wist nooit wat de toekomst in petto had, maar zijn liefde voor het vak had Carney nog niet verloren. ‘Zolang ze meubels blijven maken, blijf ik ze verkopen,’ zei hij. ‘Er is altijd wel een gezin op zoek naar hun eerste eethoek, en die kunnen bij mij terecht.’
‘Hebt u nog goede raad voor beginnende jonge collega’s?’ Beroof nooit een bank op dinsdag. Een terloopse opmerking van Pepper die Carney al jaren als een granaatscherf met zich mee droeg. Over de redenering erachter had hij nooit nagedacht, banken beroven was ook zijn stiel niet, maar hij had het altijd als een waarheid aanvaard. Alleen was het advies voor deze situatie minder geschikt.
Dat gold ook voor het tweede motto dat in hem opkwam, een vluchtige constatering die mettertijd was uitgebot tot een grimmige levenswijsheid: Een goede salontafel is nog moeilijker te vinden dan ware liefde. Rare gedachte, als je een handelaar was in tafels, van eender welke soort, en ook bekend was met de alles veranderende kracht van de liefde. Maar hij was er met de jaren steeds stelliger van overtuigd geraakt: Een goede salontafel is nog moeilijker te vinden dan ware liefde. Een gedachte waar hij zelf van schrok. Wat moest je met die kennis? Als je dat echt geloofde, waarom zou je dan nog meubels verkopen? Deze opvatting pleegde verraad aan zijn vak en maakte een schijnvertoning van zijn bestaan. Toen hij het in de zomer van ’78 eens tegen Elizabeth had gezegd, had hij aan haar blik gezien dat hij er beter nooit meer over kon beginnen. Carney gooide het over een andere boeg. Tot dusver had hij vooral zijn eigen persoon aan het vakblad zitten verkopen: de voortvarende ondernemer Ray Carney, de selfmade man met zijn bloeiende zaak op de hoek van 125th Street. Nu was het moment gekomen om Sterling Quality aan zichzelf te verkopen, de klant de zelfbevestiging te geven waarmee je elke koop bezegelt. Wat wilde Sterling in Sterling zien? Argent.
Argent en zijn legendarische Metropolitan-meubels met die gestroomlijnde vormen, de aerodynamische oorfauteuils, de gewelfde sofa’s en loveseats, de warm glanzende champagnekleurige bekleding. Argent had hem door zijn moeilijke eerste jaren geholpen en het geld opgebracht voor de huur van hun piepkleine appartementje aan de andere kant van het spoor, voor gas en licht, voor eten op tafel. Overal in Amerika waren gezinnen dol op hun meubels. In ’68 had Sterling zijn rivaal Argent opgekocht en opgedoekt, maar vorig jaar hadden ze het merk ineens op spectaculaire wijze nieuw leven ingeblazen. De klanten vroegen erom, een hele generatie die gedut, geravot, geneukt en zwart-wit-tv gekeken had op die kussens van Argent.
Carney zei: ‘Blijven streven. Blijven knokken. Kijk naar Sterling. Sommige mensen leunen op hun reputatie, maar Sterling haalde Argent weer van stal omdat je wendbaar moet zijn, je best moet blijven doen.’ De mensen hadden weer behoefte aan Argent, aan bewijs dat er een goede tijd was geweest voordat het zo slecht begon te gaan, voor de neergang. Daar hoefde je de krant maar voor open te slaan. De energiecrisis, de gijzelaars, het was één lange waslijst van ellende. Vroeger waande een gezin zich veilig in de eigen woonkamer, en daar wilden de mensen nu naar terug. ‘Argent is een geschenk dat je met anderen moet delen,’ zei Carney, ‘anders verliest het zijn betekenis. En hoe belangrijk is Argent nu niet voor de omzet van Sterling? Dat je dat aan de mensen kunt geven, dat is iets om te koesteren. Maar je moet wel mee blijven doen, blijven knokken.’ Carney stond op en voelde een duizeling. Zijn bloed ging sneller stromen van dit euforische meubelpraatje. Andrew Fisher kauwde even op Carneys antwoord. ‘Mooi gezegd,’ zei hij.
Vond Carney zelf ook. Dealer van het Jaar zou hij nooit worden, maar hij had zijn best gedaan, al zou hij nooit toegeven dat hij de titel ambieerde.
Carney maakte daarna korte metten met een wit echtpaar dat bij de bankstellen aan het weifelen was. Hij stond niet meer zo vaak zelf in de winkel als vroeger, maar hij voelde zich opgepept door het interview. De oude zinnetjes nog steeds paraat, de gemaakte glimlach op afroep. Hij wist ze te strikken voor een modulair bankstel van Argent met Summer Oasis-bloemprintbekleding en de zwenkwieltjes met rem als extraatje. Gefeliciteerd, meneer en mevrouw Michaels, sinds kort woonachtig in Sugar Hill, en veel plezier met uw nieuwe interieuroplossing.
In zijn kantoortje had Rusty inmiddels een briefje van Martin Green op zijn bureau gelegd: ‘De nieuwe kleurstalen zijn binnen.’ Code voor: kom bij me langs. Carney draaide zijn nummer: in gesprek.
Vertaald door Frank Lekens
Verder lezen?
Kwaliteitsjournalistiek kost geld. Maar je wilt 360 misschien liever eerst proberen. Neem daarvoor een proefabonnement en lees een week lang gratis.
Heb je al een account?

