In 2005 explodeerde de Franse buitenwijk Clichy-sous-Bois nadat twee jongens op de vlucht voor de politie omkwamen. Hoe is het intussen in de banlieues? Fotograaf Hervé Lequeux werkte er vier jaar, en constateerde dat voor de volgende generatie weinig is verbeterd.
Eind oktober organiseerde de Franse premier Manuel Valls een vergadering van de ministerraad buiten Parijs, in Les Mureaux, 40 kilometer stroomafwaarts aan de Seine. Het industriestadje maakt deel uit van de grande banlieue parisienne, de ruime ring van voorsteden rond de Franse hoofdstad. De vergadering was bedoeld om een aantal ‘krachtige maatregelen’ te nemen die het leven in de banlieues van alle grote Franse steden draaglijker moeten maken.
De symboliek van die ministerraad was treffend. Op de kop af tien jaar eerder, op 27 oktober 2005, barstte in een andere Parijse voorstad, Clichy-sous-Bois, een oproer uit nadat twee jongeren, die op de vlucht voor de politie een schuilplaats zochten in een transformatorhuisje, daar werden geëlektrocuteerd.
De rellen in Clichy-sous-Bois hadden het effect van een veenbrand. Niet alleen rond Parijs, maar ook in de voorsteden rond Lyon, Marseille en Saint-Étienne kwamen vooral de jongeren in opstand. Er vielen bij de rellen nog twee doden en er werd in een dag of tien door heel Frankrijk voor een kwart miljard aan schade aangericht. Maar waartegen was de woede-uitbarsting gericht?
Verbanningsoord
Drie jaar geleden schreef de eminente arabist en politicoloog Gilles Kepel in opdracht van het Institut Montaigne, een ‘sociale denktank’, een rapport over de situatie in twee Parijse voorsteden, Clichy-sous-Bois en het aangrenzende Montfermeil. Kepel, hoogleraar aan Sciences Po in Parijs en de London School of Economics, deed met zijn team een jaar lang onderzoek in beide banlieues, die samen 60.000 inwoners tellen. Enkele cijfers uit het rapport, dat verscheen onder de titel Banlieue de la République:
- De werkloosheid in Clichy-sous-Bois bedraagt 22,7 procent, in Montfermeil 17,5 procent en in Île-de-France (Parijs en de ruime agglomeratie met in totaal 12 miljoen inwoners) 11 procent.
- Het aantal inwoners jonger dan 14 jaar: Clichy-sous-Bois 28,5 procent, Montfermeil 22,5 procent, Île-de-France 19,5 procent.
- Het aantal huishoudens met een inkomen beneden de belastinggrens: Clichy-sous-Bois 61,3 procent, Montfermeil 45,4 procent, IÎle-de-France 33,6 procent.
- Bevolkingspercentage met een buitenlandse nationaliteit: Clichy-sous-Bois 33 procent, Montfermeil 20 procent, Île-de-France 12,4 procent.
- Aantal minderjarigen van wie ten minste één ouder buiten Frankrijk is geboren: Clichy-sous-Bois 76 procent, Montfermeil 50 procent, Île-de-France 16,9 procent.
Kepel benoemt ook de kernproblemen: werkloosheid, gebrek aan opleiding, slechte woonomgeving, armoede, criminaliteit (vooral gerelateerd aan drugshandel), uitzichtloosheid, desintegratie. Een beduidend deel van de inwoners spreekt geen of slechts gebrekkig Frans (de interviews werden afgenomen in het Frans, Engels, Arabisch, Turks, Fula, Soninke en Cambodjaans…), voelt zich opgesloten in de eigen omgeving en religie, komt zelden of nooit buiten zijn ‘stedelijk getto’ en ‘kent de Eiffeltoren slechts van verre’. Er heerst uitzichtloosheid en vooral ook het gevoel ‘er niet bij te horen’, geen deel te hebben aan de samenleving. Van integratie in de Franse maatschappij is vrijwel geen sprake, vandaar de titel van het rapport, die men vrij kan vertalen als ‘Verbanningsoord van de Republiek’.
De banlieues ontstonden in de jaren vijftig en zestig, toen de beruchte ‘bidonvilles’ rond vooral Parijs – woongebieden die destijds door ‘gastarbeiders’ uit voornamelijk Noord-Afrika clandestien waren opgebouwd uit sloophout en lege benzineblikken – werden opgeruimd en plaatsmaakten voor betonnen flatgebouwen, doorgaans zonder stedelijk plan van enige betekenis en op een koopje gebouwd. Er ontstonden eentonige, grijze woonoorden van een massaliteit waarbij vergeleken de ‘oude’ Bijlmer een paradijs van geborgenheid was. In de loop der jaren werden de grote Franse steden omringd door dergelijke voorsteden, voor het merendeel bewoond door immigranten uit de voormalige Franse koloniën in Noord- en Zwart-Afrika en Indochina.
De voorbije tien jaar heeft de Franse overheid honderden miljoenen euro’s geïnvesteerd in renovatie van de banlieues. Dit kwam neer op het bijwerken van het uiterlijk, een maquillage; de kernproblemen die Kepel signaleert – werkloosheid, gebrek aan scholing en armoede, culminerend in uitzichtloosheid en uitsluiting – werden er niet mee opgelost. De banlieues werden ook broedplaatsen van moslimfundamentalisme en politiek-religieus getint extremisme.
Valls, zelf een immigré uit Spanje (maar bepaald niet van het type banlieusard), zei eind oktober dat hij zich niet met zijn politieke circus buiten de grenzen van Parijs had begeven ‘om de banlieue te heroveren’. Wel kondigde hij de oprichting aan van een Nationale Raad voor stedelijke vraagstukken. Het dagblad Le Monde noemde dat prompt ‘een aankondiging met de geur van een déjà vu’.
Hervé Lequeux (1972, Sète, Frankrijk) fotografeerde onder andere veel voor tijdschriften en kranten tijdens de Tunesische, Egyptische en Libische revoluties in 2011.
In 2012 begon hij een serie over de jeugd in de buitenwijken van Île-de-France en in wijken in het noorden van Marseille, Lyon en Amiens. Voor dit laatste project werkt hij samen met journalist Sébastien Deslandes, die de jongeren aan het woord laat.
Hervé maakt ook multimediale documentaires.

