de dichter is gestorven voor uw telefoon


Overdag staan ze aan de lopende band, maar in de spaarzame vrije uren wordt er heel wat afgedicht door de Chinese arbeidsmigrant. De poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, biedt tegenwicht aan de harde realiteit van het moderne bestaan.

Er zullen maar weinig plekken op aarde zijn waar het een slimme carrièrestap is om dichter te worden, maar het geldt zéker voor de armste mensen met de minste kansen, die voet aan de grond proberen te krijgen in de mallemolen van China’s speciale economische zones.

De afgelopen jaren zijn er talloze documentaires gemaakt over de ontberingen van Chinese arbeidsmigranten, maar Iron Moon uit 2015 vestigt de aandacht op een wel heel specifieke groep: de dichtende arbeidsmigrant. De documentaire volgt enkele jonge schrijvers die kampen met economische en culturele vooroordelen in hun poging veertienurige diensten aan de lopende band in poëzie te gieten. We zien de jonge, gevoelige Wu Niaoniao (wiens naam merel betekent), die in Guangzhou, op de reusachtige banenmarkt van Zuid-China, in de felle neonverlichting van het ene naar het andere kraampje slentert en informeert naar een positie binnen de redactie van een fabriekskrant. Met een afgewogen mengeling van fatalisme en hoop, die de poëzie van de Chinese migrantenarbeiders typeert, leest hij een gedicht voor en wacht met een schaapachtige glimlach de reacties af.

‘Ik weet dat jonge mensen hun droom willen waarmaken, maar…’ zegt een cynische recruiter, die zijn zin niet afmaakt. Een ander kijkt over zijn brilletje heen en zegt: ‘Maar wat dóé je? Met een opleiding kun je heel veel geld verdienen. Zonder opleiding kom je niet aan het werk, hè.’ Een andere recruiter vraagt zich onomwonden af of Wu weleens heeft geprobeerd iets vrolijkers te schrijven.

Hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden

De uitzichtloze toestand van de migranten van het platteland is niet nieuw binnen de Chinese fictie. De New Culture Movement uit de jaren tien en twintig van de vorige eeuw, voortgekomen uit de vraag hoe China te moderniseren en die mensen vooruit te helpen die in het oude, feodale stelsel in de verdrukking waren geraakt, maakte de weg vrij voor Lu Xun, misschien wel de grootste Chinese schrijver van de twintigste eeuw, die met zijn vernieuwende gebruik van spreektaal in De waarachtige historie van Ah Q het leven van een boer in de stad in kaart bracht. Hij werd gevolgd door Lao She’s plattelands-wees in Bejing in Rickshaw Boy en Zhang Lepings langlopende animatieserie over de ‘dolende ziel’ San Moa in de jaren dertig en veertig. Maar toch, dat waren allemaal verhalen over migranten, opgetekend van een zekere afstand. En hoewel in de drie decennia maoïstisch bewind die daarop volgden de arbeider, boer en soldaat een centrale positie zouden innemen binnen de fictie, leverde dit slechte, door de staat gecontroleerde literatuur op die weinig van doen had met de feitelijke levens van hen die erin gerepresenteerd zouden worden.

Platteland

Dat alles veranderde in de jaren tachtig. Sinds de hervormingen in China, die gepaard gingen met meer openheid en een landbouwkundige decollectivisering, een industriële privatisering en een overgang naar een zelf vormgegeven markteconomie, zijn naar schatting 274 miljoen Chinese arbeiders weggetrokken van het platteland om te gaan werken in de mijnen, of ergens aan een lopende band. De positie van de arbeider, die tijdens de communistische revolutie zo’n belangrijke positie had ingenomen, verslechterde in razend tempo, en het sociale vangnet verdween. Dit wordt prachtig verbeeld in een gedicht van de voormalig bouwvakker Xie Xiangnan, waarin een jonge migrant het luisterrijke beeld van ‘Lenin op het podium’ uit zijn schooltijd vergelijkt met de aanblik van de hordes berooide migranten op het station van Guangzhou, die hun hele hebben en houwen meedragen in een plastic zakje, ‘als explosieven’.

Maar toch was er in die vroege postsocialistische jaren niet altijd sprake van een dergelijke ontgoocheling. De poëzie van de arbeidsmigranten (niet te verwarren met de propagandistische arbeiderspoëzie van de Grote Sprong Voorwaarts) was een van de vele genres die opkwamen in het braakliggende culturele landschap na Mao’s dood in 1976. Maar in tegenstelling tot de meer bekende en meer elitaire genres met (veelal bedrieglijke) namen als ‘littekenliteratuur’ en ‘mistige poëzie’, is dit een genre dat, tot voor kort, goeddeels over het hoofd is gezien. Als je kijkt naar de vroegste uitingen, is dat misschien ook wel enigszins begrijpelijk.

Na tientallen jaren van diepgewortelde trouw aan de partij weerspiegelde de vroege arbeidsmigrantenliteratuur voornamelijk een aanhoudende betrokkenheid bij de staatspolitiek. Begin jaren tachtig betekende dat massaproductie, volgens een bepaalde formule geschreven zelfhulpachtige verhalen over succes dat is verkregen met hard werken, geheel overeenkomstig het beleid van de overheid om de mensen naar de stad te lokken. Anzi’s Posthouse of Youth: The True Life of Migrant Women in the Special Economic Zone is misschien wel het meest indrukwekkende voorbeeld. (Anzi groeide uit tot een vrouwelijke modelarbeider, door wier succes als ondernemer de stedelijke droom realiteit werd.) Deze autobiografieën en verhalen van sociale mobiliteit in Shenzhen werden door kranten en overheidstelevisiekanalen bejubeld en heel handig gepresenteerd als bewijs dat de arbeiders van het platteland, die de zwaarste last droegen van de economische omwenteling in het land, er ook bij gebaat waren. Maar zoals het vaker gaat met literatuur die volgt op een door de staat geleide literaire zuiveringsactie, is het merendeel eerder van antropologische dan van literaire waarde. Zoals Xie weeklaagt in zijn gedicht ‘Production, the Middle of Production, is Soaked by Production: ‘a floating country can’t pillow a broken dream’ (een dobberend land kan geen verloren droom dragen).

Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung
Arbeiders aan de lopende band in het Foxconn complex in Shenzhen, China. – © AP /Kin Cheung

De beroemdste arbeidsmigrantendichter van dit moment is de vierentwintigjarige Xu Lizhi, die in 2014 zelfmoord heeft gepleegd. Hij werkte in Foxconn City, de elektronische megafabriek in Shenzhen waar niet alleen onze Apple-producten worden gemaakt, maar waar in 2010 ook een record aantal zelfmoorden werd gepleegd, wat een nieuw licht wierp op de lugubere mythe van maatschappelijke kansen en sociale mobiliteit aan de lopende band: ‘Sterven is de enige manier om te bewijzen dat we hebben geleefd,’ schreef een blogger binnen de fabriek. (Foxconn heeft vervolgens netten opgehangen, niet om de wanhoop tegen te gaan, maar om het aantal sterfgevallen terug te dringen). Maar toen Xu vier jaar later van de zestiende verdieping van een gebouw sprong, nadat hij een groot deel van zijn werk online had gezet, was het niet zijn dood die de krant haalde, maar zijn talent als dichter.

In Time verscheen een artikel over het korte leven dat hij naast zijn werk had geleid, met als titel: ‘De dichter die is gestorven voor uw telefoon.’ In een Chinese talkshow verbaasde de presentator zich in al zijn naïviteit over de diepe gedachten van deze ongeschoolde arbeider. Xu gaf zijn ervaringen vorm in poëzie, en liet scherp zien hoe wij de mensen die de kleren maken die we dragen, of de telefoons die we gebruiken, haast hebben ontmenselijkt, zoals valt te lezen in de laatste regels van zijn gedicht ‘Terracotta Army on the Assembly Line’:

(…) deze arbeiders die geen verschil zien tussen dag en nacht
dragen
elektrostatische kleren
elektrostatische hoeden
elektrostatische schoenen
elektrostatische handschoenen
elektrostatische armbanden
staan allemaal klaar
wachten zwijgend hun orders af
wanneer de bel gaat
worden ze teruggestuurd naar de Qin

In 1956 waarschuwde Erich Fromm: ‘Het gevaar van het verleden was dat mensen slaven werden. Het gevaar van de toekomst zou weleens kunnen zijn dat mensen robots worden.’ De migrantenarbeiders in Xu’s poëtische universum staan voor de voetsoldaten van de oude Qin-dynastie én, als ze aan het werk zijn, voor de robots van de toekomst. Ze zijn uitgegroeid tot een ontmenselijkte, huiveringwekkend gesynchroniseerde belichaming van Fritz Langs ooit zo futuristische Metropolis.

Iron Moon

Deze maand zal de eerste vertaalde bundel van migrantenarbeiderspoëzie uitkomen, tegelijk met de documentaire, beide onder auspiciën van dichter en criticus Qin Xiaoyu. De bundel, knap vertaald door Eleanor Goodman, telt éénendertig werken van dichters (geselecteerd uit de meer dan honderd gedichten in de Chinese uitgave). Stuk voor stuk onweerlegbaar bewijs dat de mythe van de sociale mobiliteit onderuit is gehaald; men is zich bewust van het feit dat men wordt uitgebuit, is zich bewust van de economische drijfveren die de menselijke waarden onderuithalen. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de ervaringen van machteloosheid de fictie iets vernieuwends verleend, een intimiderende kracht en oprechtheid. De titel van de bundel luidt ook Iron Moon, een visuele metafoor ontleend aan een van de bekendste gedichten van Xu Lizhi:

Ik slikte een ijzeren maan
die een schroef werd genoemd

Ik slikte afvalwater van de fabriek en 
werkloosheidsformulieren
gebogen over machines is onze jeugd vroeg gestorven

Ik slikte arbeid, ik slikte armoede
slikte voetgangersbruggen, slikte dit sleetse bestaan

Ik kan niet meer slikken
alles wat ik heb geslikt roert zich in mijn keel

Ik verspreid over mijn land
een gedicht van schaamte

Gezien de prominente plaats die de maan inneemt binnen de Chinese poëzie – een beeld van eenzaamheid, romantiek, vriendschap –, betekent de verbinding met ijzer, aldus Goodman, ‘een frontale botsing van de traditionele Chinese cultuur met een explosief kapitalisme, van menselijkheid met mechanisatie, romantiek met een prozaïsche wereld – het wordt een amalgaam van extremen. En deze dichters gaan hier allemaal zeer bewust mee om.’ Ze gebruiken de poëzie, een van de meest gekoesterde en gerespecteerde vormen van klassieke kunst in China, om tegenwicht te bieden aan de realiteit van het moderne bestaan, die mensen ontmenselijkt.

Zheng Xiaoqiong, een van de beste dichters in deze verzameling, heeft haar eigen kenmerkende ‘esthetiek van ijzer’ ontwikkeld: een plooibare en haast grenzeloze metafoor om een leven te vangen dat meedogenloos hard en koud is. Na jaren in een metaalbewerkingsfabriek te hebben gewerkt en een machine te hebben bediend die gaten maakt, blijkt al uit de eerste zinnen van ‘Language’ hoe ze de fysieke en intellectuele symbiose van mens en metaal naadloos samenvoegt:

Ik spreek een scherp-gerande, geoliede taal
van gietijzer – de taal van stille arbeiders
een taal van vastgedraaide schroeven het krimpen en 
herinneren van metalen platen
een taal als eeltplekken sterk huilend ongelukkig
pijnlijk gretige taal terugslag van de bulderende machines beroepsziekten
taal van verloren vingers de oertaal van het leven op die duistere plek van werkeloosheid
tussen de klamme stalen spijlen deze treurige talen
……. ik spreek ze fluisterzacht

Het is een thema dat in de hele bundel terugkeert, zoals ook in ‘Demolitions Mark’, van Chen Nianxi, waarin hij schrijft: ‘Ik durf nauwelijks naar mijn leven te kijken / het is zwaar en metalig zwart / gekromd als een pikhouweel.’


Zoals er ook duidelijk sprake is van een tweedeling tussen de rijke, complexe beeldspraak in sommige gedichten en een uitgebeend gebruik van spreektaal in andere gedichten, is er ook een opvallend verschil in kwaliteit. Maar daarnaast zijn er fascinerende verbindende elementen: een nostalgie naar een leven dat niet is geleefd, de ontoereikendheid van taal (‘het is ondraaglijk om onze tranen en onze pijn te verwoorden in onze brieven… De onbeschreven plekken van vele jaren’, schrijft Xie), een verdriet om verloren lichaamsdelen en een afgeknotte jeugd: ‘Mijn beste jaren zijn opgeslokt door een machine’, voegt Xie eraan toe. ‘Ik zag die vijf jeugdige jaren weer tevoorschijn komen uit de / kont van het apparaat – in de vorm van elliptisch plastic speelgoed.’

Zoals het besef van tijd in Engeland volkomen is veranderd door de Industriële Revolutie, doordat arbeid niet langer was verbonden met de seizoenen, spreken deze dichters van verstoorde menstruatiecycli, het in elkaar overvloeien van dag en nacht en een gevoel van ontheemding, waarbij zowel stad als platteland onbewoonbaar zijn geworden (sommigen verwijzen naar zichzelf als een weerloze prooi, verminkt en niet in staat de reis terug naar huis te ondernemen). Ze zijn natuurlijk niet de enigen die zich druk maken om het spirituele vacuüm van de nietsontziende kapitalistische Chinese economie of de verwoestende gevolgen voor het milieu, maar wat hun eco-poëzie zo indringend maakt is dat ze niet schrijven vanaf een zekere afstand, maar vanaf de werkvloer zelf.

Ze maken hels lange dagen, hebben geen enkele zekerheid, drinken water uit rivieren terwijl ze zien dat er afvalstoffen en chemicaliën in worden gedumpt, ademen lucht in die is verontreinigd met giftige gassen. Ze lopen het risico te worden verwond door nietsontziende machines, die als een soort vampiers niet alleen hun jeugd verslinden, maar ook hun ledematen (in 2005 was er naar schatting sprake van zo’n veertigduizend afgehakte vingers in de economische zones van Zuid-China). En toch weten ze nog tijd te vinden naast hun veertienuursdiensten, en ruimte in hun overvolle slaapzalen, om te schrijven over hun leven en om hun gedichten te publiceren met behulp van een eenvoudige mobiele telefoon (van de vele fora waarvan ze gebruikmaken is de grootste de Worker’s Poetry Alliance). Dit unieke raakvlak van de Chinese industrialisatie en de toegankelijkheid van het internet creëert ongekende mogelijkheden voor de literatuur van de arbeidersklasse.

De gedichten zorgen ervoor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China

Natuurlijk is niemand jaloers op hun situatie. Zoals Goodman laat zien, hebben ze niet alleen te kampen met discriminatie omdat ze geen opleiding hebben genoten, ze worden ook geconfronteerd met een ‘diepgeworteld vooroordeel dat mensen zonder officiële scholing geen poëzie kunnen schrijven. Poëzie heeft altijd onderdeel uitgemaakt van het officiële onderwijsprogramma; het was onderdeel van de examens voor wie ambtenaar wilde worden. Wanneer je met Chinezen praat is men zich er altijd van bewust of iemand al dan niet culturele bagage heeft – in de ogen van de brede bevolking hebben deze arbeiders geen “culturele bagage”.’

Dit beeld speelt, al dan niet bewust, in alle lagen van de bevolking, zelfs voor de vader van Xu Lizhi, die nog altijd rouwt om zijn zoon die drie jaar terug is overleden. Hij heeft er weinig vertrouwen in dat poëzie de levens kan veranderen van de laagste klassen – in geestelijk noch economisch opzicht. ‘Als dit [zijn dood] niet was gebeurd,’ zegt hij in de documentaire, met tranen in zijn ogen, ‘zouden we nooit hebben geweten dat hij gedichten schreef. Maar ik geloof niet dat poëzie een toekomst heeft. Het kan niet tippen aan wetenschap en technologie. Poëzie was belangrijk ten tijde van de dynastieën, toen het deel uitmaakte van het examen voor de ambtenarij… je kon pas ambtenaar worden als je mooie gedichten kon schrijven. Maar de maatschappij is ingrijpend veranderd. Niet dat ik niet achter hem sta, maar als je tegenwoordig geen geld of macht hebt, is het leven zwaar.’

De meer ‘intellectuele’ schrijvers van de Chinese avant-garde, zoals Mo Yan, Su Tong, Yu Hua en Can Xue maken gebruik van een kafkaësk surrealisme of magisch realisme om netelige kwesties aan te snijden. Maar als je Iron Moon leest, wordt duidelijk hoe intiem en persoonlijk het werk van deze jongen migrantenschrijvers kan zijn. Hun microverhalen over mechanisatie, waarin ze zichzelf identificeren met een schroef, een spijker, een weggegooide steen, een stofatoom, klinken tezamen als een krachtig koor. Ze vormen een diepere en betekenisvollere schakel tussen het grootse verhaal van de economische voorspoed en de ongehoorde verhalen van de miljoenen die hun gezondheid, jeugd en geestelijk welzijn offeren voor ons genot.

Een van de meest vergevingsgezinde en optimistische arbeidsmigrantendichters is Wu Xia, met haar hartverscheurend ontwapenende zachtmoedigheid jegens diegenen die profiteren van haar arbeid:

ik wil de bandjes platdrukken
zodat ze niet in je schouders snijden
en dan strijken vanaf de taille omhoog
zo’n ranke taille
waar iemand een slanke hand kan leggen
en op de lommerrijke laan
een ingetogen liefde tonen
ik strijk de jurk glad
maak alle plooien even breed
zodat jij aan het meer of in het gras kunt zitten
wachtend op een briesje
als een bloem

Alleen al het schrijven van deze gedichten is een manier om het eigen bestaan te bevestigen, een manier voor mensen die zelf geen stem hebben om de vervreemding tegen te gaan die ze voelen van elkaar, van hun werk, van de producten die ze maken, en een manier om iets van hun eigen waardigheid te herwinnen. De gedichten zorgen er ook voor dat wij niet langer gemakzuchtig met een opgeheven vingertje beginnen over de mensenrechtensituatie in China, maar dat we gaan nadenken over de rol die wij, zonder daar ook maar even bij stil te staan, spelen in de erbarmelijke situatie van deze arbeiders. Hun welbespraakte toewijding aan de poëzie biedt ons een andere manier om te begrijpen wat de prijs is van het werk in deze sweatshops, en dan niet in kille, gevoelloze termen van economische waarde.

Auteur: Megan Walsh

The Literary Hub
Verenigde Staten | lithub.com

The Literary Hub is een Amerikaanse website over (Engelstalige) boeken, opgezet in 2015 vanuit de uitgeverswereld met als achterliggende gedachte dat kranten en niet-gespecialiseerde tijdschriften steeds minder aandacht besteden aan literatuur. De site is een initiatief van de onafankelijke (ander woord voor kleine) uitgever Morgan Entrekin van Grove Atlantic in New York en de non-profitwebsite Electric Literature. LitHub werkt samen met ‘partners’: anno 2017 hebben vrijwel alle grote Engelstalige uitgeverijen, van Knopf tot Penguin Press, naast de kleinere branchegenoten die status verworven. The Literary Hub wordt dus op de been gehouden door de uitgeverswereld zelf. Of zoals Andy Hunter, de oprichter van Electric Literature zegt; ‘Lit Hub ondersteunt het hele ecosysteem dat literatuur nodig heeft om te bloeien, van auteurs tot uitgevers klein en groot, tot boekwinkels en lezers. Onze culturele conversatie voeren we in deze tijd online, en de literaire cultuur behoort daar een belangrijke rol in te spelen.’


Deel dit artikel


Recent verschenen