de ineenstorting van libie


Sinds de dood van kolonel Gaddafi regeert de chaos in Libië. Het land is uiteengevallen in verschillende staatjes die met elkaar in oorlog zijn. Een van de weinigen die de militaire impasse lijkt te kunnen doorbreken, is generaal en voormalig CIA-agent Khalifa Haftar.

Begin vorig jaar verliet generaal Khalifa Haftar Virginia, waar hij twintig jaar heeft gewoond en enige tijd voor de CIA heeft gewerkt. Hij keerde terug naar Tripoli, waar hij voor de zoveelste keer de wapens opnam in de strijd om de macht in Libië.

Haftar is een vriendelijk ogende man van begin zeventig die aan de zijde van bijna elke Libische factie van enig belang heeft gevochten. Dat heeft hem de reputatie opgeleverd van iemand met ongekende militaire ervaring en uiterst flexibele opvattingen over loyaliteit. Zijn militaire hoofdkwartier bevindt zich in de Groene Bergen, de traditionele schuilplaats voor opstandelingen in Libië. Het is een oude luchtmachtbasis, omringd door akkers met rode aarde en boomgaarden vol olijfbomen en hazelaars.

In een offensief dat hij Operatie Waardigheid doopte, heeft hij met zijn zelfbenoemde Nationale Leger een groot deel van de oostelijke helft van het land veroverd. De rest, waaronder Tripoli, is in handen van de Dageraad van Libië, een brede coalitie van verschillende milities die vaak tactische allianties sluiten met moslimextremisten. Generaal Haftar wil bereiken wat Sisi in Egypte heeft gedaan: de extremisten verslaan en het land vrede en stabiliteit brengen, opgelegd door zijn leger.

Gepensioneerde leraar

Toen ik deze winter een bezoek bracht aan Haftars hoofdkwartier, zag ik een gevechtshelikopter van Russische makelij en werd ik begroet door een groep strijders die munitie stonden uit te laden. De basis verkeert in constante staat van paraatheid. Haftar staat boven aan de dodenlijst van Dageraad van Libië. Vorig jaar juni werd bij zijn huis in Benghazi een zelfmoordaanslag gepleegd met een jeep vol explosieven. Vier bewakers kwamen om, Haftar zelf ontsprong de dans. Sindsdien wordt hij zwaar beveiligd. Bezoekers moeten hun wapens inleveren en worden door zijn soldaten gefouilleerd. Een paar maanden geleden wilde blijkbaar iemand een aanslag plegen met een bom die in een telefoon was verstopt, dus zijn beveiligers nemen nu ook alle telefoons in beslag.

Haftar ontving me in een keurige werkkamer met een beige bankstel en bijpassend vloerkleed. Met zijn ouderwetse soldatensnor en zijn onberispelijke kaki-uniform lijkt hij meer op een gepensioneerd leraar dan op de door Amerika gesteunde tiran die zijn vijanden beschrijven. Bedaard legde hij uit waarom hij de strijd weer had opgepakt. Na zijn deelname aan de opstand tegen Gaddafi in 2011 probeerde hij een positie te verwerven in het nieuwe politieke bestel van Libië. Toen dat niet lukte, ging hij een poosje terug naar Virginia ‘om bij mijn kleinkinderen te kunnen zijn’. Daar zag hij toe hoe een reeks zwakke regeringen de greep op het land verloren en de milities steeds machtiger werden.

Afgelopen zomer probeerden moslimextremisten Benghazi in handen te krijgen. In een nietsontziende moordcampagne, bedoeld om de laatste resten van het maatschappelijk bestel weg te vagen, werden 270 advocaten, rechters, activisten, officieren en politiemensen omgebracht, onder wie verschillende oude vrienden en collega’s van Haftar. ‘Er was geen ordehandhaving meer, geen bescherming,’ zei hij. ‘De mensen durfden ’s avonds de deur niet meer uit. Ik vond het schokkend. Hadden we onszelf eindelijk verlost van het bewind van Gaddafi, kregen we dit.’

Haftar zocht contact met wat er nog over was van het Libische leger en burgerlijke instanties, met etnische stammen en met mensen in Tripoli. ‘Iedereen zei hetzelfde,’ vertelde hij: ‘“Iemand moet ons redden. Waar blijf je?” Ik heb gezegd: Als ik de steun van het volk heb, dan kom ik. Toen er in heel Libië demonstraties plaatsvonden waarin mensen mij om hulp vroegen, wist ik dat er een levensgevaarlijke taak op me af kwam, maar ik heb die taak aanvaard.’

Generaal Khalifa Haftar tijdens een persconferentie in Abyar in 2014. – © Esam Omran Al-Fetori / Reuters
Generaal Khalifa Haftar tijdens een persconferentie in Abyar in 2014. – © Esam Omran Al-Fetori / Reuters

Eigendunk en fatalisme

Zoals veel zelfbenoemde verlossers sprak hij met een mengeling van eigendunk en fatalisme. Maar zijn verleden is minder rechtlijnig dan hij voorgeeft. In 1969 was hij een van de jonge cadetten die deelnamen aan Gaddafi’s coup tegen de Libische koning, en hij groeide uit tot een van diens topmilitairen. ‘Hij was een zoon voor me,’ zei Gaddafi ooit in een interview, ‘en ik was zijn spiritueel vader.’

Toen Libië met Tsjaad oorlog voerde om een strategisch grensgebied, stelde Gaddafi in 1987 Haftar als bevelhebber aan. In die zogenaamde Toyota-oorlog, genoemd naar de terreinwagens waarin de soldaten uit Tsjaad door de woestijn crossten, werd Haftars legerbasis al snel onder de voet gelopen. Duizenden Libische militairen sneuvelden en Haftar en vierhonderd van zijn mannen werden krijgsgevangen gemaakt. Toen Gaddafi zich publiekelijk van hen distantieerde, was Haftar woedend en riep zijn mannen op tot een coup. In 1988 sloot hij zich aan bij het Nationaal Front voor de Redding van Libië, een vanuit Tsjaad opererende en door de CIA gesteunde oppositiegroep. Kort daarna kwam hij vrij.

Haftars werk in Tsjaad bracht hem geen glorie. Zijn vijanden wijzen er graag op dat de Libische strijdkrachten door Tsjaad van het gebruik van napalm en gifgas werden beschuldigd. En twee van Haftars medegevangenen vertelden later dat militairen werden achtergelaten in de cel als ze niet wilden meedoen aan zijn coup tegen Gaddafi. Als bevelhebber van het Nationaal Front voor de Redding van Libië bereidde hij een invasie in Libië voor, maar Gaddafi was hem te slim af door een staatsgreep in Tsjaad te steunen. Haftar en driehonderdvijftig van zijn manschappen moesten door de CIA per vliegtuig naar Zaïre worden geëvacueerd, en van daaruit uiteindelijk naar de VS. Haftar kreeg de Amerikaanse nationaliteit en bleef twintig jaar in de VS wonen.

Een lid van het Libische regeringsleger op een tank bij de Central Bank in Benghazi, 21 januari 2015. – © Esam Omran Al-Fetori / Reuters
Een lid van het Libische regeringsleger op een tank bij de Central Bank in Benghazi, 21 januari 2015. – © Esam Omran Al-Fetori / Reuters

Hij bleef nog een tijdje actief voor de CIA en werkte mee aan de vergeefse pogingen van het Nationaal Front om Gaddafi omver te werpen. Bij een van die pogingen werden enkele van de samenzweerders in Libië opgepakt en geëxecuteerd. Volgens Ashur Shamis, een voormalig leider van het Nationaal Front, leidde Haftar een comfortabel leventje in Virginia en wist niemand hoe hij aan geld kwam. Maar hij keerde niet terug naar Libië, bang dat hij daar zou worden terechtgesteld.

Na de Amerikaanse inval in Irak in 2003 werd Gaddafi, lange tijd een van Amerika’s felste vijanden, ineens veel toeschietelijker en beloofde spontaan een eind te maken aan zijn kernwapenprogramma. De CIA had de banden met Haftar inmiddels verbroken, en toen hij in maart 2011 naar Libië terugkeerde, was hij op zichzelf aangewezen. Toch bleven zijn vijanden hem een CIA-spion noemen, een verrader en moordenaar die een tweede Gaddafi probeerde te worden.

Chaos

Een chaotischer land dan het Libië van na Gaddafi is nauwelijks denkbaar. Twee regeringen bestrijden elkaars legitimiteit. Gewapende milities maken de straten onveilig. De elektriciteit valt geregeld uit en de handel ligt praktisch stil. De oliebaten, een van de grootste inkomstenbronnen van het land, zijn met meer dan 90 procent gedaald. De gevechten hebben het afgelopen jaar zo’n drieduizend levens gekost en bijna een derde van de bevolking is naar Tunesië gevlucht. De val van een tiran – bespoedigd door luchtaanvallen van de NAVO – heeft geresulteerd in de tirannie van een wijdverbreide en gevaarlijke instabiliteit.

Het oosten van het land was de logische plek om zijn offensief te beginnen, vertelde Haftar: ‘Benghazi was het belangrijkste terroristenbolwerk in Libië, dus daar zijn we begonnen.’ Volgens een oude Libische wijsheid gebeurt alles altijd in Benghazi. Het was de stad waar Mussolini in 1937 heen ging om de Italiaanse koloniale macht te onderstrepen. Vanuit deze stad riep de net gekroonde koning Idris I in 1951 in een radiotoespraak de Libische onafhankelijkheid uit. En toen Gaddafi zijn coup tegen de koning pleegde, was hij als jonge officier gelegerd in Benghazi. In februari 2011 was het ook die stad waar de volksopstand tegen zijn bewind uitbrak en in de maand daarna moest het Westen ingrijpen om er een bloedbad onder de opstandelingen en de burgerbevolking te voorkomen.

Die internationale interventie, die de uitkomst van het conflict in Libië mede heeft bepaald, begon heel aarzelend. Hoewel Gaddafi de opstand met harde hand neersloeg en zwoer dat hij ‘heel Libië huis voor huis zou schoonvegen’, wilde Obama zich liever niet in het conflict mengen en twijfelden zijn adviseurs zelfs of het verstandig was Gaddafi ten val te brengen. Maar de Europese bondgenoten, met name de Britten en de Fransen, waren al zeker van hun zaak.

Een jood aan hun kant

In maart 2011 bracht de Franse filosoof Bernard-Henri Lévy een bezoek aan Benghazi. Hij had veel contacten op het hoogste niveau en maakte zich sterk voor hulp aan de rebellen. Laatst vroeg ik Lévy in Parijs waarom hij zich zo voor Libië had ingezet. ‘Waarom? Ik weet het niet!’ zei hij. ‘Je had natuurlijk de mensenrechten en het bloedbad dat voorkomen moest worden en bla bla bla… Maar ik wilde ze ook een jood laten zien die het opnam voor de bevrijders, tegen de dictatuur, ik wilde verbondenheid tonen. Ik wilde de moslims laten zien dat een Fransman, een westerling, een jood, aan hun kant kan staan.’

Volgens Lévy heeft hij na zijn bezoek aan Benghazi tegen president Sarkozy gezegd dat een humanitaire interventie niet volstond. ‘Het doel moest echt zijn om Gaddafi ten val te brengen,’ vertelde hij me. Sarkozy was het daarmee eens en Lévy werd zijn gezant. Hij ging met een Libische oppositieleider naar minister Clinton om de Amerikanen om hulp te vragen. ‘Het was moeilijk om de Amerikanen zover te krijgen,’ zei hij. ‘Robert Gates was faliekant tegen. Obama twijfelde, zoals gewoonlijk. Maar Hillary snapte het.’

Aan het eind van die maand, toen Gaddafi een legerkonvooi op de rebellen in Benghazi had afgestuurd, begonnen Franse vliegtuigen met bombarderen. Groot-Brittannië en Amerika volgden, in een gezamenlijke operatie waarin de VS de eigen rol omschreef als ‘leading from behind’. Vanaf oorlogsschepen in de Middellandse Zee lanceerden de VS een vernietigende aanval met 112 Tomahawk-raketten, maar binnen enkele dagen liet Gates weten dat de Fransen en de Britten de leiding hadden. Zeven maanden lang bleef de coalitie aanvallen uitvoeren, met een relatief kleine rol voor de Amerikaanse strijdkrachten. Lévy is achteraf tevreden over de interventie. ‘Wat mij betreft heeft de NAVO gedaan wat ze moest doen.’

Portret van Khalifa Haftar tijdens een demonstratie tegen militante islamisten in 2014. – © Esam Omran Al-Fetori / Reuters
Portret van Khalifa Haftar tijdens een demonstratie tegen militante islamisten in 2014. – © Esam Omran Al-Fetori / Reuters

Cruciaal incident

Op 11 september 2012 was het wederom Benghazi waar een cruciaal incident plaatsvond: een bende extremisten stak het gebouw van het Amerikaanse consulaat in brand en viel een bijgebouw aan. De Amerikaanse ambassadeur Christopher Stevens en drie andere Amerikanen kwamen daarbij om. Het leidde in de VS tot een verhit debat over de omstandigheden rond Stevens’ dood. Volgens Obama’s politieke tegenstanders was de ambassade onvoldoende beveiligd en probeerde hij de zaak in de doofpot te stoppen. De VS bouwde zijn diplomatieke aanwezigheid af en staakte in feite iedere bemoeienis met de internationale steun aan de wederopbouw en het democratiseringsproces.

‘Dankzij de dood van Chris Stevens konden de terroristen hun macht uitbreiden,’ zei een hoge functionaris in de regering tegen me. ‘De foute krachten probeerden het Westen uit het land te verdrijven, en daar zijn ze in geslaagd. Omdat die aanslag in Amerika een politiek beladen thema werd, wilde de regering koste wat kost voorkomen dat er nog meer slachtoffers vielen, en dat heeft onze invloed en aanwezigheid in het land beperkt.’ Volgens een hoge ambtenaar werden de Amerikaanse pogingen om de ontwikkelingen in Libië te beïnvloeden ‘lamgelegd’ door de dood van Stevens. ‘We hadden bijvoorbeeld een trainingsprogramma voor piloten,’ zei hij. ‘En ineens werden we beschuldigd van steun aan terrorisme.’ De manier waarop Libië door het Westen in de steek is gelaten, vindt Lévy regelrecht immoreel. ‘Na wat wij, Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS, in Libië hebben gedaan, zijn we dat land ook iets verplicht,’ zegt hij. ‘Het zou een ramp zijn als Libië er niet bovenop komt.’

Het was vanaf het begin duidelijk dat de milities een groot probleem zouden vormen

De afbrokkeling van de Libische staat begon in zekere zin al zodra het land zich ‘bevrijd’ wist. Op 20 oktober 2011, na negen maanden strijd, werd Gaddafi in een rioolpijp in de havenstad Misrata gevonden en ter plekke vermoord door een bende thuwar, geharde militiestrijders. Zijn verminkte lichaam werd daarna enkele dagen opgebaard in een koelcel, waar duizenden burgers het kwamen bekijken en fotograferen. In de tuin van een hotel in Sirte werden 66 van Gaddafi’s vertrouwelingen afgeslacht door een andere groep militieleden uit Misrata, die eerst hadden gefilmd hoe ze hun gevangenen martelden.

Het was vanaf het begin duidelijk geweest dat de milities in het Libië van na Gaddafi een groot probleem zouden vormen. De opstandelingen vormden een inderhaast gesmeed gelegenheidsverbond van heel verschillende groeperingen: sommige waren westers georiënteerd, andere droomden van een nieuw kalifaat. Terwijl westerse regeringen nog beraadslaagden over hoeveel steun de rebellen moesten krijgen, toonden jihadstrijders uit de oostelijke stad Derna hun kracht op het slagveld. In juli 2011 werd de commandant van de coalitie, generaal Abdel Fattah Younes, ontvoerd en vermoord: waarschijnlijk een wraakactie van de radicale moslims die hij onder Gaddafi als minister van Binnenlandse Zaken had vervolgd.

Toen Gaddafi eind augustus Tripoli was ontvlucht, werd de stad belaagd door twee milities: één uit Zintan in het westen, de andere uit Misrata. Om Gaddafi ten val te brengen hadden ze samengewerkt, maar nu bevochten ze elkaar om de belangrijkste posities in Tripoli. De militie uit Misrata plunderde Gaddafi’s goedgevulde wapenarsenalen en maakte honderden Russische tanks buit. De militie uit Zintan kreeg de internationale luchthaven in handen. En verschillende andere moslimgroepen veroverden ook een plek in de stad.

Overvloed aan gewapende mannen

De overvloed aan jonge gewapende mannen verontrustte Rory Stewart, een Britse parlementariër die in Libië informatie verzamelde voor het Lagerhuis. Ik was destijds ook in Libië en Stewart liep een aantal dagen met me mee in Tripoli. Na een aanvaring met gewapende mannen bij een wegafzetting zei hij: ‘Wat ik me nou afvraag: wie gaat deze milities straks ontwapenen?’ En nog belangrijker, voegde hij eraan toe: wie zou ervoor zorgen dat Libië weer werd opgebouwd en dat er banen kwamen voor al die gewapende jonge mannen?

In maart 2012 ging Stewart weer in Libië kijken en constateerde dat de NAVO weinig hulp bood. ‘Op het ministerie van Binnenlandse Zaken was één enkele Britse politieman gedetacheerd. Dat was het hele Britse ontwapenings- en demobilisatieprogramma!’ zei hij. ‘In het Libische parlement werd gezegd: Waar zijn jullie plannen voor na de interventie? Maar zelf dacht ik destijds ook vooral aan hoe zwaar we ons hadden vertild aan de natievorming in Irak.’ De westerse mogendheden leken te kiezen voor een bescheidener doelstelling. Zoals Stewart het formuleerde: ‘Je regelt een VN-resolutie, je wipt Gaddafi uit het zadel, je stuurt geen soldaten het land in, je zorgt dat regionale spelers als Turkije en Qatar vette cheques uitschrijven, en dan doe je een stapje achteruit en kijkt hoe het gaat. Je beseft wel dat er risico’s aan kleven, maar niemand had gedacht dat het zo erg zou worden.’

Herdenkingsdienst voor de Amerikaanse ambassadeur Christopher Stevens, die werd vermoord in Libië.
Herdenkingsdienst voor de Amerikaanse ambassadeur Christopher Stevens, die werd vermoord in Libië.

Verkiezingen

Het land probeerde overeind te krabbelen en er waren ook hoopvolle tekenen. In juli 2012 konden de Libiërs voor het eerst in zestig jaar weer zelf een parlement kiezen: het Algemeen Nationaal Congres. Een brede coalitie van liberale en centrumpartijen won meer zetels dan de kandidaten van de Moslimbroederschap, die na de val van Gaddafi was opgeveerd. De nieuwe premier Ali Zeidan was een mensenrechtenadvocaat.

Maar met de verkiezingen was de macht van de milities nog niet gebroken. De macht van de tienduizenden thuwar werd zelfs groter. In plaats van te proberen de strijders te ontwapenen en banen voor hen te creëren, zette de overheid ze op de loonlijst. Zoals Frederic Wehrey, de Libië-kenner van de denktank Carnegie Endowment for International Peace, me vertelde: ‘Waarschijnlijk heeft hooguit een derde van de militieleden daadwerkelijk in de burgeroorlog meegevochten. Het probleem is: toen de overheid hen begon te financieren, kwamen er steeds meer bij. Nergens werd iets bijgehouden, dus mensen aten van twee of drie walletjes.’

Het aantal aanslagen op westerlingen vertoonde een onrustbarende stijging. In januari 2013 werd de auto van een Italiaanse diplomaat onder vuur genomen, al bleef hij ongedeerd. In april van dat jaar werd de Franse ambassade in Tripoli zwaar beschadigd door een autobom. De aanslag werd opgeëist door Al-Qaida in de Islamitische Maghreb.

De islamisten hadden de verkiezingen verloren, maar vonden toch een manier om macht uit te oefenen. In mei 2013 drongen ze in het parlement aan op een verbod op het bekleden van een openbaar ambt voor praktisch iedereen die onder Gaddafi een hoge functie had uitgeoefend. Terwijl het Nationaal Congres erover stemde, werden ministeries bestormd door gewapende militieleden die eisten dat de wet werd aangenomen. Het verbod resulteerde in de uitschakeling van enkele van de belangrijkste rivalen van de islamisten, voornamelijk politiek gematigde figuren en technocraten die in de nadagen van Gaddafi bestuurlijke posten hadden bekleed. Zelfs de voorzitter van het Nationaal Congres moest aftreden. In december 2013 besloot het Nationaal Congres dat alle wetgeving gebaseerd zou worden op de sharia, en verlengde het zijn eigen mandaat met een jaar.

De Libiërs leren langzamerhand met geweld te leven

Haftar zag met groeiende woede hoe zijn land afgleed. Op 14 februari 2014 kondigde hij op televisie aan dat hij het parlement ontbond en een ‘presidentieel comité’ en kabinet instelde dat het landsbestuur zou overnemen tot er verkiezingen konden worden gehouden. Het had alle trekken van een staatsgreep, al had Haftar geen middelen om iets af te dwingen en werd hij bespot om zijn hoogmoed. Premier Zeidan noemde het ‘belachelijk’.

Maar Haftar had wel degelijk een strategie. Hij hield een hele reeks openbare bijeenkomsten in het land en bouwde ondertussen in het geheim aan een leger, met steun van oude kameraden uit de krijgsmacht. In mei lanceerde hij Operatie Waardigheid, zijn offensief tegen de radicaal-islamitische milities in Benghazi, om in Libië de ‘extremistische terreurgroepen te elimineren’. Kort daarna bezetten zijn troepen het parlementsgebouw in Tripoli.

Veel Libiërs juichten Haftars offensief toe, teleurgesteld als ze waren door het Nationaal Congres en de toename van het geweld. Rond die tijd besloot het Congres ook dat er een nieuw wetgevend orgaan moest komen, het Huis van Afgevaardigden. Bij de verkiezingen in juni deden de islamitische kandidaten het heel slecht. Maar nog voordat het nieuwe parlement kon aantreden, probeerden de islamisten met behulp van milities uit Misrata de internationale luchthaven van Tripoli in handen te krijgen. De luchthaven en anderhalf miljard dollar aan vliegtuigen werden verwoest en circa honderd strijders kwamen om. Tripoli was een slagveld en de VS besloten zich helemaal uit Libië terug te trekken. Zij verplaatsten hun ambassade naar Malta.

No-gozones

De Libiërs leren langzamerhand met het geweld te leven. Een jonge zakenman uit Tripoli, die hier alleen Mohammed genoemd wil worden, vertelde me dat hij afgelopen juli per telefoon werd gewaarschuwd dat er een gevecht tussen twee milities was uitgebroken op de route naar het vliegveld. ‘Mijn partner was die ochtend onderweg naar ons kantoor en werd teruggestuurd,’ zei hij. Toch reed Mohammed daarna zelf naar kantoor. Het loon van zijn werknemers lag daar in de kluis en dat wilde hij weghalen voordat het gebouw werd verwoest of geplunderd. ‘De kogels vlogen letterlijk over ons hoofd,’ zei hij. Het lukte hem om met het geld de stad uit te komen, met behulp van een document dat hij van een hooggeplaatste vriend had gekregen. ‘Overal langs de weg naar het vliegveld waren no-gozones waar gevochten werd en beide partijen plunderden huizen.’

Bij de gevechten in Tripoli begonnen zich twee kampen af te tekenen. Haftars tegenstander, de Dageraad van Libië, is een ongemakkelijk verbond van voormalige Al-Qaida-strijders die al in de jaren negentig tegen Gaddafi streden, Berber-milities, leden van de Libische tak van de Moslimbroederschap, en een netwerk van conservatieve handelaren uit Misrata. De strijders van die laatsten vormen de grootste groep binnen de coalitie. Haftars leger bestaat voornamelijk uit voormalige militairen van Gaddafi en federalisten die grotere autonomie van de oostelijke regio Cyrenaica nastreven, aangevuld met stammen uit het westen en zuiden van het land.

Vorig jaar augustus kreeg de Dageraad van Libië de controle over Tripoli, en sindsdien valt het land in feite in twee delen uiteen: oost en west. De islamisten, die in het nieuw opgerichte Huis van Afgevaardigden geen macht meer hadden, beschouwden het Nationaal Congres als de enige legitieme regering. Het Huis van Afgevaardigden vestigde zich in Tobruk, 1200 kilometer oostwaarts van Tripoli. Daar riep het zichzelf uit tot de ‘echte regering’ van het steeds instabielere land – en vestigde zich enige tijd op een Griekse veerboot die daar aan de kade lag. De VN en het grootste deel van de internationale gemeenschap erkennen het Huis van Afgevaardigden, maar het Libische Hooggerechtshof bepaalde dat de wetgevende macht nog steeds bij het Nationaal Congres berust. De Libische staat is in feite volledig ingestort en het land is uiteengevallen in een aantal stadsstaatjes die met elkaar in oorlog zijn.

Gaddafi hield wel van pracht en praal, maar verder hecht het moderne Libië geen enkele waarde aan esthetiek

Naarmate de impasse zich verdiept, mengen ook de buurlanden zich steeds meer in het conflict. Haftars leger zou wapens en geld krijgen van de fel tegen de islamisten gekante Sisi in Egypte, van Saoedi-Arabië en van de Verenigde Arabische Emiraten. (De Emiraten en Egypte voeren zelfs in het geheim bombardementen uit voor Haftar, wat hun op een ongebruikelijke publiekelijke schrobbering van de Amerikaanse regering kwam te staan.) De Dageraad van Libië weet zich gesteund door Qatar en Turkije, die de Moslimbroederschap steunen. Zo wordt Libië stilaan het slagveld waar die mogendheden hun onderlinge strijd uitvechten.

De regionale gevolgen van de ineenstorting van de Libische staat zijn enorm. In het zuiden kan men ongehinderd de grens oversteken naar Algerije, Niger, Tsjaad en Soedan. De woestijn wordt daar vrijelijk doorkruist door een keur aan gewapende bendes in terreinwagens: van mensensmokkelaars tot leden van Al-Qaida van de Islamitische Maghreb. Enorme aantallen migranten worden via Libië naar Europa gesmokkeld: voornamelijk Afrikanen, maar ook vluchtelingen uit het Midden-Oosten. In de Middellandse Zee worden ze in overvolle bootjes naar Italië gestuurd. Als ze geluk hebben, worden ze opgepikt door de kustwacht of een passerend vrachtschip. Het aantal migranten dat op die manier Italië bereikte, steeg vorig jaar tot 170.000. Er zijn naar schatting meer dan drieduizend migranten op zee verdronken. En begin februari van dit jaar kwamen er weer driehonderd om.

Libië heeft lang in een isolement verkeerd en de revolutie heeft daar weinig aan veranderd. Sinds juli vorig jaar had Tripoli nog maar één functionerend vliegveld, de voormalige Amerikaanse luchtmachtbasis Mitiga, die in 1970 aan Gaddafi was toegevallen. Na een aanval van Haftars bommenwerpers waren ook vanaf dit vliegveld een tijdlang geen vluchten mogelijk.

Overal behalve Libië

Libië heeft lang in een isolement verkeerd en de revolutie heeft daar weinig aan veranderd. Sinds juli vorig jaar had Tripoli nog maar één functionerend vliegveld, de voormalige Amerikaanse luchtmachtbasis Mitiga, die in 1970 aan Gaddafi was toegevallen. Na een aanval van Haftars bommenwerpers waren ook vanaf dit vliegveld een tijdlang geen vluchten mogelijk.

Veel van de jonge Libiërs die ik tijdens de revolutie sprak, zitten nu in Tunesië, Egypte, Bulgarije, Londen – overal behalve Libië. De Libiërs die uit hun ballingschap waren teruggekomen om te helpen hun land op te bouwen, zijn bijna allemaal weer vertrokken. De mensen die blijven, blijven alleen omdat ze niet weg kunnen, en ze wagen zich liever niet te ver van huis. Er is buitenshuis ook weinig te doen. Veel winkels zijn overdag gesloten en doen alleen na het avondgebed de deuren een paar uur open. Op straat is geen vrouw te zien. Af en toe hoor je geweerschoten en explosies, en je hebt geen idee of er iemand beschoten wordt of dat iemand op het dak zijn vuurwapen aan het schoonmaken is. Niemand die het zich afvraagt. De Libiërs zijn aan oorlog gewend geraakt en na tientallen jaren in een politiestaat hebben ze geleerd om geen vragen te stellen bij geweld.

Gaddafi hield wel van pracht en praal, maar verder hecht het moderne Libië geen enkele waarde aan esthetiek. Nieuwe huizen worden opgetrokken uit betonblokken en worden niet eens geverfd. Vuilnis wordt gewoon op straat gedumpt. De opstandelingen hebben Gaddafi’s paleis met de grond gelijk gemaakt en veel symbolen van zijn regime kapotgeslagen, en de extremisten verwoesten de rest. In Tripoli stond een standbeeld van een blote vrouw die een gazelle streelt. Extremisten hebben een gat in haar buik geschoten en het beeld weggesleept. Bij de Grieks-Romeinse ruïnes van Cyrene zijn bijna alle beelden van goden verminkt. Onder een gevandaliseerde strook bas-reliëf was een Arabische tekst gespoten: ‘Vernietig de stenen afgoden. Geen restauratie.’

De Moslimbroederschap en de leiders in Misrata hebben hun afschuw uitgesproken over de jihadistische wandaden, maar een groot en groeiend extremistisch element blijft actief op het strijdtoneel. De strijd om Benghazi tussen Haftars soldaten en de moslimextremisten verwoest de stad en levert een constante stroom slachtoffers op. Haftar zegt dat hij het grootste deel van de stad in handen heeft, maar dat sluipschutters zijn opmars vertragen. De grootste vijand is Ansar al-Sharia, de groep die achter de dood van Stevens zou zitten, en volgens velen ook achter de verwoestende moordcampagne onder de bestuurlijke elite van Benghazi. Hun leider Mohamed al-Zahawi raakte gewond in de strijd en is eind januari aan zijn verwondingen bezweken, maar zijn strijders vechten door.

“Met terroristen gaan we niet praten,” zei Haftar

Na de val van Gaddafi zijn honderden strijders uit Derna, een stad die al lang met moslimextremisme wordt geassocieerd, naar Syrië afgereisd om mee te vechten tegen Assad. Velen van hen vochten mee met Jabhat al-Nusra, de Syrische tak van Al-Qaida, en sommigen hebben zich aangesloten bij IS. De laatste maanden schijnt een flink aantal van hen te zijn teruggekeerd om het op te nemen tegen de strijdkrachten van Haftar. In oktober verklaarde een jihadistische groep in Derna zich trouw aan IS, en een paar maanden later eiste een andere IS-eenheid de verantwoordelijkheid op voor de executie van een tiental Libische soldaten. Eind januari werd het Corinthia, een vijfsterrenhotel in het hart van Tripoli, op klaarlichte dag aangevallen door een andere groep gewapende IS-leden, die minstens acht mensen doodschoten. Enkele weken later bezette IS een dorp bij de kustplaats Bin Jawad.

Zodra hij Benghazi heeft veroverd, wil Haftar de extremisten van Derna aanpakken. ‘We zullen al onze middelen inzetten om ze uit te roeien,’ verzekerde hij me. Met zijn kleine luchtmacht heeft Haftar een voorsprong op de Dageraad van Libië, dat slechts over een of twee vliegtuigen beschikt. Om de zoveel dagen voeren zijn antieke MiGs luchtaanvallen uit boven Benghazi of verder weg, in Ajdabiya, Misrata, Sirte en Tripoli.

Haftar zei dat hij van plan was om op te rukken naar Tripoli en Misrata, en de mogelijkheid dat dit op een bloedbad zou uitlopen wuifde hij weg. ‘Tripoli zal snel vallen, want de mensen zullen in opstand komen en we hebben al strijdkrachten binnen de stad,’ zei hij.

‘En dialoog?’ vroeg ik.

‘Met terroristen gaan we niet praten,’ zei Haftar. ‘Over terrorisme valt maar één ding te zeggen: dat we het zullen bestrijden tot het is verslagen en het land van terroristen is gezuiverd.’

Amerikaanse interventie

Haftars ijzerenheinige tactiek zit Washington niet lekker. Mijn hooggeplaatste zegsman was er heel stellig over: ‘De Amerikaanse regering heeft geen banden met generaal Khalifa Haftar. Haftar vermoordt mensen. Hij zegt dat hij het op terroristen gemunt heeft, maar zijn definitie is veel te breed. Haftar speelt voor eigen rechter en het logische gevolg daarvan is dat hij zijn tegenstanders in elkaars armen drijft.’ Hij verstevigt dus de banden tussen de extremisten en de gematigder partijen binnen de Dageraad van Libië. ‘Het is bijna alsof één deel van Libië, dat van Haftar, in handen is van het Witte Leger, en het andere in die van de bolsjewieken.’

Benjamin Rhodes, adjunct van de Nationale Veiligheidsadviseur en een vertrouweling van Obama, erkent dat Libië er slecht voorstaat. ‘Het is lastig om de technocraten en de mannen met wapens op één lijn te krijgen,’ zei hij. ‘De eerste opgave is om ze rond de tafel te krijgen, zodat we ze hulp kunnen bieden. Dat doen we via een VN-initiatief en een beetje stille diplomatie.’ Hij zei dat er ook af en toe militaire operaties plaatsvinden. Afgelopen juni hebben de speciale troepen van Delta Force Ahmed Abu Khattala opgepakt, een lid van Ansar al-Sharia dat verdacht wordt van het beramen van de aanval op de ambassade waarbij Chris Stevens omkwam. Hij zit nu in de VS in de cel in afwachting van zijn berechting. ‘Wat je eigenlijk wil, is de Libiërs naar het punt helpen dat ze in staat zijn zelf datgene te bereiken waar hun revolutie eigenlijk om begonnen was,’ zei Rhodes. ‘Maar dat gaat waarschijnlijk niet lukken op de termijn die Washington zou willen.’

Rhodes hoort bij het rijtje adviseurs, onder wie Clinton, Susan Rice en Samantha Power, die Obama overhaalden om mee te doen aan de militaire interventie. Ondanks de chaos waarin het land nu verkeert, staat hij nog steeds achter die beslissing. ‘We hebben veel levens gered, in Benghazi en de rest van het land,’ zei hij. ‘Als Gaddafi Benghazi was binnengevallen, denk ik dat Libië nu meer op Syrië zou lijken.’ En bovendien, vervolgde hij: ‘Wat hebben wij nou verkeerd gedaan? De president zal zelf ook toegeven dat het extreem moeilijk is om het machtsvacuüm in Libië te vullen. We wilden graag dat Libiërs zelf het voortouw zouden nemen. Iedereen weet wat het gevaar is van Amerikaanse dominantie in een land dat uit een oorlog komt. We hadden ons er meer mee kunnen bemoeien, maar je weet niet of dat iets had uitgemaakt.’

Anderen waren nog uitgesprokener over de beperkte reikwijdte van de interventie. Volgens de eerder genoemde hoge Amerikaanse functionaris was het fiasco in Libië te wijten aan drie problemen: ‘Het wegvallen van een overkoepelend veiligheidsapparaat, met in plaats daarvan nu die milities. Een serieuze terroristische dreiging, die klein was maar nu enorm is gegroeid. En een overvloed aan wapens. En hoe reageert de wereld? De VN krijgt een mandaat, gaat erheen en merkt dat er niemand is om mee samen te werken. Op de ministeries zijn de burgers aan de macht. Het IMF gaat erheen, zegt wat er allemaal anders moet en doet er verder weinig aan. De Wereldbank doet bijna niets.

Massa’s ondernemers zijn naar Libië gegaan om daar zaken te doen, maar niemand had geld, dus zijn ze weer vertrokken. De NAVO probeerde een nationale defensie op poten te zetten, maar de Libiërs werkten niet mee. De Fransen zouden drieduizend politieagenten opleiden. Ze hebben er dertig opgeleid. Libische cadetten die in Jordanië zouden worden opgeleid, werden het land uitgeschopt nadat ze een sporthal in brand hadden gestoken uit woede over een vluchtvertraging.’ En afgelopen november, voegde hij er nog aan toe, zijn driehonderd Libische militairen in opleiding Groot-Brittannië uitgezet nadat een handvol cadetten had huisgehouden in een Brits dorp: ze hadden meerdere vrouwen aangerand en een man verkracht. ‘Tegen de Libiërs is gewoon niet op te boksen,’ zei hij. ‘Het maakt niet uit of je nu Gandhi of Stalin bent. Wat we ook deden, we kregen er geen vat op.’

Gevraagd naar het huidige Amerikaanse Libië-beleid zei hij: ‘Dat beleid is heel verstandig: een wapenstilstand, een regering die niemand uitsluit, de enige oplossing is een politieke oplossing.’ Hij ging uitgebreid in op de mogelijke resultaten van een wapenstilstand. ‘Gaat dit werken?’ zei hij. ‘Misschien wel, misschien niet. Maar ik verzeker je dat dit het beste beleid is dat Amerika en de andere westerse mogendheden hier kunnen voeren.’

Viering van de vierde verjaardag van de revolutie tegen Gaddafi op Martyrs' Square in Tripoli, 17 februari 2015. – © Ismail Zitouny / Reuters
Viering van de vierde verjaardag van de revolutie tegen Gaddafi op Martyrs’ Square in Tripoli, 17 februari 2015. – © Ismail Zitouny / Reuters

Ik heb twee weken door Libië getrokken, van oost naar west, en de enige westerlingen die ik tegenkwam, waren een paar Britse veiligheidsconsultants en twee Duitse journalisten. Overal waar ik kwam, werd ik door Libiërs aangestaard. Soms vroegen jonge mannen waar ik vandaan kwam. Als ik zei dat ik een Amerikaan was, werden er soms grappen gemaakt over jihadisten en de kans dat ik zou worden ontvoerd en onthoofd. Bij een controlepost in Sousa, een stadje in de buurt van Derna, werden mijn Libische begeleiders uitgefoeterd omdat ze daar met een westerling kwamen: ‘Wat als hem iets overkomt?’

In tegenstelling tot veel andere steden en dorpen in Libië bood Tripoli een vrij normale aanblik. Het verkeer was druk en op terrasjes zaten jonge mannen in Italiaanse sportkleding koffie te drinken uit papieren bekertjes. Bij ministeriegebouwen zag ik hier en daar wel gewapende mannen met baarden, maar de tanks die na de val van Gaddafi door de hoofdstad rolden, waren nergens meer te bekennen. Maar die rust was schijn. De spanning onder de oppervlakte werd snel genoeg voelbaar toen ik sprak met de mannen die daar de leiding hebben.

Container vol plakbaarden

Net zoals Haftar tegen alle waarschijnlijkheid in volhoudt dat al zijn tegenstanders terroristen zijn, zo beweren de leiders van Dageraad van Libië dat ze geen enkele extremist in hun geledingen hebben. Tot Haftar de aanval op hen opende, was Ansar al-Sharia meer een hulporganisatie dan een terreurgroep, zo werd me verzekerd door Jamal Zubia, het hoofd van hun afdeling buitenlandse media. Zubia is een grote man met een witte baard die naar Libië is teruggekeerd na zestien jaar ballingschap in Engeland. Hij spreekt voortreffelijk Engels met een accent uit Manchester. ‘Als je de mensen in Benghazi naar Ansar al-Sharia vraagt, zullen ze zeggen dat we hulp verlenen en ziekenhuizen en wegen beveiligen,’ zegt hij. ‘Als ze willen dat het ergens veilig is, vragen ze altijd Ansar al-Sharia.’

De beschuldigingen van terrorisme vergeleek hij met de tactieken van de Algerijnse militaire junta tegen islamisten begin jaren negentig. De Algerijnse veiligheidsdiensten schoven de islamisten misdaden in de schoenen, zei hij: ‘Ze importeerden een container vol plakbaarden om op te doen als ze mensen gingen vermoorden, en dan zeiden ze dat de islamisten het hadden gedaan.’ En hij zei erbij: ‘Dat is echt waar. Dat kun je niet ontkennen. Het staat op YouTube.’

Door het ontbreken van serieuze nieuwsbronnen worden de onzinnigste roddels voor zoete koek geslikt

‘Als Haftar terroristen wil bestrijden,’ zei Zubia, ‘moet hij logisch gezien in Derna zijn, niet in Benghazi. In Benghazi zijn ze nooit lid geweest van Al-Qaida, terwijl in Derna wel vijftig mensen zitten die zeggen dat ze bij IS horen.’ En hij schamperde: ‘En wat betreft die honderden mensen die volgens Haftar in Benghazi zijn vermoord: waar is het bewijs? Je zult zien dat Haftar zelf achter die moorden zat.’

Hij beweerde dat Haftars familie tot 2005 nog ieder jaar tweehonderdduizend dollar van Gaddafi kreeg – ‘kijk maar op YouTube’. (Haftar erkent dat hij als voormalig krijgsgevangene een uitkering van Gaddafi kreeg, maar zegt dat die al in 1993 is stopgezet.) En onlangs was Haftar volgens Zubia ‘naar Tripoli gekomen om daar een militie op te zetten, zonder succes’. En hij voegde eraan toe dat een van Haftars zonen gewond was geraakt toen hij een bank probeerde te beroven. (Haftars zoon Saddam is bij een bank neergeschoten door militieleden uit Zintan.) Zubia omschreef Haftar en zijn familie als een soort maffiafamilie. ‘Laat u toch niets wijs maken,’ zei hij.

Het is moeilijk om in Libië onbetwiste informatie te vinden. Koortsachtig volgt men websites waar allerlei beelden worden geplaatst en van alles wordt beweerd en besproken. Maar wat hier voor nieuws doorgaat, is meestal pure propaganda. Operatie Waardigheid heeft een televisiezender met beelden van Haftar die het slagveld inspecteert, met krijgshaftige muziek en gruwelijke beelden van de slachtoffers van hun vijanden. Dageraad van Libië heeft een vergelijkbare zender die hun kant van het verhaal belicht. Beide partijen doen de berichtgeving van de andere kant af als leugens, en door het ontbreken van serieuze nieuwsbronnen worden de onzinnigste roddels voor zoete koek geslikt. Een econoom die ik sprak in de buurt van Benghazi, poneerde glashard de idiote stelling dat Bernard-Henri Lévy veertig miljoen dollar had gekregen om in Libië voor de Moslimbroederschap te lobbyen.

Veel van Haftars aanhangers in het oosten van Libië denken dat de Moslimbroederschap deel uitmaakt van een internationale en door de VS gesteunde samenzwering om de macht te grijpen in het Midden-Oosten. Als ik om bewijzen vraag, begint men vaak over Obama’s toespraak in juni 2009 in Caïro, waarin hij sprak over een ‘nieuw begin’ in de betrekkingen tussen Amerika en de moslimwereld. Toen ik bij Haftar in zijn kantoor zat, opperde hij dat daar de echte reden lag dat hij geen steun kreeg van de VS. ‘Misschien komt het door de Moslimbroederschap,’ zei hij. ‘Die heeft veel invloed en het is één grote leugenfabriek.’

De enige mensen die in dit land gematigd zijn, zijn dat omdat ze ertoe gedwongen worden

Er is misschien maar één ding waarover de mensen van Operatie Waardigheid en Dageraad van Libië het eens zijn, en dat is het belang van olie voor de toekomst van het land. Terwijl zij met elkaar om de olievelden vechten, is de productie gekelderd van 1,6 miljoen vaten per dag tot krap driehonderdduizend. Enkele dagen voor mijn gesprek met Haftar hadden zijn vliegtuigen een gewapende colonne gebombardeerd die vanuit Misrata oprukte naar olie-installaties van zijn medestanders. Zoals hij erover vertelde, ervoer hij die aanval als een klap in zijn gezicht. ‘Je zult nog wel horen wat onze reactie is,’ beloofde hij. Twee weken later vielen zijn MiG’s het vliegveld van Misrata aan. Over de inwoners van Misrata zei hij: ‘Als ze nog meer doen dan ze al gedaan hebben, zullen ze daar zwaar voor boeten.’

Generaal Obeidi, de chef-staf van Dageraad van Libië, zei op een persconferentie in Tripoli dat zijn troepen probeerden ‘de olievelden te heroveren’ op de strijdkrachten van Haftar. ‘Wij zijn de staat,’ zei hij. ‘Het is onze plicht om de olievelden uit handen van die bandieten te houden.’ Daarna sprak ik generaal Mohamed al-Ashtar, een hoge commandant van Dageraad van Libië. Hij zei dat zijn troepen onderweg waren naar de olieterminal in Ras Lanuf toen ze door Haftars vliegtuigen werden aangevallen. Om schade aan de olie-installaties te voorkomen had hij zijn troepen laten terugtrekken, zei hij, maar nu hadden ze de mannen van Haftar omsingeld. ‘We wachten tot ze voldoen aan onze eisen, tot ze zich terugtrekken en de installatie aan ons geven,’ zei hij.

In de weken daarna is de strijd volgens analist Frederic Wehrey in een impasse geraakt: ‘onbeweeglijke linies van waaruit beide zijden elkaar met raketten bestoken’. En terwijl de strijd voortduurt, vloeien de schamele oliebaten naar de centrale bank van Libië, die de gelden onpartijdig uitkeert aan milities en criminele bendes aan beide zijden van het conflict.

Toen ik Ashtar vroeg hoe het conflict in Libië zou eindigen, zei hij dat een totale overwinning de enige mogelijke uitkomst was. ‘Het is onmogelijk dat dit land uiteenvalt,’ zei hij. ‘Dit land is één.’

‘En Haftar dan?’ vroeg ik.

‘Die wacht hetzelfde lot als Gaddafi.’

Ashtar lachte, en zijn mannen ook.

Voor of tegen

De hoop op een politieke oplossing moet vooral komen van de commissie voor de grondwet. Die zetelt in Al Beyda, een stadje dat voornamelijk bestaat uit appartementsgebouwen uit de tijd van Gaddafi, verveloze betonnen flats omgeven door afval dat nooit is opgehaald. Het gebouw van de commissie is een positieve uitzondering in het lelijke Al Beyda. Het werd in 1964 gebouwd voor het parlement van Libië en is een bescheiden koepelgebouw omringd door gazons en bomen. Sinds april vorig jaar werkt een groep mensen daar aan een nieuwe grondwet, en de vijfenzestigkoppige commissie telt zowel aanhangers van Operatie Waardigheid als van de Dageraad van Libië. De voorzitter, Ali Tarhouni, is een van de meest gerespecteerde publieke figuren in Libië. Tarhouni moet ervoor zorgen dat de commissie op koers blijft en dat het conflict geen vat krijgt op de discussies binnen de muren van dit gebouw.

Tarhouni is een hoogleraar economie van in de zestig die begin 2011 naar Libië terugkeerde vanuit Seattle, waar zijn gezin woont. Hij was er al niet meer geweest sinds 1973, toen hij naar de Verenigde Staten vluchtte. Een jaar voor zijn terugkeer had hij nog tegen zijn zoon gezegd: ‘Ik weet dat ik Libië nooit meer zal zien, dat ik zal sterven zonder ooit terug te zijn geweest.’ Maar toen de opstand tegen Gaddafi begon, trad Tarhouni toe tot de Nationale Overgangsraad, die richting moest geven aan de revolutie. Ik sprak hem op een onderduikadres in Benghazi, terwijl Franse gevechtsvliegtuigen buiten de stad de eerste luchtaanvallen uitvoerden op de strijdkrachten van Gaddafi.

Tarhouni sprak heel nuchter over de omwentelingen in zijn land, maar glimlachte gelukzalig toen hij vertelde over het bezoek aan zijn geboortestad Marj, niet ver van Haftars huidige hoofdkwartier. Hij was vergeten hoe groen het er was, zei hij. Na de val van Tripoli riep de uitzinnige Tarhouni (die daarna minister van Financiën werd) de menigte op het Plein der Martelaren toe dat ze ‘vrij’ waren.

Haftar vecht niet voor democratie; hij is een militair pur sang

Toen ik Tarhouni op een avond bezocht in zijn appartement in Al Beyda rookte hij de ene sigaret na de andere terwijl hij terugblikte op de gebeurtenissen in Libië. ‘Ik begrijp nog steeds niet hoe we op dit punt zijn beland,’ zei hij. ‘We dachten dat we met de revolutie jonge, frisse loten hadden laten ontspruiten, maar nu blijken het doorns te zijn.’ Net als Haftar wilde Tarhouni het liefst teruggaan naar de Verenigde Staten om bij zijn gezin te zijn. Maar toen de staat uiteen begon te vallen, had hij het gevoel dat hij ‘iets moest doen’ en stemde erin toe om de commissie voor de nieuwe grondwet te leiden.

Hij bleef toegewijd bezig met zijn taak, maar had weinig hoop dat de commissie veel zal bereiken. ‘Het is elke dag weer een enorme klus om te zorgen dat deze mensen veilig zijn en zich niet laten meeslepen door de tweedeling in dit land. En zelfs als we erin slagen om een grondwet te formuleren, wat bereik je dan met een grondwet in deze situatie?’

De ontzetting was van zijn gezicht af te lezen. ‘Gaddafi is hier 42 jaar aan de macht geweest, dat is enorm lang. Een van de dingen die hij het volk heeft ingeprent, is dat alles met geweld wordt afgehandeld. Dat was de enige constante in zijn beleid. Dat heeft een cultuur geschapen van “voor of tegen”. Dat is een enorm probleem.’

Operatie Waardigheid

Sinds september pendelt VN-gezant Bernardino León tussen de strijdende partijen heen en weer in een klein vliegtuigje vanuit een basis in Tunesië. León vertelde me dat hij besefte dat zijn missie precair is, ‘met maar één kans op succes en ontelbare potentiële rampzalige uitkomsten.’ Tot nu toe heeft hij weinig succes geboekt. Nadat de eerste gesprekken in Libië op niets waren uitgelopen, kondigde hij een gespreksronde aan in Genève, maar zowel Haftar als diens vijanden weigerden daaraan deel te nemen.

In het Huis van Afgevaardigden somde parlementslid Abubakr Buera een lijstje onacceptabele gesprekspartners op: de regering van Tripoli, het Algemeen Nationaal Congres en iedereen van de Dageraad van Libië. ‘Als een van die mensen komt, gaan we niet,’ zei hij. ‘We willen niet dat de internationale gemeenschap tussenbeide komt,’ voegde hij daaraan toe. ‘Dit is niet het moment om de strijd te staken. Daar moet juist de oplossing uit komen.’

Zelfs de nuchtere Ali Tarhouni zei met enige tegenzin dat hij de voorkeur geeft aan een met geweld bevochten oplossing. ‘Een hoop mensen zitten te wachten op Haftar,’ zei hij. ‘De enige mensen die in dit land gematigd zijn, zijn dat omdat ze ertoe gedwongen worden. Pas als de militaire situatie is uitgekristalliseerd, wordt het mogelijk om in dialoog te gaan.’

Begin februari gingen vertegenwoordigers van het Algemeen Nationaal Congres en het Huis van Afgevaardigden opnieuw het gesprek aan, maar Haftar en zijn militaire tegenstanders deden niet mee. Veel mannen van Haftar popelen om de wapens weer op te nemen. Ik sprak kolonel Abdul Raziq al-Nadori, de onbehouwen chef-staf van Haftar, op een grote legerbasis buiten Tobruk. ‘Operatie Waardigheid was een reactie op het feit dat onze soldaten werden afgeslacht en onthoofd,’ zei hij. ‘Het was nooit onze bedoeling om in gevecht te gaan met onze mede-revolutionairen, maar zij sloten zich aan bij die terroristen, dus we hadden geen keus.’

Net als Haftar geloofde Nadori dat de oorlog gewonnen moest worden in Tripoli, en hij had goede hoop dat het aantal burgerslachtoffers tot een minimum beperkt kon blijven, als de mensen de stad zouden ontvluchten. Hij betreurde de terughoudendheid van Washington. ‘Wij willen een goede relatie met de Verenigde Staten. Het was Gaddafi, vervloekt zij zijn ziel, die een goede relatie onmogelijk maakte. Maar nu zien de VS de Moslimbroederschap als een gematigde kracht. Voor ons zijn het slangen en gladjakkers.’

Nadori had vergeefse pogingen ondernomen om een ontmoeting te regelen met David Rodriguez, bevelhebber van het Amerikaanse leger in Afrika. ‘IS heeft trainingskampen hier in Libië, dat heeft Rodriguez zelf gezegd,’ zei hij. ‘Dus waar wachten jullie nog op? We vragen jullie niet om ze te bombarderen. Dat doen wij wel. Geef ons gewoon de militaire middelen en de ondersteuning die we nodig hebben om de klus te klaren, net zoals jullie nu in Irak doen.’

Na de val van Gaddafi feliciteerde Obama de inwoners van Libië vanuit de Rose Garden van het Witte Huis met hun ‘kans om hun eigen toekomst te bepalen in een nieuw en democratisch Libië’. Ietwat onheilspellend voegde hij daaraan toe: ‘We maken ons geen illusies: Libië heeft een lange, moeilijke weg te gaan voor het volledige democratie kan bereiken.’ Haftar vecht niet voor democratie; hij is een militair pur sang. Maar in een land vol milities waar steeds meer ruimte komt voor islamitische extremisten, kan zijn offensief een sprankje hoop bieden op stabiliteit.

Als de meer gematigde leden van de Dageraad van Libië met militaire druk kunnen worden overgehaald om te breken met de extremisten in hun gelederen, ontstaan er misschien twee grote gematigde facties die het in ieder geval eens kunnen worden over de voorwaarden voor onderhandeling. Maar als Haftar de jihadstrijders in Benghazi en Derna er niet onder krijgt, hoorde ik van veel Libiërs, dan kan het land afglijden tot wat de Britse onderhandelaar Jonathan Powell in een gesprek omschreef als een ‘Somalië aan de Middellandse Zee’.

Geen hemel op aarde

Op 22 januari rukten de soldaten van Haftar opeens op in Benghazi en veroverden de vestiging van de centrale bank en het grootste deel van de haven. Toen ik Haftar op zijn basis sprak, sprak hij vol vertrouwen over zijn plan om ‘het land te zuiveren’. Maar de strijd was nog niet voorbij en hij klaagde over het gebrek aan hulp van de VS. De hulp vanuit Egypte, de Emiraten en Saoedi-Arabië was bescheiden. Zijn leger groeide en hij kreeg steeds meer tekort aan materieel. ‘Dit is een ontzettend rijk land,’ zei hij. ‘We willen goede huizen en goede scholen voor onze bevolking. We hadden gehoopt dat Libië de hemel op aarde zou worden. Maar we hebben infrastructuur nodig, nieuwe gebouwen en fabrieken. We hebben olie, goud, uranium en bergen zand. Doch we hebben de hulp van een grootmacht nodig om die dingen te ontwikkelen. Libië kan zich niet meer gedragen alsof het alleen op de wereld is.’

En hij voegde er betekenisvol aan toe: ‘Zij die voor ons klaarstaan nu we het hard nodig hebben, zullen daar ruimschoots de vruchten van plukken.’

Toen ik hem naar zijn persoonlijke ambities vroeg, zei hij: ‘Mijn ambitie is te doen waar het volk behoefte aan heeft.’

‘Als u het land hebt gezuiverd en er vrede is, en het volk vraagt u om president te worden, zou u dat dan doen?’

Met een glimlach op zijn gezicht zei Haftar: ‘Daar zou ik geen moeite mee hebben.’

Auteur: Jon Lee Anderson
Vertaler: Frank Lekens

Jon Lee Anderson is een Amerikaanse biograaf, auteur en onderzoeksjournalist die vaak afreist naar oorlogsgebieden als Afghanistan, Irak, Oeganda en Libanon. Behalve voor The New Yorker schrijft hij ook voor The New York Times, Harper’s, Life en The Nation. Hij publiceerde boeken over Hugo Chávez, Fidel Castro, Augusto Pinochet en andere belangrijke politiek leiders.


Deel dit artikel


Recent verschenen