de jacht op ratko mladic de slager van srebrenica


De Bosnische generaal Ratko Mladic wordt ervan beschuldigd duizenden burgers te hebben gedood in Srebrenica en Sarajevo – de ergste gruweldaad in Europa sinds het nazitijdperk. Journalist Julian Borger vertelt van binnenuit hoe Mladic veertien jaar lang op vrije voeten kon blijven, en hoe hij uiteindelijk toch werd gepakt.

Keuze uit het archief

Op 11 juli dertig jaar geleden vond het bloedbad in het Bosnische plaatsje Srebrenica plaats. Op deze plek vermoordde het Bosnisch-Servische leger, aangevoerd door generaal Ratko Mladic, zo’n achtduizend Bosnische moslimmannen. De moordpartij, die juridisch erkend is als genocide, is nog altijd een open wond in de Nederlandse samenleving, omdat de Nederlandse VN-troepenmacht die in Srebrenica was gelegerd het bloedbad niet heeft kunnen voorkomen.
Dit artikel van The Guardian uit 2016, een jaar voor de veroordeling van Mladic, doet uit de doeken wat er na de Bosnisch-Servische oorlog met Mladic gebeurde en hoe een jarenlange speurtocht uiteindelijk resulteerde in de arrestatie van ‘de slager van Srebrenica’.

In juli 1997 kreeg de Joegoslavische legerofficier Milan Gunj een dringend telefoontje, thuis in Belgrado. Er was iets merkwaardigs aan de hand en hij moest ogenblikkelijk naar zijn werk komen.

Het werk van stafonderofficier Gunj kan het best worden omschreven als dat van een hotelhouder in het leger. Hij was opgeklommen van legerkok en cateraar tot stafofficier en hij had nu de betrekkelijk aangename taak om toe te zien op het onderhoud van een groot aantal ommuurde en beveiligde vakantieparken, waar sinds jaar en dag de hoge omes van het Joegoslavische leger mochten verpozen. De man die hem op die zomerdag belde was een soldaat die werkzaam was in een van deze idyllische oorden – en wel in Rajac, in de bosrijke heuvels van midden-Servië. De soldaat wilde over de telefoon verder geen mededelingen doen, maar hij drong erop aan dat Gunj zo snel mogelijk zou komen.

Een paar tellen later kreeg hij nog een telefoontje. Dit keer van een medewerker van de Joegoslavische stafchef van het leger, die zei dat Gunj ogenblikkelijk naar Rajac moest gaan om zich over zijn gasten te ontfermen. Ter plaatse zou hij alle informatie krijgen die hij nodig had. Gunj stapte in zijn auto en reed naar het zuiden.

Doodkalm

Twee uur later arriveerde hij in Rajac. Het was inmiddels donker en hij zag een tiental gewapende mannen in burger bij de ingang staan. Op datzelfde moment kwam de aanleiding voor alle geheimzinnigheid doodkalm de lobby uit lopen, alsof hij heer en meester was in Rajac. Er was geen vergissing mogelijk: de gedrongen gestalte en het vlezige, rossige gelaat dat Gunj kende van de honderden krantenartikelen over de oorlog in Bosnië – generaal Ratko Mladic.

‘Ik was enigszins verbaasd, bang en van slag door de verwikkelingen,’ herinnert Gunj zich. ‘Ten eerste omdat dit zich allemaal op mijn terrein afspeelde, en ik er niets over te horen had gekregen. Ten tweede omdat ik wist dat Ratko Mladic door het tribunaal in Den Haag van bepaalde feiten was beschuldigd. Je kunt gerust zeggen dat ik op dat moment min of meer in paniek was.’

Gunj was bepaald niet de enige die angst voelde in aanwezigheid van Mladic. Deze was beschuldigd van de meest gruwelijke oorlogsmisdaden die zich sinds het nazitijdperk in Europa hadden voltrokken. De Bosnisch-Servische generaal had drie jaar lang de leiding gehad over het beleg van Sarajevo, met dagelijkse bombardementen op de inwoners van de stad en beschietingen door sluipschutters. Hij was ook aanwezig toen de moslimenclave Srebrenica in juli 1995 door zijn troepen onder de voet werd gelopen. Hij wierp zich op als voorvechter van de nationale vergelding en hij zei dat het zuiveren van Srebrenica de wraak was op ‘de Turken’, voor de massamoord op de Serviërs in het Ottomaanse Rijk. Mladic stelde de doodsbange gevangengenomen moslimvrouwen gerust en zei dat hun geliefden veilig waren, terwijl op datzelfde moment zijn mannen achtduizend echtgenoten en zoons oppakten en afslachtten. De officier met de rode kop die in Gunjs vakantiepark bleek te verblijven, was de meest gezochte man ter wereld.

4 x Mladic. 1. Tijdens een belegering in Bosnië en Herzegovina. – © Tomislav Peternek/Polaris; 2. 1993 (l.) en 2011, vlak na zijn arrestatie. – © Reuters; 3. Met Karadzic (r.). – © Didier Ruef/HH; 4. Rechtbank in Belgrado, mei 2011. – © HH
4 x Mladic. 1. Tijdens een belegering in Bosnië en Herzegovina. – © Tomislav Peternek/Polaris; 2. 1993 (l.) en 2011, vlak na zijn arrestatie. – © Reuters; 3. Met Karadzic (r.). – © Didier Ruef/HH; 4. Rechtbank in Belgrado, mei 2011. – © HH

Mladic en zijn entourage bleven een maand in Rajac voordat ze – weer in het holst van de nacht – verkasten naar een ander militair vakantieoord: Stragari, niet ver van Kragujevac, een nog veel luxer toevluchtsoord compleet met sportvelden, zwembaden en tafeltennistafels. Om de jagers ter wille te zijn werden er in de omliggende bossen herten uitgezet en moeflons – wilde schapen met schitterende gekrulde hoorns.

Generaal Djordje Curcin, een oude familievriend van Mladic, beschrijft hoe de dagen in het gezelschap van de voortvluchtige er gewoonlijk uitzagen: ‘We praatten, we liepen door de bossen, we schaakten wat. Er werd ook gekaart en getafeltennist. Er werd geluncht. En daarna gingen we weer een eindje lopen.’

De generale staf van het leger was er kennelijk zo veel aan gelegen Mladic zowel tevreden als verborgen te houden, dat er speciaal daartoe een hele afdeling werd opgetuigd, het 30th Personnel Centre, oorspronkelijk bedoeld om toe te zien op de uitkeringen van voormalige Bosnisch-Servische officieren. Ook werd er een flink aantal mensen op zijn privébeveiliging gezet.

‘Er stond een prijs op zijn hoofd van vijf miljoen dollar, en het leek noodzakelijk om een eenheid te formeren die hem kon beschermen tegen diverse premiejagers en criminelen. Deze eenheid was verbonden aan het 30th Personnel Centre in Belgrado en bestond uit leden van het Repuklika Srpska-leger, destijds een stuk of honderd man.’ Aldus Jovo Djogo, een voormalig officier verbonden aan het centrum, die de leiding zou krijgen over Mladics persoonlijke beveiliging.

De Joegoslavische regering van Slobodan Milosevic wees categorisch elke verantwoordelijkheid van de hand voor de massale wreedheden die door het Bosnisch-Servische leger waren begaan, maar de uitgebreide maatregelen die Belgrado heeft getroffen om Mladics welzijn en veiligheid te garanderen, getuigen van nauwe betrekkingen. In de nasleep van de oorlog in Bosnië was het Joegoslavische leger in overgrote meerderheid een Servische krijgsmacht. En voor de aanvoerders van dat leger hoorde Mladic daar ook bij.

Naast een indrukwekkend legertje bewakers had Mladic ook een chauffeur, een privékok en zelfs een eigen kelner, die hem elk jaar tegen het einde van de winter vergezelden naar Rajac. Wanneer het seizoen voorbij was en de jagers waren vertrokken, keerde Mladic terug met zijn gehele entourage, als een rondreizende hofhouding. Gedurende deze periode bracht Mladic ook behoorlijk wat tijd door in Belgrado, in het huis van zijn familie in Blagoja Parovica-straat in de chique buitenwijk Kosutnjak. Hij ging uit eten en hij woonde voetbalwedstijden bij in de Servische hoofdstad. Op videobeelden uit die tijd zien we een ontspannen Mladic tafeltennissen in Stragari en zich geweldig opwinden wanneer hij een bal mist. Ook zien we hem aan het hoofd van de tafel tijdens familiebijeenkomsten.

Srebrenica, waar zo’n 7000 moslimjongens en -mannen werden gescheiden van de vrouwen en vermoord. – © Getty Images
Srebrenica, waar zo’n 7000 moslimjongens en -mannen werden gescheiden van de vrouwen en vermoord. – © Getty Images

De mannen en vrouwen die hielpen om dit gerieflijke leventje van de voortvluchtige generaal in stand te houden zagen hem als een nationale held, de belichaming van de heldhaftige en krijgshaftige Serviërs uit de verhalen van weleer. Ze wisten zichzelf op de een of andere manier wijs te maken dat deze lompe, gedrongen man het heroïsche verleden van Servië weer tot leven had gewekt. Maar voor alle zekerheid, voor het geval hun loyaliteit op enig moment toch scheurtjes mocht gaan vertonen, kregen ze foto’s van hun kinderen te zien – een nogal kenmerkende en directe manier om hen te helpen herinneren aan de hoge prijs die informanten moeten betalen.

In de veertien jaar dat Mladic op de vlucht is geweest hebben een hele reeks instituties en groeperingen weten te voorkomen dat hij werd gepakt. Om te beginnen de gevestigde machten binnen het Servische leger, gevolgd door een kleiner kringetje van officieren uit de Bosnisch-Servische oorlog, en tot slot, naarmate de schillen van de verschrompelde ui verder worden afgepeld en we steeds dichter bij de kern komen: zijn bezorgde familie. Angst was de gemene deler.

Strijd

Strijd is iets wat Mladic met de paplepel ingegoten heeft gekregen. Hij was het in de oorlog geboren kind van een Partizanenfamilie in de bergen ten zuidoosten van Sarajevo. Zijn vader, Nedja, werd in 1945 gedood in de strijd met troepen uit het door de nazi’s gesteunde Utasha. Na een korte periode als leerling bij een blikslager nam Mladic ook dienst, ging naar de officiersopleiding en voerde Joegoslavische legereenheden aan in Macedonië en Kosovo.

Toen het land in 1991 uit elkaar viel was Mladic kolonel, en hij kreeg opdracht met het Joegoslavische leger ten strijde te trekken tegen Kroatische separatisten. Daar verwierf hij zijn reputatie moedig te zijn, zij het tegen het roekeloze aan – zo voerde hij zelf expedities aan om mijnen op te ruimen. Toen de oorlog zich het jaar daarop uitbreidde naar Bosnië verruilden Mladic en zijn Bosnisch-Servische officieren van de ene op de andere dag hun uniform en insignes, en officieel lag hun loyaliteit niet langer bij Joegoslavië maar bij de afgescheiden Republika Srpska. Maar de missie en de uiteindelijke leider bleven onveranderd: gebied veroveren voor de Serviërs binnen een commandostructuur die uiteindelijk onder bevel stond van president Milosevic in Belgrado.

In 1992 hielp Mladic, die net tot generaal was benoemd, met het isoleren en bombarderen van zijn voormalige buren in Sarajevo – het zou de langste belegering van een stad worden in de geschiedenis van de moderne oorlogvoering. Drieënhalf jaar later waren tienduizend inwoners van de stad dood. Samen met Radovan Karadzic, die aan het hoofd stond van het Bosnisch-Servische leger, voerde hij een meedogenloze campagne met als oogmerk dat Bosnië uit elkaar zou vallen en er een etnisch zuivere Servische Republiek zou komen. Maar generaal Mladic had het nou ook weer niet zó druk met oorlog voeren dat er geen tijd overschoot voor een weekendje schaken en een beetje ontspanning met zijn vrouw en zijn twee volwassen kinderen, Darko en Ana, die hij veilig in Belgrado had achtergelaten.

Op die familieavondjes mocht niet gesproken worden over de politiek of de oorlog, maar dat kon niet verhinderen dat de strijd het gezin uiteen dreef. Ana was begin twintig en verliefd op een jonge arts – een mensenrechtenactivist die van mening was dat zijn aanstaande schoonvader een oorlogsmisdadiger was. Hij wilde alleen met Ana trouwen als ze de banden met haar vader doorsneed. Omdat ze dat niet kon opbrengen, maar ook geen afstand kon doen van haar droom van een liefdevol huwelijk, haalde ze in februari 1994, na afloop van zo’n spelletjesavond, het lievelingspistool van haar vader uit de vitrinekast en schoot zichzelf door het hoofd.

Mladic met zijn vrouw Bosiljka en dochter Ana, die in 1994 zelfmoord pleegde met het pistool van haar vader. – © HH
Mladic met zijn vrouw Bosiljka en dochter Ana, die in 1994 zelfmoord pleegde met het pistool van haar vader. – © HH

Mladic kon de zelfmoord van zijn dochter niet verkroppen. Hij zocht troost in samenzweringstheorieën waarbij hij zijn vijanden de schuld in de schoenen schoof. Op die manier wist hij de last voor zichzelf enigszins te verlichten en werd zijn haat tegen iedereen die niet-Servisch was nog verder aangewakkerd.

De Servische generaals in het Joegoslavische leger waren maar al te zeer bereid Mladic onderdak te bieden, ongeacht de verschrikkingen waarvan hij werd beschuldigd, maar zo rond de millenniumwisseling veranderde Servië zelf in hoog tempo. Milosevic was verslagen in Slovenië, Kroatië en Bosnië, en in 1999 vervolgens ook nog eens in Kosovo, dat de bakermat van de Servische beschaving zou zijn. De droom van een Groot-Servië was in duigen gevallen en er restte slechts een armoedig overblijfsel.

Na de val van Milosevic op 5 oktober 2000, en vervolgens zijn uitlevering aan het strafhof in Den Haag, zat Mladic ineens op hete kolen. Hij was geen Milosevic-aanhanger geweest, maar het regime had hem onderdak en bescherming geboden, en dat was nu verleden tijd. Curcin herinnert zich dat ‘in de nacht dat Milosevic werd gearresteerd, Mladic in zijn eigen huis was, in zijn eigen appartement, en meteen nog diezelfde nacht vertrok. Toen ik hem later zag en met hem praatte, maakte hij zich duidelijk zorgen om zijn veiligheid en de veiligheid van de mensen om hem heen. En hij was vastbesloten zich niet levend over te geven.’

Mladic was slim genoeg om te begrijpen dat hij niet langer kon terugvallen op de regering in Belgrado voor bescherming. In allerijl vertrok hij naar een ander kamp, Krcmar, in de buurt van Valjevo, een toevluchtsoord uit het Tito-tijdperk, in een omgeving die niet onderdoet voor die van Stragari, maar voorzien van sterkere verdedigingsmuren en ondergrondse bunkers. Vanaf dat moment zou Mladic zich daar permanent schuilhouden, terwijl de post-Mladic-regering in Belgrado het veiligheidsapparaat van het land steeds meer in zijn greep kreeg. In maart 2002 liet men weten dat Mladic officieel met pensioen was, en aan het eind van de daaropvolgende maand werd een decreet uitgevaardigd waarin de samenwerking werd vastgelegd met het Joegoslaviëtribunaal – officieel het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia (ICTY). Daarmee kwam een einde aan de tijd dat de voortvluchtige Mladic zich kon schuilhouden in de luxe vakantieoorden van het leger.

De droom van een Groot-Servië was in duigen gevallen en er restte slechts een armoedig overblijfsel

Met tegenzin lieten de generaals Mladic weten dat hij niet langer in Krcmar kon blijven, maar zijn aanvankelijke reactie hield het midden tussen opstandigheid en een gebrek aan realiteitszin. Hij beval zijn bewakers dat ze niet mochten wijken en zo werd in mei 2002 het startsein gegeven van een ongemakkelijke impasse, waarin het leger helikopters inzette voor zogenaamde invallen, in de hoop Mladic op die manier te verjagen. Op 1 juni bezweek Mladic dan eindelijk onder de druk en wist een veilige aftocht uit te onderhandelen. Het leger zegde een stoet auto’s toe om hem naar zijn volgende schuilplaats te brengen.

Mladic nam afscheid van een volledige militaire bescherming, de eerste stap op zijn pad naar een steeds groter isolement en steeds meer ontberingen. Van de ene op de andere dag slonk zijn vangnet van het gehele Joegoslavische leger tot een handjevol oude kameraden uit de Bosnische oorlog.

Onrustig

De dagelijkse leiding van het netwerk was in handen van Djogo. Deze voormalig Bosnisch-Servische kolonel was een trouw Mladic-aanhanger, afkomstig uit hetzelfde Bosnische district, en hij wist een aantal appartementen voor de generaal te regelen in dichtbevolkte wijken met flats in Novi Beograd. Groene weiden, boswandelingen, het geprivilegieerde bestaan van een ex-officier – dat alles had plaatsgemaakt voor de harde, betonnen werkelijkheid van een Servische buitenwijk.

‘Nadat het leger had laten weten dat het zijn handen van hem af trok, wendde hij zich tot Jovo Djogo en een klein groepje mensen dat met hem begaan was,’ zei Mladics advocaat Milos Saljic. ‘In Novi Beograd kwam hij nauwelijks zijn appartement uit en werd hij voorzien van eten en kranten. Anders dan in de militaire onderkomens kon hij hier geen bezoek krijgen van zijn gezin.’

‘De gehuurde appartementen moesten aan zeer specifieke eisen voldoen,’ herinnert Miodrag – Miki – Rakic zich. Hij was de degene die namens de Servische president de jacht coördineerde. ‘Het moest een appartement zijn in een groot gebouw, maar niet op de begane grond en ook niet op de bovenste verdieping. Hij wilde niets weten van bewakers of camera’s.’

De eerste paar maanden was het een onrustig bestaan, totdat het netwerk een appartement had gevonden in de Yura Gagarin-straat. Daar voelde Mladic zich veilig. Een paar deuren verderop zat Karadzic – twee van volkerenmoord beschuldigde voortvluchtigen in min of meer hetzelfde huizenblok. Al zaten ze nog zo dicht bij elkaar, uit niets blijkt dat ze ook daadwerkelijk elkaars pad hebben gekruist. Inmiddels konden ze elkaars bloed wel drinken en volgens onderzoekers hadden de netwerken waar beide mannen op terugvielen nauwelijks tot geen overlap.

De ingang van het appartement in de Yuri Gagarinstraat waar Mladic zich verschool. Een paar deuren verderop zat Karadzic. © Andres Testa / Hollandse Hoogte
De ingang van het appartement in de Yuri Gagarinstraat waar Mladic zich verschool. Een paar deuren verderop zat Karadzic. © Andres Testa / Hollandse Hoogte

De mannen traden het leven van een voortvluchtige ook op geheel tegengestelde wijze tegemoet. Karadzic hield zich schuil in de openbaarheid, met de nogal vergezochte nieuwe identiteit van een paranormaal genezer. Mladic kroop weg en hield zich staande met een militaristische zelfdiscipline, bande de mobiele telefoon uit zijn appartement en waagde zich zelden buiten de deur, behalve de enkele keer dat hij ’s avonds een wandeling maakte langs de Sava, met zijn enig overgebleven kind Darko.

Voor het handjevol mannen en vrouwen die het kleine kringetje om Mladic vormden, was hij zeer veeleisend. Alles wat hij at moest vers zijn, gekocht op dezelfde dag waarop het werd genuttigd. Alles wat ’s avonds niet was opgegeten, ging weg. Groente en fruit dienden te worden gekocht bij een aantal verschillende stalletjes, met als onzinnige reden dat het argwaan zou wekken om alles bij één iemand te kopen.

Het merendeel van zijn tijd als voortvluchtige bleef Mladic aandacht besteden aan zijn uiterlijk – hij waste en schoor zich elke dag. Een van zijn verzorgers vroeg hem een keer waarom hij al die moeite deed. Hij hoefde tenslotte geen zakenrelaties te ontvangen, zei ze. Hij antwoordde dat je er in het hiernamaals voor altijd uit zal blijven zien zoals op het moment van je dood. Hij was ook heel precies op zijn gebit, maar om een meer prozaïsche reden. Hij was bang dat een bezoekje aan de tandarts zijn veiligheid in gevaar zou brengen.

Zo zag Mladics leven eruit tot 12 maart 2003, toen een plotselinge gewelddaad het hele land weer in beroering bracht. Zoran Djindjic, de Servische premier, werd doodgeschoten door een sluipschutter toen hij een overheidsgebouw in Belgrado binnenging – vermoord in opdracht van een consortium van paramilitaire bendeleden en grote criminelen. Zij zagen de moord als een schot voor de boeg, als reactie op Djindjics plannen om de georganiseerde misdaad hard aan te pakken, en zijn toezegging om samen te werken met het tribunaal in Den Haag.

De aanslag op Djindjic kwam als een afschuwelijke schok in een land dat hunkerde naar een rustig bestaan, na alle chaos en bloedvergieten van het tijdperk Milosevic. De moordenaars hadden niet voorzien dat de daad een ongekende heftige tegenreactie in gang zou zetten bij allerlei veiligheidsdiensten. Er volgde een arrestatiegolf waarbij meer dan dertienduizend mensen werden opgepakt. Het kwam allemaal zo dichtbij dat Mladic zich genoodzaakt voelde zijn huisregels nog verder aan te scherpen. Tot dan toe was het team van beveiligers altijd bij hem geweest, de mannen hadden soms zelfs op de vloer geslapen. Na de moord op Djindjic ging Mladic naar een ander appartement, maar hij nam de bodyguards niet mee. Ze waren één telefoontje van hem verwijderd, en er was op elk willekeurig moment slechts één verzorger die zijn adres kende.

‘U heeft twee leuke dochters. Waarom zoekt u problemen?’

Hij had een handjevol van dergelijke verzorgers, mannen en vrouwen die telkens een aantal maanden dienst hadden. Hen werd te verstaan gegeven dat als Mladic zou worden ontdekt, zij ogenblikkelijk de verdenking op zich laadden. Ze kregen in cadeaupapier verpakte foto’s van hun kinderen of kleinkinderen, en er werd hen in herinnering gebracht dat Mladics kameraden wisten waar die woonden en op welke school ze zaten. Het waren de meest meedogenloze en doeltreffende dreigementen denkbaar, waar Mladics mannen zonder scrupules gebruik van maakten.

Er was alle reden om dreigementen uit het Mladic-kamp serieus te nemen. De mannen die de dreigementen uitten hadden een ronduit gewelddadig verleden, en er zijn bewijzen dat er mensen zijn omgebracht om Mladics verblijfplaats geheim te houden.

Op 5 oktober werden twee soldaten, Dragan Jakovljevic en Drazen Milovanovic, dood aangetroffen bij hun wachtpost bij de barakken van Topcider, een district van Belgrado. Het leger voerde een haastig onderzoek uit, met als conclusie dat de twee ruzie hadden gekregen, waarbij de een de ander had doodgeschoten en vervolgens uit wroeging de hand aan zichzelf had geslagen.

Onder druk van grote publieke verontwaardiging werd een burgercommissie ingesteld om de zaak te onderzoeken, maar die stuitte bij voortduring op een onwrikbare muur van onwil bij de generaals. De plaats delict werd door het leger geschonden. Volgens de jurist uit Belgrado, die aan het hoofd van de commissie stond, had een kolonel van de militaire inlichtingendienst een van de commissieleden benaderd met de woorden: ‘U heeft twee leuke dochters. Waarom zoekt u problemen?’

Uiteindelijk kwam de commissie tot de slotsom dat beide soldaten door een derde partij waren doodgeschoten, zonder verdere uitspraken te doen over die derde partij. De ouders van de slachtoffers kwamen meer en meer tot de overtuiging dat de beide mannen waren vermoord omdat ze er lucht van hadden gekregen dat Mladic zich schuilhield in het labyrint van tunnels dat onder de barakken door liep.

Topcider is haast een heuse ondergrondse stad, aangelegd tijdens het bewind van Tito, in de uitlopers van een heuvel in het centrum van Belgrado. Het is de plek waar Milosevic zich schuilhield tijdens de NAVO-bombardementen van 1999. Na de strijd in Bosnië werd een deel van het complex gebruikt als hoofdkwartier van het 30th Personnel Centre, totdat het in maart 2002 officieel werd ontmanteld. Er zijn onderzoekers die beweren dat het in het geheim is blijven functioneren, als schaduweenheid, tot lang na die datum.

Opgejaagd

Halverwege 2005 zat Mladic weer in Yuri Gagarin-straat, in een ander appartement. Hij voelde zich in toenemende mate opgejaagd. Mladics paranoia werd versterkt toen in september dat jaar ineens een politieagent voor de deur stond, die bezig was met een buurtonderzoek in verband met een incident elders in het gebouw. In december 2005 verhuisde hij naar Ljuba, een dorpje in de buurt van de noordelijk gelegen Servische plaats Sremska Mitrovica, waar een van de mensen uit zijn netwerk een buitenhuisje had. Het leek een wanhoopsdaad, zowel bedoeld om te voorkomen dat Mladic gek zou worden als om te voorkomen dat zijn verzorgers, die voortdurend in angst leefden en werden bedreigd, zouden doordraaien.

De landelijke periode zou niet erg lang duren, vermoedelijk omdat Ljuba zo’n kleine gemeenschap was dat het ondoenlijk was Mladic daar verborgen te houden terwijl het net zich steeds verder sloot om zijn geïsoleerde bestaan. Diezelfde maand werd Djogo opgepakt, en nog acht andere kameraden van de generaal. Mladic keerde het netwerk dat hem tot dan toe had gesteund ogenblikkelijk de rug toe, in de veronderstelling dat hij was verraden. Op 4 februari 2006 stond hij in het holst van de nacht voor de deur van zijn zwager Krsto Jegdic, die in Belgrado woonde. Hij drukte op de intercom en zei dat hij ‘De man uit Bosnië’ was. Jegdic meende dat het een broer was die in Bosnië woonde en hij drukte op het knopje van de deuropener. Maar toen zag hij Mladic voor de deur staan, met een rugzak en een plunjezak waarin zijn onafscheidelijke kameraden zaten: een Heckler & Koch-machinegeweer en twee pistolen.

Mladic was duidelijk gespannen en hij leek tientallen jaren ouder geworden vergeleken met de vorige keer dat Jegdic hem had gezien, maar dat weerhield hem er niet van bevelen te blaffen. Hij gelastte Jegdics zoon naar buiten te gaan om de chauffeur weg te sturen die hem had gebracht. In de tussentijd maakte Mladic een opmerking dat het leven van de jongen gevaar zou lopen als iemand hem zou verraden. Dit keer pakte Mladic gebruikelijke kwaadaardigheid echter uit in zijn nadeel. Jegdics vrouw was ziedend en zei dat ze weigerde onder één dak te verkeren met een familielid dat dergelijke dreigementen uitte. Dus bood Jegdic aan het ongewenste bezoek naar het huis te brengen van een andere broer, Miroslav, die zo’n dertig kilometer verderop woonde, in het dorpje Mala Mostanica.

Mala Mostanica is een lieflijk dorpje niet ver van de rivier de Sava. De huisjes liggen verspreid over een paar vierkante kilometer glooiend bosgebied. Het huis van Miroslav Jegdic bestaat uit drie nog niet helemaal voltooide verdiepingen van rode baksteen, met betonnen balkonnetjes zonder reling. Aan de achterkant staan kersenbomen en langs de westelijke muur kruipt wingerd omhoog tegen een gammel, geïmproviseerd latwerk. De eigenaar was in 2011 teruggekeerd naar zijn geboorteland Macedonië uit angst dat zijn band met Mladic aan het licht zou komen, en sindsdien was het in verval geraakt.

Toen ik zelf het dorpje aandeed, in 2013, kwam Miroslavs schoonzus, Djuka Jegdic, tevoorschijn uit een huis even verderop en stelde me allerlei vragen. Ze had gehoopt dat mijn tolk en ik, met ons notitieblok in de aanslag, makelaars uit Belgrado waren. De familie probeerde al jaren het huis te verkopen, zodat ze zouden kunnen vertrekken.

Djuka ontkende de verhalen dat ze eten had gekookt voor Mladic en Miroslav en dat ze ’s avonds met de mannen was gaan wandelen. Ze hield bij hoog en laag vol dat ze pas jaren later, nadat de generaal was opgepakt, te weten was gekomen dat hij zich daar had opgehouden. Later in ons gesprek gaf ze toe dat haar man, Vukasin, haar had verteld dat Mladic zich schuilhield in het huis van Miroslav, maar ze had haar man niet geloofd omdat hij steeds meer aftakelde.

‘Hij begon te hallucineren, en ik dacht dat dit ook een van zijn hallucinaties was. Hij zag allerlei mensen in zijn fantasie,’ zei ze. Achteraf gezien wijt ze zijn crisis aan de aanwezigheid van Mladic en aan de politie, die niet bepaald zachtzinnig te werk ging.

‘Ze hebben ons een keer allebei meegenomen, zonder dat we onze vijftienjarige zoon konden waarschuwen. Hij dacht dan ook dat we waren verdwenen en hij heeft in zijn eentje in huis op ons zitten wachten,’ vertelde ze, met tranen in haar ogen bij de herinnering. Tijdens een incident in april 2006 deden mannen van de BIA, de geheime dienst, in alle vroegte een inval in Mala Mostanica. Mladic, die het allemaal gadesloeg vanaf de eerste verdieping, door de kieren van jaloezieën, moet hebben gedacht dat het nu dan toch eindelijk met hem gebeurd was. Totdat hij zag dat de zwaar bewapende agenten zich groepeerden rond het verkeerde huis, namelijk dat van de verkeerde Jegdic – Vukasin.

De inval van 2006 was ongekend stom, of het moet expres zijn geweest – een poging om Mladic te waarschuwen dat hij moest verkassen

Een westerse onderzoeker die bij de jacht op Mladic was betrokken, zei: ‘Die inval van 2006 was ongekend stom, of het moet expres zijn geweest – een poging om Mladic te waarschuwen dat hij moest verkassen, en tegelijkertijd Carla del Ponte, de hoofdaanklager van het Joegoslaviëtribunaal, tevreden te stellen.’

Of het nou om een stommiteit ging of om een samenzwering, Mladic wist te ontkomen. Hij glipte door de achterdeur de bossen in en keerde pas de volgende ochtend terug. Een paar dagen later verliet hij Mala Mostanica, om er nooit meer terug te keren.

Met elke maand die verstreek, met elke nieuwe schuilplaats, werd het klimaat in Servië steeds ongunstiger voor Mladic. Zijn vrienden in het leger verlieten de actieve dienst, de bevolking was hem al bijna vergeten en maakte zich veel drukker om het feit dat Servië meer en meer in een isolement terechtkwam, en ook het politieke klimaat keerde zich meer en meer tegen hem. Djindjics voormalige rechterhand, Boris Tadic, werd in juni 2004 tot premier gekozen door de murw geslagen kiesgerechtigden die hun hoop hadden gevestigd op het Westen en de Europese Unie, al moest daar een prijs voor worden betaald: het uitleveren van de oorlogsmisdadiger aan Den Haag. In de zomer van 2008 kwamen er, na nieuwe verkiezingen, hervormingsgezinde mensen op de ministeries en op hoge posities binnen de veiligheidsdiensten.

Dat leidde tot een zekere euforie bij het Joegoslavië-tribunaal, waar men hoopte dat Mladic gauw gevangengenomen zou worden. Maar dat optimisme bleek ongegrond. De generaal was veel omzichtiger dan eerst en wist zich goed verborgen te houden. Zelfs onder het nieuwe bewind hield de BIA vast aan oude methoden, zoals het onder druk zetten van Mladics familieleden.

In 2008, toen het bedrijf van Mladics zoon Darko, dat computersystemen leverde, een deal ter waarde van achthonderdduizend euro wilde sluiten met een Servisch bedrijf, werd er een inval gedaan in de bedrijven van deze mogelijke zakenpartner in de westelijke stad Valjevo. Vijf uur lang werd alles door de politie ondersteboven gekeerd en onderzocht, waarop het bedrijf uiteindelijk toch terugdeinsde voor de deal. Darko’s vrouw, Biljana, merkte dat haar carrière als softwarespecialist bij een Servisch telecommunicatienetwerk eronder leed. Ze werd gedegradeerd en overgeplaatst van het hoofdkwartier in Belgrado naar een filiaal in een of andere buitenwijk.

Het onder druk zetten van de familie haalde niets uit, zoals te verwachten was. Niemand in Mladics familie zou hem ooit verraden, al helemaal niet omdat de familie bescherming genoot van een instantie die veel machtiger was dan de BIA; de Russische geheime dienst (FSB). In het Rusland van Vladimir Poetin wilde de geheime dienst – de opvolger van Poetins vroegere werkgever, de KGB – om verschillende redenen voor Mladic in de bres springen. Moskou beschouwde hem als een Slavische oorlogsheld die in het nauw werd gedreven door westerse machten die hun invloed wilden verstevigen in Servië – van oudsher een bondgenoot van Rusland. Voor wie de wereldpolitiek beschouwt als nulsomspel zou een succes van het Westen, met de arrestatie van Mladic, een strategische tegenslag betekenen voor Rusland. Daarnaast waren de Russen bang voor wat Mladic zou kunnen onthullen over de Russische steun aan de Servische Republiek ten tijde van de etnische zuivering.

De BIA-pogingen om het netwerk rond Mladic te bewerken kregen steeds meer weg van een kat-en-muisspel met de FSB. ‘Telkens wanneer we een van de mensen uit zijn directe omgeving bijna zover hadden gekregen dat hij bereid was mee te werken, volgde er een langdurig gesprek op de Russische ambassade, waarna hij opeens huiverig werd om nog met ons te praten,’ herinnert zich Miodrag Rakic, de man die tijdens het premierschap van Tadic belast was met de jacht op Mladic. Hij vermoedt dat Rusland met enige regelmaat geld overmaakte aan de familie en de entourage van Mladic, om te voorkomen dat ze uit geldzorgen de verblijfplaats van de generaal zouden verraden.

Mensen zoeken beschutting tegen een Servische sniper in de Bosnische hoofdstad Sarajevo, in 1993. Tienduizend mensen vonden de dood gedurende het drie jaar durende beleg van de stad door troepen onder bevel van Ratko Mladic. – © Chris Helgren / Reuters
Mensen zoeken beschutting tegen een Servische sniper in de Bosnische hoofdstad Sarajevo, in 1993. Tienduizend mensen vonden de dood gedurende het drie jaar durende beleg van de stad door troepen onder bevel van Ratko Mladic. – © Chris Helgren / Reuters

Rakic voelde haast hoe de FSB over zijn schouder meekeek. In 2008 bracht hij samen met een collega in het geheim een bezoek aan het Joegoslaviëtribunaal om het over Mladic te hebben. Ze vlogen via een omweg en ze werden door Nederlandse beveiligingsmensen rechtstreeks naar de ondergrondse parkeergarage van het tribunaal gebracht. Maar eenmaal weer thuis kreeg Rakic bezoek van een van Mladics aanhangers bij de geheime dienst, die hem waarschuwde dat zijn gezin gevaar zou lopen als hij het Strafhof zijn medewerking zou blijven verlenen. Om elke mogelijke twijfel weg te nemen over de ernst van het dreigement somde de man alle activiteiten op van Rakics zoontje.

Rakic was geschokt door het dreigement en ontkende dat hij zijn medewerking verleende aan het Strafhof, beweerde zelfs nog nooit van zijn leven in Den Haag te zijn geweest. Zonder een woord te zeggen pakte zijn bezoeker een papier en maakte een schets van een vergadertafel. Vervolgens schreef hij een voor een de namen op van de mensen die aanwezig waren geweest bij de bijeenkomst in Den Haag, en hij kon precies aanwijzen wie waar had gezeten. Het meest huiveringwekkende moment in zijn leven, zegt Rakic. Vanaf dat moment tot aan zijn dood in 2014 als gevolg van kanker, heeft hij geen stap meer gezet zonder twee man bewaking.

Voor hem stond als een paal boven water dat alleen de FSB over de methoden beschikte om zo diep door te dringen in het tribunaal in Den Haag. Zodoende besloot Rakic in 2010 om een directe confrontatie aan te gaan met de Russen. Op een internationale conferentie in Moskou nam hij Nikolai Patroesjev apart, Poetins meesterspion, voormalig hoofd van de FSB, en voorzitter van de Russische Veiligheidsraad.
***
‘Ik voel een ijzige wind uit het oosten die ons in het gezicht slaat,’ zei Rakic tegen Patroesjev. De Russen beweerden dat ze van hogerhand opdracht hadden gekregen om Mladic te beschermen, en daarmee doelde hij duidelijk op Poetin in eigen persoon. Binnen het Kremlin had Patroesjev niemand boven zich.

‘Ik zal met mijn bazen praten en kijken wat ik kan doen,’ kwam Patroesjev hem tegemoet. Wat er ook is gezegd of voorgevallen in Poetins Veiligheidsraad, het miste zijn uitwerking niet. De Russische steun voor het netwerk van Mladic viel weg. Zelfs Moskou liet de generaal vallen.

Mladic was nog altijd banger om gevangen te worden genomen dan om een eenzame, ellendige dood te sterven

Zo kwam er uiteindelijk een einde aan Mladics bestaan als voortvluchtige in de vervallen boerderij van zijn neef Branislav, in het plaatsje Lazarevo in het noorden van Servië. Hij woonde in een enkel kamertje vol troep, en met slechts een klein elektrisch kacheltje. Zijn gezondheid was ernstig achteruit gegaan en op een dag trof Branislav hem languit op de vloer aan, nadat hij kennelijk een beroerte had gehad. Maar Mladic was duidelijk nog altijd banger om gevangen te worden genomen dan om een eenzame, ellendige dood te sterven, en hij weigerde dan ook om naar het ziekenhuis te gaan. Inmiddels was hij vrijwel volkomen geïsoleerd. Zijn vrouw noch zijn zoon mocht op bezoek komen. Maar ondanks al deze voorzorgsmaatregelen was het uiteindelijk toch het verlangen naar zijn gezin dat hem noodlottig werd.

Op 6 mei 2008 ging Darko met zijn kinderen, Anastasija en Stefan, naar zijn familie op het platteland, in Lazarevo, om Georgius-dag te vieren, een belangrijke feestdag in Servië. Het feest zou plaatsvinden in het huis van een ander familielid, maar het gezin maakte een omweg via het huis van Branislav, waar ze naar de binnenplaats liepen en daar om onduidelijke reden twintig minuten bleven staan voor ze weer vertrokken. De agenten die hen volgden begrepen er niets van. Pas na de arrestatie van Mladic werd duidelijk wat ze daar te zoeken hadden gehad.

‘Hij keek naar hen door het raam. Hij was er slecht aan toe. Hij wilde niet dat de kinderen hem zouden zien, maar hij wilde hen wel heel graag zien,’ zei Tadic. ‘Vervolgens belde Mladics gezin twee keer in drie dagen naar Lazarevo. Waarom twee keer? Zo zijn we uiteindelijk op het spoor van dat huis gezet.’

Op het moment dat op 26 mei 2011 de zon opkwam, gingen agenten in burger van een speciale oorlogsmisdadeneenheid naar het dorp om de huizen van de neven te doorzoeken.

Twee van hen liepen de trap op in het huis van Branislav en zagen een deur op een flinke kier staan. Er bevond zich iets of iemand achter die deur. Toen ze hem openduwden zagen ze een kamer vol rotzooi waar duidelijk iemand woonde. Ze wierpen een blik achter de deur en zagen daar een oude man met een zwart honkbalpetje.

De mannen vroegen hem naar zijn identiteitsbewijs en dat gaf hij hen. Ratko Mladic stond erop, maar de mannen konden het nauwelijks geloven. Het oude, rimpelige mannetje leek in niets op de zelfingenomen generaal die ze hadden verwacht aan te treffen.

‘Wie bent u?’ wilden ze weten.

‘Jullie hebben gevonden naar wie jullie op zoek zijn,’ antwoordde de man met een zweem van trots in zijn stem. ‘Ik ben Ratko Mladic.’ Er was een einde gekomen aan veertien jaar op de loop zijn.

Het gebouw van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, waar Mladic in juni 2011 voor het eerst werd voorgeleid. – © Michel Porro / Getty Images
Het gebouw van het Joegoslavië-tribunaal in Den Haag, waar Mladic in juni 2011 voor het eerst werd voorgeleid. – © Michel Porro / Getty Images

Mladic had ooit tegen zijn oudere neef Branislav gezegd dat hij hem moest doodschieten mocht hij levend dreigen te worden gepakt. Hij had hem het zelfs het wapen laten zien dat hij daarvoor zou moeten gebruiken. De ochtend dat Mladic werd opgepakt was Branislav echter niet thuis. Maar zoals Branislav later tegen Saljic zei, zou hij hoe dan ook niet in staat zijn geweest de trekker over te halen. Evenmin als Mladic daar zelf toe in staat was geweest, zo bleek. Zijn Heckler & Koch werd onder in een kast aangetroffen, tussen zijn vuile sokken.

President Tadic was bezig aan zijn ochtendgymnastiek toen hij werd gebeld door Sasa Vukadinovic, het hoofd van de BIA die net op dat moment een officieel bezoek bracht aan Washington maar door zijn medewerkers op de hoogte werd gehouden.

‘Volgens mij hebben we Mladic,’ zei Vukadinovic. De kwijnende gevangene werd in een politieauto van Lazarevo naar Belgrado gebracht. De premier was inmiddels zeer opgetogen. De jacht op Mladic zou bepalend zijn voor zijn premierschap. Al meer dan vijf jaar oefende de internationale gemeenschap druk op hem uit om Mladic in te rekenen. Als het werkelijk om de voortvluchtige generaal bleek te gaan, was dit het hoogtepunt van zijn carrière.

Hij vroeg of er een DNA-test kon worden gedaan, maar kreeg te horen dat de uitslag dagen op zich zou laten wachten. ‘Wat hebben jullie verder voor bewijzen?’ wilde Tadic weten.

‘Volgens de mannen die hem hebben opgepakt is hij het,’ luidde Vukadinovics antwoord. ‘Zodra we hem hier hebben, sturen we een paar foto’s.’

Een klein uurtje later werden de foto’s verstuurd, gedownload, geprint en naar Tadic gebracht.

Na er één blik op te hebben geworpen zie de premier zonder aarzeling: ‘Dit is Ratko Mladic!’

Saljic werd ontboden bij de speciale rechtbank voor oorlogsmisdaden in Belgrado, om zijn zo lang verloren gewaande cliënt te bezoeken. Hij was geschokt toen hij Mladics cel binnenkwam. ‘Hij had letterlijk een blauwe huid en zijn mond en zijn hele gezicht waren vertrokken. Op straat zou ik hem zo voorbij zijn gelopen,’ vertelde de advocaat. Toen de oude man Saljic zag stond hij op en viel hem snikkend om de hals.

De volgende ochtend bracht Rakic de gevangene zijn ontbijt, en wat foto’s van zijn familie. ‘Hij was doodsbang. Hij vroeg of ik hem kwam doden. Ik zei: Nee – ik kom alleen wat te eten brengen,’ zei Rakic. Hij probeerde gebruik te maken van het feit dat de gevangene ineens zo kwetsbaar was door hem te vragen naar de netwerken die hem hadden geholpen. ‘Jullie hebben me nu,’ snauwde de gevangene. ‘Wat wil je nog van die mensen? Ze hebben zich voor mij opgeofferd. Laat ze met rust.’

Saljics pogingen om te voorkomen dat Mladic werd uitgeleverd aan Den Haag, vanwege zijn slechte gezondheid, mislukten. Mladic’ proces bij het Internationaal Strafhof voor het voormalige Joegoslavië in Den Haag begon in juni 2011 en is nog altijd niet afgerond. Ondertussen heeft een rechter in Belgrado besloten de laatste wens van de verslagen generaal op Servische bodem in te willigen: een bezoek aan het graf van zijn dochter, Ana, de kwetsbare jonge vrouw die zich zeven jaar eerder met zijn pistool van het leven had beroofd.

Mladic werd drie kwartier bij het graf gegund en zijn bewakers bleven respectvol op enige afstand. Ze stonden in een terneergeslagen kringetje om hem heen. ‘Je zag zijn lippen bewegen,’ herinnerde Rakic zich. ‘Hij praatte met haar.’

Julian Borger is World Affairs Editor bij The Guardian. Voorheen was hij voor de krant correspondent in de VS, het Midden-Oosten, Oost-Europa en de Balkan. Dit is een fragment uit zijn boek The Butcher’s Trail, gepubliceerd met toestemming van Other Press.  


Deel dit artikel


Recent verschenen