Dat François Hollande zich heeft teruggetrokken als presidentskandidaat is ongekend sinds het begin van de Vijfde Republiek, maar past wel in de afkalving van het ambt, schrijft commentator Alain Duhamel.
Normale presidenten bestaan niet meer, en een gelukkig presidentschap evenmin. François Hollande heeft ernstig, weemoedig en waardig aangekondigd af te zien van een tweede termijn. Hij had geen keus, maar hij pakte het goed aan. Met deze vernedering, die respect afdwong, wilde hij ook het verzwakte presidentschap beschermen.
Twee keer eerder kreeg een zittende president – eerst Valéry Giscard d’Estaing en later Nicolas Sarkozy – geen tweede termijn, een bewijs van de verzwakking van het instituut. François Hollande, wiens kandidatuur bij de eerste ronde al geen vanzelfsprekendheid was, wilde niet het risico lopen dat hij door zijn eigen sympathisanten werd afgewezen. Deze ongekende situatie toont aan dat in de Vijfde Republiek, die nu juist was bedoeld om het primaat van de uitvoerende macht te herstellen, het presidentschap ontheiligd is.
Aan de kaak gesteld
Dat presidentschap was sinds 1958 niet alleen de hoeksteen van de Franse instituties, maar ook het dwangmatige middelpunt van het politieke leven. Een president van de Vijfde Republiek beschikt over meer macht en privileges dan enig ander democratisch gekozen staatshoofd. Het is dus de Franse specificiteit die momenteel wankelt.
De burgers houden terecht vast aan hun grote democratische macht, die erin bestaat dat ze zelf hun president kiezen. De keuze voor een president is daarmee elke vijf jaar de grondslag van de Franse democratie. Maar tegelijkertijd wordt de macht van de republikeinse monarch die door het soevereine volk is gekozen voortdurend aan de kaak gesteld. Sinds Georges Pompidou heeft elke president ofwel een coalitie moeten sluiten (François Mitterand en Jacques Chirac), en dus een groot deel van zijn macht uit handen moeten geven, of hij is er niet in geslaagd een tweede termijn te vervullen (Valéry Giscard d’Estaing en Nicolas Sarkozy) of heeft zelfs van een poging daartoe moeten afzien (François Hollande).
Dat de Fransen dol zijn op hun presidentiële instituut, weerhoudt hen er niet van om hun president genadeloos af te straffen. Daarmee wordt het verketteren van de gekozen president een nationaal ritueel. De democratie van de Vijfde Republiek bestaat uit het kiezen en vervolgens afbranden van de gekozen leider. De Fransen blijven monarchistische koningsmoordenaars of bonapartisten die in opstand komen tegen de keizer.
Dit heeft, zoals in alle democratieën, duidelijk te maken met de crises die zich al meer dan veertig jaar aaneenrijgen en die door regeringen niet of nauwelijks bedwongen kunnen worden. Het wordt nog versterkt door de extreme verpersoonlijking van het presidentiële systeem die door de dagelijkse informatiestroom wordt gevoed en waarmee de sociale netwerken nietsontziend de vloer aanvegen.
De macht van de president is nog nooit zo zichtbaar en tegelijkertijd zo omstreden geweest. De vijfjarige ambtstermijn heeft dit proces alleen maar verergerd. Door de beknotting van het politieke leven en de druk om zich na twee of drie jaar presidentschap alweer tot een toekomstige kandidaat te transformeren, is het staatshoofd een deerniswekkend mikpunt geworden dat weldra uitgroeit tot een zondebok. De hypergemediatiseerde vijfjarige ambtstermijn is een roofdier, temeer omdat de nog maar nauwelijks gekozen president zich al snel in een minderheidspositie bevindt als gevolg van stemonthouding en snelle afbraak van de parlementaire meerderheid, die leidt tot oppositionele sabotage. Het Franse presidentschap is een monument dat met verwoesting wordt bedreigd.
Nicolas Sarkozy sloeg op hol, François Hollande liet alles op zijn beloop. De een was veel te autoritair, de ander veel te weinig
Maar ook de laatste presidenten zelf zijn hiervoor verantwoordelijk geweest. Jacques Chirac verzuimde de republiek te verenigen na zijn overwinning op Jean-Marie Le Pen. Nicolas Sarkozy, zo energiek tijdens crises, spreidde een deplorabele stijl en een pathologische alomtegenwoordigheid tentoon terwijl François Hollande, zodra hij het Palais de l’Elysée betrad, zich juist omgekeerd gedroeg, tot in het extreme. Nicolas Sarkozy communiceerde veel te veel, zijn opvolger vermeed iedere vorm van communicatie. Behalve bij dramatische gebeurtenissen (aanslagen, militaire initiatieven) heeft hij zich wars getoond van theater. Geen sterke symbolen, geen spectaculaire gebaren, geen grootse, principiële toespraken à la Mitterand, terwijl hij een uitstekende spreker kan zijn. Nooit een duidelijke politieke lijn, terwijl het hem in kleine kring niet aan scherpzinnigheid of coherentie ontbrak. Maar in het openbaar was het een en al wolligheid, contradicties en getalm. Alles wat hij goed deed werd op slag onzichtbaar, en alles wat hij verkeerd deed te zichtbaar. Nicolas Sarkozy sloeg op hol, François Hollande liet alles op zijn beloop. De een was veel te autoritair, de ander veel te weinig.
Een zevenjarige ambtstermijn lijkt dus een veel redelijker keuze dan een vijfjarige. Maar één wezenlijk feit blijft: een rechtstreeks gekozen president moet de belichaming zijn van de macht, een krachtige lijn uitzetten en zich zo coherent mogelijk tonen tussen de verovering en de uitoefening van zijn ambt. Een utopie?
Auteur: Alain Duhamel
Libération
Frankrijk | dagblad | oplage 151.000
‘Libé’ werd in 1973 opgericht door o.a. Sartre n.a.v. de studentenrevolte van mei 1986 tegen kapitalisme, consumisme en traditionele instituties.

