de syrische moordmachine een getuigenis


Caesar, een Syrische militaire fotograaf, smokkelde schokkend bewijsmateriaal uit de kerkers van Bashar al-Assad waar duizenden burgers werden gemarteld en vermoord. Alles werd methodisch in kaart gebracht en gefotografeerd. Door onder andere Caesar. Hij vertelde zijn aangrijpende verhaal voor het eerst aan The Guardian.

Keuze uit het archief

Na het begin van de Syrische burgeroorlog was Bashar al-Assad door zijn wrede optreden tegen de eigen bevolking een paria in de Arabische wereld. Daar is nu echter verandering in gekomen. Regeringsleiders uit de regio gingen op bezoek in Damascus en Syrië is weer toegetreden tot de Arabische Liga. Dit artikel uit 2015 laat zien waarom het onvoorstelbaar is dat Al-Assad weer wordt gerehabiliteerd. Zijn regime heeft inmiddels een half miljoen moorden op zijn geweten en zeven miljoen ontheemden.

Twee jaar lang, tussen 2011 en 2013, heeft de voormalige Syrische militaire fotograaf die bekend is geworden onder de naam Caesar, met behulp van een politiecomputer duizenden foto’s gekopieerd van gedetineerden die in de gevangenissen van Bashar al-Assad dood werden gemarteld. In de pers zijn talloze verhalen verschenen over de man die erin was geslaagd om verbijsterend bewijsmateriaal van misdaden tegen de menselijkheid het land uit te smokkelen – met gevaar voor eigen leven en dat van zijn familie – maar hij was nog nooit geïnterviewd.

Twee jaar lang maakte deze man maand in, maand uit foto’s van gemartelde, uitgemergelde en verbrande lichamen. Zijn opdracht was om de lijken te fotograferen zodat de foto’s bij het dossier van de gevangene konden worden gevoegd. Daarna kopieerde hij deze foto’s in het geheim en zette ze op usb-sticks, smokkelde die verstopt in zijn schoen of zijn riem zijn kantoor uit en gaf ze aan een vriend die ze het land uit kon krijgen.

De terroristen van IS tonen hun wreedheden pontificaal in de sociale media; de Syrische staat verbergt zijn wandaden in de stilte van zijn kerkers. Voordat Caesar hiermee begon, had niemand van binnenuit bewijzen geleverd van het bestaan van de Syrische moordmachine. Maar deze foto’s en documenten waren vernietigend.

Ik moest die Caesar zien te vinden. De spectaculaire opmars van IS en het groeiende aantal terroristische aanslagen overschaduwden de onthullingen over de wreedheden van het Syrische regime. Het conflict telde al meer dan 220.000 doden. De helft van de burgerbevolking had zijn huis moeten verlaten, anderen waren gebombardeerd, hun steden en dorpen bestookt door het leger van Assad. De foto’s van Caesar konden de misdaden van Damascus weer onder de aandacht brengen. Hij moest gevonden worden. Journalisten van overal ter wereld waren al naar hem op zoek. Ik wist dat het moeilijk zou zijn – en dat was het ook. Tweemaal had ik mijn zoektocht bijna opgegeven, maar ik ben doorgegaan, want deze man moest echt gehoord worden. Zijn getuigenis is essentieel als we willen begrijpen hoe door en door slecht het regime is.

De groep die Caesar beschermde – leden van de Syrische Nationale Beweging, een gematigde islamitische oppositiepartij – begreep dat het mij niet te doen was om een primeur te scoren, maar dat ik wilde afdalen in de duisternis. Ik wilde de Syriërs een stem geven en iets wezenlijks doen voor de komende generaties. Na enkele maanden onderhandelen kreeg ik toestemming voor een ontmoeting met Sami, de man die het nauwst met Caesar had samengewerkt, de vriend die hem de twee jaar dat dit project duurde had gesteund. Ik heb met Sami geskypet, vier keer, uren achter elkaar. Na een half jaar was Caesar bereid om te praten.

De eerste bijeenkomst verliep gespannen: zij waren op hun hoede, ik was bang om hen ‘kwijt te raken’ als ik de verkeerde vragen zou stellen – als ik te snel met te gedetailleerde vragen zou komen. Maar uiteindelijk heeft Caesar verscheidene keren met me gesproken, bij elkaar meer dan veertig uur. En die gesprekken heb ik opgenomen. Het resultaat is een poging om de waarheid boven tafel te halen. Maar het is nog maar een begin. Dit is zijn verhaal.

Ik ben Caesar

Ik ben Caesar. Ik werkte vroeger voor het Syrische regime, als fotograaf bij de militaire politie in Damascus. Ik ga u vertellen over mijn werk voor de opstand en de eerste twee jaar van de opstand, maar ik kan niet alles onthullen, want misschien herkent het regime me aan de hand van bepaalde details. Ik ben een vluchteling in Europa. Ik ben bang dat ze me zullen vinden en uit de weg zullen ruimen, of wraak zullen nemen op mijn familie.

Voor de oorlog bestond mijn werk uit het fotograferen van de locatie en het slachtoffer van een misdaad of een ongeluk waarbij militair personeel betrokken was. Bij een zelfmoord bijvoorbeeld, of een verdrinking, een verkeersongeval of een brand. Maak een foto van die man, of van dat object, zei de rechercheur als we op de plek waren aangekomen. Ons werk was een aanvulling op hun werk. Als er bijvoorbeeld geschoten was in een kantoor, fotografeerden we de plek waar het lichaam was gevonden, en daarna fotografeerden we het lijk in het mortuarium om te laten zien waar de kogel het lichaam was binnengedrongen en weer had verlaten. Ook fotografeerden we bewijsmateriaal, zoals een vuurwapen of een mes. Als het om een verkeersongeluk ging, maakten we foto’s van de locatie en de auto. Daarna gingen we terug naar kantoor en werd er een proces-verbaal opgemaakt, met onze foto’s erbij. Dat werd dan naar de militaire rechtbank gestuurd, zodat de juridische procedure kon beginnen.

Expositie van de foto’s van Caesar.
Expositie van de foto’s van Caesar.

Destijds was die dienst populair onder de lagere rangen. Veel van hen wilden graag bij ons werken, omdat je er niet hard hoefde te werken. Om de twee, drie dagen hadden we een klus, en de keus was aan ons of we een uniform droegen of niet. De hogere rangen stonden niet te trappelen. Er was weinig aanzien verbonden aan het leiding geven aan fotografen en archivarissen, en de militaire politie genoot sowieso weinig gezag – anders dan de inlichtingendiensten. Bovendien hadden we in ons werk niet te maken met gewone burgers, dus er was geen mogelijkheid om smeergeld te innen, zoals bij de douane bijvoorbeeld, of bij een ministerie. En we hadden geen invloed op de veiligheidsdiensten of het leger.

In de hogere rangen had men weinig belangstelling voor ons werk – onze afdeling telde niet mee. Dat was er gewoon een van de vele. De militaire politie kende tientallen afdelingen. Alleen in Damascus al waren er minstens dertig: fotografen, chauffeurs, monteurs, sportinstructeurs, de brigade die gevangenen vervoert tussen de verscheidene onderdelen van de militaire inlichtingendienst, enzovoort. Maar de belangrijkste mensen zijn natuurlijk degenen die de leiding hebben over het onderzoek en de gevangenissen.

Op een dag vertelde een collega dat we lichamen van burgers zouden gaan fotograferen. Hij had net in de provincie Daraa (waar de eerste grote vredesdemonstraties plaatsvonden) de lijken van demonstranten gefotografeerd; dat was in de eerste week van de burgeroorlog, in maart of april 2011. Huilend vertelde hij me: ‘De soldaten takelden de lichamen vreselijk toe. Ze stampten er met hun laarzen op en schreeuwden: “Klootzakken!”’

Hij wilde niet terug – hij was bang. Toen ik de opdracht kreeg om de foto’s te maken, kon ik met eigen ogen zien wat hem zo van streek had gemaakt. De officieren zeiden dat de doden terroristen waren; maar dat was niet zo, het waren gewoon demonstranten. De lijken werden opgeborgen in het mortuarium van het militaire hospitaal Tishreen, niet ver van het hoofdkwartier van de militaire politie.

In het begin hadden de lijken nog wel een naam, maar na een tijdje – na een paar weken of een maand – kregen ze alleen een nummer. In het mortuarium haalde een soldaat de lichamen uit de koelladen, plaatste ze op de betegelde vloer zodat wij ze konden fotograferen, en legde ze daarna weer terug. Wanneer ze ons opriepen voor een fotosessie, was er vóór ons altijd al een patholoog-anatoom bij de lichamen geweest. Net als wij droegen ze geen uniform, maar het waren officieren. De eerste paar maanden waren het lagere officieren, maar toen werden ze vervangen door officieren van een hogere rang.

Wanneer de lichamen aankwamen in het ziekenhuis, kregen ze altijd twee nummers, geschreven op een stukje tape of met viltstift rechtstreeks op hun voorhoofd. De tape was van een slechte kwaliteit en liet vaak los. Het eerste nummer was dat van de gevangene, het tweede van de afdeling van de inlichtingendienst waar hij gevangen had gezeten. De patholoog-anatoom, die al eerder op de ochtend was aangekomen, gaf hem dan nog een derde nummer, voor zijn medische rapport. Dat was het belangrijkste nummer voor ons dossier. De andere twee waren vaak nauwelijks leesbaar of gewoon onjuist. Soms werd er een vergissing gemaakt. De patholoog-anatoom schreef het medische nummer op een kaartje. Hij, of iemand van de inlichtingendienst, zette het kaartje naast het lijk of hield het in zijn hand terwijl wij de foto namen. Dat zijn de handen die je ziet op de foto’s die ik naar buiten heb gesmokkeld. Soms zie je zelfs de voeten van de patholoog-anatoom of van de veiligheidsagent naast het lijk.

Sommigen hadden diepe sneeën, bij anderen waren de ogen uitgestoken, hun tanden kapot geslagen

De pathologen-anatomen waren onze superieuren. We mochten niet met ze praten, laat staan vragen stellen. Als een van hen ons een opdracht gaf, voerden we die uit. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: ‘Fotografeer deze lichamen van nummer 1 tot en met 30, en dan wegwezen.’ Om de identificatie te vergemakkelijken voor iemand die de dossiers doorzocht, maakten we meerdere foto’s van ieder lijk – een van het gezicht, een van het hele lichaam, een van opzij, een van de borst, een van de benen. De lichamen waren geordend op afdeling – zo was er bijvoorbeeld een plek voor afdeling 215 van de militaire inlichtingendienst en een voor de inlichtingendienst van de luchtmacht. Dat vergemakkelijkte het fotograferen en het archiveren.

Ik had nog nooit zoiets gezien. Voor de opstand martelde het regime gevangen om informatie los te krijgen, nu martelden ze om te doden. Ik zag sporen van brandende kaarsen, een keer de ronde afdruk van een kookplaatje dat ze op iemands gezicht en zijn haar hadden gedrukt. Sommigen hadden diepe sneeën, bij anderen waren de ogen uitgestoken, hun tanden kapot geslagen, je kon de sporen zien van de startkabels waarmee ze waren geslagen. Er waren etterende wonden, alsof die nooit waren behandeld en waren gaan ontsteken. Soms zaten de lichamen onder het bloed dat er nog vers uit zag. Kennelijk waren die mensen kort tevoren overleden.

rtr4su4n

Ik moest vaak even pauzeren om niet in huilen uit te barsten. Dan hield ik mijn gezicht onder de kraan. Thuis ging het ook niet zo goed met me. Ik was veranderd. Van nature ben ik heel kalm, maar nu was ik snel geïrriteerd – bij mij ouders, mijn broers en mijn zussen. Echt, ik was doodsbang. Beelden van de dingen die ik overdag had gezien, kwamen steeds weer terug. Ik stelde me voor dat mijn broers en zussen die lijken waren. Ik werd er ziek van.

Ik kon er niet meer tegen en ik besloot te gaan praten met mijn vriend Sami.

Vanaf een bepaald moment werden de lijken naar het militaire hospitaal Mezzeh gebracht, dat veel groter is dan het Tishreen. De officiële naam is Hospital 601. Terwijl het Tishreen op vijf minuten rijden van ons kantoor lag, kostte het ons een half uur om bij het Mezzeh te komen. Het was makkelijker om de lichamen in het Tishreen te fotograferen, omdat er in het mortuarium, of als dat vol was in de gangen, geen daglicht kwam. Bij het Mezzeh werden ze in de buitenlucht op de grond gekwakt, op een van de locaties waar de auto’s werden onderhouden. Het ziekenhuis staat aan de voet van de heuvel waar de presidentiële garde zijn basis heeft. Op sommige foto’s is die heuvel te zien, met het wachtershuisje en de bomen die aan de rand van het terrein staan. Het presidentiële paleis ligt erachter, een eindje heuvelopwaarts. Naast het fotograferen van de lichamen moesten we ook dossiers van ze aanleggen. We moesten de foto’s printen, sorteren op categorie, op kaarten plakken en dan archiveren. We gingen methodisch te werk: iemand printte de foto’s, een andere plakte of niette ze op een kaart en een derde schreef de rapporten. Onze superieuren tekende die en dan stuurden we ze naar de militaire rechtbanken. Voor de opstand hadden we alleen te maken met de lichamen van soldaten. Daarna deden we hetzelfde werk, maar dan met de lijken van burgers.

De aantallen namen toe, vooral na 2012. Het werk ging maar door. De officier die de leiding had over onze afdeling schreeuwde ons toe: ‘Waarom is het werk niet af? De lijken stapelen zich op! Vooruit, schiet op!’ Hij dacht dat we een beetje aan het lanterfanten waren, maar we konden echt niet sneller. Er kwamen steeds meer lijken, en omdat er mensen uit onze dienst overliepen naar de rebellen, bleven we met steeds minder over. De garage bij het Mezzeh slibde dicht met lijken waar we niet aan toekwamen. In de hete zon bleven die lijken niet lang goed, vooral als ze er al een paar dagen lagen. Zelfs de soldaten raakten ze niet meer aan – ze verschoven ze met de punten van hun laarzen, respectloos. De lijken lagen te rotten. We zagen een keer een vogel pikken in het oog van een lijk. Ook insecten stortten zich op de lijken. En de stank… die raakten we niet meer kwijt, daar werden we gek van. Maar we moesten ermee om zien te gaan, en ten slotte werd het gewoon een onderdeel van ons leven.

Niets voelen

We werkten van acht uur ’s morgens tot twee uur ’s middags, dan een pauze tot zes of zeven uur ’s avonds en daarna werkten we nog tot tien uur op kantoor. We maakten lange dagen omdat we alles af wilden krijgen, want we wisten dat er de volgende dag weer nieuwe lichamen moesten worden gefotografeerd.

Een paar keer per week bracht ik de foto’s naar Sami. Wanneer ik alleen op kantoor was, zette ik ze op een usb-stick die ik van hem had gekregen, maar ik was altijd bang dat er iemand binnen zou komen die zou zien wat ik aan het doen was. Als ik wegging, verstopte ik de stick in mijn schoen of in mijn riem. Onderweg naar huis kwam ik langs vier of vijf militaire controleposten. Ik was doodsbang. Ik wist niet wat ze zouden doen. De soldaten konden me net zo goed gaan fouilleren, ook al had ik een legerpasje.

Op een computerscherm naar de foto’s kijken was nog pijnlijker dan het fotograferen van de lichamen. Daar buiten, met al die lijken om ons heen, konden we niet even rustig aan doen. De patholoog-anatoom joeg ons op, en agenten van de veiligheidsdiensten bekeken ons en letten op onze reacties. In Syrië houdt iedereen iedereen in de gaten. En omdat we geen vragen mochten stellen, was het makkelijker om foto’s te maken als we niet goed naar de verwondingen keken; het was makkelijker om te proberen niets te voelen.

Terug op kantoor hadden we echter de tijd – niemand die ons lastigviel. Als we dan die foto’s afdrukten en ze op die kaarten plakten, konden we niet meer wegkijken. Het was verschrikkelijk. We zagen het vlak voor ons: de gevangene kwam voor onze ogen weer tot leven. We konden het lichaam goed bekijken, we zagen de martelingen voor ons, we voelden de klappen. Daarna moesten we het verslag schrijven – alsof wat we hadden gezien nog steviger in ons geheugen werd geprent. Na een maand in de cel was het gezicht van een gedetineerde volkomen veranderd – zozeer zelfs dat we hem niet langer herkenden.

‘Hoe bedoel je, hij leeft nog? Wat moet ik nu? Dat gooit mijn hele nummering in de war!’

Een vriend van me overleed in de gevangenis. We fotografeerden zijn lichaam zonder te weten wie hij was. Pas veel later, toen ik voor zijn vader discreet op zoek ging naar informatie over hem, besefte ik dat zijn foto door onze handen was gegaan en dat ik hem niet had herkend. Hij had maar twee maanden in de gevangenis gezeten. En hij was iemand die ik, voordat hij was gearresteerd, bijna dagelijks zag.

De militaire politie had zijn vader verteld dat zijn zoon in de gevangenis was overleden. Dat wilde de vader niet geloven. Ik moest hem vertellen dat het echt waar was: ‘Ik heb contact gezocht met het militaire hospitaal en zij hebben bevestigd dat uw zoon dood is.’ Sterker nog, ik had in onze archieven gekeken en de foto gevonden. Dat mocht ik hem natuurlijk niet vertellen. Niemand wist dat elk lijk van een gedetineerde standaard werd gefotografeerd voordat het in een massagraf werd gedumpt.

Op een dag was een van mijn collega’s bij het Mezzeh. Lijken lagen er naast elkaar. Toen hij er overheen gebogen stond, kreeg hij de indruk dat er een nog leefde. Die ademde heel zachtjes. ‘Moet ik hem wel fotograferen? Hij leeft nog,’ zei mijn collega tegen de soldaten die verantwoordelijk waren voor het vervoer van de lijken.

De patholoog-anatoom arriveerde en was woedend. ‘Hoe bedoel je, hij leeft nog? Wat moet ik nu? Dat gooit mijn hele nummering in de war!’ Hij was boos omdat hij de medische nummers al in zijn aantekenboekje had geschreven. ‘Rustig maar,’ zei een soldaat. ‘Ga nog even een kopje thee drinken, en als je terugkomt is alles geregeld.’ Toen hij terugkwam, maakten ze de laatste foto’s.

In het begin vonden we het afschuwelijk. Walgelijk. Ik kon drie, vier dagen nauwelijks een hap door mijn keel krijgen. Toen werd het onze dagelijkse routine, stopten we onze emoties weg, Dat was de enige manier om door te kunnen gaan. Wat moesten we anders? Als we onze gevoelens zouden uiten, werden we gearresteerd, doodgemarteld en kwamen we bij de andere lijken te liggen. Ook waren we bang voor onze vrienden en familie.
Mijn team bestond uit ongeveer twaalf fotografen. We steunden elkaar, maar konden elkaar ook niet helemaal vertrouwen. Soms zaten een paar van ons met elkaar te fluisteren, maar ze lieten wel de deur van het kantoor open voor het geval iemand zou denken dat ze samenspanden tegen het regime. We zeiden tegen elkaar: ‘Op de dag des oordeels moeten we verantwoording afleggen over onze daden: “Wat hebt u al die jaren onder het misdadige regime gedaan? Waarom bent u gebleven?”’ We waren bang. Wat konden daar nu op antwoorden?

Die twee jaar zat ik tussen twee vuren. Ik was bang om opgepakt te worden door de rebellen omdat ik voor het regime werkte, en om gearresteerd te worden door het regime omdat ik al dat bewijsmateriaal over de martelingen verzamelde. Mijn leven werd van twee kanten bedreigd – en mijn familie liep ook gevaar.

We wilden de foto’s naar buiten brengen, zodat de nabestaanden wisten dat hun dierbaren waren overleden. Ze moesten weten wat er in die gevangenissen en detentiecentra aan de hand was. Als het regime van Bashar al-Assad valt, kun je er zeker van zijn dat ze zullen proberen al het bewijsmateriaal te vernietigen.

Het regime dacht er niet aan dat ons werk weleens tegen hen gebruikt kon worden

Ik heb me vaak afgevraagd waarom het regime die foto’s wilde bewaren. Waarom werden al die gedetailleerde beschrijvingen van de lijken genoteerd en de foto’s gearchiveerd? Ik ben maar een eenvoudige burger, geen politicus, en ik zal u een eenvoudig antwoord geven. De inlichtingendiensten en de veiligheidsdiensten werken niet samen. Ze weten niet van elkaar wat ze doen. Elke dienst is verantwoordelijk voor zijn eigen organisatie en is er alleen op uit zijn eigen belang te dienen. Vijftig jaar lang heeft de militaire politie de details geregistreerd van de dodelijke ongevallen waarbij het leger betrokken was. Het regime archiveert alles, opdat er niets wordt vergeten. Daarom worden die sterfgevallen geregistreerd. De foto’s zijn nuttig voor rechters en onderzoekers. Ze maken hun dossiers helemaal compleet. Als een rechter een keer een zaak moet heropenen, hebben ze die dossiers nodig. Na het begin van de revolutie en tijdens de oorlog gingen we gewoon op dezelfde voet verder. Maar het regime dacht er niet aan dat ons werk weleens tegen hen gebruikt kon worden.

De veiligheidsdiensten voelen zich onaantastbaar. Ze kunnen zich niet voorstellen dat ze ter verantwoording zullen worden geroepen voor hun wandaden. Ze weten dat het regime veel belangrijke steun geniet. En ze hadden nooit gedacht dat die foto’s naar buiten zouden komen en overal ter wereld bekeken konden worden.
Sterker nog, ik vraag me af of de bazen van de veiligheidsdiensten niet nog dommer zijn dan we denken. Ze hebben het zo druk met het terroriseren van demonstranten, het plunderen van de bevolking en het moorden dat ze zijn vergeten dat hun wandaden worden gedocumenteerd. Neem de gifgasaanval op Ghouta! Degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, wisten dat er bewijzen zouden komen van wat ze hadden gedaan – en toch lanceerden ze die raketten.

Tijdens de twee jaar dat ik in het geheim die documenten kopieerde, was ik bang voor mijn eigen veiligheid en die van mijn familie. Ik was dat pad nu eenmaal ingeslagen en er was geen weg terug. Ik wist dat ik er op een dag mee zou stoppen, maar wist niet wanneer. Dat moment schoof ik steeds voor me uit. Maar uiteindelijk realiseerde ik me dat ik weg moest.

Lees ook:


Deel dit artikel


Recent verschenen