Vrouwelijke kunstenaars nemen in strips en graphic novels alle ruimte om de schaamte over hun eigen lichaam of lichaamsdelen te tekenen. Onaangepast, karikaturaal, grotesk, en niet per se zoals de maatschappij het vrouwelijk lichaam graag ziet. Moet die vetrol weg, of juist extra aangezet? Die vrijheid wordt hun niet altijd in dank afgenomen.
In Commute: An Illustrated Memoir of Female Shame heeft Erin Williams zichzelf tientallen keren afgebeeld. De directe, op de realiteit gebaseerde tekeningen van haar lichaam bewegen zich door deze memoires als een persoon die banaliteiten verdraagt én als een geseksualiseerde vrouw die herstelt van een trauma. Het boek beslaat één dag, vol uitgebreide, reflexieve zijpaden, en het is niet alleen een verslag van de dagelijkse gang van en naar het werk, maar ook een groter verhaal dat het hele terrein bestrijkt van seksuele ervaringen in beschonken toestand naar matiging en moederschap.
Dat betekent dat er nogal wat moeilijke momenten in voorkomen, soms gekleurd door schaamte: ‘Alle ochtenden dat ik wakker werd en me niet meer kon herinneren of ik de vorige avond seks had gehad, ging ik vingeren om te voelen of het schrijnde,’ schrijft Williams onder een tekening van haarzelf, met een hand in haar opgetrokken onderbroek.
Ze vraagt zich voortdurend af hoe haar lichaam wordt gebruikt, zowel privé als in het openbaar, een vraag die extra interessant is binnen deze context waarin de kunstenaar keer op keer zichzelf afbeeldt. Ze bouwt een vergelijking op waarin verleidelijkheid gelijkstaat aan zichtbaarheid – en als dat de enige mogelijke posities blijken, worstelt ze met de vraag of ze liever wordt geobjectiveerd dan genegeerd.
Op grond van de zogeheten ‘Comics Code’ [in de VS] waren tot 1989 afbeeldingen van ‘illegale seksuele handelingen’ verboden in mainstreamstripboeken (oftewel: stripboeken of graphic novels die via een uitgever met distributiekanalen worden verkocht). Door deze beperking groeide het stripboek uit tot een genre dat ruimte bood aan ondergrondse bevrijding. Kunstenaars maakten hun werk zonder zich bezig te hoeven houden met de commerciële mogelijkheden, aangezien die er domweg niet waren.
Dat was de tijdgeest waarin Aline Kominsky-Crumb lichamen tekende die extravagant waren in hun lelijkheid, waarin Phoebe Gloeckner strips maakte met hyperrealistische tekeningen van seksueel geweld onder tieners en waarin Alison Bechdel begon aan haar stripboek Dykes to Watch Out For, die vele jaren zou doorlopen.
Kritisch bekeken
Het gevoel van schaamte reikt verder dan seksueel gedrag en het lichamelijke, maar al vanaf de vroegste verhalen – Eva neemt een hap van de appel en pakt ogenblikkelijk wat er maar voorhanden is om zichzelf te bedekken – wordt schaamte, en vooral vrouwelijke schaamte, vaak gekoppeld aan het lichamelijke, of aan verlangen. Een lichaam is de ruimte waaraan niemand kan ontsnappen, en dus is het ook de plek van waaruit we onszelf op de wereld projecteren, en waarin we kritisch worden bekeken door diezelfde wereld. ‘Het visuele register wordt vaak als “excessief” beschouwd,’ schrijft Hillary Chute in Graphic Women: Life Narrative and Contemporary Comics. Ze refereert aan de kritische blik waarmee vaak wordt gekeken naar de memoires van vrouwen.
Vrouwelijke schaamte is vaak nauw verweven met trauma, seks en kwetsbaarheid. Zoals Williams schrijft in Commute, is schaamte ‘een manier om te onderdrukken’. In verschillende strips is te zien hoe vrouwelijke kunstenaars de confrontatie aangaan met hun geschade zelfbeeld door hun lichaam, hun trauma’s en hun verlangens te tekenen.
‘Schaamte heeft altijd een grote rol gespeeld in het werk van vrouwen, en in strips in het algemeen,’ zegt Chute. ‘Omdat strips een vorm van intimiteit zijn. Het gaat om het zichtbaar maken van iemands innerlijke wereld.’
Illustraties bieden niet alleen de mogelijkheid om de realiteit van het fysieke lichaam zichtbaar te maken, maar ook om te laten zien hoe iemand naar zichzelf kijkt. ‘Stripboeken worden geschreven en getekend vanuit een belichaamd perspectief,’ zegt Chute. Met behulp van karikaturen en soms grotesk overdreven vormen kunnen visuele boodschappen over het lichaam van vrouwen een heel andere uitwerking hebben dan op tv, in films of zelfs in romans.
Televisie wordt, in ieder geval tot op zekere hoogte, bepaald door de beperkingen van echte lichamen, met name lichamen die visueel aantrekkelijk zijn. In proza kan het soms moeizaam, en ook afleidend zijn, om te beschrijven hoe een arm erbij hangt of dat er putjes in iemands buik verschijnen wanneer diegene bukt of voorover buigt, maar in een strip worden we veelvuldig met het lichaam geconfronteerd, elke keer dat het wordt getekend – wat vaak in elk plaatje of op elke pagina is.
Zo zien we bijvoorbeeld in Someone Please Have Sex with Me van Gina Wynbrandt de eenzaamheid en de onvervulde seksuele verlangens van een jonge vrouw, in neonlijnen, uitgewerkt tot in de meest gênante details. Haar gezichtsuitdrukking wordt consequent overdreven – de tong die uit haar mond hangt, de overtrokken weelderige rondingen van haar lichaam.
Een extreem voorbeeld van lichamelijke karikaturen zien we in het populaire Hyperbole and a Half van Allie Brosh, zowel een boek als een webcomic. In Brosh’ werk gaat het vaak over haar angsten en haar depressie, en het lichaam dat ze tekent om zichzelf te representeren is geen echt lichaam, of in ieder geval geen realistische representatie: het is een vormloos figuurtje met stokjes als armen en benen, en met boven op het lijfje een kikkerachtig gezicht met een geel hoorntje dat haar paardenstaart moet verbeelden. ‘Dit personage is min of meer als vanzelf ontstaan en lijkt niet op mij, maar in zekere zin is het wel een impressie van mij,’ aldus Brosh in 2013, in een interview op National Public Radio. ‘Het is een absurd, wat primitief figuurtje, en dat is eigenlijk ook hoe ik me vanbinnen voel. In die zin is het dan ook een accuraat beeld van mezelf.’
‘Een strip kan die overdaad aan lichaam, de ongemakkelijke gevoelens, overbrengen zonder er woorden aan te geven’
Jezelf tekenen hoeft niet per se een radicale daad te zijn, maar als kunstenaar kun je vaak op veel kritiek rekenen als je überhaupt een vrouwenlichaam toont. Toen mijn eerste boek uitkwam, een graphic memoir, verbaasde ik me over recensies waarin mijn uiterlijk aan de orde werd gesteld. ‘Door de overdaad aan zelfportretten heeft de foto van de auteur op de achterflap iets ongemakkelijks,’ stond in een van de recensies. ‘Want het personage in haar werk vertoont duidelijke overeenkomsten met de foto, maar ondermijnt die tegelijkertijd weer op subtiele wijze.’ Ik had mezelf te realistisch afgebeeld, maar tegelijkertijd ook niet realistisch genoeg.
Niet lang daarna kon ik nauwelijks meer tekenen zonder me van alles en nog wat over mijn lichaam af te vragen. Moet ik die vetrol weglaten, of juist extra aanzetten? Moet ik mezelf sluik haar geven? Ik maak vaak foto’s van mezelf, die ik gebruik als uitgangspunt wanneer ik lastige houdingen wil tekenen. Op een van die foto’s zijn heel licht mijn tepels zichtbaar onder mijn topje. Moest ik mijn tepels zo tekenen, vroeg ik me af? Wat wil het zeggen dat ik tepels heb? Wat wil het zeggen als ik géén tepels zou hebben?
In 2017 werkte schrijver en illustrator Mira Jacob aan haar eigen memoires, Good Talk: A Memoir in Conservations. ‘Hé, heb je even om over naakttekeningen te praten? Ik ben benieuwd of het wat is, wat ik gedaan’, appte ze me op een keer. Ze liet me een tekening zien die ze had gemaakt van haar naakte, nog maar net twintigjarige zelf. ‘Denk je dat ik nu word neergesabeld?’ vroeg ze. Jacob had zichzelf niet eerder naakt getekend – in ieder geval niet in werk dat werd gepubliceerd – en ze vroeg zich af of het wel zo’n goed idee was in de lichamelijke bloeitijd van de vroege volwassenheid. De tekening was niet bedoeld om schaamte uit te dragen.
Hij stond tussen andere tekeningen van een jonge vrouw met relaties waarin sprake was van seks met wederzijdse instemming. Toch riep deze tekening een bepaalde onzekerheid op, buiten de pagina’s om, een onzekerheid die veel verder ging dan de narratieve bedoelingen. Net als andere vrouwen was Jacob al haar hele leven in stilte – of juist met veel misbaar – beoordeeld op haar uiterlijk. Maar met deze tekening deed een nieuw soort onrust zijn intrede: zou de manier waarop ze haar lichaam had getekend voor de lezer reden zijn haar te bekritiseren of te verwerpen
De vraag of de tekening te ‘tam’ was, werpt ook licht op een andere laag van deze kwestie: het is kennelijk mogelijk om een naakt lichaam te tekenen op een manier die niet expliciet genoeg is.
Jacob bedacht een tijdelijke oplossing: bij het tekenen van haar naakte lichaam accentueerde ze het schaamhaar. ‘Doe maar een stevige bos,’ zeiden we tegen elkaar wanneer een tekening moest worden ‘verlelijkt’. Jacobs worsteling om haar lichaam op papier te zetten sluit haast naadloos aan bij de vragen die Williams zich dagelijks stelt in Commute: je lichaam verbergen is ook een manier om het te beschermen tegen kritische blikken. ‘Haters zijn misschien voor weinig bang,’ zegt Jacobs tegen me, ‘maar een flinke bos schaamhaar doet wonderen.’
Het tekenen van een vrouwenlichaam hoeft niet per se te gaan over het onder ogen zien van schaamte, maar in veel opzichten kan het ons eraan herinneren dat het sowieso lastig is om een lichaam te hebben. In een scène ergens aan het begin van Thi Bui’s The Best We Could Do zien we de hoofdpersoon halfnaakt op een ziekenhuisbed liggen baren. Ze stemt in met een ruggenprik, maar de naald die in haar ruggenmerg verdwijnt is reusachtig, zo overdreven dat hij bijna net zo groot lijkt als zijzelf.
‘Haters zijn misschien voor weinig bang, maar een flinke bos schaamhaar doet wonderen’
Recensent Tahneer Oksman heeft het in dit verband over een ‘prelinguïstisch besef van het lichaam’. Door het tekenen van een strip vertaalt een kunstenaar een innerlijk gevoel in een uiterlijke, fysieke representatie – volgens Oksman een weerspiegeling van de manier waarop schaamte wordt ervaren. ‘Je voelt schaamte nog voor je er de woorden voor hebt. (…) Een strip kan die overdaad aan lichaam, de ongemakkelijke gevoelens die daarmee gepaard kunnen gaan, overbrengen zonder er woorden aan te geven.’
De nieuwe bundel Drawing Power: Women’s Stories of Sexual Violence, Harassment, and Survival toont werk van meer zestig kunstenaars die dit probleem bij de kop nemen. ‘Veel mannen zullen na een blik op mijn strips terugdeinzen’, schrijft de legendarische feministische kunstenaar Roberta Gregory. Ze doelt op Naughty Bits, de serie stripboeken die zij schreef vanaf begin jaren negentig, tot aan het laatste nummer in 2004.
Gregory stelt heel duidelijk dat haar werk niet is bedoeld voor de mannen die ervan gruwen. Jennifer Campers Noncompliant draagt een vergelijkbare boodschap uit. ‘Ik maak zelden autobiografische strips’, schrijft ze. Camper heeft veel en belangrijk werk gemaakt over seksueel geweld, maar ze heeft besloten er niet zelf in te figureren. ‘In mijn strips heb ik het laatste woord’, schrijft ze.
Het lastigste van schaamte, aldus Oksman, is dat het ‘een vorm is van jezelf isoleren’. Vrouwen hebben geleerd deze emoties voor zich te houden, zodat ze zich niet nog eens extra hoeven te schamen wanneer ze erover praten. Als schaamte inderdaad een middel is om te onderdrukken, dan kan het tekenen van bepaalde ervaringen – van alledaagse vormen van vernedering tot aan diepgewortelde seksuele trauma’s – worden gezien als een daad van bevrijding.
Auteur: Kristen Radtke
The Guardian
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 134.000
Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

