dreadlocks diamanten


In 2008 sloot de Zuid-Afrikaanse mijnbouwgigant De Beers zijn mijnen in de regio Namakwaland. Maar veel (werkloos geworden) lokale mannen blijven illegaal zoeken naar diamanten. Een Zuid-Afrikaanse journaliste volgde een van hen: de rastafari Yellow.

Yellow heeft zijn huis gebouwd met het geld dat hij door de verkoop van marihuana heeft verdiend. Het heeft een garage, een tegelvloer, satelliettelevisie: allemaal contant betaald. De omringende huizen, dicht op elkaar gebouwd aan een zijweg in Retreat, een buitenwijk van Kaapstad, hebben verroeste daken en kale betonnen muren.

Toen ik hem afgelopen december bezocht stond zijn vrouw te koken; strikt vegetarisch, zoals het rastafarigeloof voorschrijft. We namen plaats op de zitbanken in de woonkamer. ‘Ik ben op zoek naar diamanten,’ zei hij, ‘om de toekomst van mijn gezin veilig te stellen en zodat ikzelf met pensioen kan gaan.’ Maar om diamanten in handen te krijgen moest hij terugkeren naar Namakwaland in de provincie Noordkaap, waar illegale gravers hun ruwe edelstenen op de zwarte markt verkopen.

Ik wilde meer te weten komen over deze handel, die voorziet in het onderhoud van honderden gezinnen in een gebied dat wordt geteisterd door werkloosheid, en dus bood ik hem een lift aan in mijn geleende Land Cruiser.

Illegale diamantzoekers in Komaggas, regio Namakwaland in de Zuid-Afrikaanse provincie Noord-Kaap. – © Joe Alexander / AFP
Illegale diamantzoekers in Komaggas, regio Namakwaland in de Zuid-Afrikaanse provincie Noord-Kaap. – © Joe Alexander / AFP

Vier dagen later, op een zaterdag, haalde ik Yellow bij het krieken van de dag op. Hij droeg een rode rastapet over zijn dreadlocks. Hij nam afscheid van zijn vrouw en laadde de achterbak vol met medicinale kruiden, een schep, puntbeitels, een hamer en een drilboor.

De wegen waren verlaten; al snel bereikten we de rand van de stad en reden langs de graanvelden zuidwaarts. ‘Het verkopen van marihuana werd me te riskant,’ vertelde hij tijdens de rit. ‘Toen mijn huis af was ben ik er meteen mee gestopt.’ Yellow haalde nog wel een bescheiden inkomen uit de verkoop van lokale kruiden zoals buchu en wilde knoflook. Na meer dan dertig jaar in het vak noemde hij zichzelf een ‘traditionele kruidenprofessor’. Maar om de toekomst van zijn gezin veilig te kunnen stellen had hij meer geld nodig. Zijn vier zonen, in de leeftijd van 22 tot 34 jaar, woonden nog thuis en hadden geen van allen een vaste baan. Zijn negenjarige dochter was net klaar met groep vijf.

‘Ik wil een boerderij voor de jongens kopen. Ze hebben niet de kans gehad om te studeren en zullen moeilijk aan het werk komen. Ik wil ze op weg helpen.’ Yellow had zich ten doel gesteld om een paar ‘pigeon eggs’ te bemachtigen; diamanten van vijf karaat of meer, zodat hij land zou kunnen kopen. Diamanten van die grootte brengen op de officiële markt tussen de 500.000 rand (36.000 euro) en 7,5 miljoen rand (540.000 euro) op. Op de zwarte markt in Kaapstad hoopte Yellow per diamant 100.000 rand (7.200 euro) binnen te halen. ‘Ik ga een mooi stel stenen opgraven,’ zei hij terwijl hij plukken van zijn baard om zijn eeltige duim draaide. ‘Genoeg om een paar duizend of misschien zelfs een paar miljoen rand te verdienen.’ Hij vouwde zijn handen in zijn schoot, liet zijn hoofd tegen het autoraampje rusten en viel in slaap.

Een legale mijnwerker die op zoek is naar diamanten in Komaggas. – © Joe Alexander/AFP
Een legale mijnwerker die op zoek is naar diamanten in Komaggas. – © Joe Alexander/AFP

Yellow werd in 1960 in Retreat geboren, zes maanden voor de buitenwijk onder de Group Areas Act tot ‘gekleurde woonwijk’ werd bestempeld. Zijn moeder had een kraam op de bloemenmarkt. Zijn vader, een havenarbeider, kwam uit Mosselbaai, een havenstadje in de provincie Westkaap. Yellow had veertien broers en zussen en groeide in armoede op. Op zijn zeventiende sloot hij zich aan bij de marine maar na drie jaar, toen hij rastafari werd, besloot hij af te zwaaien en medicinale kruiden te gaan verkopen.

De gedrongen vijftiger met zijn brede neus en gladde wangen hoorde in 2012 voor het eerst over de diamanten, toen hij Namakwaland bezocht om kruiden en marihuana te verkopen. Hij wist niets van illegale diamantwinning. ‘Ik stapte gewoon in de auto en ben gaan kijken hoe het in zijn werk ging,’ vertelde hij.


Metamorfose

Namakwaland, een dor, woestijnachtig gebied dat een derde van het noordelijke deel van de Zuid-Afrikaanse Westkaap beslaat, heeft nadat er in 1925 diamanten werden ontdekt een metamorfose ondergaan. Bijna 70 procent van het land is door de mijnbouw aangetast: er is een maanlandschap met geërodeerde heuvels en verlaten groeven ontstaan. Met de opkomst van de diamantindustrie bloeide de regionale economie op. In de tachtig jaar die volgden voorzag de mijnbouw duizenden inwoners van een inkomen – inclusief de afstammelingen van de lokale Nama Khoi-herders die waren verdreven toen de mijnbouw zich over het land uitbreidde.

Toen Yellow in het gebied aankwam, lag de situatie anders. Door de stagnerende mondiale diamantmarkt en de uitgeputte mijnen, vielen zo’n tien jaar geleden de eerste ontslagen en na de financiële crisis in 2008 sloot de grootste werkgever in de regio, De Beers, zijn mijnen. In totaal raakten meer dan drieduizend man hun baan kwijt, waarna velen hun toevlucht zochten tot de illegale zoektocht naar diamanten.

Dankzij zijn status als medicijnman wist Yellow zich een plaats tussen de illegale diamantgravers te verwerven en in de daaropvolgende tweeënhalf jaar keerde hij tien keer terug om zelf te graven. Rastafarikruidenhandelaars in Zuid-Afrika putten uit de traditionele Khoi geneeskunde en overal waar Yellow kwam waren Nama-oudsten onder de indruk van zijn kennis. ‘Ik werd als een verloren zoon ontvangen,’ vertelde hij met enige trots.

Onze eerste stop was in Steinkopf, een voormalige missiepost, 50 kilometer ten noorden van Springbok. Toen we ons portier openden, sloeg de hete wind ons in het gezicht. We stonden op een zandweg voor een rij vierkante, grijze huisjes. Een vrouw staarde ons vanuit een donkere kamer aan. Toen ze Yellow herkende sprong ze enthousiast overeind en stapte het zonlicht in, gevolgd door een man die ons op blote voeten over het gloeiend hete zand tegemoet liep. Hij heette Reuben. Hij had ingevallen wangen en een baard vol klitten. Zijn dreadlocks waaierden uit in een driehoek die zijn gezicht omlijstte als de nemes van een farao. ‘We hadden het gisteren nog over je,’ zei hij tegen Yellow en hij nodigde ons uit om binnen te komen. Zijn vrouw knikte. ‘Ik geloof mijn ogen niet,’ zei ze. ‘Alsof we aanvoelden dat je kwam.’

‘We willen graven,’ zei Yellow, na de wederzijdse begroetingen. ‘Het valt niet mee,’ floot Reuben. ‘De bewakers hebben geweren, paarden, quads, noem maar op. We zitten in een lastig parket.’ ‘Jah guide, er is altijd een manier om binnen te komen.’

Illegaal gedolven diamanten uit Komaggas. – © Joe Alexander / AFP
Illegaal gedolven diamanten uit Komaggas. – © Joe Alexander / AFP

Een wandgrote schildering van Haile Selassie, de vroegere Ethiopische keizer die binnen het rastafarigeloof als Gods incarnatie wordt beschouwd, sierde een van de muren in de woonkamer. Yellow draaide een joint en vertelde Reuben over zijn droom van een eigen boerderij toen een andere rasta, Levi, de kamer binnenkwam en zich op de bank liet zakken. Yellow had Levi, een tengere veertiger met een sloom voorkomen, tijdens zijn eerste bezoek aan Namakwaland bij een vriend in het dorpje Pella ontmoet. Een paar dagen na zijn aankomst had die vriend hem aan Levi en een paar andere diamantzoekers voorgesteld, en de volgende avond had hij hen naar de kust gereden. Met genoeg voedsel voor drie dagen liepen ze een verlaten mijngebied in. Yellow hield de eerste nacht wacht.

De mijnen, zo hadden de mannen hem gewaarschuwd, werden bewaakt door particuliere beveiligingsbedrijven. Als ze werden betrapt zouden ze aan de politie worden overgedragen. Straffen varieerden van inbeslagname van het gereedschap en boetes van 300 rand (22 euro) tot een gevangenisstraf van tien jaar plus een boete van 250.000 rand (18.000 euro) voor het in bezit hebben van ruwe diamanten. Terwijl Yellow op de uitkijk stond voor naderende koplampen, waren de mannen aan het werk. Ze sloegen puntbeitels in de grond om de steenlaag los te bikken en in de ochtend zeefden en spoelden ze het gruis. Nog voor hun eerste pauze had een van hen een diamantader geraakt en acht pointers gevonden; diamanten van minder dan 1 karaat. Toen ze die nacht rond het kampvuur zaten, liet de man weten dat hij zijn buit niet wilde delen. Er ontstond ruzie. Toen ze elkaar begonnen te bedreigen, pakte Yellow zijn spullen. ‘Ik wilde er niets mee te maken hebben,’ vertelde hij me. ‘Ik liftte met een andere groep terug naar mijn auto. Diamanten veroorzaken een hoop ellende. Je moet de impact van diamanten niet onderschatten. Ze maken mensen kapot.’

‘Diamanten veroorzaken een hoop ellende. Ze maken mensen kapot’

In Reubens woonkamer, terwijl de mannen een nieuwe expeditie beraamden, leek die onenigheid vergeten. We spraken af dat we hen de volgende ochtend zouden ophalen en reden naar Port Nolloth, het epicentrum van de diamanthandel in de Noordkaap. Daar aangekomen zagen we dat de boulevard werd bevolkt door groepjes drinkende jonge mannen, naast een imposante
verzameling blinkende, peperdure auto’s: Renaults, Chevrolets, BMW’s. Het vertoon van zoveel rijkdom vormde een schril contrast met het schamele decor dat Port Nolloth vormde: het stadje raakte na de hoogtijdagen van de jaren tachtig in verval. Diamantwerkers trokken weg en visfabrieken sloten hun deuren.

We zetten koers naar Sizamile, een township aan de rand van het stadje, en Yellow ging langs bij voormalige compagnons, op zoek naar een slaapplaats. Bij een van de huisjes ontmoetten we Hamilton, een jonge rastafari uit de Oostkaap. Hij had geprononceerde jukbeenderen en sprak Afrikaans met een Xhosa-accent. Hij woonde al zes jaar in Port Nolloth, vertelde hij. ‘Ach, de Porra’s bieden een beroerde prijs,’ zei hij, doelend op de uit Angola uitgeweken Portugezen die de zwarte markt domineerden. ‘In Kaapstad zijn de prijzen beter,’ zei Yellow. ‘Ja, maar Kaapstad ligt hier ver vandaan.’

Hamilton verhaalde over een paar diamantgravers die kortgeleden waren ‘binnengelopen’ nadat ze een diamantader hadden blootgelegd. Een van hen had zijn mond voorbijgepraat en de avond erna had zich een menigte bij de groeve verzameld. ‘De mannen die de ader hadden ontdekt gingen eerst naar beneden,’ vertelde Hamilton. ‘Ze wilden haar leeghalen. Na een paar uur raakten ze uitgeput, maar ze wisten dat wij stonden te wachten. Ze besloten daar beneden te slapen. Mijn vriend wilde ze met stenen bekogelen maar wij hielden hem tegen. Hij wilde ze uitschakelen.’ Op de eerste avond vonden de mannen 34 diamanten, de tweede avond waren het er 54. De buit was miljoenen waard; een koper betaalde er in het stadje 200.000 rand (14.500 euro) voor.

De volgende ochtend haalden we de rest van het team in Steinkopf op. Na een traag verlopend ontbijt en drie joints waren de mannen klaar voor vertrek. Het plan was om naar Hondeklipbaai de rijden, waar geen van hen ooit eerder had gewerkt, en aansluiting te zoeken bij diamantgravers die bekend waren met het gebied. ‘Ik ken iemand in Komaggas,’ zei Yellow, ‘en anders spreken we gewoon een rasta aan. Er zijn toch wel rasta’s in Hondeklipbaai?’

‘Ja, massa’s,’ antwoordde Reuben terwijl hij achter instapte.

Good vibrations

Judah, een jonge man die aan de overkant woonde, voegde zich bij ons. Terwijl we de woestijn inreden, rookten de mannen de ene na de andere joint. Het zandweggetje naar het zuiden leidde door mijngebied; langs heuvels bezaaid met stortbergen. De mijnen werden afgeschermd door verroeste hekken. Sluierbewolking filterde het zonlicht waardoor het landschap er kleurloos bij lag. Twee uur later kwamen we in een afgelegen dorp aan, 40 kilometer landinwaarts. Komaggas grenst aan de diamantvelden van De Beers: toen de mijnen in 2009 sloten, verloren honderden inwoners hun baan. Volgens het adviesbureau, een lokale non-profitorganisatie, is 65 procent van de beroepsbevolking werkloos en is de meerderheid afhankelijk van de illegale diamanthandel. We reden rond, op zoek naar Yellows connectie, maar bij navraag bleek die er niet meer te wonen. ‘Zonder connectie gaat het niet lukken,’ zei Reuben somber.

In stilte reden we terug naar de kustvlakte, waar we werden opgeslokt door een dichte mist. De temperatuur daalde en de horizon vervaagde. We reden via een landweggetje een beperkt toegankelijk mijngebied binnen en stuitten bij het gehucht Koignaas, een voormalige De Beers-nederzetting, op een controlepost. Een bewaker in uniform verscheen in de deuropening van zijn huisje. ‘Omkeren!’ fluisterde Judah. ‘Nee, toch niet… te laat!’

De bewaker reikte me een klembord aan en ik vulde mijn gegevens in. De achterbak lag vol met scheppen, hamers en puntbeitels. Een tweede bewaker tuurde door onze achterruit. ‘Ze bekijken onze spullen,’ fluisterde Yellow terwijl hij in de achteruitkijkspiegel keek, maar vreemd genoeg ging op dat moment de hefboom omhoog en mochten we om onduidelijke redenen doorrijden.

Midden in de nacht kwamen we in Hondeklipbaai aan, een vissersgemeenschap en voormalig mijnwerkersstadje aan de zuidelijke grens van het mijngebied. Schijnwerpers op hoge palen verspreidden een zwak schijnsel in de duisternis. Bij geen enkel huis brandde licht en er was slechts een enkeling op straat. Uit de schaduwen doken twee vrouwen op. Reuben draaide het raam van zijn portier omlaag. ‘Sister, waar zitten de rasta’s?’ Ze keken ons uitdrukkingsloos aan. ‘We zoeken de aya’s,’ probeerde hij nog eens. ‘Rasta’s met dreadlocks.’ De vrouwen schudden het hoofd en maakten zich uit de voeten. Ook de drie keer daarna werden we begroet met niet-begrijpende, achterdochtige blikken, maar uiteindelijk verwees een man ons naar een onderkomen aan de rand van het dorp. Reuben en Judah stapten uit om op onderzoek te gaan.

‘Er zitten hier rastajongeren,’ meldde Judah toen ze terugkeerden. ‘Good vibrations. Ze zeggen dat ze diamanten hebben.’

‘De sluiting van de mijnen was een ramp. Veel mensen zaten al in de schulden en hadden geen ander inkomen’

De kamer zag blauw van de rook. Twee jongens met dreadlocks zaten op een kleine kookplaat aardappelen te bakken. Ze kwamen overeind en begroetten de mannen, vergezeld met de nodige lofbetuigingen aan Jah. De tien andere jongens, allen zonder dreadlocks, bleven rustig zitten tot het ritueel voorbij was. Ze schoven een eindje op zodat wij konden zitten. We dronken koffie en de mannen stelden vragen over diamanten, waar de jongens ontwijkend op reageerden. Na een paar uur vertrokken de meesten. Alleen de twee jonge rasta’s bleven. Ze deelden hun maaltijd met ons en legden een extra matras neer. Yellow ging in de auto slapen en wij sliepen met z’n vieren op de twee matrassen.

De volgende morgen hingen we wachtend rond. De twee jongens bleken niet uit Hondeklipbaai te komen maar waren hier vanuit Leliefontein naartoe gelift, een dorpje met nog geen duizend inwoners, 115 kilometer verderop, in de Kamiesbergen. Ze wilden naar diamanten zoeken maar wisten niet goed waar te beginnen. De kamer was van een Namibische diamantzoeker, vertelden ze. ‘Hij heeft gisteravond gewerkt. Hij kent het gebied goed. Misschien wil hij jullie helpen.’

Ik liet de anderen achter en liep naar een fish-and-chipsrestaurant in de haven, waar ik een voormalige mijnwerker ontmoette, Sam Cloete. Er waren geen klanten en de friteuse in de keuken stond uit. Cloete, een grijzende man in een verschoten paars T-shirt, was alleen. ‘Ik heb deze zaak van mijn ontslagpremie gekocht,’ vertelde hij me. ‘Van 1983 tot 2001 werkte ik voor Trans-Hex, tot de mijn werd gesloten. Honderdzestig mensen verloren hun baan. Daarna ben ik voor De Beers gaan werken, maar die mijnen gingen een paar jaar later dicht. Maar ik mag niet klagen. Mijn vrouw is lerares. Dat scheelt.’ Hij stond op om een klant te begroeten die zei dat hij alleen even wilde kijken. Sam ging weer zitten en liet zijn handen op de tafel rusten. ‘De sluiting van de mijnen was een ramp. Veel mensen zaten al in de schulden en hadden geen ander inkomen. Er is hier weinig werk: vissen of kelp oogsten, er is een kleine zeeoor-kwekerij. De meeste mensen werken voor de dienst openbare werken, een aantal werkt in de mijnen in Oranjemund. Ik mag van geluk spreken.’

‘En degenen die geen werk konden vinden?’ vroeg ik. ‘Zijn er onder hen veel illegale diamantgravers?’

‘Ja,’ antwoordde hij. ‘Maar ik weet er weinig van. Er zijn zeker mensen die het erop wagen. Als ze gaan graven zeggen ze dat ze “naar de bank gaan”. Eén plek wordt “Absa” [Absa Bank] genoemd, een andere “FNB” [First National Bank]. Je kunt flink verdienen, maar het is gevaarlijk. Ik ben 68. Ik heb een goed leven gehad. Het is het risico niet waard.’

De Namibische diamantgraver zat bij de mannen toen ik terugkeerde. Zijn knieën, zijn voorhoofd en zijn wangen zaten onder de littekens. Hij vertelde dat hij al acht jaar in Namakwaland groef. ‘Kom maar mee, dan laat ik jullie mijn diamanten zien.’ We volgden hem naar een huisje van zink en wachtten terwijl hij iemand belde. Na een paar minuten verscheen een kale man op slippers. Hij fronste en trok het hek achter zich dicht. ‘Wie van jullie wil diamanten kopen?’ vroeg hij.

Deal

De sfeer was gespannen. Reuben stapte naar voren. ‘Brother, we zijn uit Steinkopf gekomen om te graven. We willen graag weten hoe het hier gaat.’ ‘Geen kopers dus,’ zei de man tegen de Namibiër en spuugde op de grond. ‘We willen je diamanten zien,’ zei Yellow. Hij aarzelde even en haalde toen een rolletje bankbiljetten tevoorschijn. ‘Zesendertig stenen,’ zei de kale man. ‘Allemaal minder dan 1 karaat. In Hondeklip vind je geen grotere.’ ‘Hoeveel wil je ervoor hebben?’ vroeg ik. ‘18.000 rand.’ Toen het duidelijk werd dat we hier alleen voor informatie kwamen, liep de man rood aan en we vertrokken. ‘Ik mag hem niet,’ mompelde Yellow toen we wegliepen. ‘Een gangster, een 26. Zag je die tatoeages?’ ‘En het klopt niet wat hij zei,’ viel Judah hem bij. ‘Het stikt hier van de grote diamanten.’

Die avond haalde een tiener in een overall die de hele middag al had rondgehangen een pakketje tevoorschijn. Een diamant ter grootte van een gedroogde linze fonkelde ons vanachter het plastic toe. ‘Vlak bij het strand gevonden,’ vertrouwde hij ons toe. ‘Daar wassen de gravers ’s nachts hun gruis.’ Hij had een pokdalig gezicht en zag er gedrogeerd uit. ‘Wat wil je ervoor hebben?’ vroeg Judah. ‘Vijfhonderd rand.’

‘Ik bied hem tweehonderd rand en wat wiet,’ fluisterde Judah tegen Yellow toen de jongen wegliep. ‘Die diamant kan ik voor zevenhonderd verkopen.’ Hij riep hem terug en Reuben, Yellow en ik lieten hen alleen. De duisternis viel in en er kwam mist opzetten. Ik keek toe hoe ze stonden te praten. De jongen overhandigde Judah het zakje. Judah haalde twee biljetten tevoorschijn en stak zijn hand in zijn zak voor de marihuana. Ze stootten hun vuisten tegen elkaar om de deal te bezegelen – de enige van de hele reis. Ik keerde de volgende middag terug naar Kaapstad en zette Yellow in Port Nolloth af. Hij wilde niet met lege handen thuiskomen. Twee weken later belde hij me vanuit Retreat. ‘Het is me niet gelukt,’ zei hij. ‘Er was te veel beveiliging.’ ‘Ben je erg teleurgesteld?’ ‘Niet echt,’ antwoordde hij. ‘Kijk, ik wil een mooi stel diamanten. Je weet hoe belangrijk deze missie voor me is. Maar ze liggen er nog. De volgende keer kom ik met een paar pigeon eggs thuis.’

Auteur: Kimon de Greef
Vertaler: Astrid Staartjes

Kimon de Greef is een journalist uit Kaapstad. Hij schrijft onder andere over muziek, handel, misdaad en conflicten op de werkvloer. Zijn werk verschijnt behalve in de ‘Mail & Guardian’ ook in ‘The Guardian’, ‘Cape Times’ en ‘This Is Africa’. Op het moment doet hij onderzoek naar de impact van drugssmokkel in Zuid-Afrika.

Mail & Guardian
Zuid-Afrika, weekblad, oplage 41.000
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.


Deel dit artikel


Recent verschenen