een internet van dieren


Nog altijd zijn er veel vragen over de migratiebewegingen van dieren. Door ze uit te rusten met geavanceerde zendertjes hoopt een Duitse wetenschapper ‘levende meetstations’ te creëren.

Toen rijksgraaf Von Bothmer in 1822 op zijn landgoed in de buurt van Lübeck een ooievaar schoot, was dat kennelijk al de tweede aanslag op het dier. In de hals van de ooievaar stak een 40 centimeter lange Afrikaanse pijl. Voor de wetenschap was de pechvogel een gelukje. Al eeuwenlang was de vraag wat ooievaars en andere trekvogels in de winter doen voer voor talloze mythen.

Sommige mensen dachten dat ze zich in de koudste tijd van het jaar ingroeven in de modder of dat ze in muizen veranderden. Volgens een van de theorieën vlogen de dieren zelfs naar de maan om daar te overwinteren. In de negentiende eeuw waren onderzoekers het er nagenoeg over eens dat de dieren de winter in Afrika doorbrachten. Maar de ooievaar met de pijl was het eerste tastbare bewijs daarvan.

‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand’

Sindsdien hebben wetenschappers de migratiebewegingen van talloze diersoorten onderzocht door ze van ringen, zenders of camera’s te voorzien of met kleine vliegtuigjes te begeleiden. Maar nog altijd zijn tal van vragen onbeantwoord. Zo is volgens Martin Wikelski van het Max Planck Instituut voor Ornithologie in Radolfzell vaak onduidelijk wat de precieze routes zijn en waar de vogels tussenstops maken. Ook is het een raadsel waar veel van de vogels sterven. ‘Elk jaar raken we tien miljard kleine vogels kwijt. Maar waar? Dat weet niemand.’ Van sommige vogelsoorten is nog altijd niet duidelijk waar ze overwinteren, zegt Wikelski. ‘Goed beschouwd is er eigenlijk niets waar we echt goed bekend mee zijn.’

Om daarin verandering aan te brengen, wil Wikelski tienduizenden dieren gaan uitrusten met zendertjes, die elke beweging volgen. Een speciale antenne die de signalen opvangt, moet in juni door Russische kosmonauten aan het Internationale Ruimtestation worden bevestigd. Het project heet ICARUS (International Cooperation for Animal Research Using Space) en onderzoekers verwachten een stroom van nieuwe gegevens over de aanwezigheid en het gedrag van talloze diersoorten. Maar Wikelski heeft nog veel meer in gedachten.

Migrerende ooievaars in Egypte, aan de Rode Zee. – © Wikimedia
Migrerende ooievaars in Egypte, aan de Rode Zee. – © Wikimedia

Onlangs presenteerde hij in het Institut für Zoo- und Wildtierforschung in Berlijn zijn ideeën op een symposium van de Nationale Akademie der Wissenschaften Leopoldina. Volgens de onderzoeker kunnen de dieren als levende meetstations ook informatie over wind en weer, temperatuur en ozon- en CO2-gehalte leveren, en op die manier de mensheid helpen om klimaatmodellen te verbeteren of zelfs natuurrampen te voorspellen. Wat Wikelski voor ogen heeft, is een netwerk van levende sensoren dat zich uitstrekt over de planeet, een soort internet van de dieren.

Om te beginnen is ICARUS echter de hightechvariant van een onderzoeksterrein dat teruggaat tot het einde van de negentiende eeuw. Destijds gingen wetenschappers vogels van ringetjes voorzien. Meldingen van waar die vogels waren aangetroffen stelden hen in staat conclusies te trekken over het gedrag. ‘Het is ongelooflijk tot welke fundamentele inzichten we door het ringen van vogels zijn gekomen,’ zegt Walter Jetz, onderzoeker aan de Yale-universiteit in de Verenigde Staten. ‘Maar nu is het tijd voor een nieuwe technologie. Wat aan het begin van de twintigste eeuw het ringen van vogels was, dat is gps-tracking nu,’ zegt Jetz.

Auteur: Kai Kupferschmidt
Vertaler: Pieter Streutker

Süddeutsche Zeitung
Duitsland | dagblad | oplage 445.000

Opgericht in 1945. De intellectuele, liberale krant van links Duitsland. Staat bekend om de drie-eenheid: tolerantie, onafhankelijkheid en waakzaamheid.


Deel dit artikel


Recent verschenen