een ontmoeting met mijn vader in new orleans


Voor het eerst verschijnen alle eenentwintig korte verhalen van Truman Capote (Breakfast at Tiffany’s, In Cold Blood) in het Nederlands. 360 publiceert alvast ‘Kerst in New Orleans’, een nooit eerder vertaalde parel, waarin de jonge hoofdpersoon zijn vader ontmoet.

voor Gloria Dunphy


Eerst een korte autobiografische proloog. Mijn uitzonderlijk intelligente moeder was het mooiste meisje van Alabama. Dat zei iedereen, en het was waar; en op haar zestiende trouwde ze met een achtentwintigjarige zakenman uit een gegoede familie in New Orleans. Het huwelijk duurde een jaar. Mijn moeder was te jong om moeder of echtgenote te zijn; te ambitieus ook: ze wilde studeren en een carrière opbouwen. Dus ging ze weg bij haar man; en wat ze met mij aan moest, ze vertrouwde me toe aan de zorg van haar grote familie in Alabama.

In de loop der jaren zag ik mijn ouders bijna niet, geen van beiden. Mijn vader had het druk in New Orleans en mijn moeder was, nadat ze was afgestudeerd, bezig succesvol te worden in New York. Wat mij betreft was dit geen onprettige situatie. Ik was gelukkig waar ik was. Ik had veel aardige familieleden, ooms en tantes en neven en nichten, met name één nicht, een bejaarde vrouw met wit haar die een beetje mank liep en Sook heette. Miss Sook Faulk. Ze was niet mijn enige vriendin, maar wel verreweg de beste.

Sook was degene die me over de kerstman vertelde, zijn lange baard, zijn rode pak, zijn rinkelende slee vol cadeautjes, en ik geloofde haar, net zoals ik geloofde dat alles de wil van God was, of van de Heer, zoals Sook Hem altijd noemde. Als ik mijn teen stootte, of van een paard viel, of een flinke vis in de beek ving – goed of slecht, kortom, het was allemaal omdat de Heer het wilde. En dat zei Sook ook toen ze het beangstigende nieuws uit New Orleans kreeg. Mijn vader wilde dat ik daarheen zou reizen om de kerst bij hem door te brengen.

Ik huilde. Ik wilde niet. Ik was dit afgelegen dorp in Alabama omringd door bossen en boerderijen en rivieren nog nooit uit geweest. Ik was nog nooit gaan slapen zonder dat Sook met haar vingers door mijn haar ging en me een nachtzoen gaf. Bovendien was ik bang voor vreemden, en mijn vader was een vreemde voor me. Ik had hem een aantal keren gezien, maar die herinnering was een waas; ik had geen idee wat hij voor iemand was. Maar, zoals Sook zei: ‘Het is de wil van de Heer. En wie weet, Buddy, misschien zie je wel sneeuw!’

Ik weet niet waarom ze dacht dat ik sneeuw zou zien in New Orleans, want in New Orleans is het nog warmer. Maakt niet uit. Ze wilde me gewoon aanmoedigen om de reis te maken

Sneeuw! Totdat ik zelf kon lezen, las Sook me veel verhalen voor, en in bijna allemaal leek een heleboel sneeuw voor te komen. Fonkelende, tuimelende tovervlokken. Het was iets waar ik van droomde; iets magisch en mysterieus dat ik wilde zien en voelen en aanraken. Ik had het natuurlijk nog nooit gezien, en Sook ook niet; hoe zou dat kunnen in zo’n warme streek als Alabama? Ik weet niet waarom ze dacht dat ik sneeuw zou zien in New Orleans, want in New Orleans is het nog warmer. Maakt niet uit. Ze wilde me gewoon aanmoedigen om de reis te maken.

Ik had een nieuw pak. Er zat een kaartje op gespeld met mijn naam en adres. Dat was voor als ik verdwaalde. Ik moest de reis namelijk alleen maken. Met de bus. Iedereen dacht dat ik wel veilig zou zijn met mijn naambordje. Behalve ik dan. Ik was doodsbang, en boos. Woedend op mijn vader, die onbekende, die me dwong om van huis te gaan zodat ik met de kerst niet bij Sook was.

Het was een reis van zeshonderd kilometer of zoiets. Mijn eerste stopplaats was Mobile. Daar stapte ik over op een andere bus, en daarna reed ik eindeloos door moerasland en langs de kust totdat we in een rumoerige stad met klingelende trams kwamen, vol mensen die er gevaarlijk en buitenlands uitzagen.

Dat was New Orleans.

En plotseling, toen ik uit de bus stapte, tilde een man me op en hij nam me in zijn armen, drukte me zo hard tegen zich aan dat ik geen adem meer kreeg; hij lachte, hij huilde, een lange, knappe man, lachend en huilend. Hij zei: ‘Herken je me niet? Herken je je papa niet?’

Ik was sprakeloos. Ik zei geen woord totdat ik uiteindelijk, toen we in een taxi reden, vroeg: ‘Waar is het?’

‘Ons huis? Dat is niet ver…’

‘Niet het huis. De sneeuw.’

‘Welke sneeuw?’

‘Ik dacht dat er een heleboel sneeuw zou zijn.’

Hij keek me bevreemd aan, maar lachte wel. ‘Er is nog nooit sneeuw gevallen in New Orleans. Niet dat ik weet. Maar luister. Hoor je die donder? Regenen gaat het zeker!’

Ik weet niet wat me meer beangstigde, de donder, de sissende zigzagbliksem die erop volgde – of mijn vader. Die avond, toen ik naar bed ging, regende het nog steeds. Ik zei mijn gebeden op en bad dat ik gauw weer thuis bij Sook zou zijn. Ik wist niet hoe ik ooit in slaap zou kunnen vallen zonder een nachtzoen van Sook. Ik kon gewoon niet slapen, dus begon ik me af te vragen wat ik van de kerstman zou krijgen. Ik wilde een mes met een paarlemoeren heft. En een grote doos met legpuzzels. Een cowboyhoed met bijpassende lasso. En een luchtbuks om mussen te schieten. (Jaren later, toen ik inderdaad een luchtbuks had, schoot ik een spotlijster en een boomkwartel, en ik zal nooit de spijt vergeten die ik voelde, het verdriet; ik heb nooit meer een levend wezen gedood, en elke vis die ik ving gooide ik terug in het water.) En ik wilde een doos kleurpotloden. En vooral een radio, maar ik wist dat dat onmogelijk was: ik kende nog geen tien mensen die een radio hadden. Vergeet niet dat dit de tijd van de Grote Depressie was, en in het diepe zuiden waren huizen met een radio en een koelkast zeldzaam.

© Getty
© Getty

Mijn vader had beide. Hij scheen alles te hebben: een auto met dickeyseat, om nog maar te zwijgen van een mooi oud roze huisje in het French Quarter met sierlijke smeedijzeren balkons en een besloten patio vol kleurige bloemen, verkoeld door een fontein in de vorm van een zeemeermin. Hij had ook een handvol, ik zou zeggen twee handen vol, vriendinnen. Net als mijn moeder was mijn vader niet hertrouwd; maar ze hadden allebei vasthoudende bewonderaars en liepen uiteindelijk, al dan niet schoorvoetend, naar het altaar – mijn vader liefst zes keer.

Hij moet dus wel charme hebben gehad; en inderdaad leek hij de meeste mensen te charmeren; iedereen, behalve mij. Dat kwam doordat hij me zo in verlegenheid bracht, me overal mee naartoe sleepte om al zijn vrienden te ontmoeten, iedereen, van zijn bankier tot de kapper die hem elke dag schoor. En al zijn vriendinnen natuurlijk. En het ergste: de hele tijd knuffelde hij me en zoende me en schepte over me op. Ik schaamde me dood. Om te beginnen was er niets om over op te scheppen. Ik was een echt plattelandskind. Ik geloofde in Jezus, en zei trouw mijn gebeden op. Ik wist dat de kerstman bestond. En behalve als ik naar de kerk ging, droeg ik thuis in Alabama nooit schoenen, of het nou winter of zomer was.

Het was een pure marteling om door de straten van New Orleans meegetrokken te worden met die strak geveterde, bloedhete, loodzware schoenen aan. Ik wist niet wat erger was: de schoenen of het eten. Thuis was ik gewend aan gebraden kip en kool en wasbonen en maisbrood en ander troostrijk voedsel. Maar die restaurants in New Orleans! Ik zal mijn eerste oester nooit vergeten, het was alsof er een nachtmerrie door mijn keel gleed; er gingen tientallen jaren voorbij voordat ik er weer een doorslikte. Wat al die kruidige creoolse gerechten aangaat, ik hoefde er maar aan te denken of ik kreeg al het zuur. Nee hoor, ik hunkerde naar koekjes zo uit de oven en melk zo van de koe en zelfgemaakte stroop zo uit de emmer.

Mijn arme vader had geen idee hoe ellendig ik me voelde, deels omdat ik hem dat nooit liet zien, en zeker nooit vertelde, en deels omdat hij ondanks het bezwaarschrift van mijn moeder voor de duur van deze kerstvakantie de voogdij over me had weten te krijgen.

Dan vroeg hij: ‘Eerlijk zeggen. Wil je niet hier bij mij in New Orleans komen wonen?’

‘Dat kan ik niet.’

‘Hoezo kun je dat niet?’

‘Ik mis Sook. Ik mis Queenie; we hebben een kleine rat terriër, een gek beestje. Maar we houden allebei van haar.’

Hij vroeg: ‘Hou je dan niet van mij?’

Ik zei: ‘Jawel.’ Maar eerlijk gezegd had ik, afgezien van Sook en Queenie en een paar nichten en een foto van mijn prachtige moeder naast mijn bed, eigenlijk geen idee wat liefde inhield.

Ik kwam er snel achter. De dag voor kerst liepen we door Canal Street en ik bleef stokstijf staan, in de ban van een magisch voorwerp dat ik in de etalage van een grote speelgoedwinkel zag. Het was een modelvliegtuig dat groot genoeg was om in te zitten en als een fiets te trappen. Het was groen en had een rode propeller. Ik was ervan overtuigd dat je zou opstijgen en vliegen als je hard genoeg trapte! Zou dat niet geweldig zijn! Ik zag mijn neven en nichten al op de grond staan terwijl ik tussen de wolken rondvloog. Over naïef gesproken! Ik lachte; en lachte en lachte. Het was de eerste keer dat ik iets deed waardoor mijn vader zelfverzekerd keek, ook al wist hij niet wat ik zo grappig vond.

Die avond bad ik dat ik het vliegtuig van de kerstman zou krijgen.

Mijn vader had al een kerstboom gekocht, en we liepen heel lang door de bazaar om dingen uit te zoeken die we erin konden hangen. Toen maakte ik een fout. Ik zette een foto van mijn moeder onder de boom. Zodra mijn vader die zag, verbleekte hij en begon te trillen. Ik wist niet wat ik moest doen. Maar hij wel. Hij liep naar de glazenkast en haalde er een hoog glas en een fles uit. Ik herkende de fles omdat al mijn ooms in Alabama er ook een heleboel hadden. Illegaal gestookte droogleggingsdrank. Hij vulde het hoge glas en dronk het bijna in één keer leeg. Daarna was het alsof de foto niet meer bestond.

En zo wachtte ik op kerstavond, en op de altijd spannende komst van de dikke kerstman. Ik had natuurlijk nog nooit een rinkelende reus met een grote zak en een bolle buik uit een schoorsteen zien ploffen en zijn geschenken vrolijk onder een kerstboom zien uitdelen. Mijn neef Billy Bob, een gemeen onderdeurtje maar met een stel hersens als een ijzeren vuist, zei dat het allemaal lariekoek was, dat er helemaal niet zo iemand bestond.

‘Ga toch weg!’ zei hij. ‘Als je gelooft dat de kerstman bestaat, geloof je ook dat een muilezel een paard is.’ Dit geharrewar vond plaats op het piepkleine pleintje voor het provinciehuis. Ik zei: ‘De kerstman bestaat, want wat hij doet is de wil van de Heer en de wil van de Heer is de waarheid.’ En Billy Bob spuugde op de grond en liep weg: ‘Ik geloof dat we er een predikantje bij hebben.’

Beest

Ik had altijd gezworen dat ik op kerstavond nooit zou gaan slapen, ik wilde de rendieren over het dak horen dartelen en dansen en onder aan de schoorsteen staan om de kerstman een hand te geven. En niets, zo leek het me, kon deze kerstavond makkelijker zijn dan wakker blijven.

Het huis van mijn vader had drie verdiepingen en zeven kamers, waaronder een paar enorme, vooral de drie die uitkwamen op de patiotuin: een salon, een eetkamer en een ‘muziekkamer’ voor hen die wilden dansen en spelen en kaarten. De twee bovenverdiepingen waren versierd met verfijnde balkons van kantachtig donkergroen ijzer, sierlijk doorvlochten met bougainville en slingerende ranken van spinnenorchis, een plant die lijkt op hagedissen met hun felrode tong uitgestoken. Het was het soort huis dat het beste tot zijn recht komt met lakvloeren en wat rotan hier, wat fluweel daar. Het had voor het huis van een rijk man aangezien kunnen worden; maar het was de woning van een man met een zucht naar elegantie. Voor een arm (maar gelukkig) jochie dat in Alabama op blote voeten liep, was het een raadsel hoe hij die behoefte wist te bevredigen.

Maar het was geen raadsel voor mijn moeder, die na haar afstuderen haar roze verrukkingen ten volle benutte om in New York een volledig geschikte verloofde te vinden met de financiën voor een flat op Sutton Place en een sabelbontjas. Nee, zij was bekend met de middelen van mijn vader, al sprak ze daar pas vele jaren later over, lang nadat ze zich parelsnoeren had verworven om rond haar in sabelbont gehulde hals te glanzen.

Ze was bij me op bezoek op een pretentieuze kostschool in New England (waar mijn schoolgeld werd betaald door haar rijke, royale echtgenoot) toen ik iets zei wat haar razend maakte; ze schreeuwde: ‘Dus je weet niet hoe hij zo’n vorstelijk leventje leidt?

Jachten chartert en cruises langs de Griekse eilanden maakt? Zijn echtgenotes! Denk aan die eindeloze rij: allemaal weduwen. Allemaal rijk. Stéénrijk. En allemaal veel ouder dan hij. Te oud voor een normale jonge man om mee te trouwen. Daarom ben jij zijn enige kind. En daarom kan ik geen kinderen meer krijgen: ik was te jong om een kind te krijgen, maar hij was een beest, hij heeft me beschadigd, gesloopt…’

Just a gigolo, everywhere I go, people stop and stare… Moon, moon over Miami… This is my first affair, so please be kind… Hey, mister, can you spare a dime?… Just a gigolo, everywhere I go, people stop and stare…

Terwijl ze praatte (en ik probeerde niet te luisteren, want door te zeggen dat mijn geboorte haar kapot had gemaakt, maakte zij mij kapot), gingen deze of soortgelijke liedjes de hele tijd door mijn hoofd. Ze hielpen me om haar niet te horen, en ze herinnerden me aan het vreemde, onvergetelijke feest dat mijn vader die kerstavond in New Orleans had gegeven.

De patio stond vol kaarsen, net als de drie vertrekken die erop uitkwamen. De meeste gasten waren verzameld in de salon, waar een rustig vuurtje in de open haard de kerstboom liet flonkeren; maar vele anderen dansten in de muziekkamer of op de patio op muziek uit een opwindgrammofoon. Nadat ik met veel tamtam aan de gasten was voorgesteld, was ik naar boven gestuurd; maar vanaf het balkon achter de jaloeziedeur van mijn slaapkamer kon ik het hele feest bekijken, alle stellen zien dansen. Ik zag mijn vader met een elegante dame rond het bassin walsen waarin de zeemeerminfontein stond. Ze was werkelijk elegant, en droeg een dun zilverkleurig jurkje dat glinsterde in het kaarslicht, maar ze was oud: minstens tien jaar ouder dan mijn vader, die toen vijfendertig was.

Ineens besefte ik dat mijn vader verreweg de jongste op zijn feest was. Geen van de dames, hoe charmant ze ook waren, was jonger dan zijn ranke walspartner in de vlinderende zilveren jurk. Het was net zo bij de mannen, van wie velen lekker ruikende havannasigaren rookten; ruim de helft was oud genoeg om de vader van mijn vader te zijn.

Toen zag ik iets waardoor ik met de ogen moest knipperen. Mijn vader en zijn lenige partner waren naar een hoekje gedanst in de schaduw van de spinnenorchissen; en ze knuffelden elkaar, zoenden elkaar. Ik was zo geschrokken, zo woedend, dat ik mijn slaapkamer in rende, in bed sprong en de dekens over mijn hoofd trok. Wat moest mijn knappe jonge vader nou met zo’n oude vrouw! En waarom gingen al die mensen beneden niet weg zodat de kerstman kon komen? Ik lag urenlang te luisteren of ze weggingen, en toen mijn vader afscheid van de laatste gast had genomen, hoorde ik hem de trap op lopen en mijn deur opendoen om even naar me te gluren, maar ik deed net alsof ik sliep.

Er gebeurde een aantal dingen waardoor ik de hele nacht wakker bleef. Ten eerste de voetstappen van mijn vader die hijgend de trap op en af rende. Ik moest zien wat hij uitspookte. Dus verstopte ik me op het balkon tussen de bougainvilles. Daarvandaan kon ik de hele salon zien met de kerstboom en de open haard waar nog een restje vuur brandde. Bovendien kon ik mijn vader zien. Hij kroop rond onder de boom en maakte een piramide van pakjes. In paars papier en rood en goud en wit en blauw ritselden ze als hij ze verschikte. Ik was duizelig, want wat ik zag dwong me om alles nog eens op een rijtje te zetten. Als deze cadeaus voor mij bestemd waren, waren ze dus duidelijk niet door de Heer besteld en door de kerstman afgeleverd; nee, het waren cadeaus die mijn vader had gekocht en ingepakt. Wat betekende dat mijn vervelende neefje Billy Bob en andere vervelende kinderen niet logen als ze me jenden en zeiden dat de kerstman niet bestond. De ergste gedachte was: had Sook geweten hoe het zat en tegen me gelogen? Nee, Sook zou nooit tegen me liegen. Zij gelóófde. Alleen… tja, ze was dan wel in de zestig, maar in sommige opzichten was ze minstens evenzeer een kind als ik.

‘Ik laat je niet gaan. Ik kan je niet terug laten gaan naar die maffe familie in dat maffe ouwe huis’

Ik bleef kijken tot mijn vader klaar was met zijn karwei en de paar nog brandende kaarsen had uitgeblazen. Ik wachtte tot ik er zeker van was dat hij in bed lag en vredig sliep. Toen sloop ik naar beneden, naar de salon, waar het nog naar gardenia’s en havanna’s rook.

Ik ging zitten en dacht: nu ben ik degene die Sook de waarheid moet vertellen. Een woede, een rare wrok wentelde in me naar boven. Die was niet op mijn vader gericht, al bleek hij er wel het slachtoffer van te worden.

Toen het licht werd, bekeek ik naamkaartjes op alle pakjes. Overal stond ‘Voor Buddy’ op, behalve één waarop ‘Voor Evangeline’ stond. Evangeline was een bejaarde zwarte vrouw die de hele dag Coca-Cola dronk en honderddertig kilo woog; ze was de huishoudster van mijn vader, en bemoederde hem ook. Ik besloot de pakjes open te maken: het was eerste kerstdag, ik was wakker, dus waarom niet? Ik zal maar niet beschrijven wat er allemaal in zat: overhemden en truien en dat soort saaie dingen. Alleen met een heel gaaf klappertjespistool was ik blij. Om de een of andere reden kreeg ik het idee dat het leuk zou zijn om mijn vader wakker te maken door ermee te schieten. Dus dat deed ik. Pang. Pang. Pang.

Hij stormde zijn kamer uit, met verwilderde blik.

Pang. Pang. Pang.

‘Buddy! Wat doe je nou, verdomme?’

Pang. Pang. Pang.

‘Hou op!’

Ik lachte. ‘Kijk, papa. Kijk naar al die mooie dingen die ik van de kerstman heb gekregen.’

Weer kalm liep hij de salon in en omhelsde me. ‘Ben je blij met wat je van de kerstman hebt gekregen?’

Ik lachte naar hem. Hij lachte naar mij. Er was een lang moment van tederheid, dat uiteenspatte toen ik zei: ‘Ja. Maar wat krijg ik van jou, papa?’ Zijn glimlach verdween. Zijn ogen werden tot wantrouwige spleetjes: je zag hem denken dat hij in de maling werd genomen. Maar toen bloosde hij, alsof hij zich schaamde dat hij dacht wat hij dacht. Hij aaide me over mijn hoofd, kuchte en zei: ‘Nou, ik dacht dat ik je zelf iets wilde laten uitkiezen. Is er iets wat je graag hebben wil?’

Ik herinnerde hem aan het vliegtuig dat we in de speelgoedwinkel in Canal Street hadden gezien. Zijn gezicht betrok. Nou en of hij zich dat vliegtuig herinnerde, en hoe duur het was. Niettemin zat ik de volgende dag in dat vliegtuig en droomde dat ik de lucht in schoot terwijl mijn vader een cheque uitschreef aan een blije verkoper. Ik wilde niets weten van mijn vaders voorstel om het vliegtuig naar Alabama te versturen: ik stond erop dat het mee zou gaan met de bus die ik die middag om twee uur zou nemen. De verkoper loste het op door de busonderneming te bellen, waar ze zeiden dat het makkelijk zou kunnen.

Maar ik was nog niet van New Orleans af. Het probleem was een grote zilveren heupfles illegale drank; misschien was het omdat ik wegging, maar hoe dan ook had mijn vader er de hele dag uit gezopen, en onderweg naar het busstation maakte hij me aan het schrikken door mijn pols beet te pakken en hard te fluisteren: ‘Ik laat je niet gaan. Ik kan je niet terug laten gaan naar die maffe familie in dat maffe ouwe huis. Kijk nou wat ze met je gedaan hebben. Een jongen van zes, bijna zeven, die het over de kerstman heeft! Het is allemaal hun schuld, al die zure ouwe vrijsters met hun bijbels en hun breinaalden, die dronken ooms. Luister naar me, Buddy. God bestaat niet! De kerstman bestaat niet!’ Hij kneep zo hard in mijn pols dat het zeer deed. ‘Soms, o, God, denk ik dat je moeder en ik, wij allebei, ons van kant zouden moeten maken dat we dit hebben laten gebeuren…’ (Hij heeft zich nooit van kant gemaakt, maar mijn moeder wel: zij is dertig jaar later de Seconalweg ingeslagen.) ‘Geef me een zoen. Alsjeblieft. Geef me een zoen. Zeg tegen papa dat je van hem houdt.’ Maar ik kon niet praten. Ik was doodsbang dat ik mijn bus zou missen. En ik was bezorgd om mijn vliegtuig, dat boven op de taxi zat vastgebonden. ‘Zeg: “Ik hou van je.” Zeg het. Alsjeblieft. Buddy. Zeg het.’

Ik bofte dat de taxichauffeur iemand met een goed hart was. Want zonder zijn hulp, en die van een paar bekwame kruiers en een aardige politieagent, weet ik niet wat er anders gebeurd zou zijn toen we bij het station aankwamen. Mijn vader wankelde zo dat hij amper kon lopen, maar de agent praatte met hem, kalmeerde hem, hield hem op de been, en de taxichauffeur beloofde dat hij hem veilig thuis zou brengen. Maar mijn vader weigerde om weg te gaan voordat hij had gezien dat de kruiers me in de bus hadden gezet.

Eenmaal in de bus kroop ik weg in een stoel en deed mijn ogen dicht. Ik voelde een heel vreemde pijn. Een verpletterende pijn in mijn hele lichaam. Ik dacht dat de marteling minder zou worden als ik mijn zware stadsschoenen uittrok, die kwellende monsters. Ik trok ze uit, maar de raadselachtige pijn ging niet weg. In zekere zin is hij nooit meer weggegaan; zal hij nooit meer weggaan.

Twaalf uur later lag ik thuis in bed. Het was donker in de kamer. Sook zat naast me te schommelen in een schommelstoel, een geluid dat rust bracht als de golven van een oceaan. Ik had geprobeerd haar alles te vertellen wat er was gebeurd en stopte pas toen ik zo hees als een jankende hond was. Ze streek met haar vingers door mijn haren en zei: ‘Natuurlijk bestaat de kerstman wel. Alleen kan iemand in zijn eentje nooit alles doen wat hij moet doen. Dus heeft de Heer die taak over ons allemaal verdeeld. Daarom is iedereen de kerstman. Ik ben het. Jij bent het. Zelfs je neefje Billy Bob is het. Ga nu maar slapen. Tel de sterren. Denk aan het stilste dat je kent. Zoals sneeuw. Ik vind het jammer dat je geen sneeuw hebt kunnen zien. Maar nu valt er sneeuw tussen de sterren door…’ In mijn hoofd fonkelden sterren, wervelde sneeuw; het laatste dat ik me kon herinneren was de vredige stem van de Heer die iets zei wat ik moest doen. En de volgende dag deed ik dat. Ik ging met Sook naar het postkantoor en kocht een briefkaart. Diezelfde briefkaart bestaat nu nog. Hij werd gevonden in het bankkluisje van mijn vader toen hij vorig jaar stierf. Dit is wat ik aan hem had geschreven: Dag pap hoop dat het goet met je gaat met mij wel en ik leer zo hart trappen in mijn vliegtuig dat ik straks door de lugt vlieg dus hou je ogen open en ja ik hou van je Buddy.

Auteur: Truman Capote
Vertalers: Guido Golüke, Joop van Helmond en Harry Pallemans

Alle verhalen van Truman Capote verschijnt begin februari bij uitgeverij Podium (€ 25) en is in Paradiso met 5 euro korting verkrijgbaar.

14 februari: Truman-avond in Paradiso, Amsterdam

Naar aanleiding van het verschijnen van Alle Verhalen organiseert uitgeverij Podium op 14 februari een feestelijke avond in Paradiso in Amsterdam. Capote-kenners en fans dragen voor uit zijn werk en vertellen over hun fascinatie voor de auteur. Connie Palmen vertelt over de vriendschap tussen Capote en Marilyn Monroe, en Peter Buwalda over de klassieker In Cold Blood. Saxofonist Yuri Honing vertolkt het nummer ‘A Sleeping Bee’, waarvoor Capote de tekst schreef. Jazzquartet BRUUT! speelt New Yorkse jazz uit de jaren zestig. Daarnaast zijn er optredens en voordrachten van schrijfster Annelies Verbeke, acteurs Wilfried de Jong & Wim Opbrouck en cabaretier Johan Goossens.


Deel dit artikel


Recent verschenen