gelezen gezien gehoord gedaan


360 maakt voor u een keuze uit door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland en Vlaanderen komen.

Franse cinema: een man met een hobby

Wie in 2009 de verpletterend goeie film Un Prophète heeft gezien, heeft alvast één goede reden om naar de nieuwe Franse speelfilm La Résistance de l’air te gaan kijken: de hoofdrol is wederom voor Reda Kateb. In Un Prophète speelde Kateb de kleine crimineel die in de gevangenis wordt ingelijfd door een groep heerszuchtige Corsicanen. Nu is hij een brave huisvader maar met een bijzondere hobby: scherpschieten. Daar is hij nogal goed in, en juist dat brengt hem in de problemen.

Er zijn meer beloftevolle overeenkomsten tussen La Résistance de l’air en_ Un Prophète_: het scenario is geschreven door dezelfde mensen en de regisseur, Fred Grivois, is een leerling van de grote Jacques Audiard, die behalve Un Prophète klassiekers maakte als Regarde les hommes tomber en De battre mon cœur s’est arrêté. Audiards nieuwste film, Deephan, kreeg vorige maand de Gouden Palm op het Filmfestival van Cannes. Audiard is groot, heel groot. Zo groot dat de meeste beschouwingen over La Résistance de l’air vooral gaan over de invloed die hij al dan niet heeft gehad op zijn discipelen.

Novaplanet, de site achter het swingende radiostation Radio Nova vindt dat de Audiard-clan zich heeft weten te emanciperen van de meester ‘door niet de overgang te maken van sociaal-realisme naar genre-film, zoals in de meeste Audiard-films gebeurt en wat in dit geval een misdaadfilm zou hebben opgeleverd. La Résistance de l’air speelt met de genrecodes maar alleen op de achtergrond. De focus ligt op het huwelijksleven van Vincent (Reda Kateb) dat onder steeds grotere druk komt te staan en op zijn ware aard, die naar boven komt op het moment dat hij zich in de criminaliteit begeeft’. Le Monde prijst ‘de ambitie van Fred Grivois om het moment te vatten waarop het leven van een man (natuurlijk een man, geen vrouw) afglijdt naar de misdaad. De complexe menselijkheid die Reda Kateb weet te leggen in elke rol die hij speelt is hierbij een grote steunpilaar’. Le Monde heeft wel enkele bezwaren tegen de film maar velt uiteindelijk een positief oordeel. L’Express is minder enthousiast: ‘Geen misdaadfilm, geen psychologisch drama; La Résistance de l’air mist zijn doel.’


Klein, maar groot: de keramiek van Ron Nagle

‘Een exquise handgranaat’ noemt de Los Angeles Times het werk, beter gezegd de werkjes van Ron Nagle die nu in museum Boijmans te zien zijn onder de titel Chewing Gum Monuments. ‘Nagle’s rare, eloquente abstracties grijpen terug op een van de oudste materialen in de kunst: versierde klei, en vormen die tot bijzondere kleine objecten, zeer geraffineerd en doorschoten van pijn.’ Ter verduidelijking van dat laatste gaat Christopher Knight (zwaargewicht in de Amerikaanse kunstkritiek) in op Nagle’s Lobster Boy, een nog geen 10 centimeter hoog knalrood beeldje dat nog het meest lijkt op een vervormd theekopje ‘waarvan het oortje buigt en kronkelt als de tentakels van een zeemonster’. Wat blijkt? Lobster Boy refereert aan ‘de bonte geschiedenis van circusartiest Grady Stiles, een alcoholist wiens vingers en tenen misvormd waren als klauwen. Stiles vermoordde het liefje van zijn dochter, waarna zijn stiefzoon hem vermoordde en het verhaal een tabloidschandaal werd. Nagle’s werk laat van deze gruwelijke geschiedenis niet de feiten zien maar de perfectie in vorm en de intieme afmetingen geven het een aura dat teder, maf en sinister tegelijk is’. Hoe Knight erachter is gekomen dat het vuurrode beeldje verwijst naar de dronken circusman vertelt hij niet, maar wie straks indruk wil maken in het Boijmans weet wat hij moet zeggen. Concreter en makkelijker te verifiëren is Knights opmerking dat de kleine objecten van Nagle ‘tegen de richting van de naoorlogse Amerikaanse abstracte kunst in gaan, die overheerst wordt door de gedachte dat groter altijd beter is’. Helemaal down to earth is het oordeel van Dazed, over Nagle’s inbreng in de Biënnale van Venetië, twee jaar geleden. ‘Deze zeventig-en-nog-wat jaar oude keramist uit San Francisco is een van de beste kunstenaars van wie u nog nooit hebt gehoord. Zijn rare objecten behoren tot de allerkrankzinnigste en ongelooflijkste miniatuurbeelden die u ooit zal zien.’

Dat achter de kleine beeldjes een groot kunstenaar schuilgaat blijkt ook uit de juichende woorden van Rolling Stone over de heruitgave van Nagle’s plaat en de cult-klassieker Bad Rice uit 1973. Het toonaangevende muziekblad hoort overeenkomsten met Randy Newman en Tom Waits. Nagle maakt naast zijn keramische werk nog steeds muziek.

Mircea Cartarescu: een leven in twee helften

Bij de Bezige Bij verschijnt dezer dagen het derde deel van de grote Roemeense trilogie van Mircea Cartarescu. De Frankfurter Allgemeine Zeitung spreekt van ‘fantasmagorische excessen’ in een boek ‘dat voor een groot deel aan hallucinaties lijkt ontsprongen’. De recensie is positief, maar onzeker. ‘In elk geval vermoeden wij dat Cartarescu voor het geschreven woord iets vergelijkbaars probeert als Stanley Kubrick voor de film: namelijk volkomen nieuwe, referentieloze en naar alle zijden open denkbeelden te bieden. Hij rijgt dromen, herinneringen, visioenen en inzichten aaneen en zet op die manier een denkwijze in gang waarvan het doel op dit moment even onduidelijk is als de oorsprong.’

Zijn proza riep bij de journalist van de Roemeense Formulaas Boekares een bepaald beeld op van de schrijver zelf, maar daar bleek niets van te kloppen toen ze daadwerkelijk bij hem op bezoek ging. ‘Mijn god, waar ben ik terechtgekomen? Waar is de uitpuilende asbak vol peuken, waar zijn de glazen drank, de wallen onder de ogen van de dichter die overdag slaapt en ’s nachts waakt, waar liggen de drugs in zijn tot het plafond met boeken en manuscripten volgestouwde zolderkamer?’ Niets van dat al, Cartarescu blijkt een vriendelijke man aan het hoofd van een lieflijk gezinnetje. ‘Ergens moet hij een geheim verbergen’ houdt de verslaggever vast, maar Cartarescu betoont zich een open boek. ‘Ik ben bijna een man zonder biografie,’ zegt hij. Het enige noemenswaardige aan zijn bestaan vindt hij ‘dat de helft ervan zich afspeelde onder het communistische regime en de andere helft erna. Ik heb niets bijzonders meegemaakt, behalve de revolutie van 1989, maar die hebben we allemaal gekend.’

Toen Cartarescu voor het eerst in het Engels werd vertaald, in 2013, schreef de Arts & Book Review: ‘Zijn werk vraagt veel van de lezer, het schakelt heen en weer tussen familiegeschiedenis, satire over de Ceausescu-tijd en visionaire fantasieën die aan William Burroughs doen denken. Maar blijf bij de les: epifanieën en schoonheid te over in dit delirisch ambitieuze werk.’ Het eerste deel van de trilogie waarvan nu het derde verschijnt, kreeg in Roemenië de Staatsprijs. Op de onvolprezen site van Athenaeum Boekhandel zijn ‘voorpublicaties’ te vinden uit alle drie de delen: http://www.athenaeum.nl/leesfragment/mircea-cartarescu-onmetelijke-mausoleum. Hieruit is alvast af te zien dat er met de vertaling door Jan Willem Bos niks mis is.

Mircea Cartarescu
Mircea Cartarescu

Jazz-zangeres Laura Mvula wil zingen of zwijgen

Zoals dat gaat met nieuwkomers wordt jazz-zangeres Laura Mvula allereerst op haar uiterlijk beoordeelt. ‘De zangeres, opgeleid als klassiek pianiste en componist, die tot twee jaar geleden nog werkte als muzieklerares in Birmingham, is niet de typische, springerige en gretige nieuwe ster’, constateerde de Telegraph vorig jaar. ‘Voor een 28-jarige heeft zij een nogal statig voorkomen, versterkt door een adellijk profiel, hoge wenkbrauwen en een Cleopatra-waardige oogschaduw.’
Het interview dat volgt op deze beschrijving gaat ook niet direct over muziek. Maar voor oppervlakkigheden over haar uiterlijk is ook geen ruimte meer als Mvula begint te spreken: ‘Volgens mij hebben we allemaal te veel te zeggen in onze samenleving. Steeds worden we maar aangemoedigd om onze stem te laten horen, om een mening te hebben via Facebook of Twitter. Het is uit de hand gelopen. We moeten allemaal zwijgen en een tijdje stil zijn.’ Lange stiltes laat Mvula ook vallen tijdens het interview, schrijft Stephanie Rafanelli. ‘Zij is niet het type meisje dat bang is om de conversatie te laten haperen. Mvula zegt over haar manier van vragen beantwoorden: “Ik heb veel geluisterd naar interviews met Miles Davis en Nina Simone. Haar antwoorden klinken als gedichten, als preken.’


Al snel geeft de interviewster zich over en wordt apostel. ‘Het is misschien niet eenvoudig om te bevatten waar Laura Mvula voor staat, maar dat komt doordat we verslaafd zijn geraakt aan een muziekaanbod van precies in het hokje passende, hapklare artiesten die elke scheet op Twitter posten. Pas toen Mvula Sing to the Moon uitbracht – geschreven op haar laptop terwijl ze lesgaf – begrepen we wat we gemist hadden: iemand die zingt zoals ze gebekt is.’ De Mail en andere Britse kranten hebben grote waardering voor Mvula’s samenwerking met het Metropole orkest, dat haar muziek ‘een volwaardige symfonische behandeling’ gaf. Volgens de London Evening Standard lag de sleutel tot het succes in ‘de volledige overgave aan dirigent Jules Buckley, die haar muziek voorzag van onverwachte, betoverende nieuwe arrangementen.’ Eind vorig jaar stond Mvula met het Metropole Orkest op het podium van Paradiso, nu een paar honderd meter verderop en een stuk chiquer in het Concertgebouw. Over nieuwe uitvoering van de muziek op haar debuutalbum zei Mvula in The Guardian: ‘Ik kon nooit geloven dat ik de positie zou bereiken waarin een orkest mijn muziek zou spelen. Het is volstrekt overweldigend voor me, want het is zoals ik had gedacht maar méér, het is waarlijk tot leven gewekt.’

Laura Mvula tijdens een optreden in Robin Hill Country Park. – © C Brandon
Laura Mvula tijdens een optreden in Robin Hill Country Park. – © C Brandon


Lees Edith Pearlmans verhalenbundel Honeydew nu, onmiddellijk

Doorbreken vóór je tachtigste, het kan. Edith Pearlman (Providence, Rhode Island 1936) ziet het allemaal op zich afkomen nu haar verhalenbundel Honeydew door Oprah is bestempeld tot een boek ‘dat je nu, onmiddellijk, moet lezen’. James Wood schreef onlangs in The New Yorker: ‘In veel van Edith Pearlmans verhalen komen personages voor die luisteren naar anderen of hen bespieden – dat zijn de twee rijke bronnen voor het bouwwerk van deze subtiele schrijfster.

Luisteren is iets intiems, althans dat zou het moeten zijn, terwijl bespieden een grotere afstand veronderstelt. De korte verhalen van Pearlman combineren op een boeiende manier nabijheid en distantie. Personages worden fluks tevoorschijn getoverd en van dichtbij getoond met behulp van interessante details als kleding, woonvorm, familie en andere dagelijksheden. Maar Pearlman kan ook afstand nemen om hun levens in hun volle omvang te beschouwen. Op die momenten wordt ze een van Gods spionnen en is ze in staat om een heel leven in een paar zinnen samen te vatten met de kracht van een profeet.’ In The New York Times gaf collega-schrijfster Ann Patchett een mooi compliment: ‘De verhalen van Edith Pearlman zijn altijd zo dat ik moeite heb om me te herinneren of ik het gelezen heb of dat iemand het me heeft verteld.’

Edith Pearlman
Edith Pearlman

James Lasdun heeft in The Guardian ‘geen zin om iemand feestje te verpesten, zeker niet van iemand die ruim zeventig jaar heeft moeten wachten op dat feestje’ maar hij neemt toch maar de taak op zich om te roepen dat deze keizerin geen kleren aan heeft. ‘Pearlman is vergeleken met John Updike en Alice Munro, maar ik vrees dat ze niks met hen gemeen heeft. Ze is meer fantast dan realist en stopt haar verhalen vol met totems en mythische archetypes (in vrijwel elk verhaal komt een kreupele geneesheer, een heksachtig grootmoedertje of een triootje slimme prinsesjes voor). Er zit een vleugje Gabriel García Márquez in haar voorkeur voor quasi-magische attributen en enscenering, ze heeft iets van Isaac Bashevis Singers folklore in haar verhalen over het Joodse leven, iets van Angela Carter in haar woordenvloed en de verwijzingen naar sprookjes en iets van Flannery O’Connor in haar neiging tot het beschrijven van lotsbepalende ontmoetingen tussen welgestelde blanke Amerikanen en vertegenwoordigers van andere culturen en socialen klassen. Maar toch heeft haar werk, zelfs voor wie er niks om geeft, iets totaal eigens.’ De Nederlandse vertaling van Honeydew verschijnt onder de titel Honingdauw bij Lebowski.


Auteur: Pieter van den Blink


Deel dit artikel


Recent verschenen