Gevreesd en bewonderd wordt vice premier Anwar Ibrahim, de spil van de Maleisische geschiedenis. Is het een gladde aal, of een volmaakt politicus? Zijn antwoord: ‘U wilt dat mijn politieke carrière slaagt, maar verwacht dat ik dingen doe die mijn politieke carrière kunnen schaden.’
Voor veel mensen van mijn generatie zal de naam Anwar Ibrahim altijd verbonden blijven met de volgende beelden: het blauwe oog, de tank van de Federal Reserve Unit, een traangaspatroon, de overwinningsvreugde na 9 mei 2018. Twintig jaar was deze man de spil van de Maleisische geschiedenis; een man die werd gevreesd en bewonderd, een man die de islamistische Dakwah-beweging oprichtte, een man die sprak van een nieuwe Maleisische dageraad en geloofde dat vrijheid mogelijk was.
Maar wie is Anwar? Het is een man die Kafka en Camus leest, sonnetten van Shakespeare uit zijn hoofd kent en vaak naar het theater gaat, die Arabisch spreekt als een geleerde, die poëzie leest en die een van de beste sprekers is die ik ooit heb gehoord.
In twintig jaar tijd heb ik Anwar ongeveer zes keer ontmoet, bij verschillende gelegenheden. Hij was er in 1995 bij om ons te feliciteren, de cast van het toneelstuk Scorpion Orchid; bij de opening van een boekwinkel in Bangsar; bij zijn huis in Damansara – dat was vóór zijn arrestatie op 20 september 1998 –waar zijn aanhangers ‘Allahoe akbar! Allahoe akbar!’ riepen.
Anwar werd mijn held, en ook die van veel van mijn vrienden. We voerden campagne voor hem, gingen de straat op, werden met traangas bestookt, sommigen van ons werden gearresteerd, omdat we geloofden in een man die onrechtvaardig werd behandeld en werd belasterd. En dat was omdat hij had geprobeerd een einde te maken aan de tirannie van Mahathir Mohamad.
In 2018, mijn laatste jaar als directeur van het George Town Literary Festival, nodigde ik Anwar uit om deel te nemen aan een discussie die ik zou leiden. Toen hij de uitnodiging aanvaardde was ik enthousiast, maar ook zenuwachtig bij het idee dat ik hem zou interviewen.
Het bovenzaaltje, toepasselijk ‘Heaven’ geheten, was afgeladen. Er waren meer dan 350 mensen in de zaal, van wie de meesten stonden, en ze wachtten geduldig. Anwars vlucht uit Bangkok was vertraagd vanwege technische problemen. Er ging een luid gejuich op toen hij eindelijk binnenkwam. Mensen gingen staan, velen waren ontroerd, sommigen niet. Anwar was in ons midden.
Een bevriende journalist had een Maleisische peribahasa, een gezegde, aangehaald, namelijk dat Anwar een seperti belut dikasi minyak is, oftewel een ‘gladde aal’. Ik was het plan het interview rustig op te bouwen, dus ik vroeg hem naar zijn ouders, zijn jeugd – en toen greep ik hem bij zijn keel.
‘In september hebt u iets gezegd wat ons allemaal verontrustte: “Wees op uw hoede voor de superliberalen!” Er zijn veel “superliberalen” in deze zaal, waaronder ikzelf. In de afgelopen maanden zijn er gecoördineerde aanvallen uitgevoerd op de lhbt-gemeenschap in Maleisië. We hebben u tijdens de Reformasi [een protestbeweging die Anwar 1998 oprichtte] gesteund. We zijn met traangas bestookt, we zijn geslagen, we zijn gearresteerd, we geloofden in u. We zijn allemaal Maleisiërs, ook al verschillen we van ras, kleur, religie, vorm en formaat. Laat u ons nu vallen?’
De hele zaal hield de adem in. Totale stilte.
Uit de tijd
Anwar: ‘Ik had die vraag verwacht. Het is goed, dit is een belangrijk onderwerp en een vriendelijk gesprek… Ik heb openlijk opgeroepen tot intrekking van die wetten, omdat ik ze uit de tijd vind en ze worden gebruikt tegen onschuldige mensen. Als politiek leider in Maleisië ben ik zo ver gegaan als mogelijk is.
Waarom hebben we dan zo’n gesprek als dit, zo’n lastig gesprek? Ik heb nooit ontkend dat ik veel Maleisiërs iets verschuldigd ben, zoals ik in het begin ook heb gezegd; geen politieke partijen of maatschappelijke organisaties, maar individuen, activisten hebben me gesteund in mijn benarde situatie…
Dus verwacht niet van mij dat ik voor de zaak van de lhbt-gemeenschap daaraan voorbijga. Ik denk dat vele anderen, zoals minister-president Mahathir, het regelrecht afwijzen. Maar mijn standpunt is genuanceerder omdat ik begrijp dat ik niet het recht heb iemands seksuele geaardheid te bekritiseren. Punt. En de wetten zijn fout. En niet alleen ik, maar vele anderen kunnen daar het slachtoffer van worden. Maar er is ook een grens aan wat ik kan zeggen en wat niet. U wilt dat mijn politieke carrière slaagt, maar tegelijk verwacht u van mij dat ik dingen doe die mijn politieke carrière zouden kunnen schaden. Dus moet ik zo positie kiezen dat ik iedereen die een eigen mening heeft fair behandel.’
Inderdaad, een gladde aal, de volmaakte politicus, die zegt wat je wilt horen, maar wat bedoelt hij nu werkelijk?
‘Wat bedoelt u met “fair”?’
Anwar: ‘Dat ze volgens mij niet veroordeeld zouden moeten worden. Er is één geval waar ik heel fel op ben: als een transgender wordt mishandeld. Ik vind dat niemand in ons maatschappij mag worden beledigd alleen om zijn of haar seksuele geaardheid, en in een conservatieve maatschappij mag je niet meer verwachten dan dat. Anders zou ik een activist zijn, geen nationale leider. Dus er zijn grenzen. Die moet je kennen: wat kan er in een bepaalde periode worden gezegd of gedaan.
Kunt u zich voorstellen dat ik er in dit land voor pleit dat de wetten veranderd moeten worden? Dan zou ik weer voor de rechter worden gedaagd, want de jongerenleider van de UMNO (United Malays National Organisation) veroordeelde mij al omdat ik dit steun en omdat ik wil dat dit als norm gaat gelden in ons land.’
Toen stelde ik de laatste vraag.
‘We leven al zo lang in de duisternis. We zijn eraan gewend geraakt, we zijn verbitterd geworden zonder dat we ons daar zelfs van bewust zijn. Zijn we nu in het licht?’
Anwar: ‘Jazeker… Ik bedoel, jullie, de Maleisiërs. En dat is niet de Maleisische agenda of de Chinese of de Indiase of van de Sabahan of van de Sarawakian [Sabah en Sarawak zijn beide deelstaten van Maleisië, gelegen in het noordwestelijke deel van het eiland Borneo]. Maleisiërs delen deze unieke historische ervaring. In Europa en in de VS neemt het racisme toe: sterke anti-immigrantengevoelens. Maar hier is een prachtige multiraciale beweging op gang gekomen die wil hervormen, die wil veranderen. En volgens mij moet niemand de wijsheid van de massa onderschatten en dat vind ik zo opmerkelijk aan de Maleisiërs… Ja, u zegt dat niemand het had verwacht, maar ik wel. Ik leek een van de weinigen die optimistisch was over de kans om te winnen.’
Het interview duurde een uur, en het was openhartig, vrijmoedig en oprecht. Ik wilde ondubbelzinnige antwoorden van hem, die ik soms niet kreeg omdat hij heel behendig onderwerpen ontweek en omzeilde. Hij werd omstuwd toen hij de zaal probeerde te verlaten, en hij nam de tijd – hij poseerde met menigeen, signeerde boeken, had met sommigen korte gesprekjes. Niemand wilde dat hij wegging. Iedereen was enthousiast, vol verwachting en hoopvol.
“Er is een grens aan wat ik kan zeggen en wat niet”
We zijn nu een jaar verder sinds het begin van Malaysia Baru, het nieuwe politieke systeem. De coalitie vertoont scheurtjes. Ministers zeggen krankzinnige dingen. Najib Razaks corruptieproces is net begonnen. Er is nog geen minimumloon, de Sedition Act (de wet tegen opruiing) is nog steeds van kracht en religieuze leiders wijten abnormale weersomstandigheden aan de lhbt-gemeenschap. Mijn dochter vertelde me dat vele jonge Maleisische influencers anti-lhbt-commentaren posten en ermee wegkomen.
Maleisië is een verscheurd land, nog steeds, en de problemen binnen de Maleisische samenleving blijven toenemen. Er is toenemende woede, zowel onder jongeren als onder ouderen, kranten vliegen niet meer de kiosk uit zoals eerst. Er heerst weer een bedompte sfeer en de vertrouwde lethargie is weer begonnen. We hebben genoeg van het wachten. Van dezelfde retoriek. Van het wachten op Mahathir en op het moment dat Anwar minister-president wordt.
Onlangs was ik in Caïro op een literair festival en las de eerste pagina’s voor uit mijn roman Once We Were There. Een Egyptische jongeman kwam na afloop naar me toe en zei: ‘Anwar Ibrahim, hij is een held, jullie boffen dat jullie zo’n leider hebben.’
Terug in Maleisië vroeg ik in Penang aan een taxichauffeur of hij dacht dat Anwar nog minister-president zou worden en hij antwoordde in het Maleis: ‘Hij moet wel, ook al is het maar voor een tijdje, hij moet. Dat is ons beloofd. We hebben gestemd op verandering en we willen ook verandering.’
Zal Anwar ons die verandering brengen? Stel dat die ons wordt onthouden. Stel dat er grenzen zijn, zoals Anwar suggereerde. Maleisiërs verdienen een beter Maleisië, en ondanks de visionaire ideeën is er een gevoel dat ons verschrikkelijk dingen staan te wachten. De Maleisiërs maken de dienst uit en raciaal zijn we verscheurder dan ooit. De conflicten zijn dezelfde, en dit is niet het Malaysia Baru waarop we hebben gestemd. Ik wil graag in Anwar geloven, in waar hij voor staat, in de man die twintig jaar heeft standgehouden, die nooit de hoop heeft opgegeven. Ik wil de hoop ook niet opgeven. Ik moet weten hoe dit afloopt.
Auteur: Bernice Chauly
Mekong Review
Vier keer per jaar | MekongReview
Vier jaar geleden gelanceerd op het literaire festival in Kampot, Cambodja, publiceert dit tijdschrift hoogwaardige fictie, poëzie en longreads. ‘Een manier om het literaire en intellectuele leven van Cambodja, Birma, Thailand, Laos en Vietnam in de verf te zetten.’

