Britser kan het niet. De meeste provocateurs die de maatschappij een spiegel voorhielden, werden eerst in de ban gedaan en later geridderd als onderdeel van het Britse culturele erfgoed. Nu is de ooit zo verguisde punk aan de beurt.
De scheppingslegende van de punkrock begint met de auditie van Johnny Rotten bij de Sex Pistols, in een gewoon confectie-Pink Floyd-T-shirt waarop hij zelf ‘I HATE’ had gekrast boven de naam van die band. Het was de volmaakte intentieverklaring: een opzettelijke, opruiende verwerping van alles wat er vroeger was geweest. Punk zou een nieuw tijdperk worden, niet besmet door al die onzin van het verleden. Later nam de beweging zelfs de term ‘Year Zero’ over van het barbaarse Pol Pot-regime in Cambodja, bedoeld om de geschiedenis van dat land voordat de Rode Khmer er in 1975 de macht greep, uit te wissen.
Daarom heeft het feest van nostalgie rond het veertigjarig jubileum van de punk dat voor dit jaar staat gepland, iets eigenaardigs. Zeker als de minister van erfgoed in een Conservatieve regering aankondigt dat twee gebouwen in de Londense Denmark Street tot monument worden verklaard, gedeeltelijk vanwege hun band met de Sex Pistols. Dat zwelgen in het verleden was toch juist wat de punk wilde uitroeien?
Want als er één ding nog Britser is dan het bespotten van de gevestigde orde, dan is het wel het omarmen van de critici
Nou, misschien niet. Dit is per slot Denmark Street. Deze straat, die de bijnaam Tin Pan Alley droeg, was van de jaren twintig tot de jaren zestig de thuisbasis van de Britse muziekindustrie. Dat Malcolm McLaren, de manager van de Sex Pistols, juist daar een ruimte huurde, was omdat hij verliefd was op de romantische fantasie die rond deze straat hing, de jachtige commercialiteit die er ooit heerste. Hij verwierp het erfgoed van de pop niet, hij omhelsde die.
In werkelijkheid had de Britse punk een sterke band met het verleden. Qua stijl en sound leunde de beweging zwaar op de mod scene van de jaren zestig, en de twee belangrijkste punkfilms van het punktijdperk keken zelfs nog verder terug: in Jubilee (1978) van Derek Jarman is te zien hoe koningin Elisabeth I vierhonderd jaar vooruitkijkt naar het Groot-Brittannië van de jaren zeventig, en The Great Rock ’n Roll Swindle (1980) van Julien Temple grijpt terug op de Gordon-rellen van 1780.
Dat laatste was ook het concept dat McLaren voor zijn band had bedacht, als herinnering aan de dagen van de London Mob. En met het verstrijken der jaren lijken zulke verwijzingen steeds minder ongeloofwaardig. Punk krijgt zijn plaats in een lange geschiedenis van conflicten, in een traditie van provocateurs die de sociale normen bespotten en uitdagen. McLaren had gelijk. Het is mogelijk om in de Sex Pistols sporen te zien van de turbulente achttiende eeuw: van de satire van Jonathan Swift, de woeste fabels van Hogarth, de karikaturen van James Gillray. En als je nog verder kijkt, zijn er elementen van de Levellers [radicale fractie van het New Model Army van Oliver Cromwell], de Luddites [groep van vroege negentiende eeuw Engels textielarbeiders die tegen de industrialisatie was omdat het hun broodwinning zou schaden] en al die andere brutale hordes opstandelingen die door de eeuwen heen zo welig hebben getierd.
Allemaal werden ze afgewezen of zelfs onderdrukt omdat ze de maatschappij een spiegel voorhielden, en allemaal zijn ze uiteindelijk aanvaard als onderdeel van het Britse culturele erfgoed. ‘De negentiende-eeuwse afwijzing van het Realisme is de woede van Caliban [personage uit Shakespeares romantische komedie The Tempest] die zijn eigen gezicht in een spiegel ziet,’ schreef Oscar Wilde, ook zo’n rebel die gerehabiliteerd werd: honderd jaar na zijn arrestatie wegens onzedelijk gedrag werd er een monument voor hem opgericht in de Poets’s Corner van Westminster Abbey.
Censoren
Want als er één ding nog Britser is dan het bespotten van de gevestigde orde, dan is het wel het omarmen van de critici. Aan het begin van de negentiende eeuw werd Robert Wedderburn tot gevangenisstraf veroordeeld wegens heiligschennis, vanwege zijn opruiende radicale politiek en omdat hij werd bestempeld tot bordeelhouder en pornograaf; nu wordt hij erkend als een van de honderd Great Black Britons. Komiek Max Miller, die in de jaren twintig van de vorige eeuw geregeld slachtoffer van de censoren werd, en die zijn toeschouwers vaak berispte omdat ze om zijn schuine moppen lachten, heeft een standbeeld in de Pavilion Gardens in Brighton.
Nu is het de beurt aan de punk. De single God Save the Queen uit 1977 van de Sex Pistols werd zo opruiend gevonden dat elke tv- en radiozender in het land hem in de ban deed en Top of the Pops weigerde zelfs de titel ervan te noemen. In 2012 was het nummer te horen tijdens de openingsceremonie van de Olympische Spelen in Londen, waarmee evenveel eer werd betoond aan de punk als aan de monarchie.
Er zijn mensen die zich boos maken over deze heiligverklaring van de punk, en het zien als de laatste grote uitverkoop van waarden. Maar die slag is allang geleverd. Als er nog iemand aan twijfelde of deze muziek mainstream is geworden, dan kwam daar een einde aan toen Tony Blair tijdens het congres van de Labour Party in 2005 het podium beklom op de klanken van If the Kids Are United van Sham 69.
Ondertussen zijn reproducties van Johnny Rottens Pink Floyd-T-shirt te koop op internet, voor een alleszins redelijk bedrag.
Auteur: Alwyn Turner
Vertaler: Annemie de Vries
Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 840.000
Anti-Europees tot op het bot, strijdlustig en imagobewust, kortom: het conservatieve dagblad van Engeland op broadsheet.

