Hij wint, hij zweeft, hij zinkt, hij slaat te pletter, en bloedend zweert hij nooit meer een stap in het casino te zetten. Maar dan steekt het Beest de kop op en fluistert verleidelijk: ‘Je wilt toch een nieuwe Playstation, niet dan?’ De schrijver van deze pageturner is pas veertien als zijn inleg verdubbeld aan de roulettetafel en het casino zijn vesting wordt. ‘Een microkosmos waar mijn verstand regelmatig zoekraakte.’
De mevrouw achter het kogelvrije glas bekijkt me eens goed om te zien of ik zelfmoordplannen heb. Ik ben 29 en moet er niet aan denken dat het daarbij blijft. Integendeel. Ik voel me opgelucht en sta met een optimistisch, ietwat scheef glimlachje op mijn gezicht tegenover haar. Aan het loket van het casino. Ik heb uit mezelf een formulier gevraagd voor een vrijwillig entreeverbod. Ik geloof dat de casinomevrouw Dolores heet. Al vijftien jaar zie ik haar hier zitten, terwijl ik geld verspeel. De eerste jaren was ze mooi. Tussen de eeuwig knipperende lampjes werd ze steeds grijzer. Pas als Dolores heeft vastgesteld dat ik niet naar de strop zal grijpen, overhandigt ze me het formulier, want in de regel roepen vooral suïcidale gokkers, die zojuist alles verloren hebben, op deze manier om hulp. Ze legt uit dat ik een heel jaar nergens in het land meer mag spelen, en als ik na afloop van die termijn weer wil beginnen, moet ik eerst een aanvraag indienen. Daar moet ik een verklaring van de dokter bij doen waaruit blijkt dat ik door het gokken mezelf niet in gevaar breng. Voordat ik mijn handtekening zet, aarzel ik even. Ik kijk nog een keer naar de roulettetafels, zoek het Beest, kijk de verwelkte muurbloem aan de kassa nog eens aan, kijk nog een keer naar de tafels. Ik teken en ga ervandoor.
Naar het casino
Vijftien jaar daarvoor. Eduard en ik willen naar de bioscoop. Iets met Bruce Willis tegen de rest, blote handen tegen helikopters. Ik ben veertien, Eduard is een jaar ouder. En minstens twee jaar gewiekster dan ik. Hij is zelfs niet bang voor een slecht rapport of voor meneer Anders, onze vreselijke directeur. We hebben nog een uur tot de film begint. We slenteren wat rond door de binnenstad en weten niet goed raad met onszelf en onze tijd. Tijd die nog geen geld is, hoogstens speelgoedgeld. Ik weet niet meer wie bedacht om naar het casino, tegenover de ijssalon, te gaan. En ook niet waarom geen van de medewerkers er iets van zei toen wij met onze kinderhanden inzetten op de roulettetafel. In die tijd was er nog geen leeftijdscontrole bij de ingang. Wat moeten we er met zijn tweeën lief uitgezien hebben. Tussen de afgetakelde beroepsgokkers met hun tabaksadem en uitgebluste ogen. Ed en ik fladderen als twee verdwaalde vuurvliegjes naast elkaar ons hol binnen, benauwd of we de tien vuurvliegjesmark die we op rood hebben gezet ooit nog zullen terugzien. Negentien, rood, gewonnen! Tien vuurvliegjesmarken worden twintig mannenmarken. Eduard en ik zijn in één keer ongenaakbare avonturiers. En we voelen ons de koning te rijk als we de rook van de met onze winst gefinancierde cigarillo’s van vijf mark uit onze puberlongen blazen.
Ik heb altijd alleen roulette gespeeld. Andere kansspelen hebben me nooit aangetrokken. Roulette heeft van alle kansspelen de grootste winstkans. Die ligt rond de 66 procent, al naar gelang er een of twee nullen (Amerikaanse speelwijze) op de zogeheten cilinder staan. Maar dat was niet de reden van mijn fascinatie. Die wiskundige belofte wordt door geen enkele doorgewinterde speler serieus genomen. Als je verliest, verlies je. En je kunt er zeker van zijn dat je verliest − iedereen verliest. Iedere speler heeft, in elk geval bij benadering, die deprimerende optelsom in zijn hoofd van de duizenden die hij er in de loop der tijd doorheen gejaagd heeft. Een systeem had ik niet. Dat wil zeggen, intussen weet ik dat ik het niet had. Tussendoor koesterde ik allerhande vormen van bijgeloof als strategie. Bijvoorbeeld het devies om met het spel mee te gaan in plaats van tegen het spel in: wanneer de zeven drie keer achter elkaar uitkwam, nog een keer op zeven zetten! Stochastische wetmatigheden? Aan de speeltafel slaan die helemaal nergens op! Lange tijd cultiveerde ik het honingraatprincipe. Daarbij richtte ik me op één onderdeel, laten we zeggen de getallen hoog in de twintig, en metselde dat consequent dicht met fiches. Nog zo’n empirisch verworven stelregel was om nooit met geld te spelen dat je eerlijk had verdiend. Fortuna, die hedonistische bitch, ruikt dat. Zweetgeld verzwelgt ze meedogenloos. Poen waar je door een beetje heling, geknoei met de bijstand of nog liever door spelen aan bent gekomen, zo uit de moederschoot zeg maar − dat vindt ze een stuk fijner. Wat Eduard betreft, hij verdedigde de theorie dat er structureel goede en slechte dagen zijn om te spelen. Zaterdag was bijvoorbeeld een slechte dag, omdat er dan veel mensen komen die wat geld willen scoren om eens flink de bloemetjes buiten te zetten. Maandag was ook niet slim, omdat dan alleen de harde kern van spelers komt en de zaak verder leeg blijft, waardoor de bank een enkele keer moet bijspringen om de kas kloppend te krijgen. Donderdag. Ja, donderdag was volgens hem heel verstandig.
Twee, misschien drie maanden lang is de speelhal mijn kantoor
Juli 2006. Ik ben negentien en voer voor het eerst een eigen huishouding. Eigenlijk doet Sofie dat, mijn eerste grote liefde. In elk geval moeten we allebei huur betalen voor onze gemeenschappelijke tweekamerwoning. Pas over een paar maanden kan ik gaan studeren, dus nog geen stufi. Voor het eerst word ik echt geconfronteerd met de druk om geld te verdienen. Ik zwerf door de stad en hoop dat ik ergens een baantje vind als bordenwasser of wat dan ook. In plaats daarvan breekt er een geluksperiode aan. Twee, misschien drie maanden lang is de speelhal mijn kantoor. Iedere dag werk ik een beetje, win iets tussen de dertig en zeventig euro en kom als stralende kostwinner thuis bij Sofie. Meestal met een klein cadeautje. Zo functioneert ons kinderhuwelijk voortreffelijk. Uiteraard geen woord over het casino. Sofie zou mijn kop eraf rukken. Misschien kan het eeuwig zo doorgaan, zolang ik maar met weinig tevreden blijf? Zolang ik op kantoor mijn zelfbeheersing maar niet verlies en Sofie blijft denken dat ik op een callcenter werk. Waarom eigenlijk niet? Mijn neus begint heel langzaam een beetje te groeien vanwege het dubbelleven. Op een mooie zomeravond koop ik in de avondwinkel aardbeien en heerlijke gekoelde Volvic-perzikijsthee, niet die lauwe pis uit de supermarkt, daar kan ik bij Sofie toch niet mee aankomen! We eten tortellini met zalm op het balkon, en ik geniet na van de triomf dat ik de financiële wereld en trouwens iedereen te slim af ben geweest. En ondertussen kijk ik spottend naar de verpauperde dronkaards voor de kiosk aan de overkant. Die moeten maar wat gaan doen voor de kost, denk ik. Als ze ook tortellini met zalm willen eten, moeten ze eerst maar eens behoorlijk gaan spelen, de aso’s!
Ik zou Ed graag over mijn run vertellen. Maar tussen ons heerst ijstijd. Nou ja, eigenlijk tussen Sofie en Elisa, de vriendin van Eduard. En onze vriendschap is krijgsgevangen gemaakt. Liever gezegd, Eduard heeft zich bij een nieuw bondgenootschap aangesloten. Omdat hij van ons beiden de betere strateeg is, heeft hij eerder ontdekt dat het loyaliteitsgevoel van een vrouw geen compromissen duldt. Maar toch blijf ik op Eduards verstandige donderdagen langer in het casino. Hij komt niet. Misschien is hij ermee gestopt?

De universiteit begint, binnenkort komt er een enorme nabetaling van mijn stufi. Tweeënhalfduizend euro − zo veel heeft er nog nooit op mijn rekening gestaan! Prompt verspeel ik veertienhonderd, en voor het eerst verlies ik mijn zelfbeheersing. Ik leer dat roulette een meedogenloos spel is. Hoezo spel, het is een val! Een gehaktmolen! Een fascist in rood-zwart uniform! In tranen beken ik de ramp aan Sofie en beloof dat ik nooit meer zal spelen. Ik weet absoluut zeker dat Eduard ermee is gestopt. Hij is veel uitgekookter dan ik. Zijn geld is hem te lief om het bij die afzetters te vergooien.
Niemand heeft altijd pech
Sommige roulettespelers zitten urenlang getallen op te schrijven. In wolken sigarettenrook zijn ze als kleine geleerden met het rondtollende kogeltje in de weer. Ze analyseren in welke sector van het wiel de kogel in de loop van de laatste vijftig rondes het vaakst terechtkwam. Leggen het vast in kleine modelletjes. En gaan dan naar huis met niets anders dan de gratis casinobalpen waarmee ze urenlang hun ‘analyses’ hebben opgeschreven. Een flink deel blijft gewoon vasthouden aan zijn eigen lievelingsgetallen. Echt winnen heb ik alleen mensen zien doen die voor grote bedragen halsbrekende risico’s namen. Maar ook zij gingen vroeg of laat voor de bijl. We hoeven dus niet langer te speculeren over onfeilbare methodes. Geluk en spel − geen van deze twee woorden belooft een coherent en betrouwbaar verdienmodel. Als volwassen mens moet je dat kunnen accepteren. Vindt u deze conclusie banaal? Er zijn toch geen mensen onder ons die in ernst bestrijden dat water nat is? Wel, als u het zo wilt stellen: toch wel.
In Duitsland zijn er tussen de 150.000 en 350.000 gokkers, die er regelmatig have en goed onder verwedden dat water droog is. In het vuur van de strijd is nat water voor de wanhopige speler onacceptabel. Want ooit heb je geluk. Je hebt recht op geluk. Je kunt het afdwingen. Niemand heeft altijd pech. Een echte speler kun je onder andere herkennen aan het feit dat hij vroeg of laat zijn nederlagen als iets persoonlijks begint te zien: ‘O, net naast mijn 11!’, ‘Ah, ik wist het, mijn 24! En uitgerekend deze ronde heb ik er niets op gezet!’, ‘Hoe is het mogelijk, ik moet even geld halen, al mijn getallen komen langs! Tering!’ Zo klinkt een jammerende verslaafde; met plezier heeft het niets meer te maken.
In mijn beste tijd vond ik het hele universum onrechtvaardig als ik ‘mijn’ 35 voorbij had laten gaan. Of als hij een ronde te laat kwam, net nadat ik mijn laatste vijf euro erop had gezet. Het walgelijke aan roulette is bovendien dat het getal waar je mee zou hebben getriomfeerd, maar een paar centimeter van de verpletterende schande verwijderd is. Het grote succes was zó dichtbij, het geld is zó foetsie. Trouwens, niet alleen speelde ik uitsluitend roulette, ik deed het ook steeds in hetzelfde casino. In de tent waar Eduard en ik onze gezamenlijke gokkerscarrière waren begonnen. De geboorteplaats van de avonturiers. Door de jaren heen werd die ene roulettetafel een soort kristallisatiebekken voor de staat van onze vriendschap. Het casino werd onze vesting. En een microkosmos waar mijn verstand regelmatig zoekraakte.
Patiënten werden in de klinieken behandeld als menselijke wezens die een heleboel verkeerde besluiten hadden genomen, in plaats van als misdadigers
Voorjaar 2010. Ik ben 23 en lig met Clara in bed. Volmaakter dan dit kan haast niet. Tien minuten geleden zijn we tegelijk klaargekomen en even simultaan riepen we ‘Ik hou van je!’ Nu rusten we uit, ineengestrengeld, synchroon ademhalend, we zijn één vurige cel. Dit is geen kinderhuwelijk meer. Dit gaat duizelingwekkend diep. Mijn hart loopt over, ik voel me geborgen en gelukkig als nooit tevoren.
Waarom ik u al deze intimiteiten beschrijf? In een essay in de Atlantic Journal verdiept de publicist Johann Hari zich in de oorzaken van verslaving. Hij heeft hele boeken geschreven over drugs en strategieën om ze te bestrijden. Zijn belangrijkste argument is rigoureus humanistisch: het tegenovergestelde van verslaving is niet onthouding, maar menselijk contact. Stressbestendige emotionele relaties, die tegen een stootje kunnen, echte rolmodellen, liefde. Alles dus wat ik indertijd met Clara had.
Om zijn punt te onderbouwen gebruikt Hari onder andere het volgende voorbeeld. In de kooi van een rat staan twee drinkflesjes; het water in een ervan bevat cocaïne. De rat heeft de keus, en kiest ervoor zich dood te zuipen aan de bak met coke. Alle ratten doen dat, dat is klinisch bewezen. Zo zit dat met chemische verslaving, luidde de wetenschappelijke conclusie. Hari betwijfelt dit aloude inzicht, waarbij hij zich beroept op een psychologieprofessor uit Vancouver, genaamd Bruce Alexander.
Deze Bruce Alexander vroeg zich af of die ratten iets beters konden doen dan zichzelf van kant te maken − in hun eentje, gevangen in hun eigen rotkooi. Dus voerde Alexander het experiment met de twee flesjes nog een keer uit, maar nu met nieuwe parameters. Hij bouwde een rattenpretpark. Vol met gekleurde speelballen, rattenglijbanen en lekkernijen. Maar vooral met veel soortgenoten waarmee de knagertjes hun wonderland konden delen. Het duurde maar even of de ratten werden verliefd en stichtten gezinnetjes. In deze leefomstandigheden lieten de dieren de flessen coke links liggen. Niet helemaal, maar geen van de subjecten vergreep zich zodanig aan het spul dat hij niet meer aan het maatschappelijk verkeer kon deelnemen. Laat staan dat hij zichzelf vernietigde. Zelfs ratten die, alleen in een kooi, twee weken lang van cocaïne waren voorzien en op de rand van verslaving stonden, zochten na kortstondige ontwenningsverschijnselen een plaatsje in de gemeenschap.
Het Beest in mij
Niet overtuigd? Omdat ratten nu eenmaal geen mensen zijn? Misschien spreekt Alexanders tweede voorbeeld u meer aan. Portugal beleefde in de jaren negentig een heroïne-epidemie. Eén procent van de bevolking gebruikte. De harde aanpak van de overheid, razzia’s bij dealers, draconische gevangenisstraffen voor gebruikers − het sorteerde allemaal geen noemenswaardig effect. In plaats van in meer gummiknuppels investeerde de regering daarom in ontwenningsklinieken en decriminaliseerde ze verdovende middelen. De patiënten werden in de klinieken behandeld als menselijke wezens die een heleboel verkeerde besluiten hadden genomen, in plaats van als misdadigers.
Het kernpunt van de therapie was evenwel om de behandelden snel een plaats in sociale netwerken te geven. Niet alleen incidentele zelfhulpgroepen, maar echte gemeenschappen. Een nieuw bijeengebracht, nog van de ontwenning trillend trio junks kreeg bijvoorbeeld een klein krediet. Met daaraan gekoppeld de taak om met dat geld een verhuisbedrijf op poten te zetten. De drie firmanten waren geheel op elkaar aangewezen. Weg uit de eenzame, roestige kooi, samen de rattenglijbaan opknappen. Het heroïnemisbruik in Portugal daalde met 50 procent! Dat getal is des te verbazender als we bedenken dat het afkicken van heroïne gewoonlijk een minimale successcore heeft. Gaat het dan zo makkelijk? Geef een mens andere mensen en hij wordt goed? En als hij niet door en door goed wordt, dan toch in elk geval gezond?
Terug naar de zalige liefdeskluwen, die bestaat uit Clara en mij. Door liefde gedragen zweeft hij boven het bed. Dan komt hij langzaam naar beneden en koelt een beetje af, tot ik besluit me los te maken, me aan te kleden en naar het casino te gaan. Want het Beest in mij laat zich door de zon niet in bedwang houden en is niet stil te krijgen. ‘Je wilt toch een nieuwe Playstation, niet dan?’ fluistert het verleidelijk. Ik ga als een gelukkig man op pad en verspeel in twintig minuten driehonderd euro, en fiets gedeprimeerd terug naar Clara, die me nauwelijks herkent. En algauw raadt waar ik ben geweest. Voor haar maak ik er geen geheim van dat ik speel. Tenminste, niet meer dan nodig. Dat wil zeggen, ik vertel het alleen als ik gewonnen heb. Ik probeer de lange neus van mijn dubbelleven te laten doorgaan voor een door veel training steeds beter wordend reukorgaan. Wat heel goed lukt, want ik beleef mijn tweede grote geluksperiode.
Eduard noemt me Lucky Strike. Sinds we elkaar op een dag toevallig weer tegenkwamen aan de speeltafel en in gesprek raakten, beleeft onze vriendschap een renaissance. Algauw zitten we weer geregeld in onze vesting, kijken met grote ogen hoe de anderen met opgeheven hoofd het strijdperk verlaten en betreuren de incidentele blessures. We kijken ook weer samen voetbal en gaan naar concerten en begrijpen absoluut niet meer wat ons eigenlijk uit elkaar dreef. Tenminste, ik begrijp het niet meer. Het lijkt soms of ik mijn geluksperiode alleen maar heb omdat Eduard weer mijn vriend is en ik bij hem in de buurt ben.

De overwinningen komen precies op tijd. Want na drie jaar krijg ik geen stufi meer, en ik weet niet hoe ik anders de huur moet betalen. Net zoals mijn liefde voor Clara volwassener is, is ook de succesgolf van een heel andere intensiteit. Steeds weer tel ik genietend de gewonnen briefjes van vijftig in mijn nachtkastje. Samen minstens 1800 euro. Het zou veel meer zijn als ik het geld dat ik heb gewonnen niet meteen als een idioot over de balk zou smijten. Hier een elektrisch verstelbare bank, daar een negentien jaar oude whisky. Natuurlijk heb ik drie jassen nodig. Misschien moet ik nu in het kort wat nader ingaan op de aard van het geld dat ik heb gewonnen. Zodat u echt begrijpt wat voor storm er in mijn hersens en in mijn broekzakken woedde.
Geen geld ter wereld is zo heerlijk om uit te geven als geld dat je met gokken hebt gewonnen. Niet alleen omdat je er niet net als iedereen voor hoeft te ploeteren. Dat op zich is al erg verkwikkend. Maar de diepste bevrediging lag voor mij in het feit dat ik werd beloond voor mijn irrationaliteit. In mijn beste (domste) tijd voelde ik mezelf een rouletterebel. Een onverschrokken strijder tegen de dictatuur van het kapitalisme. Moet je jullie zien, jullie wormen van de werkende wereld. Geld is jullie god. Weten jullie wat ik met jullie almachtige heb gedaan? Ik heb hem bevolen op 32, 34, 26 en alle oneven getallen te gaan liggen. En geluisterd heeft hij, als een bange hamster! En wat een voldoening als je de nota van de servicekosten met geld uit het casino betaalt!
Sta me toe dat ik nogmaals de klemtang van de wetenschap uit de kast haal om mezelf op treffende wijze te beschrijven: de sociale psychologie houdt zich al jaren bezig met het fenomeen beloning. Ze stelt bijvoorbeeld de vraag welke vormen van beloning het meest effectief zijn. Laten we het wat beeldender maken en het over rozijnen hebben: op welke rozijn verheugt u zich het meest? Op die waarvan u weet dat het rozijnenbureau u er om de vijf uur een overhandigt? Of op de mysterieuze rozijn, waarvan u niet weet wanneer, in welke vorm en of u hem krijgt?
Het onderzoek leidt tot de conclusie dat veel mensen snel verveeld raken door die lelijke om-de-vijf-uurrozijn. En dat ze snakken naar die onzekere, onverhoopte, verrassende choco-druif-truffel-superrozijn. In de zomer van 2015, vlak voordat ik besloot ermee te stoppen, was ik volkomen op dat onzekere gokkersgeld gericht. Als ik aan consumptie dacht, aan een of andere grote aanschaf, dan produceerde ik automatisch roulettespeeksel, net als Pavlovs proefhond. Het is moeilijk om in een vrije wil te geloven als je ontdekt dat er overeenkomsten bestaan tussen jou en dat mormel van Pavlov. Bovendien was mijn onafhankelijkheid altijd heel belangrijk voor me. Ik geloof dat Clara juist daarom verliefd op me was geworden.
Vanzelfsprekend schep ik op hoe onorthodox ik onze droomvakantie heb gefinancierd en vertel openlijk over mijn stoutmoedigheid, mijn lef
Op het hoogtepunt van mijn tweede geluksperiode beloof ik Clara dat we op mijn kosten een reisje gaan maken. Niet te ver weg, Frankrijk of Nederland bijvoorbeeld. Ed en ik zitten weer in onze vriendschapsvesting. Ik loop al vijfhonderd voor en zet impulsief dertig euro op de nul. Enkele seconden later word ik voor mijn waanzin bedankt met 1080 euro. Met een koortsig hoofd slaapwandel ik naar de deur en bel Clara:
‘Hé, we moeten helaas ons reisje naar Holland afzeggen.’
‘Nee hè, vertel me nou niet dat je alles verspeeld hebt.’
‘Nee, dat zeg ik niet. Ik zeg dat we naar de Malediven vliegen. Ik heb een flinke slag geslagen!’
‘Liefje, je bent gek! Ik hou van je!’
Ontredderd
Op de Malediven, waar we in een azuurblauwe zee badderen tussen babyhaaien, leren we een wat ouder stel uit Würzburg kennen, Ruth en Vincent, goed gesitueerd, allebei psychotherapeut. Vanzelfsprekend schep ik op hoe onorthodox ik onze droomvakantie heb gefinancierd en vertel openlijk over mijn stoutmoedigheid, mijn lef. Ruth glimlacht eerst, maar wordt dan snel serieus en komt op de proppen met het oudbakken: ‘Dat is natuurlijk fantastisch. Maar je moet echt oppassen met gokken. Of je wint of verliest − op een gegeven moment heb je jezelf niet meer in de hand!’ Wat weet zij daar nou van! Dat gaat mij echt niet gebeuren! Niet nog eens. Ik kan het Beest voor mijn kar spannen en op zonovergoten dagen een ritje met hem maken.
‘Beest, zeg eens boe!’
‘Boe.’
‘Goed zo!’
Ik kom terug en ga meteen weer spelen. Win de ene dag vierhonderd, verlies de volgende vijfhonderd, verover met inzet van mijn hele autonome zenuwstelsel zeshonderd, en ben aan het eind van de week zevenhonderd plus mijn zelfbeheersing kwijt. In de uren dat ik niet speel, reken ik uit welke gaten het spelen in mijn financiën heeft geslagen. Het resulteert in een doemscenario, gelardeerd met zelfverwijt, schaamte en depressie. Maar liever fantaseer ik wat cool zou zijn om te kopen, nu de 35 zijn hoofd er weer bij heeft. Voor een deel zijn mijn shoppingrondjes preventief. In het volle besef dat mijn geld morgen door mijn eigen toedoen weer verdwenen kan zijn. Alles wat ik al heb uitgegeven kan ik niet meer verspelen. De massagestoel blijft. En iemand moet de Argentijnse steakboeren toch steunen. Die hebben het ook niet makkelijk, dat weet ik uit een documentaire die ik op mijn nieuwe HD-tv heb gezien.
Dat consumptiepatroon, dat mijn middelen ver te boven gaat, is er samen met de steeds grotere verliezen voor verantwoordelijk dat binnen de kortste keren de deurwaarder voor de deur staat. Ik probeer nog een keer een grote noodsprong met de 35. Het lukt. Ik betaal de deurwaarder, en hij gaat zonder mijn massagestoel de deur uit. De volgende dag maak ik die noodsprong nog een keer, wat kan mij het schelen. Maar deze keer blijkt hij een smerige stoot onder de gordel. Voor de rest van de maand ben ik blut. Minstens. Ik moet wat lenen, alweer. Maar hoe leg ik dat uit? Mensen beginnen me raar aan te kijken omdat mijn neus zo lang wordt.
Ik ren volkomen ontredderd het casino uit en gooi mijn lidmaatschapskaart weg waar ik iedere keer een gratis Fanta mee kreeg. Voor de tweede keer zweer ik mezelf in tranen nooit meer een voet in een casino te zetten. De vriendschap met Eduard kwijnt opnieuw weg. Bij een van onze gezamenlijk rouletteveldslagen meen ik een boosaardige grijns over zijn gezicht te zien flitsen als hij ziet hoe ik honderd euro verlies. Daarop kijk ik hem strak aan en denk: misschien ben je wel nooit mijn vriend geweest? Haat ik je soms? Jij bent net zo gemeen als die roulettekogel hier. Jullie allebei! Voor iedere keer dat jullie me een plezier doen, steken jullie me twee keer in mijn rug! Niet lang daarna ga ik in een andere stad studeren, en daarmee is het lot van de avonturiers bezegeld.
De 14
We hebben vier jaar geen contact. In mijn nieuwe omgeving leid ik een succesvol leven. Aan de horizon rijst een majestueuze carrièreberg op die beklommen moet worden. Ik moet hem in mijn eentje bestormen, Clara heeft de latrelatie niet volgehouden. In dit nieuwe, functionelere, op mezelf aangewezen leven denk ik niet meer aan roulette. Ik denk er zo overtuigend weinig aan, dat ik zelfs op de gedachte kom naar het casino te gaan als ik eind 2013 weer eens op bezoek ben in mijn geboortestad.
In het casino kom ik Eduard tegen en ik ben niet eens verrast. Toevallig is het donderdag. Hij heeft een echte baard gekregen en maakt een verstrooide indruk. Hij heeft het soort verstrooidheid die begint als je te veel ronden achter elkaar hebt zitten spelen. ‘Ik ben hier de laatste maanden veel te veel geweest,’ zegt hij. Zelfs zulke dingen kan Eduard neutraal zeggen, zonder een zweem van schuldgevoel. Hij is volkomen berouwresistent. Daar heb ik hem altijd om benijd. Bovendien is hij nog steeds met zijn vriendin Elisa. Omdat ze amusant is, zoals hij zegt. Over liefde heb ik Eduard nog nooit gehoord. Tenminste niet zonder spot. Ook pathos en enthousiasme zijn de extreem rationele Eduard een gruwel. Als ik niet beter wist, zou ik zeggen dat hij alleen aan de roulettetafels sterke emoties heeft.
Zo staan we zeldzaam vertrouwd naast elkaar te spelen. Hij probeert nog steeds de hele tijd om de 14 uit te melken. Ik kan de 14 niet uitstaan, dat weet hij. Maar ik kijk Ed open en verzoenend aan en zet twee euro op zijn getal: ‘14, rood… Alles betaald.’ Eduard glimlacht geloofwaardig en zet de volgende ronde twee euro op mijn 35. Weer roept de croupier: ‘35, zwart… Alles betaald.’ We gaan een dure whisky drinken. Waarbij ik op mijn hoede blijf, omdat ik zo weinig mogelijk over mezelf kwijt wil. Eduard kan iemand verschrikkelijk afkraken en venijnig de grond in boren. Ook hij heeft zijn carrièreberg waarschijnlijk gevonden en is bezig die te beklimmen. Onze nieuwe ervaringen lijken op elkaar. Ik heb Ed gemist.

Mijn derde grote geluksperiode is angstaanjagend vet. Ze past goed in de dromerige zomer van 2015, waar geen eind aan lijkt te komen. Nu eens zit ik met Eduard aan het meer te bedenken hoe ik mijn gisteren gewonnen 1100 euro op de zinvolste manier kan verbrassen. Dan fluister ik Vanessa toe of we er niet gewoon vandoor zullen gaan naar Andalusië. Voor het eerst, na langdurige Clara-opruimwerkzaamheden, ben ik verliefd. Ik ken Vanessa nog niet lang, maar weet dat ze een kinderlijk eerbiedige houding tegenover geld heeft. Ze is goudeerlijk en heeft twee baantjes om haar studie te kunnen betalen. Zeshonderd euro winnen is dezer dagen voor mij daarentegen best aardig. Niet meer en niet minder.
Op een verjaardagsfeestje zit ik een beetje langs de kant, ik heb net die verse, oninteressante zeshonderd pegels in mijn zak. En kijk naar Vanessa, die aan het dansen is. Ik zou graag met haar dansen, maar dat werkt niet. Dan kijkt ze altijd ergens heen, maar nooit naar mij. Ik ga naar haar toe en trek haar tegen me aan, dring haar mijn ritme op. Ze merkt mijn irritatie en verstijft. Daarom moet ik wel van opzij naar haar kijken, en opeens voel ik dat ik geen zin heb om het speelgeld voor haar uit te geven, geen zin heb haar blij te maken. Dat ik niet met haar naar Andalusië wil, ik wil niet eens samen met haar naar huis. Want met Vanessa ben ik eenzamer dan zonder haar.
Dat gevoel ligt als een steen op mijn maag, en ik plof in een donkere kuil, terwijl om me heen de muziek maar doordreunt. In de kuil wacht het Beest. Het slaat begrijpend zijn arm om mijn schouders en zegt: ‘Het komt goed. Morgen winnen we nog meer, misschien wel tweeduizend. Dan ga je je weer beter voelen.’
De schier eindeloze zomer is voorbij. Vrijwel ongemerkt. Net als Vanessa. Ze heeft me niet eens een welverdiende draai om mijn oren gegeven, laat staan verwijten gemaakt, nadat ik haar aan de kant had gezet. Maar dat is oké. Liever alleen met goede vooruitzichten, dan samen gevangen in een valse belofte. Dat zijn inzichten van de laatste weken. Mijn emoties ontwikkelen zich aanwijsbaar in een goede en gezonde richting, maar ze worden wel enorm gefrustreerd doordat mijn periode van schaamteloos geluk − wie had dat ooit gedacht − langzaam maar zeker omslaat in een financieel fiasco. Mijn beloningsrozijntjes waren zo dik dat mijn hoofd één grote rozijn werd zodra ik ging spelen. Ik neem levensgevaarlijke risico’s, laat mijn terughoudendheid veel te snel varen. 35, EN WEL NU! 12, 11, 2, 11, 21, 5. Duizend euro weg. Briesend naar beneden, naar het loket van de spaarbank, om vlug de volgende duizend op te nemen. In deze dagen realiseer ik me dat in al mijn gelukscycli hetzelfde gebeurde: je wint, je zweeft, je zinkt, je slaat te pletter, en bloedend zweer je uiteindelijk dat je ermee ophoudt. Toch wil ik hier aan de roulettetafel het verjaardagscadeau voor mijn moeder versieren. Een reisje naar Rome, wat kost dat helemaal, 350 euro? Dat geld had ik ook zo wel, maar ik wilde het winnen. Ik geef het casino nog één kans. Overigens heb ik de verhouding met mijn ouders tot nu toe bewust buiten beschouwing gelaten, om de al te voor de hand liggende conclusie te vermijden dat ik speelde omdat mijn ouders iets verkeerd hebben gedaan. Onze relatie is goed, niet perfect. Zoals in bijna alle gezinnen. Als incidentele conflicten met het ouderlijk huis voor het Beest voldoende bestaansreden zou zijn, dan woonden we op een absolute junkenplaneet.
In die risicovolle, zeer risicovolle tien minuten verspeel ik dus 580 euro, ga naar de wc en praat met het Beest: ‘Je bent een smerige leugenaar,’ zeg ik.
‘Ho, ho, ik fluister je alleen maar in wat je wilt horen.’ ‘Maar ik wil het niet meer horen. Vanaf nu zorg ik er zelf wel voor dat ik gelukkig word. Je stoort, wegwezen!’
Dan ga ik naar het wisselloket van het casino, waar de verwelkte Dolores zit, en onderteken mijn vrijwillige entreeverbod. Nu hoef ik er niet meer over na te denken of ik wel of niet wil spelen, zoals ik dat de afgelopen tijd onophoudelijk heb gedaan. Het mormel van Pavlov is in zijn eigen speeksel verdronken. Ik ben net zo opgelucht als een alcoholist die hoort dat er in het hele land geen druppel alcohol meer te krijgen is. Als ik die analogie aan Eduard vertel, staart hij me verwonderd, bijna overrompeld aan. Maar hij herstelt zich snel en zegt enigszins neerbuigend dat ik overreageer. Nu heeft hij de vesting voor zich alleen.

In de volgende maanden keert beetje bij beetje mijn respect voor geld terug. Het gevoel dat je het op ieder moment met een goede gok kunt versieren, de zekerheid van een alomtegenwoordige economische X-factor verdwijnt. Plotseling doet het meer pijn om in de tram een briefje van twintig te verliezen dan om er vijfhonderd euro door te jagen in het casino. Een enkele keer overweeg ik om naar een van de gokhallen in de hoerenbuurt te gaan, waarvan ik weet dat mijn verbod daar niet geldt omdat er geen identiteitscontrole plaatsvindt. Wat overigens de absurditeit aantoont van de belofte dat de staat je zal beschermen. Om van de vele gokmogelijkheden op internet maar te zwijgen. Maar ook op eenzame, koude winterdagen lukt het me zonder hulp van vreemden. Omdat me duidelijk is dat wat ik zoek niet aan de goktafel te vinden is. Gelukkig zijn moet iedereen zelf doen.
Februari 2016. Ik heb een paar glazen goedkope rum op en daarnet pretentieloze seks gehad met de afstandelijke Jasmin. Het gaat goed met me. Ik slenter wat door de straten, die op deze zachte winteravond vrijwel uitgestorven zijn, en wil nog niet naar huis. Ik vis twintig euro uit mijn jaszak, kijk er een tijdje naar en denk: kan mij het schelen, vandaag lukt het. Uit de bar weglopen zonder betalen heeft gewerkt, de seks met Jasmin ook. Ga naar binnen, man. Dus ga ik naar binnen waar ik eigenlijk helemaal niet meer binnen gelaten mag worden. Maar in de kleine gokhallen in deze buurt vragen ze niet naar een identiteitskaart, in plaats daarvan vraagt de middenveertigster bij de deur met het levenloze gezicht en het Oost-Europese accent: ‘Wil je wat drinken?’ Van het (in theorie) bontgekleurde uithangbord doen maar een paar letters het. De overige zijn trieste lampenkadavers. Naast een tiental automaten staat een droevige tafel met treurige kunstbloemen in een vaalgrijze blikken vaas. Wat een rattenval. ‘Ja, een Fanta graag.’ Ik ga bij een automaat zitten en begin te spelen.
Veertig cent op 35, zwart. Belachelijk, veertig lullige centen in een gammele roulette-automaat. De machine geeft niet eens de obligate tijdslimiet voor het inzetten, geen ‘Rien ne va plus’, geen echte prikkel voor de zenuwen. En uitgerekend in dit schurftige Novoline-bordeel wil ik weer beginnen? Ja, ik wil. Terugvallen is het alleen als het om honderdjes gaat, en ik ga me vandaag echt niet bezoedelen met moraline. Waarom ook? Ik sta al tachtig euro in de plus.
Een maand later zie ik Eduard op de bruiloft van een vriend. ‘Ik heb me ook laten uitschrijven,’ zegt hij grijnzend, en voegt eraan toe: ‘Jij bent echt uitgekookter geweest dan ik.’ Wow, ik uitgekookter dan Eduard. Daar had ik van zijn leven niet op durven wedden.
Sinds die bruiloft heb ik Eduard niet meer gezien. Op mijn twee sms’jes heeft hij niet gereageerd. De orde van de avonturiers is voor eens en voor altijd opgeheven. En dat nieuwe gedoe met de gokhal, zult u vragen? Laat ik het Beest maar eens consulteren.
Beest?
Hallo?
Be-heest!
Zegt niets.
Is waarschijnlijk dood.
De afstandelijke Jasmin belt. Ik heb eigenlijk geen zin om op te nemen.
Auteur: Anonymus
Beste lezer, beste lezeres,
Ik heb besloten niet te zeggen hoe ik heet, en het vaderschap van deze tekst te ontkennen. En dat doet pijn, want hij is toch echt van mij. Alstublieft, concludeer hier niet uit dat ik u niet vertrouw. Dat ik denk dat u zo’n oppervlakkig iemand bent die mij meteen veroordeelt.
Ik ben niet te laf om mijn fouten toe te geven. Daar ben ik trots op, en ik ben bereid me in te smeren met zwarte foutenolie om te protesteren tegen het huichelachtige bloesemwit van onze maatschappij. Maar ik wil graag nog over duizend dingen schrijven. Ik ben nog jong (van 1989). Mijn grote angst is dat ik over die duizend dingen niet meer kan praten omdat ik mezelf kwetsbaar heb gemaakt vanwege een verondersteld verslavingsverleden, dat ik niet heb. Ik hoop dat u dat begrijpt.
Beeld bovenaan: © Getty
Reportagen
Zwitserland | tweemaandelijks | oplage 16.000
Reportagen is een Duitstalig Zwitsers tijdschrift dat sinds het najaar van 2011 eens per twee maanden verschijnt en in september van dit jaar toe is aan nummer 30.
Het blad richt zich op het genre van de literaire reportage en wordt uitgegeven op A5-formaat met linnen omslag. De redactie huist in Bern, de opvallende vormgeving wordt verzorgd door het grafisch collectief Moiré in Zürich. Foto’s ontbreken geheel in het blad, dat als ondertitel ‘Weltgeschehen im Kleinformat’ draagt.
Verhalen vertellen is de drijfveer van hoofdredacteur Daniel Puntas Bernet en zijn kleine redactie. Het gaat in de uitgebreide artikelen eerder om de subjectieve waarneming van de schrijver, het verhaal, dan om een geobjectiveerde registratie van feiten, het verslag.
Bij Reportagen geen breaking news, maar berichten uit de Nebenschauplätze, verteld vanuit een ongewoon perspectief door een ongewoon goeie pen.

