In de inheemse gemeenschappen aan de Caribische kust van Nicaragua worden het Criollo, Garífuna, Rama, Ulwa en zelfs het Miskito, de meest gesproken inheemse taal van het land, met uitsterven bedreigd.
In de gemeenschap Wasakín, onderdeel van de gemeente Rosita in de Autonome Regio aan de Noord-Caribische Kust (RACCN) van Nicaragua, bestaat nog altijd een eeuwenoud sieraad: het Tuahka, een variant van het Mayangna, de lokale taal. Het is een cultureel relikwie dat tot nog toe heeft geweigerd te verdwijnen, maar waarvan het bestaan nu meer dan ooit gevaar loopt. Er bestaat geen formele telling die uitwijst welk deel van de inheemse bevolking daar deze taal spreekt, maar de leiders in het gebied die door Divergentes werden geraadpleegd schatten het aantal op nog geen 30 procent. In Wasakín en in andere inheemse gemeenschappen in het Caribisch gebied worden de eigen talen stelselmatig gemarginaliseerd, om vervolgens te worden vervangen door het Spaans. Er zijn evenmin officiële gegevens over het aantal sprekers van andere inheemse talen als het Miskito, Criollo, Garífuna, Rama en Ulwa. Dat iemand deel uitmaakt van een van deze volken betekent niet automatisch dat hij de taal spreekt.
‘Je ziet in het Caribisch gebied nog maar heel weinig kinderen inheemse talen spreken,’ zegt ‘Tangni’, een vrouw van het Miskita-volk in uit Puerto Cabezas (RACCN), die momenteel op eigen initiatief deze talen onderwijst, en anoniem wil blijven. Volgens haar wordt in de stedelijke gebieden aan de Caribische kust door bijna iedereen Spaans gesproken en zijn het in de rurale gemeenschappen de volwassenen of bejaarden die voornamelijk de eigen taal spreken. ‘In de gemeenschappen spreken kinderen en jongeren Spaans als eerste taal. Op de scholen, of die nu publiek of privé zijn en of het nu gaat om lager of voortgezet onderwijs, wordt altijd lesgegeven in het Spaans. Het behoud van onze talen wordt niet bevorderd, en we raken ze langzaam kwijt,’ stelt ze.
‘Als onze talen verdwijnen, betekent dat uiteindelijk het verdwijnen van onze volken’
Het behoud en de bevordering van de inheemse Caribische talen zijn in Nicaragua de laatste zorg van de overheid, verklaren plaatselijke leiders die wij spraken. In de praktijk zie je van staatswege geen enkele poging om deze talen te beschermen. Volgens Tangni organiseert de regering veel activiteiten aan de Caribische kust. ‘Heel veel zelfs,’ zegt ze, maar geen enkele die betrekking heeft op het behoud van de talen. ‘Er zijn heel veel culturele activiteiten; er is bijvoorbeeld veel dans, maar dat heeft niets te maken met de oorspronkelijke volken in de Cariben,’ voegt ze toe.
Wie zijn best doet om zich in te zetten voor deze voorouderlijke talen, wordt door de regionale autoriteiten het zwijgen opgelegd. Die schaarden zich bij de verkiezingen van maart 2024 volledig achter het sandinistische bewind, dat zichzelf 88,95 procent van de stemmen toerekende. De verkiezingen werden gehouden zonder deelname van ook maar één inheemse politieke partij. ‘Als onze talen verdwijnen, betekent dat uiteindelijk het verdwijnen van onze volken,’ zegt ‘Virgilio’, een Mayangna-leider uit de streek, die eveneens anoniem wil blijven en zich toelegt op het onderwijzen van het Tuahka.
Een van de belangrijkste klachten van de inheemse gemeenschappen is dat ze gedwongen worden hun onderwijs in het Spaans te volgen, waardoor de positie van hun oorspronkelijke talen verzwakt en deze uiteindelijk enkel nog binnen de familie worden gebruikt. ‘Door het onderwijssysteem is onze taal versplinterd geraakt en verzwakt. Ze leren ons, de inheemse volken, een vreemde taal die niet de onze is. De staat maakt ons ondergeschikt aan zijn eigen belangen, en deels gebeurt dat door middel van taal. Je kunt een groep niet onderdrukken als die jouw taal niet spreekt,’ merkt Virgilio op.
‘Wet 162’
Op bijna alle scholen in het Caribisch gebied zijn de lessen in het Spaans, net als het onderwijsmateriaal dat de leerlingen wordt aangeboden. Dat is evenwel in tegenspraak met ‘Wet 162’, de ‘wet op het officiële gebruik van de talen van de gemeenschappen in het Caribisch kustgebied’, die bepaalt dat de gemeenschappen recht hebben op onderwijs in hun eigen taal.
In die wet staat ook dat de talen van de Caribische gemeenschappen de officiële voertaal moeten zijn in de autonome regio’s. In de praktijk is het Spaans er echter de voertaal, niet alleen in de onderwijsinstellingen, maar ook in de rest van de door de regionale overheid beheerde instanties.
Het Regionaal Autonoom Educatief Stelsel (SEAR), dat valt onder het ministerie van Onderwijs, moet ook garant staan voor een Tweetalig Intercultureel Onderwijsprogramma (PEBI) of voor Tweetalig Intercultureel Onderwijs (EBI), dat wil zeggen onderwijs zowel in de officiële eigen taal van de gemeenschap als in het Spaans. ‘Maar dat stelsel heeft niets educatiefs of autonooms,’ verzekert Virgilio. ‘Het SEAR is bedacht om de bevolking het idee te geven dat de staat zijn best doet voor de inheemse gemeenschappen en hun welzijn, maar zo is het niet. Er wordt gewerkt met een onderwijsmethodiek die niets van doen heeft met het gebruik en behoud van de inheemse talen,’ zegt hij.
Al bepalen Wet 162 en het SEAR dat de oorspronkelijke volken recht hebben op onderwijs in de eigen taal en geworteld in de eigen culturele identiteit, er worden maar een paar lessen in de eigen talen gegeven. Op sommige scholen heet dat vak Moedertaal. ‘Het is het ministerie van Onderwijs dat de lesmethode aan de leraar oplegt en ook al schermen ze met plannen voor tweetalig onderwijs, in werkelijkheid zijn de leraren altijd verplicht Spaans te spreken. Tegenwoordig gebruiken we onze taal alleen thuis, maar niet binnen het onderwijs, waar het aangemoedigd zou moeten worden,’ aldus Virgilio.
Het Mayangna is een van de talen die de afgelopen jaren het kwetsbaarst bleek
Bovendien krijgen niet alle inheemse Caribische talen een kans op school in de weinige lessen die niet in het Spaans worden gegeven. Het Miskito wordt het meest gegeven, zegt Tangni, al is het gebruik ook daarvan afgenomen bij de jongste generaties. Over dit gebrek aan prioriteit voor talen stelt Virgilio vast dat de Tuahka-variant van het Mayangna een van de meest bedreigde is; er bestaan immers drie varianten van deze taal in Nicaragua: het Panamahka, de meest gesproken variant, het Yusku en het Tuahka.
Het Mayangna is een van de talen die de afgelopen jaren het kwetsbaarst bleek en binnen de gemeenschappen het meest achteruit is gegaan, zo bleek uit de studie Het Mayangna: 30 jaar na het begin van de taalactiviteiten in de gemeenschap, van onderzoekers Elena Benedicto en Elizabeth Salomón. Volgens dat onderzoek werd het PEBI-programma in het Mayangna in 2010 tot de vierde klas van de lagere school aangeboden, al schrijft Wet 162 voor dat dit tot het voortgezet onderwijs moet gebeuren. De lessen werden gegeven met tekstboeken die voor alle vakken, inclusief lees- en schrijfmateriaal, in het Mayangna waren geschreven. Eind 2010 echter hield de staat, die al onder het gezag van Daniel Ortega en Rosario Murillo viel, de heruitgave van deze boeken tegen en zagen de scholen zich genoodzaakt boeken in het Spaans te gebruiken. Bijgevolg werden de lessen voortaan ook in die taal gegeven. De onderzoekers noemen het nog het zorgwekkendst dat dit plaatsvindt in taalkundig sterke gemeenschappen. ‘Je kunt je dus afvragen wat er gebeurt in taalkundig kwetsbare gemeenschappen.’
Hervormingen
Virgilio merkt op dat verschillende leiders uit de regio bij het SEAR nieuwe hervormingen voor de wet op tweetalig intercultureel onderwijs hebben voorgesteld, maar dat die al jaren stelselmatig worden afgewezen. ‘Wat er gebeurt, is dat iedere keer dat iemand met een voorstel aankomt bij de overheid, die met een tegenvoorstel komt en jouw voorstel afwijst,’ merkt hij op. Tangni wijst er van haar kant op dat alleen al publiekelijk klagen over de huidige situatie van de inheemse talen een ‘risico’ betekent, het risico dat je wordt gezien als politiek tegenstander van het regime Ortega-Murillo. ‘Ook al willen we onze stem verheffen, er gaat niet naar geluisterd worden. De staat doet niets voor het behoud van de talen, maar er zijn wel lokale initiatieven. De gemeenschappen doen hun best om hun taal te behouden, en wel in de oorspronkelijke vorm, want ook de talen zijn onderhevig geweest aan veranderingen,’ zegt ze.
Daarom onderwijst Tangni met haar eigen initiatief het Miskito en het Mayangna; Virgilio zet zich in om de kennis van de Mayangna-gemeenschap over te brengen via een prominente gemeentelijke school, waar hij behalve de taal ook het scheppingsverhaal en de manier van kijken naar de kosmos van zijn volk onderwijst. Het probleem van al deze initiatieven is dat ze moeilijk vol te houden zijn, zowel wat personeel als wat economische middelen betreft. ‘Er is geen steun voor groepen zoals wij die onze cultuur willen redden. Je hebt mensen nodig die zich ervoor inzetten, want zoals het nu gaat, raken we onze taal, identiteit en gewoonten kwijt,’ aldus Tangni.
Virgilio merkt op dat veel jongeren ook nog eens halverwege de cursus stoppen en dat maar weinigen het tot het eind volhouden. ‘Het gaat om een eigen initiatief, er is geen geld, er zijn geen middelen. Soms raken onze jongeren gedemotiveerd. Aan het eind van zo’n cursus zijn er dan nog maar drie of vier over; en toch is dat een succes, omdat onze kennis zo toch wordt overgedragen,’ zegt hij. ‘Voor de staat vormt dit soort initiatieven een bedreiging, want je kweekt jongeren en kinderen zodanig dat ze vasthouden aan hun cultuur en volk. De regering heeft er meer baat bij dat een inheemse gemeenschap afziet van haar traditionele leefwijze, haar grond en alles wat het vergunningenbeleid en de houtkapplannen in de wielen kan rijden,’ voegt hij toe.
Tangni merkt op dat terwijl de Miskito’s en Mayangna’s nog weerstand bieden om hun taal te behouden, er ook volken zijn waarvan de taal langzaam maar zeker is gemarginaliseerd, en dat niet bekend is hoevelen die nog spreken. Wel is bekend dat ze op het punt staan om uit te sterven, zoals het Ulwa-volk. ‘Ik persoonlijk ken maar één iemand die Ulwa spreekt. Die taal gaat het niet redden,’ zegt ze.

