hoe de favela me leerde schrijven


Geovani Martins (27) schreef een verhalenbundel over de sloppenwijken van Rio waar hij opgroeide. Het boek is een sensatie in binnen- en buitenland.

Ik ben geboren in Bangu, in [het arme] oosten van Rio de Janeiro, 
op 18 juli 1991. In 2004, toen ik 13 jaar was, verhuisde ik samen met mijn moeder en broertjes naar [het rijkere] zuiden van de stad. Ik noem deze plekken en data omdat de dertien verhalen uit mijn eerste verhalenbundel het gevolg zijn van de grote indruk die 
die verhuizing op mij maakte.

Alles was anders: de manier van praten, de spelletjes op straat, de regels bij het voetbal, hoe er gedribbeld werd, de vliegers, de muziek, het ritme van de bewoners, het volume van het geschreeuw, zelfs de zon leek er anders te schijnen. Ik moest wennen, probeerde me aan te passen, nieuwe vrienden te maken en had tegelijk heimwee, wilde terug naar Bangu, naar mijn eigen Rua Araruama [Araruamastraat], waar iedereen mij kende, en omgekeerd. Mijn hele verdere jeugd stond 
in het teken van deze overgang. Soms ging ik een tijdje terug naar mijn grootouders in Bangu, bleef er een paar maanden en ging dan – meestal ’s zomers – toch weer terug naar Vidigal, omdat ik het strand miste.

Ongeacht waar ik woonde was één ding zeker: in het weekend bezocht 
ik altijd mijn andere thuis in de stad. Zonder een cent op zak reisde ik samen met mijn vier jaar jongere broertje dwars door Rio. We namen bus 756, die inmiddels is opgeheven, voor jochies van mijn generatie een historische lijn. Die lijn verbond Senador Camará met Barra da Tijuca en passeerde Bangu en Cidade de Deus [de favela uit de gelijknamige film].

17 keer verhuisd

Na die eerste verhuizing kwamen er nog veel meer; in 2015 was ik maar liefst 17 keer verhuisd. Die gang langs zo veel huizen, stegen, straten en pleinen veranderde mijn kijk op de stad. Later nam ik deel aan het Festa Literária das Periferias [FLUP, Literair Festival van de Periferie] en bezocht daardoor elke week een andere favela. In mijn werk ga ik ervan uit dat de periferie altijd in beweging is en nooit synoniem is met de favela. De favela van nu is een centrum op zich, een economische gangmaker. De favelado [favelabewoner] creëert en consumeert precies als alle andere mensen op aarde. En met consumeren bedoel ik niet alleen Nike, Adidas, Kenner, Honda, Black Label, Red Bull, Samsung, Sony, Microsoft. Ik heb het evengoed over de populaire cultuur waar jongeren uit de hele wereld mee weglopen, de internationaal bekende films en series waar mijn vrienden op hun smart-tv’s naar kijken. En ook Shakespeare, Frida Kahlo en Machado de Assis vinden in de steile straatjes en gangetjes van de favela’s een publiek. Er zijn legio voorbeelden, ik zal alleen dat van de jonge Eva noemen, over 
wie het tijdschrift Setor X in een recent nummer schreef. Ze komt uit Manguinhos, maar Eva’s lievelingsmuziek is Zuid-Koreaanse rock. En de dans uit dat land volgt ze op de voet.

Tegelijk kun je elk huis in Rio als een epicentrum zien. Parallelle geschiedenissen van verschillende Braziliës kruisen elkaar en waar ze elkaar ontmoeten wordt de taal opnieuw uitgevonden. Bij het zoeken naar een geschikte taal om de verhalen uit mijn boek in op te schrijven, gaf dat idee me houvast. Natuurlijk hielp het enorm dat ik dagelijks hetzelfde slang gebruik als de personages uit mijn boek. Ik pas me makkelijk aan aan de verschillende manieren waarop het Braziliaans Portugees wordt gesproken. Omdat ik in favela’s gewoond heb waar de drie belangrijkste gangs van Rio de baas waren, en in een andere, waar de milities het voor het zeggen hebben, ben ik met de eigenaardigheden van al deze regio’s vertrouwd geraakt. Maar het is niet eenvoudig om daar literatuur van te maken.

Ik probeerde de personages vanuit dat idee te construeren. Naast de toon waarin ik een bepaald verhaal besloot te vertellen, wilde ik meerdere registers gebruiken. Als mijn taalgebruik meer naar literair Portugees neigde, deed ik mijn best om er ook slang en populaire uitdrukkingen in te verwerken. En wanneer ik om een verhaal te vertellen juist de spreektaal gebruikte en misbruikte, was er ook altijd wel plek voor een meer formeel Portugees woord. Dat heeft me wel wat vragen opgeleverd over het realistische gehalte van mijn verhalen: praten mensen echt wel zo? Ik blijf van mening van wel. De personages uit mijn boek zijn stuk voor stuk gebaseerd op echte mensen, die nu eenmaal van nature complex en onvoorspelbaar zijn.

Kinderen voetballen in een van de favela’s van Rio de Janeiro. – © Madoka Ikegami / Getty Images
Kinderen voetballen in een van de favela’s van Rio de Janeiro. – © Madoka Ikegami / Getty Images

Als ik nu terugdenk aan mijn motieven uit die tijd, springt er één uit: wanhoop. Ik was 24, werkloos, had geen opleiding en moest mijn huis uit. In dat jaar, 2015, had ik meegedaan aan het Festa Literária International de Paraty (FLIP). Ik presenteerde er, samen met collega-schrijvers, het literaire tijdschrift Setor X, dat we maakten in [de favela’s] Rocinha, Manguinhos en Complexo do Alemão. Er was veel enthousiasme over ons panel en zowel lezers als mensen uit de uitgeversbranche kwamen achteraf met ons praten. In die tijd had ik nog geen voltooid werk dat ik kon laten zien, had zelfs geen project op stapel staan. Ik nam me voor bij de volgende gelegenheid wel goed voorbereid te zijn.

Ik haalde mijn moeder over om me te ondersteunen. Ik zei tegen haar: ik kan een tijdje niet werken omdat ik een boek ga schrijven, een boek dat mijn leven gaat veranderen. Dona Neide vond het goed en ik begon aan een roman. Al sinds ik in 2013 voor het eerst aan FLUP had meegedaan, schreef ik verhalen, maar iedereen zei tegen me dat het lastig was om voor een verhalenbundel een uitgever te vinden. Dat kon eigenlijk alleen als ik zelf voor de kosten op zou draaien, wat voor mij ondenkbaar was.

Helaas vlotte het niet erg met mijn roman. Wat ik schreef deed erg geforceerd aan, en gelukkig zag ik dat op 
tijd in. Terwijl ik bezig was, hoorde 
ik over een schrijfwedstrijd voor minisuspenseverhalen georganiseerd door de Biblioteca Parque Estadual [een bibliotheek in het centrum van Rio], waar je een fiets mee kon winnen. Voor die wedstrijd schreef ik een verhaal, ‘Primeiro Dia’ [Eerste Dag], van veertig regels, de maximumlengte die het mocht hebben, en nam de fiets mee naar huis.

Mijn roman kreeg de definitieve genadeklap toen mijn computer het begaf

Mijn roman kreeg de definitieve genadeklap toen mijn computer het begaf. Ik liep dagen na te denken wat ik moest doen: werk zoeken, een eigen woning huren? Hoe goed ik het ook met mijn moeder kon vinden, het was best lastig om na al die jaren op mezelf weer bij haar te wonen, helemaal in zo’n afhankelijke positie. Maar op een dag kwamen mijn moeder en mijn stiefvader terug van de Feira do São Cristovão [een bekende markt in Rio] met een schrijfmachine. Een goed 
werkende Remington 22, compleet 
met inkt. Ik was buiten mezelf van vreugde. Nog diezelfde dag begon 
ik een nieuw verhaal te schrijven, 
‘A Viagem’ [De reis], dat in de verhalenbundel is opgenomen.

De bibliotheek organiseerde een nieuwe miniverhalenwedstrijd. Dit keer was de opdracht om een verhaal van minder dan veertig regels te schrijven over de zomer. Ik liep al een tijdje rond met het idee om iets te schijven over spanningen op een overvol strand, dus ik schreef in veertig regels de eerste versie van ‘Rolézim’ (titel van het verhaal waarmee O Sol na Cabeça opent. Daarin wordt, in een geheel eigen taalgebruik doorspekt met slang, een dag beschreven uit het leven van een groep jongetjes uit een arme buitenwijk). Ik vond dat het verhaal potentie had maar was niet tevreden over de tekst, dus stuurde het niet in voor de wedstrijd. Na een paar weken, toen ik een hele dag met mijn broer had zitten praten, die op het strand werkte, nam ik de tekst opnieuw onder handen. Dat was een goede les voor me. Ik was dagen bezig het te herschrijven, merkte dat ik door eerst iets met de hand te schrijven en het pas daarna uit te typen, veel meer controle had over de woorden en de interpunctie. Het kostte me drie maanden voordat de tekst helemaal af was, maar toen ik klaar was wist ik zeker dat ik een verhalenbundel moest schrijven.

Het schrijven van ‘Rolézim’ hielp me erg. Zowel bij het bepalen van het concept en de structuur van het boek als bij het vinden van een literair genre dat bij me paste. Maar toch was elk 
verhaal weer een bevalling. Ik was van maandag tot vrijdag, zes tot acht uur per dag, aan het werk. In het weekend probeerde ik te ontspannen, raakte mijn schrift en mijn Remington niet aan. Maar in feite was ik het grootste deel van de tijd bezig verhalen te 
verzinnen, personages uit de diepen, zinnen aan elkaar te naaien die ik op straat had gehoord, dingen te repareren, de opbouw uit te denken, het ene woord te verruilen voor het andere.

Geldgebrek

Zo bracht ik heel 2016 door in de universums van mijn verhalen. Maar aan het einde van het jaar moest ik, door geldgebrek, ingaan op de uitnodiging van mijn broer de hele zomer [in Brazilië van december tot februari] in een strandtent te gaan werken. Met het geld dat ik daar verdiende, kon ik een kamer in Rocinha huren en wat meubels kopen. Maar door mijn werk had ik geen tijd meer om te schrijven, ik was wel twaalf uur per dag bezig. Het boek lag dus op de plank tot maart 2017, toen ik werd uitgenodigd om deel te nemen aan het parallelprogramma van FLIP. Na die uitnodiging stopte ik met het werk op het strand en legde de laatste hand aan mijn boek, herzag 
de verhalen die ik had geschreven en schreef drie nieuwe, waar ik al langer mee rondliep: ‘Espiral’, ‘Travessia’ en ‘Sextou’ (verhalen uit O Sol na Cabeça). Ik nam het boek mee in de hoop er op het festival uitgevers voor te interesseren. Dat bleek veel gemakkelijker dan ik dacht: de schrijver Antonio Prata, moderator van het panel waar ik aan meedeed, had de verhalen die ik had ingestuurd naar het festival gelezen, was geïnteresseerd en sprak over mij met Ricardo Teperman, zijn redacteur bij Companhia das Letras [een bekende literaire uitgever]. Ricardo kwam kijken, we raakten in gesprek en een week later tekenden we het contract voor de uitgave van het boek.

Sindsdien is er veel gebeurd. O Sol na Cabeça had als eerste lezers [de zanger] Chico Buarque, [de documentairemaker en journalist] João Moreira Salles, [de filmmakers] Fernando Meirelles en Walter Salles… Het wordt in negen talen vertaald en de filmrechten zijn verkocht. Maar het allerbelangrijkste wat het me heeft opgeleverd, is dat ik de belofte aan mijn moeder niet heb hoeven breken.

Auteur: Geovani Martins

Época
Brazilië | weekblad | oplage 440.000

Época werd in 1998 gelanceerd door de machtige Globo-groep, en is geïnspireerd op het Duitse blad Focus. Het tijdschrift slaagde er niet in om marktleider Veja van de troon te 
stoten, maar is intussen wel een 
van de best verkochte opiniebladen.


Deel dit artikel


Recent verschenen