Libische milities smokkelen olie van hun land naar Europa, met steun van de politie en de kustwacht, en in eendrachtige samenwerking met de maffia.
Sabratah ligt aan de uiterste westkant van de Libische kust. De stad, ooit gesticht door Feniciërs, staat bekend om zijn Romeinse ruïnes. Recent zwaaiden Moeammar Gaddafi, rebellengroepen en de Islamitische Staat (IS) er beurtelings de scepter.
Nu biedt Sabratah een vrijhaven aan militanten en brandstofsmokkelaars, die dit historische deel van de Noord-Afrikaanse kust tot hun werkgebied hebben uitverkozen.
‘Wacht tot het donker is, dan zie je tientallen mannen schepen vullen met brandstof,’ zegt Davide. Dat is niet de echte naam van deze ingenieur uit Noord-Italië van ergens in de vijftig die jarenlang in het westen van Libië heeft gewerkt en om veiligheidsredenen anoniem wil blijven.
‘Tientallen schepen, tientallen tankers heb ik in het volle blikveld van de lokale kustwacht vanuit Sabratah zien vertrekken,’ zegt hij. ‘De milities, die het gebied tussen Zawiya en Sabratah controleren, verdelen onderling de zones die voor hen van belang zijn, met medeplichtigheid van de politie en de lokale kustwacht.’
Hij vertelt dat de brandstof naar havens in heel Europa gaat, ‘onder de ogen van degenen die de kust zouden moeten controleren. Iedereen weet het.’
Volgens hem beheersen de Hneesh en de Dabbashi, twee van de machtigste clans in het westen van Libië, de brandstofsmokkel en mensenhandel. Geschillen worden meestal gewapenderhand beslecht. ‘De mensen die de regio in de gaten zouden moeten houden worden met de dood bedreigd,’ zegt Davide. ‘Dus als ze iets zien, melden ze dat niet. Het gebied is afhankelijk van brandstofsmokkel, vooral nu contant geld schaars is geworden in Libië. De hele economie valt ten offer aan wetteloosheid en corruptie.’
Het geld in Libië is nauwelijks meer waard dan het papier waarop het is gedrukt
Libië heeft grotere toegang tot ruwe oliereserves dan enig ander land in Afrika. De economie van het land is altijd sterk afhankelijk geweest van de brandstofexport. Eind januari werden er 715.000 vaten olie per dag opgepompt: dat was het hoogste niveau sinds 2014, maar nog altijd minder dan de helft van de dagelijkse productie van 1,6 miljoen vaten vóór de revolutie van 2011. Veel van die olie, gewonnen terwijl er chaos in het land heerst, wordt nu weggesluisd door smokkelaars.
Volgens de Libische autoriteiten hebben deze praktijken het land meer dan een half miljard dinar – ruim 340 miljoen euro – gekost. Om een idee te geven van wat dat betekent: in 2016 werden de Libische begrotingsinkomsten geraamd op 5,4 miljard euro, terwijl de uitgaven bijna 13 miljard euro bedroegen. De Libische staatskas kampt dus met grote tekorten.
Volgens de Libische politie gebruiken de smokkelaars zowel kleine boten als tankers die wel 40.000 liter geraffineerde brandstof kunnen vervoeren. De lading van de schepen uit Sabratah wordt in Malta, op 160 mijl van de Libische kust, en ook in Sicilië verkocht, voordat ze het Italiaanse vasteland bereikt.
Op 27 januari kondigde Sadiq al-Sour, openbare aanklager van de zogeheten regering van Nationale Overeenstemming, een groot onderzoek aan inzake corruptie in de oliesector, gericht op de smokkel van geraffineerde producten van Libië naar Italië, Malta, Cyprus en Griekenland. De macht van de smokkelaars kan echter ver reiken. Op 4 januari beschuldigde Mustafa Sanalla, hoofd van het nationale Libische oliebedrijf, de Bewakers van Petroliumfaciliteiten – een officiële instantie – van corruptie en medeplichtigheid aan de praktijken van binnenlandse en buitenlandse smokkelaars. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Een dag na deze aantijging werd de belangrijkste elektriciteitscentrale van Zawiya, een stad van zo’n 200.000 inwoners, stilgelegd. Het westen van Libië moest het dagenlang zonder stroom stellen.
‘Brandstofkartels bestieren het gebied rond Zawiya,’ zegt Davide. ‘Ik heb gehoord van milities die controleposten opzetten, met de bedoeling wegen te blokkeren voor een ongestoorde doorgang van tankwagens naar de haven. In Sabratah vertelt iedereen me dat de Libische milities overeenkomsten hebben gesloten met Siciliaanse maffiafamilies, die de naar Italië gesmokkelde brandstof beheren.’
Terwijl de smokkelaars zich verrijken, komt aan het lijden van veel Libiërs voorlopig geen einde. Het geld is er nauwelijks meer waard dan het papier waarop het is gedrukt. En hoe armer het land wordt, hoe meer het misnoegen onder de bevolking groeit. In Tripoli belegeren honderden klanten dagelijks de banken. Ze willen toegang tot hun geld. Maar dat is weg: in Libië is bare munt het privilege van de brandstofsmokkelaars en mensenhandelaars, niet van de gemiddelde Libiër.
Moe
Nasser is zestig en heeft zeven kinderen: een paar jaar geleden nog verkocht hij auto’s en was hij rijk. Nu heeft hij niet meer over dan een paar duizend dinar bij de bank. En daar gaat Nasser, die uit oogpunt van veiligheid weigert zijn volledige naam te geven, elke ochtend naartoe. En elke ochtend krijgt hij er hetzelfde te horen: er is geen contant geld.
Nasser is moe. ‘Geen van jullie Europese regeringen wil ons helpen,’ zegt hij. ‘Vanuit het raam zien jullie mensen sterven in zee. Europese regeringen bedrijven propaganda met hun militaire operaties in de Middellandse Zee die ze namen geven als Sophia, Triton of Frontex. Ondertussen worden onze kusten continu geplaagd door zware misdaad, en niemand die probeert dat op te lossen.’
Tijdens een EU-top op 3 februari verplichtten Europese leiders zich tot uitgaven van 200 miljoen euro om illegale migratie en mensensmokkel vanuit de Noord-Afrikaanse kust in te dammen. Een maatregel die volgt op operatie Sophia, die was bedoeld de mensensmokkel tegen te gaan maar door diverse regeringen als een mislukking is bestempeld.
Iedereen, zegt Nasser, heeft er voordeel bij – behalve de man in de straat. ‘Niemand probeert er iets aan te doen omdat er op grote schaal van onze energiebronnen wordt geprofiteerd. Europese landen hebben jarenlang geprofiteerd. Nu zijn de Europeanen hier niet langer welkom. Hun aanwezigheid is verworden tot uitbuiting, diefstal.’
Tegenwoordig is de kustweg van Tripoli naar Sabratah – twee van de grootste steden van Libië – afgesloten vanwege gevechten tussen milities, die dagelijks levens eisen en tot ontvoeringen leiden. En toch blijft ENI, het belangrijkste Italiaanse energiebedrijf, hier op volle kracht werken, zelfs in de donkerste momenten van de burgeroorlog.
Veel werknemers van Mellitah Olil and Gas, ENI’s Libische dochteronderneming, zeggen na wat lokale bewoners beweren: dat de Dabbashi-stam afspraken heeft gemaakt om de veiligheid van de energiereuzen te waarborgen – afspraken die even vertrouwelijk als winstgevend zijn. In een van augustus 2015 daterende brief, die door een bron binnen de Libische geheime dienst is doorgespeeld naar Middle East Eye, staat dat het ‘bataljon van de martelaar Anas Dabbashi een begin heeft gemaakt met de beveiliging en bescherming van de compound. Het zal aanwezig blijven nabij de compoundingang en de weg die het complex verbindt met de westelijke ingangspoort van Sabratah.’
De brief is ondertekend, aldus de bron, door vertegenwoordigers van Mellitah en de Dabbashi-clan. Zowel ENI als Mellitah Oil and Gas heeft nog niet gereageerd op vragen van de media.
‘Het is een domino-effect. We zijn in de steek gelaten, en nu is het land in chaos. Zo lang Libië zo gevaarlijk blijft, zullen westerse regeringen ons links laten liggen’
Ook zou de Dabbashi-clan betrokken zijn bij mensenhandel, naast brandstof- en wapensmokkel. Dat hebben Libische geheime diensten Middle East Eye verteld. Vorig jaar heeft de burgemeester van Sabratah de Dabbashi-clan er publiekelijk van beschuldigd de aanwezigheid van IS in het gebied te hebben verheimelijkt, en in 2016 opdracht te hebben gegeven tot ontvoering van vier Italiaanse werknemers.
Vertrouwelijke bronnen in de Libische regering zeggen dat de milities buitenlandse bedrijven dwingen steekpenningen te betalen om in het gebied te kunnen blijven werken: er kan zowel contant als met brandstof worden afgerekend. Libische bronnen binnen de inlichtingendiensten vertelden Middle East Eye dat de corruptie zo alomtegenwoordig is dat hele eenheden van politie en kustwacht openlijk betrokken zijn bij de criminele handel, met name in de regio Zawiya-Sabratah.
In Tripoli klaagt Abdrazaq Alshneti, een ambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken, over het gebrek aan steun van westerse regeringen. ‘Het is een domino-effect,’ zegt hij ‘We zijn in de steek gelaten, en nu is het land in chaos. Er is hier geen enkele veiligheid. Zo lang Libië zo gevaarlijk blijft, zullen westerse regeringen ons links laten liggen.’
Volgens Alshneti spelen dezelfde milities die brandstof smokkelen ook een grote rol in de mensenhandel in Tripoli. Er zijn, zo zegt hij, zeker zo’n tien illegale detentiecentra, rechtstreeks onder het beheer van milities. Dezelfde milities die moeten worden beteugeld, wil Libië enige vooruitgang boeken.
‘Het is veel meer dan een politiek probleem,’ zegt Alshneti. ‘In Libië is een regering van nationale eenheid ondenkbaar zolang er geen krachtig nationaal leger is.’
Auteur: Francesca Mannocchi
Vertaling: Carl Stellweg
Middle East Eye
Ver.-Kon. | middleeasteye.net

